Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is
Part 8
„Anderen? Wel, ik geef aan Lizette alles, wat ze maar hebben wil, en die mij om een aalmoes vraagt, krijgt ook altijd wat van mij.”
„Laten wij daar nu maar over zwijgen, Eugenie. Je begrijpt toch niet wat ik bedoel,” zeide ik. „Sta liever op; want ik heb geen tijd om lang te wachten.”
Eugenie riep Lizette aan haar ledikant en stak haar den eenen voet na den anderen toe, waaraan de kamenier eerst de fijne kousen en toen de blauwe zijden pantoffeltjes deed. Toen maakte deze al de banden en knoopen van 't nachtgewaad der jonge dame los, die dat alles toeliet zonder een vinger uit te steken. Ik keek die kleedpartij vol verbazing aan, maar zeide geen enkel woord: doch toen zij klaar was en Lizette haar de fijne morgenjapon had aangedaan, die van boven tot onder met witte zijde gevoerd was, verzocht ik haar glimlachend of ze nu ook eens mijn morgentoilet kwam bijwonen, om revanche te nemen. Dit vond ze erg aardig en beloofde het. Natuurlijk dacht ik niet dat ze het doen zou; denkt eens hoe ik stond te kijken, toen ik haar reeds den volgenden morgen bij mijn ontwaken aan mijn bed zag staan.
„Nu, je bent me een luilak!” riep ze zegepralend uit; terwijl ik haar in stomme verbazing aanstaarde. „Neem liever eens een voorbeeld aan Eugenie, dat brave meisje! die heeft al drie uren lang kousen zitten stoppen!”
Werkelijk zag ik een heelen berg kousen bij haar liggen: een had ze over den arm gestroopt en werkte er met een stopnaald en draad dapper in op en neer. Ik merkte echter spoedig dat het alles maar gekheid was; ik deed echter als had ik er geen erg in en keek haar verbaasd aan. Ze begon luidkeels te lachen en ik accompagneerde haar; terwijl ik geen woorden scheen te kunnen vinden om haar heldenmoed te bewonderen. Eindelijk wierp zij den geheelen hoop kousen ter zijde en strekte zich gemakkelijk op een leunstoel uit.
„Nu snel uit de veeren!” riep ik uit, trok mijn kousen aan en begon spoedig aan mijn toilet.
„Doe je dat alles zelf, Madeliefje?” vroeg Eugenie met verbazing, toen ze zag hoe snel ik banden en haken los- en vastdeed.
„Natuurlijk. Dat kan niemand mij gauw en goed genoeg doen,” antwoordde ik. „Ik zou 't niet kunnen velen dat er zoo'n kamenier aan mijn lijf zat en dat ik zou moeten wachten tot het haar gelegen kwam mij te bedienen. Help u zelf! 't Is zoo aangenaam, als men zichzelf kan helpen en van niemand behoeft af te hangen.”
„Ja, die Lizette is een vreeselijke domoor,” zei Eugenie peinzend. „Je weet niet hoe ze me soms zeer doet door haar onhandigheid, en juist als ik haar noodig heb, kan ze niet komen. Je bent er inderdaad beter aan toe dan ik. Ik ben er jaloersch om.”
„Probeer het maar eens om je zelf te helpen, lieve Eugenie,” hernam ik, terwijl ik den kam door mijn dik haar liet gaan. „Dan ben je van alle ergernis verlost.”
„Ach! Ik kan dat niet doen! Mama zegt, dat het niet past zichzelf te bedienen.”
„Hoor eens, weet je wat, Eugenie? Ik wil je helpen tot je 't kunt.”
„Nu, zooals je wilt. 't Zal je echter niet bevallen. Je zult zeker wegloopen eer ik klaar ben; want natuurlijk zou ik je zoolang plagen, tot het daartoe kwam,” antwoordde Eugenie op haar gewonen luchtigen toon.
„Nu, dat wil ik er op wagen! Morgen vroeg kom ik, hoor!”
