Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is
Part 9
Eugenie zelve gevoelde dit ook dagelijks meer en meer, en op de meest ongekunstelde wijze sprak zij die gedachte zelf uit, altoos op haar zonderlinge manier om de zaken uit te drukken.
„Tante,” vroeg zij eens, „wie van uw beide bakerkinderen veroorzaakt u eigenlijk de meeste moeite? Madeliefje, die ongelikte jonge boerin, of de ondeugende en lastige Eugenie? Beken het maar, het tweede bakerkind is 't lastigst van de beiden. Maar wat kan zij het helpen, die zoo lang in 't spinneweb verward is geweest, dat het weken duurde eer ze zag hoe ze er uit kon geraken. Maar nu word ik ook zoo duf en oudbakken als onze oude kat thuis, die op haar ouden dag geen muizen meer wil vangen; waarschijnlijk wel, omdat Tante Betsy haar in 't oor heeft geblazen dat dit zonde is. Foei, als Mama eens zag hoe ik daar aan een grove wollen kous zit te breien, of de kleine kinderen met hunne vuile neuzen kus; wat zou 't goede mensch van mij schrikken! Ze kocht mij zeker terstond den kost in 't oude-vrouwenhuis, waar ze zou zeggen, dat mijn plaats was!”
En dan begon ze op haar gewone vroolijke manier te lachen en draaide met mij in de rondte, 't geen ik me maar moest laten welgevallen, of ik wilde of niet.
Ondanks haar elegante uiterlijke beschaving, kwamen er toch bij Eugenie allerlei dingen te voorschijn, die Tante Betsy berispte, en ik knoopte hare aanmerkingen tot mijn eigen behartiging in 't oor. Zoo had b. v. Eugenie er veel pret in, om uit het venster te kijken en allerlei opmerkingen te maken over de voorbijgangers. Ik vond dat ook heel prettig; en zoo lagen wij beiden eens met onze schouders ver uit het geopende venster, om toch al wat er beneden op straat voorbijging goed op te nemen. Maar spoedig kwam Tante er op aan en beknorde ons braaf over ons ongepast gedrag; want het beviel haar niet, als jonge meisjes niets beters weten te doen dan uit het venster te liggen kijken; en zoo met het geheele bovenlijf in de lucht te hangen was geen teeken van welvoeglijkheid.
Ik trok mijn hoofd dadelijk naar binnen; maar Eugenie lachte zooals altijd, en zeide dat Tante bang was voor een bestorming van haar kasteel, om de daarin gevangene schoonen te bevrijden; daarom wou ze ons aan de oogen der wereld onttrekken. Ze deed echter wat Tante bevolen had, en 't open venster zag ons van toen af slechts voor weinige oogenblikken.
Een ander gebrek van Eugenie, dat ik echter minder met haar deelde, was 't gebruik van krachtige uitdrukkingen en ongepaste woorden. 't Was inderdaad grappig om te hooren, hoe dat fijne dametje soms duchtig kon razen en er wel eens soldatenwoorden uit dat fijne mondje vlogen.
„Ik ben nu eenmaal zoo'n halve jongen, wat kan ik het helpen!” antwoordde zij op de terechtwijzingen van Tante daarover; toch hoorde men dergelijke uitdrukkingen minder dan vroeger. Ook op 't ijdel gebruik van Gods naam en zoogenaamde bastaardvloeken maakte Tante haar opmerkzaam, en ze gaf zich werkelijk veel moeite om 't af te leeren; ofschoon ze zei dat ze wel een slot op haar mond mocht leggen, omdat ze hier geen mensch naar den zin kon spreken.
Verwende menschen zijn achteloos ten aanzien van 't geen zij anderen verschuldigd zijn, en zoo ging 't ook Eugenie, wie 't geheel en al onverschillig was, of anderen reden hadden oplettendheden van haar te verwachten of niet.
