Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 7

Chapter 74,125 wordsPublic domain

„'t Is waarlijk wat te zeggen! Daar heeft die stoute papa mij waarlijk weer aan 't schreien gemaakt, en ik had gezworen niet meer aan hem te denken, nadat ik hem met den trein had zien wegrijden. Gauw aan den spijker met den zondaar, die mij zoo week gemaakt heeft.”

Dit zeggende klom ze op een stoel en hing het portret aan den spijker. Toen knikte zij het guitig toe, kuste het nog eenmaal en sprong vlug van den stoel af.

De avond ging om met uitpakken, schikken, vertellen en babbelen, en Eugenie was zoo alleraardigst en mengde zoo het gevoelige met het grappige, het geestige met het dwaze, dat men zich onweerstaanbaar tot haar aangetrokken gevoelde. Toen we naar bed gingen, kuste ze mij hartelijk. „Toch ben je een kleine heks!” zei ze, en huppelde zingend haar kamenier achterna, die haar voorlichtte, en nog een heele poos hoorden wij haar vroolijk babbelen en lachen.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, stond Tante reeds voor mijn bed.

„O, lange slaapster,” zeide zij vriendelijk. „Wat heb je lekkertjes geslapen. Ofschoon 't reeds laat is, wilde ik je echter niet storen. Je scheen heel aangenaam te droomen; want je lachte in je slaap als een kind.”

„Ik heb van onze nieuwe huisgenoot gedroomd, Tante,” zeide ik, mij in mijn bed oprichtend. „Ze voerde daar juist zoo'n dolle grap uit. Begrijp eens, ze had onzen ouden poedel haar fijnen kanten kraag om den hals gebonden en hem haar lichtblauwe pantoffeltjes aangetrokken. Ze wilde hem juist nog een voile over den kop doen, dan zou het toilet der jonge dame klaar zijn, zeide ze; toen ik ontwaakte. Hoe iemand toch zoo dwaas kan droomen!”

„Nu, onze wonderlijke Eugenie zou wel in staat zijn om zoo iets te doen,” antwoordde Tante lachend.

„Ik zal maar gauw opstaan; anders verrast ze me nog in mijn bed; zij is misschien gewoon vroeg op te staan.”

„Wat dat aangaat, Margot,” antwoordde Tante, terwijl zij op den zijkant van mijn legerstede ging zitten, „daarvoor behoeft ge u niet zoo erg te haasten. Eugenie ligt nog even goed in de veeren als jij; ik ben zooeven in haar kamer geweest. Ze sliep echter niet meer en lag met open oogen in haar bed. Ze scheen gelezen te hebben en nog geen lust te hebben om op te staan. Ze is geheel en al een verwend kind, dat slechts doet wat haar belieft. In den eersten tijd wil ik haar maar rustig haar eigen hoofdje laten volgen, hoe moeilijk mij dat ook zal vallen; ik reken op haar gezond verstand en goed hart, die haar mettertijd wel op den goeden weg zullen brengen. Uw voorbeeld, lieve Margot, zal mij in de opvoeding van Eugenie ondersteunen; want in den omgang met u, goed meisje, zal zij spoedig inzien, wie van u beiden op den rechten weg is om een bruikbaar mensch te worden.”

„Mijn voorbeeld, Tante!” riep ik verwonderd uit. „Hoe kan ik, onbeschaafd boerenkind, een voorbeeld voor de fijnbeschaafde Eugenie zijn? Dat meent ge immers toch niet ernstig?”

„Ik meen het in vollen ernst, Margot,” hervatte Tante. „Gij zijt een natuurlijk, eenvoudig meisje, dat wel nog weinig maatschappelijke beschaving bezit en nog vele dingen moet leeren, eer je opvoeding voltooid is; maar je bescheidenheid en je eenvoudigheid kunnen de hooghartige Eugenie, ondanks al haar fijne beschaving en haar uiterlijke élégance best toonen wat haar ontbreekt en wie van u beiden een grootere innerlijke waarde bezit. Bij alle uiterlijke vormen mist Eugenie toch de ware beschaving: ik bedoel de beschaving des harten en deze, hoop ik, zal zij mettertijd bij ons erlangen. Het arme kind heeft tot hiertoe weinig gelegenheid gehad om zich hierin te oefenen. God geve dat het er nog niet te laat toe is en we aan het rijkbegaafde meisje kunnen schenken wat haar nu nog ontbreekt.”