„Neen, neen, volstrekt niet. 't Is veel te ongemakkelijk voor je, en daarenboven ben je me toch al veel te wijs!” riep zij uit en wierp zich weer onachtzaam in den leunstoel. Ik liet haar echter stil begaan; want het zou heel onverstandig zijn geweest, er op aan te dringen. Maar zie, den volgenden morgen, toen Tante en ik de kamer binnentraden, zat Eugenie reeds aan de ontbijttafel, en op onze uitroepen van verbazing, zeide zij:
„Het verveelt me doodelijk, daarboven alleen chocolaad te drinken; ik wil met u gezamenlijk ontbijten. En laat Madeliefje haar diensten maar aan anderen presenteeren—ik heb ze niet noodig. Ik heb me van daag geheel alleen gekleed; en ziet maar, of niet alles in orde is?”
Natuurlijk overlaadden we haar met loftuigingen; maar die kon ze niet dulden, en met een komiek gezicht hield ze beide handen aan haar ooren.
Zulke kleine tooneelen herhaalden zich bijna dagelijks, en hoe boos we ook dikwijls op het verwende meisje werden, even spoedig verzoende haar hartelijkheid ons weer met haar. Er zat een uitmuntend hart in dat wonderlijke schepsel, en als we ons geduld maar niet verloren, was er in haar nog veel goeds op te wekken. Tante Betsy was er juist de rechte persoon toe; dat gevoelde de lichtzinnige Eugenie zeer goed, en ze had haar dan ook op haar manier spoedig even lief, als ik op de mijne. Ook ik deelde weldra in haar volle genegenheid, en, ondanks alles wat ze me van tijd tot tijd aandeed, hield ik toch veel van haar.
We hadden echter nog vrij wat te boven te komen, eer zij verstandiger werd; ik vooral was steeds het mikpunt voor haar ondeugende streken; en toch wist ze altijd alles weer goed te maken, als zij mij gekrenkt of geërgerd had.
Op zekeren dag ging ik naar mijn werktafeltje aan 't venster en bracht de slingerplanten, die daar voorstonden, een weinig in orde. Ik wilde, zooals ik altijd deed, het portret van mijn lieve Marie een groet brengen en lichtte de bladeren van den klimop een weinig op, om het beter te zien. Maar hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte hoe een boosaardige hand het bedorven had! Een dikke, zwarte knevel ontsierde de lippen van het aanvallig gezichtje der frissche blondine! 't Was afschuwelijk, schandelijk, en toch moest ik lachen over 't malle gezicht. Dat Eugenie mij die poets gebakken had, was buiten twijfel, want ze had al zoo dikwijls met dat portret den spot gedreven. Ik vond het zoo lief; maar zij zeide altijd, dat het er juist uitzag als 't beeld van een jonkvrouw uit den riddertijd op den pijpekop van een ambachtsman.
Ik nam het portret stil van den muur en legde het in de kast. Er Eugenie over beknorren—dat kon ik niet; daartoe had ze me te pijnlijk getroffen; maar mijn roodgeweende oogen en de ledige plaats boven mijn werktafeltje zeiden haar genoeg, hoe 't mij aan 't hart ging. Ik vernam weldra dat Tante haar over deze plagerij ernstig onderhouden had, en dit was mij genoeg.
Doch hoezeer stond ik op zekeren morgen verwonderd, toen ik de ledige plaats door een nieuw portret zag ingenomen, en wel een portret van mijn lieve Marie, keurig in waterverf geschilderd en veel schooner dan het bedorvene. De frissche kleuren en de bevallige trekken waren zoo getrouw wedergegeven, dat ik in mijn verrukking het lieve beeld aan de lippen drukte en buiten mijzelf was van vreugde. Wie had dat gedaan? Eugenie.... maar dit was 't werk van een kunstenaar.... en al kon ze 't zoo—wanneer zou ze dat gedaan hebben? En toch—'t was juist zoo iets voor haar. Maar bekennen zou ze 't niet; mij wel voor den mal houden als ik er haar naar vroeg.