„Laat mij toch met rust. Ik kan dat bezoekenafleggen niet uitstaan,” antwoordde zij steeds op de herinnering van Tante, dat ze de een of andere dame een bezoek schuldig was. „De menschen zijn mij ten eenenmale onverschillig; ik kan 't niet uitstaan dat zij zich om mij bekommeren!” Kwam zij er eindelijk toe om ergens een visite te maken, dan deed ze 't met zooveel beminnelijkheid, dat ze alle menschen in verrukking bracht. Tante was op zulke kleine maatschappelijke plichten zeer streng. „Wie zich,” zeide zij, „in 't kleine gewent om de plichten jegens zijn medemenschen in 't oog te houden, zal ook in grootere zaken zoo handelen.”
Deze geringschatting van anderen was ook de oorzaak dat Eugenie dingen, die aan anderen toebehoorden, niet ontzag en dit had reeds meermalen onaangenaamheden veroorzaakt. Op een prachtige sjaal, die een dame haar bij 't naar huisgaan opgedrongen had, maakte de hond een vlek, die er slechts met groote moeite uit te krijgen was; een parapluie, die zij geleend had, liet zij ergens staan en moest er natuurlijk een nieuwe voor terugzenden; op het mooie album van Amanda liet ze olie vallen en bemorste daardoor niet alleen eenige schoone teekeningen, maar ook Tantes tafelkleed. Wel herstelde Eugenie de schade door nog schooner teekeningen en een ander tafelkleed, maar 't gaf haar wat moeite en kosten, en zij had dat alles kunnen sparen, als ze wat zorgvuldiger op 't eigendom van anderen gepast had. Even onachtzaam ging zij met de boeken om, die men haar leende, en Tante zeide haar heel streng, dat het haar niet verwonderen zou, wanneer niemand haar meer een boek wilde toevertrouwen, daar ze er nooit een zonder ezelsooren of beduimelde bladeren en vlekken teruggaf. „Het is een teeken van weinig opvoeding, kindlief!” zoo eindigde Tante haar toespraak, waarnaar Eugenie met weinig oplettendheid luisterde. Intusschen had ze in 't vervolg toch meer attentie voor andere menschen en voor hun eigendom.
Niet, dat ze met haar eigen goed zorgvuldiger omging; 't kostte Tante vrij wat moeite, om haar het verkeerde daarvan onder 't oog te brengen. Te denken dat het spaarzaamheid was, haar goed te ontzien, was nog nooit in haar opgekomen, en daar zij evenveel onachtzaamheid en onervarenheid in 't gebruiken van haar geld aan den dag legde, deed het Tante veel genoegen, toen Eugenie haar tot haar minister van financiën benoemde. Onder zulk een leiding leerde zij spoedig haar geld beter besteden; toch had ze altijd grooten lust, om meer uit te geven dan haar inkomsten bedroegen.
„Ik moet een rijken man hebben,” zeide zij dikwijls, en 't scheen mij toe, dat ze daarin geen ongelijk had.
„Maar als je nu eens een armen krijgt, hoe dan?”
„Dien neem ik niet. Misschien neem ik er wel in 't geheel geen,” antwoordde zij op die vraag.
Eugenie's zorgeloosheid omtrent haar goed strekte zich ook uit tot iets, waarvan ik 't volstrekt niet begrijpen kon, en wel tot haar correspondentie. Ik bewaarde mijn brieven achter slot en 't was wel een blijk van 't grootste vertrouwen, als ik iemand een blik in de brieven, die ik ontving, veroorloofde. Eugenie daarentegen scheen geen waarde aan de haren te hechten; zij slingerden dagen lang open en bloot over de tafel en zij gebruikte ze menigmaal tot omslag voor alle mogelijke dingen of bezigde ze voor papillotten.