Liefdevol drukte Tante mij aan haar hart, terwijl ik zwijgend en vol ootmoed mijn gloeiend gelaat aan haar borst verborg. O, ik was zoo onuitsprekelijk gelukkig over de woorden van mijn lieve Tante! Wel had zij mij reeds dikwijls door een woord van tevredenheid of een blik getoond dat zij niet onvoldaan over mij was, en dat ik, ondanks mijn menigvuldige dwaasheden, toch haar liefde en vertrouwen bezat; maar zóóveel lof had ik nog niet uit haar mond vernomen. Ik zou er bijna trotsch en ijdel door hebben kunnen worden; doch Tante kende mij genoeg, om te weten dat haar woorden bij mij dat gevolg niet zouden hebben: want ik gevoelde wel, hoe zij mij door haar lof slechts eenige meerdere vastheid en zelfstandigheid tegenover Eugenie wilde schenken. Openhartig bekende ik haar deze gedachte.

„Je bent een kleine schalk, Margot,” zeide zij opgeruimd. „Zoo geheel en al heb je de zaak niet mis; ik zou inderdaad heel gaarne zien, dat je je heel stevig in den zadel zette, om er in den strijd met Eugenie niet te worden uitgelicht, hetgeen haar overmoedigheid zeer zou vermeerderen. Ik hoop echter, dat het wel gaan zal; gisteren ten minste liet Eugenie zich tegen mij eenige woorden ontvallen, die mij deden bemerken, dat je haar grillen moedig het hoofd hebt geboden. Daarmede heb je reeds een goed deel van het terrein veroverd, en dat deed mij een groot pleizier.”

Ik vertelde Tante nu in hoofdzaak 't gesprek, dat ik met Eugenie gehad had.

„Ja, ja, men moet met dat meisje op zijn tellen passen,” hernam zij; „want ziet men bij haar eens wat door de vingers, dan heeft men zijn spel verloren. Houd je dus maar dapper. Ook voor u zal er uit den omgang met haar veel goeds voortspruiten. Doch ga je nu kleeden; anders mocht Eugenie je ten laatste nog en profond négligé verrassen.”

Met behulp van Tante was ik spoedig aangekleed, en had het genoegen dat ze mij prees, daar ik nu alles wat tot het toilet behoort, netjes en ordelijk verrichtte.

„Herinner je je nog wel dien eersten morgen, Margot,” vroeg zij schertsend. „Weet je nog wel, hoe er geen eind was aan op- en aanmerkingen? Hoe je met bloote voeten het bed uitkwam en daar in je hemd op den grond ging zitten? Hoe je je eerst zonder water wou wasschen en daarna een geheelen zondvloed om je heen verwekte?”

„O, stil toch, Tante! Hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten!” riep ik uit, terwijl ik mijn hand op haar mond hield. „Toen dacht ik niet dat ik ooit iets goeds zou kunnen doen; dat durf ik u thans eerlijk bekennen. Later heb ik echter de hoop opgevat dat er uit mij, domme boerendeern, nog een verstandig mensch kan worden.”

„Dat zal mettertijd wel gaan,” antwoordde Tante. „Ga nu echter eens kijken, of Eugenie nog niet klaar is; anders moeten we zonder haar ontbijten. Mijn maag heeft door 't lang slapen van mijn huisgenootjes toch al lang genoeg gevast.”

Ik snelde naar Eugenie's kamer, om haar mee naar beneden te nemen. Doch hoe stond ik te kijken, toen ik de jonge dame nog in haar bed vond, juist op het punt om haar chocolaad te gebruiken, die Lizette haar gebracht had.

