Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is
Part 6
„Dat gaat mij niet aan,” hernam de baron. „Ik ben mijn eigen meester en aan niemand rekenschap verschuldigd. Zeg mij eenvoudig, of je in mijn naam 't aanzoek doen wilt. Mij ontbreekt het ten eenenmale daartoe aan tact.”
„Met genoegen. Doch wijt het mij niet, wanneer 't antwoord anders uitvalt, dan je verwacht,” hervatte Eduard, terwijl hij den baron de hand reikte.
„Wees daarover niet bekommerd, en wees verzekerd, dat, hoe de zaak ook afloopt, ik je steeds dankbaar zal zijn.”
„Met deze woorden was de baron heengegaan, en Eduard terstond bij mij gekomen, om mij het nieuws mede te deelen, en mij in den arm te nemen, om voor hem het aanzoek te doen. Nu weet je de geheele geschiedenis en ik geloof dat je lieve Tante de zaak niet meer uit zulk een tragisch oogpunt beschouwt als daar straks. Want daar Margots hart niet in zulk een hopeloozen toestand verkeert als de goede baron denkt, en dit, zooals hij duidelijk heeft te kennen gegeven, de groote reden van zijn aanzoek is, valt de geheele zaak van zelf in duigen, en we behoeven er ons niet over te verontrusten dat een weigering 't hart van den baron zal breken.”
„Zoo licht zie ik de zaak niet in, lieve Marie,” antwoordde Tante, nog steeds ernstig, toen Marie zweeg. „'t Moge nu wel niet uit liefde tot Margot zijn, dat de baron haar hand vraagt; 't staat echter niet aan ons te beoordeelen, in hoeverre zijn hart daarbij werkelijk in het spel is. Ik moet je zeggen, dat het mij in hem bevalt, dat hij zonder eenige nevenbedoeling een eenvoudig meisje kiest, en het doet mij innig leed, dat hij zich nu weer tot zijn vroegere eenzaamheid veroordeeld ziet.”
„Maar zijn ijdelheid heeft toch waarlijk deze kleine les wel verdiend, Mevrouw!” hervatte Marie. „Hij moet zich al voor zeer belangwekkend houden, om te denken dat zulk een knap meisje als onze lieve Margot zoo maar in eens tot over de ooren op hem verliefd zou zijn geworden, en dat alleen omdat zij hem eenige vriendelijkheden bewezen heeft.”
„Ik heb je nog niet kunnen verhalen, onder welke omstandigheden ik gisteren den baron ontmoet heb, Marie; en die ontmoeting heeft hem zeker in zijn meening versterkt,” zeide ik beschaamd en vertelde haar het avontuur van den vorigen avond.
„Dat alles geeft hem toch volstrekt geen recht, om het er voor te houden dat je verliefd op hem bent,” antwoordde Marie. „Hij mag er ten hoogste uit opmaken dat je hem hoogacht en vertrouwt. En daarom kan 't volstrekt geen kwaad, dat mijnheer de baron bij deze gelegenheid eens ondervindt, dat er nog jonge meisjes in de wereld zijn, die niet zoo hoog met rijkdom en adelstand loopen, om daarvoor een liefde te huichelen, die zij niet bezitten.”
„Het zal den armen man nog stijver en schuwer maken dan hij nu reeds is,” hervatte ik. „Neen, neen, Marie, je oordeelt te hard, en ondanks alles, wat je hem ten laste legt, doet het mij geducht leed.”
„Welnu, trouw hem dan, schatje!” zeide Marie. „Misschien verricht je een goed werk en maakt een bruikbaar mensch van hem.”
„Neen, dat kan ik niet doen, hoeveel medelijden ik ook met hem heb,” antwoordde ik. „Daarenboven vraagt hij mij alleen, omdat hij meent dat ik hem bemin; ik zou hem dus bedriegen als ik zijn aanzoek aannam. Maar ik wensch van harte, dat hij spoedig een andere vindt, die hem kan schenken, wat ik hem niet kan aanbieden.”