Nu scheen er in deze brieven, zoowel in die, welke zij van hare mama, als die ze van goede bekenden ontving, al heel weinig te staan, dat eenige attentie waard was, en van haar vader kreeg ze hoogst zelden tijding. Alleen zijn brieven sloot ze zorgvuldig in haar mappe, en na de ontvangst daarvan was ze steeds voor een poos ernstiger en zachter gestemd dan gewoonlijk. Ten opzichte van dit verschijnsel herinner ik mij een tooneel, dat mij altijd onvergetelijk is gebleven en wel getuigenis gaf van haar gevoel.
Met onbeschrijfelijk groot verlangen had ik op tijding van huis gewacht en met luid gejubel ontving ik die, toen we juist met ontbijten gedaan hadden. Er was een brief van mijne lieve mama bij, en haar trouwe, liefdevolle woorden troffen mij zoo, dat de tranen mij over de wangen rolden en ik een paar hartelijke kussen op 't mij zoo lieve schrift drukte.
Eugenie had ook een schrijven van hare mama gekregen; doch dat had ze spoedig gelezen. Ze zag mij nu met groote oogen aan.
„Mag ik je brief lezen, Madeliefje? O, doe mij dat genoegen!” zeide zij en pakte mijn brief beet. Ik liet haar dien ook gaarne, en tot vergelding schoof ze mij een rooskleurig biljet toe, dat zij van hare mama had gekregen.
„Het zal je wel geen tranen uit de oogen persen,” zeide zij daarbij eenigszins spottend.
Ik ging aan 't venster staan en las het vluchtig geschreven briefje, dat niets anders inhield dan klachten over vreeselijke verveling, het slechte spel der nieuwe operazangeres en berichten over de nieuwste modes. „Verzuim toch niet,” schreef ze, „je kleeren in dien geest te laten veranderen, er zal dan wel wat nieuw garneersel op moeten; maar zorg er toch vooral voor, dat je niet loopt alsof je iemand uit de vorige eeuw waart. Je schrijft mij geen enkel woord over de nieuwste modes in de residentie, en toch weet je hoezeer me dat interesseert. We zijn hier altijd wat ten achteren, en je weet wel, hoe dikwijls ik reeds in die zaken den toon aangegeven en daardoor furore gemaakt heb. Ik hoop ook dat je toch vooral zorgt voor 't conserveeren van je schoonheid. Vergeet toch niet de druppels te gebruiken, die dienen om een welriekenden adem te behouden, wasch je toch alle avonden met amandelmelk; ik zal je er een nieuw recept voor sturen, dat de huid nog frisscher maakt. Hoed je ook vooral tegen 't gebruik van alles wat te heet of te koud is; 't is zoo nadeelig voor 't glazuur der tanden.” Doch genoeg van dien brief. Een onvermijdelijk postscriptum behelsde: „Papa is wel. Zijn brieven zijn vreeselijk vervelend. Meld mij eens wat moderner is: veeren of bloemen op de herfsthoeden. Gekleurde schoenen komen hier weer erg in zwang.”
Ik was zoo geheel en al bezig met het lezen van dien brief, dat ik niet bemerkt had, hoe Eugenie de kamer verlaten had. 't Scheen dat ze den brief van mijne mama had meegenomen. Ik wachtte een poosje; eindelijk ging ik naar hare kamer om te zien waar zij bleef.
„U kunt er niet binnen, juffrouw,” zeide Lizette eenigszins verlegen, toen ik de kruk der kamerdeur in de hand nam. „Juffrouw Eugenie heeft de deur op slot gedaan.”
Ik ging dus terug en wachtte. Eenigen tijd daarna kwam Tante diep bewogen bij mij en gaf mij den brief mijner mama.
„Zijt gij bij Eugenie geweest, Tante?” vroeg ik.
„Ja, Margot. Waarom vraag je dat zoo?”
„Omdat zij zich opgesloten had. Wat scheelt haar toch?”