Daar kwam juist het origineel van mijn vreugde, mijne goede, lieve Marie. Juichend snelde ik haar te gemoet en vroeg haar, wie het portret gemaakt had.
„Wel, wie anders dan Eugenie? Hoe kun je daar nog een enkel oogenblik aan twijfelen?” antwoordde zij. „Ze is eenige keeren in 't geheim bij mij geweest om het te schilderen. Dat oude portret is een monster, zeide zij, en ik heb het nog leelijker gemaakt dan 't al was; anders zou ze het toch nooit van den muur genomen hebben en ik had er mij aan blijven ergeren.”
Dus was het toch Eugenie, die dat schoone portret had gemaakt. Ik durfde er haar niet voor bedanken; want dan zou zij in staat zijn geweest, het lieve gezichtje nogmaals een zwarten knevel te geven. Ik herinnerde mij nu dat zij eenige voormiddagen alleen was uitgegaan om, zooals zij zeide, boodschappen te doen. Welk een talent bezat dat meisje! Muziek, schilderkunst, alles verstond ze voortreffelijk; doch niemand mocht daarover spreken of haar daarom prijzen—al wat ze wist, al wat ze kende, kwam op rekening van haar meesters, aan haar eigen talenten hechtte ze hoegenaamd geen waarde.
Niets haalde mij meer plagerijen van Eugenie op den hals, dan mijn eenvoudige, landelijke garderobe, die, ik moet het bekennen, geducht bij haar weelderig en élégant toilet afstak. Mama's spreuk was altijd: „Net en zindelijk!” en natuurlijk drong de nieuwste mode tamelijk laat in ons verwijderd dorp door, waardoor ik er zeker wel wat erg antiek moet hebben uitgezien, toen ik bij Tante kwam. Deze echter had reeds vrij wat veranderingen in mijn toilet aangebracht, zoodat ik verwonderlijk nieuwmodisch en prachtig gekleed meende te zijn, toen de élégante Eugenie kwam en mij met haar garderobe geheel in de schaduw plaatste. Niet, dat ik daar jaloersch over was; ik vond dat ieders kleeding voor elk van ons het best paste. Ik ten minste zou in Eugenie's kleeren nog veel stijver en houteriger zijn geweest, uit vrees dat er iets aan zou komen.
Er was vooral één japon, die maar geen genade kon vinden in Eugenie's oogen, en die 't voorwerp van hare onophoudelijke plagerijen was. Doch, was 't patroon ook misschien wel wat bont, de stof was fijn en duur, en daarom bleef ik het kleedje trouw dragen.
„Die japon riekt naar boter en kaas!” zei Eugenie, als zij mij er mee zag. „Ga er toch in 's Hemels naam niet mee buiten de stad wandelen; want je zult last van de koeien hebben, die 't patroon voor een bebloemde wei zullen houden en op je afkomen, om op je te grazen.” Of dan was 't weer: „Wel, grootmoedertje! Hoe oud is dat japonnetje wel? Ben je er in der tijd in getrouwd?”—Of: „Heet je vrijer Kees of Teunis, en is dat je bruidsjapon, als je met hem naar 't Raadhuis gaat om te trouwen?”—Doch ik stoorde mij niet aan al die praatjes en bleef de versmade japon dragen.
Op zekeren dag echter kon ik mijn kleedje nergens vinden; ik doorzocht alle kasten, doch te vergeefs. Juist kwam Eugenie aan.
„Zoek je soms naar de japon van je grootmoeder, Madeliefje?” vroeg ze mij. „Doe daar maar geen moeite meer voor, want die heeft Kaatje de krantenvrouw aan. De arme ziel vroeg mij om een warm kleedingstuk voor de kou en, zooals je wel weet, helpen mijn kleeren daar al bitter weinig voor. Maar je boter- en kaasjapon is zoo lekker warm en zoo mollig; die zou der arme vrouw goed doen, dacht ik, en daarom gaf ik ze haar. Je bent er immers niet boos om?”