„Dat willen we hopen, Margot,” zeide Tante vriendelijk, en kuste mij op 't voorhoofd. „En tevens, dat de zaak hiermede is afgedaan en geen verdere gevolgen zal hebben. Doch trek uit deze ervaring de ernstige les, dat een jong meisje tegenover heeren niet voorzichtig en ingetogen genoeg kan zijn. Zoo menig meisje heeft den naam van coquet gekregen, alleen doordien haar onbezonnenheid en levendigheid haar verleidden tot woorden of handelingen, die tegen de eenmaal aangenomen regelen der welvoeglijkheid indruischen. Dat de baron je, nu je hem weigert, niet voor een coquette moge houden, wensch ik van harte; van een minder ernstigen en soliden man dan hij is, zoudt ge nauwelijks een andere verklaring van je gedrag kunnen verwachten.”
En zoo liep deze zaak af. Eduard nam de taak op zich, den baron mijn weigering over te brengen. Hij deed dit zoo verschoonend mogelijk; maar ondanks den tact, waarmede hij zijn vriend den staat van zaken verklaarde, had die weigering toch ten gevolge, dat de schuchtere baron zich weer gedurende langen tijd uit alle gezellige kringen verwijderd hield.
Voor mij was dit voorval een les voor geheel mijn leven.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Eene logée.
Hoe langer ik in 't huis van Tante Betsy vertoefde, hoe meer ik er mij op mijn gemak begon te gevoelen, en reeds sedert lang dacht ik niet meer met dat smachtend verlangen, dat mij in den beginne zoozeer kwelde, aan 't lieve ouderlijke huis terug. Meer en meer erkende ik welke waarde het voor mijn geheele vorming had, dat ik een gedeelte mijner jeugd bij Tante Betsy doorbracht, en de liefdevolle manier, waarop zij mij wist te leiden, deed mij vrij gemakkelijk duizenderlei gebreken en onhebbelijkheden verbeteren, waarmede ik nog steeds te kampen had.
Het ontging mij niet dat Tantes voorhoofd tusschenbeide bewolkt was en ik maakte mij ernstig ongerust, toen ik haar op zekeren morgen weenend in haar fauteuil vond zitten. Er lag een brief voor haar op de tafel, en toen ik op haar toeijlde en haar vroeg wat haar scheelde, gaf zij mij vriendelijk een wenk om mij te verwijderen, waaraan ik natuurlijk gehoorzaamde. Het duurde lang eer zij bij mij in de kamer kwam, en ik hoorde haar verscheidene malen op haar kamer heen en weer loopen.
Eindelijk kwam zij beneden, kalm en rustig, ofschoon ernstig en neerslachtig, ging naast mij zitten en zeide:
„Margot, ik wil je gedeeltelijk mededeelen, wat mij zoozeer neerdrukt. Je bent een verstandig meisje en hebt mij lief; daarom kan ik gerust mijn hart voor je uitstorten. Natuurlijk spreek je er tegen niemand over dan tegen Marie en je lieve moeder, aan wie ik 't zelf zal mededeelen.”
„Daarvan kunt gij verzekerd zijn, lieve Tante,” antwoordde ik.