„Het arme kind is door den brief uwer mama vreeselijk ontroerd,” zeide Tante, terwijl haar de tranen in de oogen stonden. „Op mijn verzoek liet zij mij in haar kamer, en ik vond haar in tranen smeltende, met je mama's brief voor haar.—„O, Tante! Tante!” riep zij uit, terwijl ze mij om den hals vloog, „wat heb ik toch voor een moeder!” Meer kon 't arme kind niet uitbrengen. 't Was de eerste maal dat het verschil tusschen hare moeder en eene lieve vrouw als de uwe, haar trof. Ik liet haar stil uitweenen en bracht haar toen onder 't oog, dat ze zich gelukkig mocht rekenen zulk een goeden papa te hebben. „Ja, mijn papa! Mijn allerliefste papa! Als ik dien niet gehad had, wat zou er dan van mij geworden zijn!” snikte zij. „Maar ik kan zoo weinig bij hem zijn; hij is altijd zoo met bezigheden overladen en zoo dikwijls uit zijn humeur over mama's luimen. En nu, nu is hij zoo vreeselijk ver van mij af, en ach! ik heb niemand in de wereld, die zooveel van mij houdt, als Margots mama 't van hare dochter doet!” Ik hield het meisje in mijn armen geklemd en poogde haar tot bedaren te brengen. Dat gelukte mij langzamerhand. „Ja, Tante! Gij hebt mij lief, en Margot heeft mij ook lief!” zeide zij eindelijk op teederen toon, en haar vroolijkheid kreeg weer de overhand. Mijn troostwoorden schenen invloed op haar gehad te hebben, en 't zal niet lang duren, of ze zal weer even vroolijk en opgeruimd als altijd bij ons zijn. Doch je ziet wel, Margot, hoeveel 't arme kind tot nu toe ontbeerd heeft, zonder dat zij 't zelf wist. Laten wij haar dubbel liefhebben.”
„Ja, Tante! Dat willen wij!” zeide ik innig aangedaan.
ELFDE HOOFDSTUK.
Het bal.
„Hier heb ik een uitnoodiging, die u wel pleizier zal doen,” zeide Tante Betsy op zekeren morgen, terwijl zij met een briefje binnentrad, waarin we tegen den volgenden Maandag op een bal werden genoodigd.
„Eindelijk zal ik toch weer eens dansen!” riep Eugenie uit. „Ik was al bang dat ik het heelemaal verleeren zou! Mijn balkleeren zijn zeker duf van 't liggen en door de mot verteerd, zoo lang hebben zij 't gaslicht niet gezien. Wel, Madeliefje! wat voor toilet willen we maken? Ik laat de keus geheel aan je over. Wil je wit, of blauw, of rose, of wat anders? Maar we kleeden ons niet precies hetzelfde; want dan zouden de menschen wel denken dat we tweelingen waren.”
Ik zat stil en peinzend neder en hoorde Eugenie's vragen ter nauwernood. Een bal! Ik zou op een bal gaan! In groote gezelschappen was ik wel eens met Tante Betsy geweest, maar nog nooit op een bal! Ik had in mijn geheele leven nog geen balzaal betreden, en mijn hart trilde van angst, van vreugde en van verwachting. Tante bemerkte mijn opgewondenheid.
„Ik geloof, dat je reeds de balkoorts heb, Margot,” zeide zij glimlachend. „Wacht maar, als eerst het balkostuum klaar is, zullen de vleugels wel wassen. 't Is niet om je leven te doen; stel je dienaangaande maar gerust.”
Eugenie was onuitputtelijk in plagerijen over mijn kleinmoedigheid; want voor haar, die reeds als kind zich in de schitterendste gezelschappen bewogen had, was een balzaal zulk een bekende plaats, dat die haar nooit eenigen angst of eenige vrees had doen koesteren. Onophoudelijk vond ik haar bezig aan 't raadplegen met Lizette, die zoo onder neteldoek, bloemen en linten begraven was, dat slechts haar hoofd boven al die fraaiigheden uitstak als een schip boven de golven. Eugenie duldde echter geen derde bij zich, als ze die conferentiën hield; want als ik 't waagde haar kamer binnen te treden, werd ik met bloemen en andere versierselen gebombardeerd of onder dichte wolken van krip en neteldoek begraven en schoof ze me heel bedaard de deur uit.