En zonder een antwoord af te wachten huppelde zij neuriënd weg, en ik stond te kijken alsof ik het te Keulen had hooren donderen, en wist niet of het scherts of ernst was. Als 't Eugenie niet geweest was, dan had ik het voor een grapje gehouden; maar zij was er toe in staat om zoo iets te doen, en waar anders zou mijn japon ook gebleven zijn? Dat was me toch wat al te erg, zoo'n fijne, goede japon aan eene arme vrouw te geven, die het zeker met een goedkooper stof best had kunnen stellen en daarmee ongetwijfeld veel beter gediend zou zijn geweest! En dan—zoo maar willekeurig over 't eigendom van anderen te beschikken! Verdrietig ging ik naar mijn slaapkamer om mij aan te kleeden, daar ik wilde uitgaan: daarna zou ik er Tante over spreken. Maar wat zag ik? Daar lag op mijn bed een japon van een prachtige wollen stof en zoo fraai van kleur, dat ik van verbazing als aan den grond stond genageld.
„Ik hoop maar, dat ze je past, Madeliefje,” riep Eugenie, die haar hoofd door de deur stak. „De naaister zei, dat ze je maat wel kende.”
„Is die japon dan voor mij?” vroeg ik verwonderd, en hield het prachtige kleedingstuk in de hoogte, dat met fluweel en kant rijk gegarneerd was.
„Mama had die stof tot een winterjapon voor mij bestemd,” antwoordde Eugenie, terwijl ze de schouders ophaalde, „maar de kleur beviel mij niet. Daar zij echter in alle gevallen mooier is dan die van je boter- en kaasjapon, heb ik er een japon voor u van laten maken en gaf ik je bruidskleed weg, alleen opdat ik er mij niet aan dood zou ergeren. Je behoeft er mij niet voor te bedanken; want ik kon de kleur niet uitstaan. Ik vind die zoo machtig eentonig en vervelend.”
Zoo wist dat wonderlijke meisje de zaken altijd te keeren en te wenden, dat men niet boos op haar kon worden en haar evenmin kon bedanken. Zij had haar eigen wil, dat was de hoofdzaak, en daarvoor moest alles zwichten. Nog nooit in mijn leven had ik zulk een mooie japon gehad, en verheugd snelde ik er mee naar Tante. Deze wenschte mij glimlachend geluk en zeide, dat zij 't er nu maar bij zou laten, want zij had Eugenie reeds braaf de les gelezen, omdat haar handelwijs, hoe men die ook beschouwde, toch onrechtvaardig was. Intusschen oordeelde zij dat ik geen slechten ruil gedaan had. Dat meende ik ook: met genoegen bekeek ik mijzelf in Tantes grooten spiegel en vond, dat ik er wat goed mee uitzag.
Ten gevolge van die japonnenhistorie deed ik Eugenie een vraag, die mij al lang op de lippen gelegen had. Ik wenschte namelijk mijn rijke nicht met mijn armen bekend te maken, die ik wekelijks bezocht.
„Hou je er van,” vroeg ik haar, „om aan de armen wel te doen?”
„Doe toch niet zulke onnoozele vragen, Madeliefje,” antwoordde Eugenie. „De armen zijn zulke onverdragelijke menschen, dat ik ze niet kan uitstaan. Als ze me dus in den weg komen, geef ik hun maar gauw wat; dan ben ik van hen af.”
„Maar dat is niet zooals 't behoort, Eugenie,” hernam ik. „Bedenk toch eens, hoe ongelukkig die armen er aan toe zijn, wien zelfs de noodzakelijkste levensbehoeften ontbreken. Als wij.... Maar wat doe je toch, wat moet dat beteekenen?” vroeg ik, toen ik zag dat zij een soort van troon van stoelen bouwde en met een zwart zijden boezelaar naar mij toekwam, dat zij mij om den hals wilde binden.
„Als 't u belieft, dominee; de preekstoel is al klaar. Zet uw preek daar verder voort.” En met een plechtige buiging en een heel vroom gezicht zette zij zich op een stoel tegenover den geïmproviseerden preekstoel neer. Natuurlijk zweeg ik, en dat was juist wat zij wilde.