„Je weet, Margot,” begon zij, „dat ik sinds vier jaren weduwe ben, nadat ik aan de zijde van mijn geliefden man onvergetelijke jaren van huiselijk geluk gesmaakt heb. Toen God ons het eenige kind, dat Hij ons geschonken had, weder ontnam, sloten wij ons te inniger aan elkander. Daar was echter nog iets anders, wat ons leed veroorzaakte. De eenige broeder van mijn echtgenoot, dien hij zeer liefhad, was eenige jaren na den dood zijner eerste vrouw met een jong meisje gehuwd, voor wier lichtzinnigheid en luimen men hem gewaarschuwd had. 't Scheen dat Adolf met blindheid geslagen was; zelfs de zorg voor zijn elfjarig dochtertje hield hem niet terug van den onberaden stap. Slechts al te spoedig zag hij in hoe onverstandig hij had gehandeld. Gedurende de zeven jaren, welke hij met deze tweede vrouw gehuwd is, heeft de krachtige man zooveel verdriet gehad, dat hij wel een grijsaard gelijkt. Zwak en toegevend van aard, laat hij haar alles toe, om maar den lieven huiselijken vrede te bewaren. Dat nu Eugenie, de dochter, onder de leiding van zulk eene moeder geen goede opvoeding heeft genoten, kunt ge wel begrijpen; want de invloed van haar vader was te gering, om zijn kind voor allen nadeeligen invloed van den kant harer stiefmoeder te bewaren. Eugenie is opgegroeid als een talentvol meisje, schoon en bevallig; doch ze mist alles wat het schoonste sieraad is der vrouw. Reeds dikwerf heb ik mijn zwager aangeboden haar eenigen tijd bij mij te nemen—de arme man kon er echter niet toe besluiten, de eenige vreugde zijns levens van zich te laten gaan, en zoo bleven de zaken zooals zij waren. Nu kreeg ik van morgen de tijding dat Adolf benoemd is bij een buitenlandsche ambassade en noch vrouw noch dochter kan medenemen. Daar hij Eugenie niet gaarne onder de hoede harer lichtzinnige stiefmoeder wil laten, verzoekt hij mij vriendelijk zijne dochter, zoolang als hij uitlandig zal zijn, in mijn huis op te nemen. Ik heb hem terstond geantwoord dat ik daartoe bereid ben, en verwacht Eugenie dus heel spoedig. Omdat nu deze verandering in ons huisgezin ook u betreft, moest ik je een gedeelte van die treurige familiezaken mededeelen, waarvan ik nog nooit een woord tegen iemand gerept heb. Ik vertrouw dat je geduld zult hebben met de gebreken van Eugenie, waarvan de omgeving, waarin zij geleefd heeft, de oorzaak is. Ook mijn taak zal niet gemakkelijk zijn. En daarom willen we beiden met moed en liefde onze Eugenie verwachten.”
Zonder nog te antwoorden keek ik Tante aan. Ik begon mij hier zoo geheel en al thuis te gevoelen, en zag er nu tegen op eene nieuwe huisgenoot, en nog wel zulk eene, te ontvangen. Tante scheen mijne gedachten te raden.
„Vrees niets, lief kind,” zeide zij. „Onze nieuwe huisgenoot zal u niet benadeelen. Waar ze 't je te lastig mocht maken, zal ik je beschermen. Vertrouw op mij en wees goedsmoeds.”
Eenige weken na dit gesprek kwam de verwachte nicht op zekeren namiddag aan. Tante was naar 't station gereden om Eugenie te ontvangen, en ik verwachtte beiden met de dampende koffie, waarmede ik de reizigster dacht te zullen verkwikken. Daar kwam de vigilante voor, en door een reet van 't gordijn zag ik naast Tante Betsy eene statige, slanke jonge dame uit het rijtuig stappen, die met vluggen tred naar de huisdeur ging; terwijl zij de zorg voor haar talrijke reisbenoodigdheden aan een jong meisje overliet, dat zich daarmede tot aan de kin belaadde. Ik snelde de aankomenden te gemoet en werd door Tante Betsy aan Eugenie als haar lieve nichtje Margot voorgesteld.
„Zoo! Is dat de boerendeern, waarvan gij mij vroeger wel eens verhaald hebt? Nog geheel en al tusschen mal en dwaas, naar 't mij voorkomt,” zeide Eugenie, terwijl ze mij nauwelijks met een blik verwaardigde. Toch reikte ze mij even de toppen harer vingers, die in fijne lichtgrijze glacéhandschoenen staken; wendde zich tot Tante en zei op snibbigen toon:
„'t Schijnt dat ge voornemens zijt, Tante, om een jonge-juffrouwenkostschool te beginnen; daar ge de eene jonge dame na de andere laat komen.”
„Ik hoop dat mijn Margot een lieve zuster voor je zal wezen, Eugenie,” antwoordde Tante, zonder op de hatelijke opmerking van haar nichtje te letten. Eugenie wendde zich lachend tot mij en zeide:
„Tot hiertoe heb ik 't best zonder een zuster kunnen stellen; maar ik heb er niets tegen, dat we goede vriendinnen worden, cousientje.”