Mijn eigen baltoilet gaf mij ook vrij wat te doen; want al had ook Tante Betsy mij een prachtige stof voor een mooie baljapon gegeven, ik moest er zelf hard aan meepieken. „Dan alleen heeft zoo'n japon groote waarde,” zeide Tante. Eindelijk was het balkleed gereed, doch wat ik in mijn haar zou doen, daarover was ik het nog niet met mijzelf eens. Ik kon maar tot geen besluit komen; doch op een morgen, juist toen ik Marie zou gaan afhalen om met mij een keus te doen, bracht de meid mij een doos met de boodschap, dat hier de bestelde krans was. Ik wilde de doos eerst niet aannemen, omdat ik niets besteld had; maar mijn naam stond op het adres en vol verwondering deed ik de doos open. En wat lag daar in? Een dikke krans van frissche, bloeiende madeliefjes met een briefje, waarop met veranderde hand geschreven stond:
„Aan 't kleine madeliefje, Geef ik mijzelf present; Geen kent mijn hartediefje, Als zij zichzelve kent.”
Dat was een streek van Eugenie; daaraan behoefde ik geen oogenblik te twijfelen. Hoe zij aan die natuurlijke madeliefjes in den laten herfst gekomen was, begreep ik niet, doch dat was mij onverschillig; de spotternij kwam van haar en hinderde mij. Geërgerd wierp ik den krans weer in de doos; doch daar verschoof het papier, en er kwamen eenige groene blaadjes te voorschijn. Ik nam het stijve papier weg, en voor mij lag de bekoorlijkste, geurigste bloemenkrans, die ooit een bloemenwinkel versierd heeft. O, zoo schoon en zoo frisch!
't Was dus een surprise, en Eugenie was weer de ondeugende plaaggeest, die eerst prikte om daarna des te vriendelijker te streelen. Want dat zij het was, stond bij mij vast. Juist wilde ik juichend naar Tante snellen om haar den schoonen krans te laten zien, toen Eugenie de kamer binnentrad en ik haar dankend om den hals vloog. Doch ze hield eensklaps haar zakdoek onder den neus en riep: „Hè, wat ruikt het hier verschrikkelijk boersch! 't Is of men midden onder de koeien op de wei is. Net naar madeliefjes!” en met gezwinden pas snelde zij de deur weer uit.
En zoo was ik dan aan een allerschoonsten bloemenkrans gekomen, zonder dat ik mij verder met wikken en wegen behoefde te kwellen. De bloemen in mijn wit neteldoeksch kleedje lachten mij zoo vriendelijk toe, sjerp en witte atlasschoentjes ontbraken er ook niet aan; kortom—mijn geheele baltoilet was kant en klaar.
Tante Betsy had beloofd mij bij het kleeden te helpen. En dat deed zij ook werkelijk, waarover ik zeer blij was, omdat ik dan zeker wist dat alles mij goed zou zitten.
„Alles keurig en rein, Margot!” zeide Tante, toen ze de kamer binnentrad, om mij aan mijn toilet te helpen. En toen ik eindelijk voor Tantes grooten spiegel stond en mij in mijn sneeuwwit balkleed en met de frissche bloemen in 't haar zag staan, schrikte ik bijna van mijzelf; keuriger en netter dame, dacht mij, kon er niet naar 't bal gaan.