„Zoo, goeden morgen, madeliefje!” riep zij mij vroolijk te gemoet, en gebood haar kamenier, het ontbijt maar bij haar ledikant te zetten. „Wat heb je hier toch een bocht van chocolaad in huis! 't Heeft veel weg van gruttenbrij met wat suiker er in! Foei! is dat een kost! Mama moet mij terstond wat van onze vanillechocolade zenden, hoor je, Lizette? Schrijf het terstond op 't bestelbriefje. Maar, lieve Hemel! heilige Margareta! Reeds van top tot teen gekleed!” riep ze toen uit, terwijl ze mij van 't hoofd tot de voeten opnam. „Welke groote plannen heb je? Ga je straks op reis, dat je al zoo vroeg gekleed en gereed zijt?”

„O, neen; dat doe ik altijd, Eugenie,” antwoordde ik bedaard. „Tante ziet niet graag dat jonge meisjes in négligé loopen, zij noemt dit verwend en achteloos.”

„Nu, dan zal zij er zich bij mij maar aan moeten gewennen,” antwoordde Eugenie snibbig, en streek de fijne kanten lubben van haar nachtjak glad. „Ik ben geen burgermeisje, dat dadelijk van 't bed de straat op moet en laat mij in mijn dagelijksche gewoonten niet storen.”

„Gij moet het weten, nichtjelief,” antwoordde ik; terwijl ik de schouders ophaalde. „Ik heb 't mij nu eenmaal tot plicht gesteld alles te doen wat Tante gaarne heeft, en dat doe ik, ofschoon ik evengoed als jij thuis gewoon was den geheelen morgen in négligé te loopen. Nu vind ik 't juist heel pleizierig vroeg in de kleeren te zijn: men wint er vrij wat tijd mee uit.”

„Ba! Tijd! Wat heb ik aan tijd?” riep Eugenie spottend uit. „De tijd duurt mij toch al lang genoeg.”

„Nu, ik wou dat hij tweemaal zoolang duurde,” antwoordde ik. „Mij gaat de tijd altoos veel te gauw om.”

„Je bent een zottin, madeliefje,” riep Eugenie knorrig uit. „Maar wat doe je hier eigenlijk: kom je weer om me een sermoen te houden? 't Begint er ten minste wel weer zoo wat naar te gelijken.”

„Ik ben met dat onderwerp niet begonnen, Eugenie,” zeide ik kortaf. „Ik kwam je slechts aan 't ontbijt roepen. Daar je echter plan hebt om alleen te ontbijten, heb ik hier niets meer te doen.”

Dit zeggende ging ik naar de deur om heen te gaan. Een schaterend gelach deed mij onwillekeurig omkijken.

„Je bent een vinnig katje, madeliefje!” riep zij vroolijk uit. „Nu ga je op hooge beenen naar onze veelgeliefde en hoogvereerde Tante, en brengt haar in al zijn kleuren alles over, wat er tusschen ons is voorgevallen, en hoe ik den verheven toorn der heilige Margareta heb opgewekt. En dan gaat gij beiden, exempelen van deugd, over elkander zitten en weent heete tranen over het bonte schaap, dat in de witgewolde kudde geslopen is.”

„Praat toch zulk een onzin niet, Eugenie!” riep ik uit; terwijl ik mijns ondanks moest lachen. Daar Tante echter op mij wachtte, snelde ik de deur uit, en een pantoffeltje, dat het wonderlijke meisje mij nawierp, vloog mij tegen den rug aan.

Tante schudde het hoofd, toen ik haar van dit morgenbezoek verhaalde en wij gebruikten tamelijk stil en ernstig ons ontbijt. Doch we hadden nog niet gedaan, toen de deur openging en Eugenie's bloeiend gezichtje naar binnenkeek.

„Daar is zij toch!” riep ik met vroolijke verrassing. Ook Tante stond op, om der binnenkomende de hand te reiken. Eugenie echter stapte deftig naar ons toe en zeide zalvend: „Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen Naam, daar ben ik midden onder hen!”

Ik verschrikte over deze profanie, als had ik zelf de zonde begaan; Tante keek snel op, een donkere gloed kleurde haar gelaat en ze zag Eugenie met een blik aan, zooals ik nog nooit van haar gezien had.