En, eer ik 't vermoedde, naderde zij mij snel en drukte mij een hartelijken kus op den mond. Maar even snel wendde zij zich tot het zwaarbeladen jonge meisje, dat juist in de kamer trad, en riep:
„Lizette, leg dien rommel maar eventjes op den grond neer en haal mij een glas water. Ik stik van warmte en dorst.”
Eer nog Lizette 't haar bevolene had kunnen verrichten, wierp haar meesteres zich op een stoel, strekte één voet uit en riep:
„Trek mij toch die afschuwelijke pelslaarzen van de voeten, waarmede ik er uitzie als een Laplandsche, en geef mij mijn lichte pantoffels aan.”
Lizette deed wat haar bevolen was, knielde voor Eugenie neder, en deze had er pleizier in de losgemaakte en versmade pelslaarzen over 't hoofd harer kamenier in den tegenovergestelden hoek der kamer te slingeren.
Ik stond geheel en al verbluft. Wat een zonderling meisje was dit! Trotsch en daarbij hartelijk, despotisch en tevens kinderlijk, en bovenal zoo onbegrijpelijk op haar gemak en ongegeneerd, als woonde ze reeds jaren bij Tante Betsy in huis. Deze scheen echter op 't zonderlinge gedrag van de nieuwaangekomene geen acht te slaan; want toen zij sjaal en hoed had afgedaan, zette zij zich gemakkelijk in 't hoekje van haar sofa neder en zei opgeruimd:
„Nu, Margot; ik hoop dat je voor een lekker kopje koffie gezorgd hebt; dat zal ons goed doen. Haast je, Eugenie; anders blijft er niets voor je over.”
„Koffie! De Hemel beware mij! Die drink ik nooit,” antwoordde Eugenie; terwijl ze haar bruinen krullebol schudde en een paar lichtblauwe, keurig gevoerde pantoffels aan haar nette voetjes trok. „Koffie! Een akelige drank, die iemands teint bederft en sproeten veroorzaakt.”
„Maar wat drink je dan in plaats van koffie, kindlief?” vroeg Tante.
„'s Morgens chocolaad, 's namiddags in 't geheel niets, of thee,” antwoordde Eugenie; terwijl ze zich, zoo lui zij kon, in Tantes gemakkelijken leunstoel uitstrekte en met de lichtblauwe voetjes op en neer wipte.
Ik kreeg een kleur van verontwaardiging, toen ik 't moest aanzien, dat Eugenie zich zoo maar onverschillig in den leunstoel neervlijde, waarop ik 't niet zou gewaagd hebben te gaan zitten. Zoo iets echter behoefde ik bij die jonge prinses niet te verwachten; haar scheen 't beste nauwelijks goed genoeg. Tante liet haar ook rustig begaan en wendde zich tot mij, met het verzoek wat thee voor Eugenie te zetten, daar een warme drank haar goed zou doen. Toen deze er niets tegen inbracht, deed ik wat Tante mij bevolen had.
Intusschen had het jonge meisje een borstel uit den zak gehaald en poetste daarmede de lange nagels harer sierlijk witte handen, als ware zij alleen in de kamer. Toen sprong ze van haar stoel op, krulde haar kastanjebruine lokken voor den spiegel op, en ging daarop in de kamer en in Tantes boudoir eens rond, om met een vluchtig oog de schilderijen, boeken en sieraden te beschouwen.
„Wat is alles vreeselijk ouderwetsch bij u, Tante!” riep zij daarop lachend uit. „Die oude prullen heeft Mama al sedert lang naar den uitdrager gestuurd. Alle twee jaren hebben wij een geheel nieuw ameublement.”