Doch ziet, daar ging de deur open en zweefde er een fee binnen—zoo kwam 't mij ten minste in 't eerste oogenblik voor, totdat ik onze schoone Eugenie herkende. In zacht rose tule gekleed, die met frissche witte camelia's boven een even zacht rose zijden kleedje was opgenomen, een krans van dezelfde kleur van camelia's, waartusschen enkele diamanten schitterden, in de bruine lokken,—'t was of er een bovenaardsche gedaante de kamer kwam binnenzweven; ik was geheel betooverd door haar schoonheid.
„Ha! daar is ons madeliefje!” riep zij uit, terwijl ze naar mij toesnelde. „'t Is alsof het zoo pas in de weide geplukt is. Hoe nederig je er ook uitziet, je zult alle vlinders 't hoofd doen draaien.”
Lachend gaf ze me met haar kostbaren waaier een slag op de schouders; toen wierp ze een pak nieuwe handschoenen op de tafel neer en begon daarin te zoeken en paar voor paar aan te passen. Het duurde echter lang eer ze tevreden scheen te zijn, en in haar ongeduld trok ze zoo hard aan 't witte leer, dat ze meer dan één paar gescheurd ter zijde wierp.
Met verbazing zag ik naar haar; want het paar handschoenen, dat Tante mij voor het bal gekocht had, lag zorgvuldig opgevouwen op den fijnen zakdoek en wachtte er slechts op om nog veel zorgvuldiger over mijn vingers te worden geschoven; ze te scheuren, zou iets verschrikkelijks zijn geweest.... ik had geen tweede paar om aan te trekken. Toen ik Eugenie zeide wat ik dacht, lachte zij mij uit en schoof mij het pakket toe om er uit te kiezen; want, dat men ook in zulke kleinigheden zuinig kan zijn, was haar even nieuw als onbegrijpelijk.
Eindelijk reden we naar het oord onzer verwachting. Toen we de balzaal binnentraden klemde ik mij aan de hand van Tante vast; want als een zee golfden de lichte, heldere balkleedjes der dames om mij heen. Ik kreeg weer een hevige aanval van de balkoorts; en toen eenige prachtiggekleede dames van onze kennis op ons toekwamen, had ik wel in een hoek willen kruipen.
Doch, o vreugde! Daar ontsloot zich voor mij de hemel: want in 't lichtblauw neteldoek gehuld, met een krans van witte rozen in de blonde lokken, kwam daar, als een engel der verlossing, mijne lieve Marie naar mij toe, en aan haar hand schepte ik weer vroolijk adem; nu was ik geborgen! Wel deden de eerste tonen der dansmuziek weer een lichte rilling door mijn leden gaan; die had ik echter spoedig overwonnen; en 't genot van het dansen verdrong alle andere gevoelens.
Vroolijk monsterde ik mijn balboekje, waarop ik alle dansen als besproken kon aanteekenen, en zoo had ik ten minste niet het treurige vooruitzicht om als een muurbloem den wand te versieren, terwijl allen om mij heen dansten. Ik begreep spoedig zelf niet, welke verrukking mij bezielde, terwijl de golven van den dans mij voortstuwden; het was onbeschrijfelijk aangenaam, zich op de maat van de muziek te bewegen; ik danste met geestdrift.
„O, die lieve zestienjarige onschuld!” riep Eugenie lachend, toen ik eenige oogenblikken later met gloeiende wangen naar haar toesnelde en haar meedeelde, welk een genot ik smaakte. „Waarlijk! ik zou je kunnen benijden! Dat danst nog zoo met hart en ziel; terwijl wij blij zijn, dat we in een pauze eens tot ons zelf kunnen komen.”
Eugenie was de schoonste der dames; dat was ontegenzeggelijk waar, zoowel wat haar uiterlijk als wat haar toilet betrof. De balzaal was volkomen de plaats, om haar schoonheid en bevalligheid in vollen glans te voorschijn te doen treden, en ik vond het zeer natuurlijk, dat ze onophoudelijk door een breeden kring van heeren omgeven was, die zich de eer betwistten haar hun hulde aan te bieden. 't Zou mij bang om 't hart zijn geworden, als ik in haar plaats was geweest. 't Scheen Eugenie echter geheel en al onverschillig te zijn; want met verbazing bemerkte ik meermalen, hoe zij al haar vereerders den rug toekeerde en met de een of andere dame de zaal rondging.