„Onbezonnen kind!” zeide zij streng. „Laat mij nooit weer zoo iets uit je mond hooren! Lichtzinnigheid kan ik je vergeven; maar den spot te drijven met wat heilig is, dat duld ik niet. Ik hoop dat je inziet, hoe onverantwoordelijk je gehandeld hebt en 't je van harte spijt.”

Eugenie stond doodelijk verschrikt voor de toornige Tante en had haar stoutmoedigheid geheel en al verloren. Wel herstelde zij zich spoedig weder, doch de ernstige blik, dien Tante op haar wierp, deed elke tegenspraak op haar lippen verstommen, en zonder een woord te spreken, zetten wij ons ontbijt verder voort. Geen wonder dat Eugenie zich daarbij in 't geheel niet op haar gemak gevoelde; ze stond dan ook heel gauw op en liep in de kamer op en neer. Eindelijk deed ze de piano open en liet haar vinger over de toetsen glijden, wel los en onsamenhangend, maar toch zoo kunstvaardig, dat ik verbaasd naar haar luisterde.

„Speel ons eens iets voor, lieve,” zeide Tante Betsy vriendelijk; en hartelijk verblijd, dat ze door deze welwillende toespraak uit den neteligen toestand bevrijd werd, waarin zij zich bevond, ging Eugenie voor de piano zitten en liet haar vingers snel over de toetsen gaan. Het was inderdaad een genot haar te hooren spelen; want aanslag, vlugheid en voordracht, alles was zoo prachtig, als ik 't maar zelden gehoord had. Hierop begon zij te zingen en de heldere, zuivere sopraanstem en 't onmiskenbare gevoel waarmede zij zong, verrukten mij nog meer. Ook Tantes ernstig gelaat klaarde hoe langer hoe meer op; de muziek is de beste bemiddelaarster, troosteres en helpster in zoo menige treurige omstandigheid des levens en ook hier verdreef zij den onaangenamen toestand, waarin de dwaasheid van Eugenie ons gebracht had; want toen zij van de piano opstond, reikte Tante haar vriendelijk de hand en prees haar muzikaal talent.

„Gij moet mijn leermeesters prijzen, niet mij, Tante!” antwoordde Eugenie, die zich achteloos op de sofa geworpen had. „Ze hebben er mij genoeg mee geplaagd, meer dan die beuzeling waard is.”

„Nu, dan moogt ge er hun wel dankbaar voor zijn,” hernam Tante. „Want door de moeite, die zij zich gegeven hebben, zijt ge in 't bezit van een schoon talent gekomen.”

Deze vermaning beantwoordde Eugenie op haar gewone beminnelijke manier: ze geeuwde—en Tante ging met een lichten zucht de kamer uit.

Eenigen tijd later kwam ik met het notitieboekje van de meid uit de keuken terug en droeg voorzichtig een menigte klein geld dat ik ingewisseld had, op den omslag van 't boek. Neuriënd ging Eugenie mij voorbij, en eer ik er op verdacht was, gaf zij een tik tegen den onderkant van het boekje, zoodat het in de hoogte vloog en al de kwartjes, dubbeltjes en centen door de kamer stoven. Als een dol kind lachte zij over haar moedwilligen streek; terwijl ik mij verschrikt op de knieën liet vallen om 't verspreide geld weer op te rapen.

Juist kwam Tante, die alles uit haar kabinetje gezien had, de kamer binnen.

„Sta op, Margot,” zeide zij ernstig. „En jij, Eugenie! zoek het geld weer bij elkaar.”

Deze wierp het hoofd trotsch in den nek, ging naar de deur en riep: „Lizette!”

De kamenier kwam.

„Raap dat geld eens op, Lizette!” beval zij, en deze knielde reeds neder om het bevel harer meesteres te gehoorzamen, toen Tante haar gebood:

„Sta op, Lizette, en ga heen.”

Toen nu de kamenier 't vertrek verlaten had, gelastte zij Eugenie kalm maar heel ernstig, dat zij den trotschen rug zou buigen en zelf verbeteren, wat ze in haar dwaasheid misdreven had.