„Je bent zoo wijs als je lief bent!” zeide zij.
Dat was altijd haar gezegde, wanneer ik bij haar loszinnig gesnap mijn ernstiger grondbeginselen niet kon onderdrukken, en daarmede werd ik gewoonlijk afgescheept.
Evenzeer als Eugenie niets van mijn preek over de armoede wilde hooren, even doof was zij tot hiertoe voor mijn verzoek gebleven, om mij naar eenige arme huisgezinnen te vergezellen, aan wie ik gewoon was elke week wat te brengen: nu eens geld, dan kleeren, dan wat eten, al naar wat ze 't meest behoefden. Ik kon er haar maar niet toe bewegen. „Het stinkt zoo bij dat volk,” zeide zij. „'t Gaat me in de kleeren zitten en dat krijg je er niet meer uit.” Natuurlijk drong ik er niet verder bij haar op aan; doch toen ik op zekeren dag van een dier bezoeken terugkeerde, kon ik het niet laten om te vertellen, hoezeer de nood en de ellende van een huisgezin mij getroffen hadden, waarvan de moeder ziek was, de vader op 't werk en de kinderen dus aan zichzelf waren overgelaten.
Eugenie scheen ter nauwernood naar mijn verhaal te luisteren. Hoe verrast was ik echter, toen ik eenige dagen later weer bij dat arme gezin kwam en vernam, dat er een jonge dame geweest was, die veel geld en andere dingen gegeven, ja, met het jongste kind een langen tijd op haar schoot gezeten en 't eindelijk een gouden ketting om 't halsje gedaan had, omdat zij het zoo'n lief knaapje vond. De ketting was die van Eugenie en uit de beschrijving die men mij gaf, herkende ik haar. Maar ik durfde haar niet te zeggen dat ik van haar bezoek afwist; reeds bij een geringe toespeling fronste zij de wenkbrauwen, ik sprak er haar dus niet meer over en verhaalde het, toen we alleen waren, aan Tante, wie bij mijn vertelling de tranen in de oogen kwamen. „Een wonderlijk en toch zoo beminnelijk kind!” zeide zij, en ze kreeg haar tweede pleegdochter gaandeweg hoe langer hoe liever, die dan ook van dag tot dag nieuwe voortreffelijke eigenschappen deed blijken.
En het bezoek bij dat arme huisgezin bleef niet het eenige van dien aard dat Eugenie aflegde. Langzamerhand konden zich een groot aantal arme lieden in haar gunst verheugen; maar we mochten niet vragen door wie zij die arme menschen had leeren kennen, en evenmin kon ze het dulden, dat ze in haar weldoen werd opgemerkt of nagegaan. Niet zonder reden vreesden Tante Betsy en ik, dat het meisje in haar onervarenheid en goedhartigheid menige dwaasheid zou begaan bij 't bedeelen harer armen, en dit vermoeden werd ook spoedig bevestigd, doordien wij verscheidene harer kostbaarheden misten. Maar daar was niets aan te doen, indien we ten minste niet wilden, dat haar pas ontwaakt gevoel om wèl te doen eensklaps zou worden uitgebluscht. Op zekeren dag echter gaf zij zelf aanleiding om over hare handelwijze een woordje te spreken.
„Ik begrijp maar niet, Madeliefje, hoe jij aan al dat geld komt, om je armen te verzorgen,” zeide zij, toen ze in diep gepeins van een harer weldadigheidsbezoeken thuiskwam. „Ik ben door al mijn geven nu zelf zoo kaal als een kerkmuis; maar al had ik ook nog tienmaal meer, dan zou het nog niet toereikend zijn om in de behoeften van die menschen te voorzien.”