Ik stond verbaasd over die opmerking! Deze schoone, solide, kostbare meubelen noemde Eugenie oude prullen! Die meubelen, waartusschen ik mij in de eerste dagen van mijn verblijf alhier ter nauwernood durfde bewegen uit hoogschatting van die kostbare dingen, ouderwetsche prullen! Dat was toch al te erg, en met een angstigen blik keek ik Tante aan, om te hooren wat deze daarop zou antwoorden.
Zij bloosde even en beet zich op de lippen. Toen echter antwoordde zij kalm:
„Aan deze oude meubelen zijn voor mij liefelijke herinneringen verbonden, Eugenie. Zij zijn getuigen geweest van mijn schoonste dagen en zijn met mij oud geworden. Ik zou er niet gaarne een enkel stuk van missen of tegen een nieuw verruilen; want we zijn zoo langzamerhand aan elkander gewoon geworden. Wie zich steeds in een nieuwe omgeving beweegt, denkt niet gaarne terug aan vroegere dagen; hij heeft een wereldsch, rusteloos gemoed, waarvoor slechts het nieuwe bekoorlijkheid en waarde bezit.”
Met een zonderlingen blik zag Eugenie Tante aan, half glimlachend, half ernstig.
„Wat hebt ge toch allerliefste ideeën, Tante,” zeide zij onbeschroomd. „Die passen zoo precies bij die oude meubelen; want ze zijn even eerwaardig en ouderwetsch. Maar gij hebt gelijk. Wat gij daar zeidet, heb ik nog nooit zoo ingezien.”
„Je hebt waarschijnlijk nog zooveel niet begrepen, wat waar en goed is, kind!” antwoordde Tante vriendelijk. „Ik hoop dat je dat nu zult leeren.”
Eugenie ging zwijgend in haar stoel zitten; ze scheen een weinig op haar teenen te zijn getrapt. Ik bracht haar een kopje thee.
„Ik lust geen thee; ik heb 't warm genoeg,” zeide zij knorrig en duwde het kopje zoo hard weg, dat de thee over mijn japon vloog. Ik keerde mij schielijk om; want ik ergerde mij over het wispelturige meisje. Tante zeide echter zeer bepaald, maar kalm:
„Dit kopje zul je uitdrinken, Eugenie; want vooreerst is 't goed na de reis, en ten tweede heeft Margot alleen te uwen gevalle thee gezet. Als je vooraf hadt geweten, dat je ze niet gebruiken zoudt, dan hadt je Margot de moeite moeten sparen om ze te zetten.”
Eugenie keek haar verbaasd aan en werd zoo rood als een kalkoensche haan. Ze zat eenige oogenblikken als een bedorven kind in haar stoel en bekeek haar witte nageltjes; toen richtte zij zich eensklaps op, trok het kopje thee naar zich toe, deed er melk en suiker in, dronk het vocht in één teug op en schoof mij 't ledige kopje toe. „Nog een, Margot!” zei ze gebiedend. Ik schonk haar weder in, en nu dronk ze ook dit weer even snel uit, mij 't leege kopje toeschuivende. „Nog een!” riep zij.
Ik keek Tante vragend aan: want blijkbaar was Eugenie koppig en wilde zij Tante boos maken. Deze antwoordde echter doodbedaard: „Neen, Margot, schenk geen thee meer. 't Zou Eugenie kwaad doen.”
Mijn eigenzinnig nichtje zeide niets, maar bitter boos zat ze daar in den leunstoel en trommelde zenuwachtig met haar blauwe pantoffels op het tapijt. Eindelijk riep ze, terwijl ze 't hoofd achterover in den stoel wierp:
„Zeg eens, Margot. Ben jij hier óók in 't verbeterhuis?”
„Maar, Eugenie!” riep ik bevend uit; verder was 't mij niet mogelijk, één enkel woord te uiten.
Eugenie verwachtte ook geen antwoord, maar knipte met duim en vinger en begon wat te neuriën. Tante stond op en ging zwijgend naar haar boudoir; toen zij de deur achter zich toedeed, waren wij beiden alleen.
„Maar, lieve Eugenie; hoe kon je Tante zoo krenken?” vroeg ik met tranen in de oogen over 't geen het meisje mijn goede Tante had aangedaan.