Eugenie wist niet of ze haar ooren zou vertrouwen; maar de kalme ernst van Tante imponeerde haar toch: zonder verdere tegenspraak begon ze het moeilijke werk en kroop steunend en brommend over den grond; nauwelijks echter had zij een handvol klein geld opgeraapt, of ze wierp het knorrig weer over haar hoofd heen en zoo zou ze wel nooit gedaan hebben gekregen, als ik mij niet eindelijk over haar erbarmd en haar geholpen had.

„O, mijn voeten! mijn lendenen!” riep zij uit, toen we klaar waren. „Ik ben als geradbraakt! 't Zal mijn dood zijn!”

Ik liet haar stil klagen en ging aan mijn huiselijken arbeid. Maar toen ik weer in de kamer kwam vond ik haar niet meer, en omdat ik meende dat ze zich aan 't kleeden was, ging ik naar haar kamer om te zien of ik haar ook helpen kon. Hoe schrikte ik echter toen ik haar te bed vond liggen. Toen ze mij zag, overlaadde zij mij met scheldwoorden en klachten: ze werd hier als een galeiboef behandeld, 't zou echter haar dood zijn, want ze gevoelde zich zoo ziek en zoo akelig!

Verschrikt snelde ik naar Tante Betsy, om haar den toestand van Eugenie mede te deelen; deze begon echter over mijn bezorgdheid te lachen en zeide bedaard:

„Laat haar maar stil liggen, Margot. Eugenie zal wel weer van zelf beter worden. Maar niet naar haar toegaan, hoor! We moeten haar aan zichzelve overlaten.”

Niet lang daarna kwam Marie om de nieuwaangekomene te begroeten. Daar Eugenie nog maar niet voor den dag kwam, hadden we tijd in overvloed om over haar te babbelen.

Juist wilde Marie vertrekken, toen 't onderwerp van ons gesprek eensklaps in de deur der kamer verscheen. Zij was keurig gekleed en trotsch en voornaam in manieren en houding. Ik stelde haar mijne vriendin voor, zij ging echter op haar doode gemak op de sofa zitten, verwaardigde Marie slechts met een genadig knikje en scheen verder geen acht op haar te slaan. Kort daarop verwijderde Marie zich, zeer gekrenkt over de behandeling van Eugenie; ik poogde onze logée bij haar te verontschuldigen; doch mijn verzekering, dat zij buitengemeen beminnelijk kon zijn, vond bij mijn beleedigde vriendin geen gehoor.

Ik zette mij stil aan den arbeid, terwijl mijn nicht weer zoo lui als ze maar kon op de sofa zat. Eensklaps stoorde haar schaterende lach mij in mijn bezigheid: ik keek verwonderd op. „Is ze altijd zoo blauw en blond?” vroeg zij vroolijk.

„Wie meen je?”

„Wel uw Castor, mijn Pollux.”

„Ja, zij is evengoed altijd blond als ik zwart ben. Doch blauw draagt ze veel; ik zie 't haar graag aanhebben. En hoe bevalt zij u, Eugenie?”

„Mij? O, heel goed! Er ontbreekt maar een doodshoofd en een Bijbel aan, en de boetende Magdalena is klaar.”

Ik was boos. Mijne Marie, mijn afgodisch beminde, lieve vriendin zoo te hoonen! 't Was afschuwelijk! Ik wilde juist eenige niet zeer vriendelijke woorden tot antwoord geven, toen ik mij eensklaps door Eugenie's armen omklemd voelde en haar schelmsch gezicht mij in de reeds vochtige oogen blikte.

„Heel goed! Het onweer zal dadelijk losbreken!” riep zij uit en kuste mij. „Slinger uw bliksems maar naar mijn berouwvol hoofd, machtige Zeus! Ik verdien niet beter.”

Nu moest ik weer lachen, waar ik boos wilde zijn; 't was met dat meisje niet uit te houden.

„Wat doe je daar eigenlijk?” vroeg Eugenie, en nam mij 't werk uit de handen.

„Iets heel prozaïsch en huiselijks, zooals je ziet,” antwoordde ik. „Ik maas kousen.”