„Ja, zij is eenig, dat meisje,” zeide Marie. „Mijn broeder maakt haar 't hof, evenals alle heeren; doch zij geeft haren vereerders óf scherpe antwoorden, óf ontsnapt hun als een aal, óf spot met hen, lacht hen uit en keert hun den rug toe. Louise Terstege heeft me daar een aardige historie van haar verteld, waarin ge ook wel pleizier zult hebben. Luitenant Vergouw, dien iedereen om zijn dwaasheden uitlacht, staat naast Eugenie en zegt haar zulke laffe vleierijen, dat ze ongeduldig op haar waaier bijt en haar blikken verstrooid in de zaal laat weiden. Eindelijk ziet ze opmerkzaam naar de plaats, waar wij met elkander staan te praten. Onwillekeurig glimlacht zij en haar hoffelijke galant houdt het voor zijn plicht, insgelijks te glimlachen. Eugenie keert hem den rug toe en zegt tegen Louise, terwijl zij op ons wijst, tamelijk zacht:
„Die beiden, praten en kozen.”
„En zien naar de sterren omhoog,”
klinkt het eensklaps naast Eugenie, en met een diepe buiging staat Luitenant Vergouw glimlachend voor haar, die, terwijl hij zijn rooden knevel krult, op deze wijs het bekende lied voltooit. Dat gaat echter boven de lankmoedigheid van Eugenie. Met een toornigen blik ziet zij den indringer aan, werpt het hoofd in den nek en zegt scherp:
„En, lieve vriendin, in mijn oog Zijn luitenants brutaal als de booze.”
Daarop maakte zij een trotsche buiging en zoekt met Louise een andere zaal op.”
Hoe aardig ik die geschiedenis ook vond, ik vreesde echter, en niet ten onrechte, dat Eugenie zich op die manier allerlei onaangenaamheden op den hals zou halen. Wat zij door scherpe antwoorden of op andere wijze ondervond, heeft ze mij nooit meegedeeld; slechts eens gedurende den cotillon kwam ze naar mij toe, wierp een prachtigen bouquet, dien zij gedurende den dans ontvangen had, verachtelijk onder de stoelen, en gaf mij lachend een klein briefje, dat iemand in de bloemen gestoken had, en waarop deze woorden stonden:
„Uw taal verwondt; Uw schoone mond Doet elk verdriet; En daarom zegt Een elk terecht: Ik mag u niet.”
Verschrikt keek ik Eugenie aan; want hoezeer moest haar dit schimpdicht hinderen; maar met een guitigen lach zeide zij:
„Nietwaar, Madeliefje, van dien ben ik ten minste gelukkig bevrijd. Doch verwerf u aangenamer vereerders; 't is niet heel vleiend op die manier bezongen te worden.”
Daarbij zweefden haar blikken schalks naar Dr. Huisman, die zeer veel met mij danste en juist weer aankwam, om mij een der schoone ruikers aan te bieden, die in den cotillon onder de dames werden verdeeld.
„Hij is een vriend van mijn goeden papa,” zeide ik, terwijl ik verlegen de blikken van Eugenie volgde; toch voelde ik, hoe mij de kleur naar de wangen steeg.
„O, neem mij niet kwalijk! Ik dacht dat de ruiker voor u was en niet voor je papa. Maar dat moet jij beter weten, Madeliefje!” zeide Eugenie lachend en sloeg mij plagend met haar waaier op de vingers. Toen knikte zij mij vriendelijk toe en begaf zich met haar danser, die haar juist kwam halen, weer in de rijen van den cotillon.