Eugenie neuriede voort en gaf mij geen antwoord.
„Je weet niet hoe goed Tante is, Eugenie,” hervatte ik. „Je moet wezenlijk liever voor haar zijn; zij verdient je liefde en achting ten volle. Je kent haar niet; maar ik ben al zoo lang hier, dat ik haar hooge waarde weet te schatten. Zij meent het met iedereen zoo goed.”
Hier werd ik in de rede gevallen door een duchtig geeuwen. Eugenie hield haar beide ooren dicht.
„Hemelsche goedheid! Je lijkt wel zoo'n vervelende schoolmamsel!” riep zij uit.—„Och, och! Hoe zal ik, arme heidin, 't onder al die heiligen uithouden!”
Daarbij zette ze zulk een komiek gezicht en keek mij zoo guitig aan, dat ik mij op de lippen moest bijten om niet te lachen.
„Zeg eens, klein wijsneusje, hoe oud ben je toch wel, dat je je vermeet om mij lessen te geven?” vroeg ze, terwijl ze mij met balletjes wierp, die ze van haar broodje kneedde. „Ben je het domme vierendeeljaars al te boven? Eigenlijk schijn je me toe nog tusschen mal en dwaas te zijn. Ben je al veertien jaar en zeven weken?”
„O, ja, die heb ik gelukkig achter den rug, al is het dan ook nog niet lang,” antwoordde ik glimlachend en wierp haar 't mij toegeworpen broodballetje in 't gezicht.
„Maar hoe kun je je dan Margot laten noemen?” vroeg Eugenie. „Margot wil eigenlijk zeggen Grietje, en dat is een boerennaam; zoo noemden ze je zeker thuis op het boerendorp. Ik kan dien naam niet uitstaan en zal je Margareta noemen of liever madeliefje[1]; dat is toch juist hetzelfde.”
[1] Marguérite is Margareta en madeliefje.
„Zeer veel eer voor een kind, dat nog tusschen mal en dwaas is,” antwoordde ik bits; want ik gevoelde zeer goed, dat ze mij wat in de hoogte stak.
„Nu, al ben je ook wat onnoozel, dom ben je waarlijk niet.”
„Niet zoo dom als ik er wel uitzie,” zeide ik lachend.
„En wie zegt dat je er dom uitziet?” riep Eugenie snel. „Ik niet; want ik vind je nog al tamelijk knap.”
„Ja, ja, zoo'n knapheid van zestien jaren, als ieder meisje nog tenger is en een frissche blozende kleur heeft,” antwoordde ik spottend.
„Laat twisten met u, wie er lust in heeft! Je bent een heks!” riep Eugenie; terwijl ze me haar heele broodje op den rug wierp, dien ik haar juist toekeerde.
„Ga toch niet zoo onbezonnen met het kostelijke eten om, Eugenie,” zeide ik verwijtend, terwijl ik het broodje weer op tafel legde. „Tante kan niet dulden dat men met brood speelt.”
„Nu, dan zal ik het maar laten,” riep Eugenie uit, terwijl ze deed alsof ze heel verschrikt was. „Anders zou ik nog al het brood moeten opeten, waarvan ik eerst kogels en figuren gedraaid heb; evenals ik daar straks je afschuwelijke thee moest opdrinken, die me nog als vuur in de keel brandt.”
„Omdat je daarbij zoo dom waart die in eens uit te drinken,” zeide ik, terwijl ik het theegoed in elkander zette.
„Ik moet toch eens zien, of Tante weer lust heeft om mij op te eten, zooals straks,” zeide Eugenie ondeugend en ging naar de deur van Tantes kamer, en nog eer ik haar verschrikt kon terughouden, was de deur al open en zij er achter verdwenen.
„Lieve Hemel! Is me dat een meisje!” riep ik uit, terwijl ik haar angstig nastaarde; want nooit zou ik 't gewaagd hebben Tante te storen, als zij naar haar kamer was gegaan. En zij durfde het te doen, nadat zij haar boos gemaakt had! Ik luisterde oplettend of ik geen hevige woordenwisseling zou vernemen; maar het duurde niet lang, of daar klonk Eugenie's kinderlijk gelach, de deur ging open en arm in arm kwamen Tante en nicht aan.