„Maas je die? Om 's Hemels wil! waarom doe je dat? Dat doet immers geen fatsoenlijk menschenkind zelf!”

„Waarom niet? ik wist niet dat er iets onfatsoenlijks in zulk een arbeid stak,” antwoordde ik. „Tante zegt altijd: de beste weg, om zich van anderen onafhankelijk te maken is, te zorgen dat men hen zoo weinig mogelijk noodig heeft. Het is een van ouds beproefde weg.”

„Dat is zoo'n dwaze redeneering niet. Maak je nog meer zelf? Bijvoorbeeld: je kleederen en ondergoed?”

„Het linnen en ander fijn waschgoed, natuurlijk. En Tante heeft mij beloofd, dat ze mij ook 't knippen zal laten leeren, opdat ik later de kleeren voor mama en de zusjes kan maken; want dat is op 't land dubbel aangenaam.”

„En hoe vindt je den tijd tot al dat werk?” vroeg Eugenie. „Ik zou er geen kans toe zien om zooveel te doen, al had de dag ook duizend uren.”

„Nu zie je eens, waartoe het goed is, dat men 's morgens bijtijds opstaat en zich terstond aankleedt. Men kan echter geen halve dagen op de sofa liggen, wanneer men ten minste klaar wil komen.”

„Je bent toch een heks!” riep Eugenie uit, en speelde kietebal met mijn opgerolde kousen.

„Apropos, hoe gaat het met je, Eugenie?” vroeg ik nu deelnemend. „Ben je weer geheel beter?”

„Dat moet je wel ten eenenmale onverschillig zijn, want je hebt er tot nu toe niet naar gevraagd,” zeide zij scherp. „Ik kon wel dood en begraven zijn, eer iemand zich om mij bekommerde.”

Ik had recht schik in dat antwoord en zag wel in, dat het beste middel om haar te genezen was, geen notitie van haar kwalen te nemen, zooals Tante mij geraden had. Wie weet hoe lang ze anders nog kermend en steunend te bed ware gebleven!

Dien namiddag maakte Tante eenige bezoeken met ons, om haar tweede pleegkind aan haar vrienden voor te stellen. Ach! welk een onderscheid was er in Eugenie's verschijning bij haar eerste bezoek, in vergelijking van het mijne, zooals dat vroeger geweest was! Onwillekeurig vergeleek ik mij, onhandig, houterig meisje, met den blos der verlegenheid en schaamte van angst en onbeholpenheid op de wangen, bij die beschaafde, bevallige, élégante Eugenie. Hoe allerliefst kon ze zijn als zij slechts wilde! En tegenover vreemden was zij altijd allerinnemendst; vandaar dat ze ook spoedig aller harten won, en niemand vermoedde hoeveel verdrietige oogenblikken dat nukkige kind ons in huis kon bezorgen. Ook Marie werd eenigermate met Eugenie verzoend; wijl dien namiddag de booze bui geheel en al overgedreven scheen te zijn, en ze weer zoo vriendelijk en spraakzaam was als altijd. Geen grooter pret had ik, dan bij een bezoek ten huize van Mevrouw Bredius. Amanda zweefde weer op haar gewone geaffecteerde manier door de kamer en zette zich in haar leunstoel, terwijl zij nu eens haar flacon, dan haar waaier of haar zakdoek gebruikte; van mij nam zij natuurlijk in 't geheel geen notitie, maar ook Eugenie behandelde zij zoodanig uit de hoogte, dat het mij bang om 't hart werd.

Tot mijn verbazing scheen dit gedrag Eugenie in 't geheel niet te hinderen. Ze keek Amanda een poos heel kalm en uitvorschend aan en ik zag haar lippen van louter ondeugendheid en moedwil trillen. Zachtkens liet zij zich ook in haar leunstoel neder, nog veel gemakkelijker dan Amanda, trok snel een voetenbankje naar zich toe, dat de andere juist naar zich wilde toehalen, bracht eveneens haar flacon en zakdoek in beweging, en sprak nog matter en geaffecteerder dan haar tegenpartij. En dat alles was zoo weinig gemaakt en scheen zoo geheel natuurlijk, dat ik met verbazing de anders zoo ongedwongen Eugenie beschouwde.