„Ik geloof dat je de behoeften der armen uit een verkeerd oogpunt beschouwt, lieve Eugenie,” zeide Tante, die daarbij tegenwoordig was. „Van al hetgeen ons tot ons dagelijksch leven volstrekt noodig toeschijnt, behoeven zij slechts een gering gedeelte. Wij zijn meer verwend dan wij wel weten, en waren we in zulke eenvoudige huisgezinnen opgegroeid, dan hadden we het honderdste deel niet noodig van alles, wat we thans voor noodwendig houden. Daarom kunnen we ook met kleine giften in arme huisgezinnen veel goed doen; want de behoeften zijn er gemakkelijk te bevredigen.”
„Maar, Tante, dat ben ik volstrekt niet met u eens,” hervatte Eugenie levendig. „Ik geef en blijf geven, tot ik zelf niets meer over heb; doch 't is als een druppel op een gloeienden steen; altijd hebben die menschen nog iets noodig. Zoo kom ik bijvoorbeeld een dag of wat geleden bij den metselaarsknecht De Groot. Ik vond het gezin juist aan 't middagmaal. Daar zaten ze nu om de tafel en aten allen uit een en denzelfden schotel. O, dat vond ik verschrikkelijk! En dan de vorken waarmee zij aten! Oude, zwarte, halfgebroken, ijzeren dingen! Ik vroeg hun waarom ze de tafel niet dekten en waarom niet ieder van zijn eigen bord at; de arme menschen keken mij verlegen aan: begrijp eens, ze hadden geen enkel tafellaken, geen servet en maar twee borden in 't geheel; en dat waren er nog borden naar! Terstond ben ik met Lizette naar een paar winkels gegaan en heb hun borden en schotels, drie tafellakens met servetten en een half dozijn goede vorken gekocht, en die heb ik hun gezonden. En zoo gaat het mij bijna overal; de arme zielen hebben dikwerf gebrek aan 't allernoodigste, en hoe weinig kan ik daarin te gemoet komen! Bij den armen sjouwerman Bronsveld vond ik onlangs de vrouw te bed liggen; maar in plaats dat het arme mensch een nachtjak aan had, had ze een ouden, verkleurden doek om den hals; nachtgoed bezat ze in 't geheel niet. In plaats van een matras had ze een bos stroo en hare kinderen lagen alle drie in 't zelfde bed. Ik heb er terstond matrassen en beddegoed bezorgd en wat nachtgoed. Maar zulke uitgaven hebben mij geheel geplunderd. En nu weet ik zelf geen raad.”
„Lief, goed kind,” zeide Tante Betsy, terwijl ze Eugenie's wangen streelde. „Veroorloof mij, dat ik je in je verlegenheid te hulp kom. Al wat je mij daar vertelt, pleit voor je goed hart; maar ik mag 't je niet verhelen, dat je op een verkeerden weg bent. Wat ik je vooraf reeds zeide, vind ik inderdaad bevestigd; je houdt dingen voor noodig, die de geringe man niet als nooddruft beschouwt. Ik ben er vast van overtuigd, dat de vrouw van Bronsveld het fijne nachtgoed naar den lombard brengt en voor 't geld, dat zij daarvoor krijgt, noodiger zaken koopt, en dat je tafellakens, servetten en mooie vorken bij De Groot òf in de kast liggen òf denzelfden weg zijn opgegaan.”
„Maar, Tante! Waarom? Bedenk toch hoezeer die arme lieden er behoefte aan hadden, en hoe blij ze zullen zijn, dat ze eens van een gedekte tafel en met fatsoenlijke vorken van witte borden kunnen eten!” zeide Eugenie verwonderd.
„Daarin juist bestaat je dwaling, lieve Eugenie,” hernam Tante glimlachend. „Gij dacht, dat die menschen 't gemis van deze zaken erg gevoeld hadden, omdat gij dat zoudt doen, als ge in hun plaats waart. Maar zij zijn niet anders gewoon, hebben nooit in hun leven van ander tafelgereedschap gegeten, en zullen zelfs niet weten wat ze met al die borden, met die servetten en die tafellakens moeten uitvoeren. Ze hebben het geld echter voor vrij wat anders noodig, dan voor fijn tafel- en linnengoed. Met hun oude vorken eten ze heel smakelijk, als ze maar iets te eten hebben, en je kunt het hun volstrekt niet kwalijk nemen, als ze je mooi tafelgereedschap te gelde gemaakt hebben, om daarvoor iets te koopen, dat ze met hun vorken in den mond kunnen brengen.”