Amanda begreep blijkbaar niet wat dat moest beteekenen; onwillekeurig verhief zij zich wat uit haar gemakkelijke ligging, poogde een gesprek aan te knoopen en was minder gemaakt. Eugenie echter liet zich niet storen, gaf wel is waar antwoord, maar altijd op de aanwijzende manier van Amanda, ja, zij richtte het woord veel meer tot mij dan tot de élégante dochter des huizes. Toen echter Mevrouw Bredius zelf een gesprek met haar aanknoopte, gedroeg zij zich zoo beminnelijk als haar gewoonte was. En Eugenie hield deze houding bij al haar bezoeken vol, totdat Amanda haar gemaaktheid in haar bijzijn liet varen en toen nam ook Eugenie haar natuurlijken toon weder aan; zoodat die beide zonderlinge meisjes langzamerhand recht goed met elkander overweg konden.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Nog wat over de nieuwe huisgenoot.

Den volgenden morgen begaf ik mij tijdig naar Eugenie's slaapkamer om te hooren hoe 't met haar ging, en thans ontving ze mij weer even ondeugend als gewoonlijk, maar toch hartelijk en vriendelijk.

„Wou je mijn morgentoilet eens bijwonen, Madeliefje?” vroeg ze. „Nu, dan mag je ook een schoon hemd over mijn blanke schoudertjes gooien, en niemand zal je die hooge gunst betwisten. Want ik zou er voor bedanken, om evenals Lodewijk XIV een halfuur in mijn natuurkostuum te blijven zitten. Je kent immers die mooie geschiedenis van Frankrijks grooten koning wel, wien juist een zijner hovelingen 't hemd over 't hoofd zou werpen, toen er een voornamere binnenkwam, die meer aanspraak op deze eer had, en toen weer een voornamere; zoodat de koning maar niet geholpen kon worden.”

„Die kwam er dan misschien nog met een verkoudheid af,” antwoordde ik. „Erger was 't met Philips den derde van Spanje, op wiens haard de vuuraanlegger van 't hof zulk een vreeselijke menigte hout had gestapeld, dat de vorst bijna door de hitte stikte. 's Konings majesteit verbood hem van zijn stoel op te staan, en de bedienden durfden niet in 't vertrek komen, omdat de etiquette dit niet veroorloofde. Juist kwam de markies de Polat, en de koning beval hem 't vuur te verminderen doch de markies verontschuldigde zich, omdat de etiquette dit werk aan den hertog De Useda opdroeg. Nu was die juist niet thuis, en daardoor bleef de koning een geruimen tijd bij 't blakerende vuur zitten, wat hem zoo ziek maakte, dat hij een paar dagen later aan hevige koortsen stierf.”

„Wel, aardig Madeliefje” riep Eugenie uit. „Wie zou zulk een talent van vertellen bij zoo'n nederig veldbloempje gezocht hebben!”

Intusschen bekeek ik 't schoone borduursel van Eugenie's lijfgoed.

„Wat is dat alles prachtig!” riep ik bewonderend uit.

„Vindt ge 't zoo mooi?” vroeg Eugenie verbaasd. „Zoek er maar voor u uit, wat je wilt; mij is 't hetzelfde.”

„Maar dat heeft alles zooveel geld gekost, Eugenie. Hoe kun je daar onverschillig voor zijn?”

„Ba! Geld!” riep zij uit, terwijl ze de schouders ophaalde.

„Wat kan mij geld schelen! Dat is maar een bijzaak, zegt Mama, en Papa heeft geld genoeg.”

„Maar je kondt het toch beter gebruiken, dan 't zoo weg te gooien, nichtjelief! Hoeveel vreugde kon je anderen verschaffen met een klein gedeelte van 't geen je zoo maar verkwist!”

„Beter gebruiken? Wat meen je daarmee, kind?”

„Wel, je kondt er anderen gelukkig mee maken, die minder hebben.”