Eugenie was in gepeins verzonken; want wat Tante gezegd had deed haar de zaken uit een geheel ander oogpunt beschouwen. Half verlegen, maar toch eindelijk weer in haar gewone plagerige luim, begon zij met zichzelf den draak te steken en om haar eigen dwaasheid te lachen. Daarop verzocht ze Tante Betsy op een kinderlijk lieve manier, haar bij de zorg voor de armen met haar goeden raad te willen ondersteunen, opdat zij er ten laatste niet toe mocht komen, om voor de vrouwen kanten mutsen en voor de mannen gouden snuifdoozen te koopen, als noodzakelijke levensbehoeften. Recht in haar schik met dit verzoek, beloofde Tante haar heur raad en hulp, en zoo konden we in de zorg voor onze armen gezamenlijk werken. Zelfs duurde het niet lang, of Eugenie hielp ons kleeren voor de arme kinderen naaien, en met stille vreugde zagen we zelfs eens een grove wollen kous in haar handen, waaraan ze ijverig zat te breien en die bestemd was voor een armen sjouwerman. Lizette had haar breien moeten leeren.
TIENDE HOOFDSTUK.
Verschillende moeders.
Had Eugenie in den eersten tijd van haar verblijf in ons huis uitsluitend al onze gedachten vervuld, langzamerhand begon nu ons levensbeekje weer zijn gewonen loop te hervatten. Eugenie's gedrag verwekte hoe langer hoe minder stoornis en zij begon zich al wat meer bezig te houden met de bemoeiingen, waarmede Tante Betsy en ik den tijd besteedden. Aan de lessen, die ik ontving, nam ze geen deel; want daar had ze al meer dan genoeg van, zooals zij zeide, en ik vond het heel pleizierig, dat ik die op den ouden voet met Marie kon voortzetten.
Ook het voorlezen, waarmede Tante nog regelmatig met mij voortging, verveelde Eugenie in den beginne doodelijk; en ik vond niets onpleizieriger dan voor te lezen als zij er bij was, daar ze zich volstrekt niet geneerde mij om mijn slechte uitspraak en den verkeerden klemtoon, dien ik soms op de woorden legde, uit te lachen. Doch Tante verbood haar dit spoedig, en een tijdlang ging ze de kamer uit als wij begonnen te lezen. Op zekeren dag echter kwam ze juist op het leesuur binnen en vroeg aan Tante, of zij 't vandaag eens doen mocht. Natuurlijk stemde Tante toe. En nu hadt gij eens moeten hooren hoe prachtig zij las. Haar stem was jeugdiger en dus frisscher dan die van Tante, en er was bovendien zulk een klank en zulk een juistheid in hare voordracht, dat we beiden in bewondering opgetogen waren.
Eensklaps scheen ze zin in 't voorlezen te hebben gekregen; want van nu af aan nam ze geregeld deel aan onze leesuren. Ze las bij afwisseling met Tante en mij, en hare plagerijen bij mijn lezen bepaalden zich nu tot kleine aardigheden, die ik volgaarne verdroeg en waarom ik zelf meelachte. Zoo was ze nu eenmaal. Wanneer men haar den goeden weg gewezen had, moest men haar tijd tot nadenken laten, en dan kon men er zeker van zijn, dat haar goed hart haar op den rechten weg bracht. Deze gegronde overtuiging troostte Tante en ondersteunde haar bij al de zorg, die Eugenie's gedrag haar veroorzaakte; en de goede vrouw was innig dankbaar jegens God, dat Hij dit meisje onder haar hoede had geplaatst, eer nog het weelderig opgeschoten onkruid al het goede zaad in haar hart had verstikt.