„Je behoeft je niet te verbeelden, dat jij de verzoening bewerkt hebt, heilige Margareta,” zeide Eugenie; maar een vriendelijke blik van Tante Betsy zeide mij, dat zulks wel het geval was. Nu, wat mij aangaat, het verheugde mij dat ik Tante weer zoo vroolijk zag, wie er dan ook de oorzaak van mocht wezen.
„Kom thans naar je kamer, kindlief,” zeide Tante; en zij bracht Eugenie naar een klein vriendelijk kamertje, dat aan onze slaapkamer grensde.
Ik was al bang geweest, dat Tante mij met Eugenie in dezelfde kamer had willen inkwartieren, 't geen mij veel leed zou gedaan hebben, omdat onze slaapkamer mij zoo lief was geworden. Maar mijn ledikant met de witte gordijnen stond nog op zijn oude plaats en er was dus geen quaestie van verandering.
't Kamertje van Eugenie was, hoe eenvoudig ook, toch sierlijk ingericht en maakte blijkbaar een aangenamen indruk op 't verwende kind; want ze dartelde neuriënd van 't eene voorwerp naar 't andere.
[Illustratie]
„Maar dat landschap moet weg!” riep ze eensklaps uit; terwijl ze voor een prachtige gravure naar Koekkoek bleef staan, die voor den schoorsteen hing. „Hier komt mijn lieve papaatje te hangen; ofschoon de slechte man eigenlijk niet verdient dat ik hem nog aanzie, sedert hij mij zoo trouweloos verlaten en aan de wreede handen van een zekere Tante Betsy heeft overgegeven. Gauw, Lizette! Uitgepakt! opdat ik mijn papa eindelijk weer eens onder de oogen krijg; hij toch kent mij 't best van allen en weet wel, dat ik zoo slecht niet ben als sommige menschen wel denken.”
Dit zeggende rukte zij ongeduldig aan de touwen en papieren, waarin een schilderij gepakt was, zooeven door Lizette uit een der vele koffers genomen. Maar ondanks haar drift gelukte het haar toch niet het omhulsel los te krijgen, totdat ik haar te hulp kwam.
„Je bent te driftig, Eugenie; zoo gaat het niet,” zeide ik; terwijl ik den knoop voorzichtig trachtte los te maken.
„Ja, neem jij 't maar; ik doe alles zoo verkeerd,” riep zij uit; maar nu stond zij ongeduldig naast mij, en liet mij ter nauwernood den tijd om het schilderij te voorschijn te halen. Eindelijk was 't laatste stuk papier er af, en met een luiden jubelkreet greep Eugenie 't beeld van haar vader, omvatte het met beide armen, drukte het hartstochtelijk aan haar borst en bedekte het met duizend kussen, waarbij haar de tranen over de wangen rolden.
„Papaatje! Mijn eenig, lief Papaatje!” riep ze met bewogen stem uit. „Nu heb ik u toch, al zijt ge ook ver van uwe arme, vroolijke Eugenie en al wilt ge ook niets meer van haar weten, gij, stoute, stoute, lieve Papa!”
Het was werkelijk een aandoenlijk gezicht, het zonderlinge meisje 't beeld van den waardigen man met zulk een kinderlijke teederheid te zien liefkozen, en alle knorrigheid, door haar vreemd gedrag in mij pas opgewekt, verdween bij den aanblik van dit tooneel. Ze had een goed, liefdevol hart, dat toonde zij duidelijk; maar hoezeer was dat goud in 't ruwe erts verborgen! Zwijgend stond ik naast Tante Betsy, die evenals ik getroffen naar haar stond te kijken, en in wier oog een traan blonk. Zij trad op Eugenie toe, drukte haar aan haar hart en hield haar lang zwijgend omarmd. Ook Eugenie was innig getroffen. Ze was er echter 't meisje niet naar, om lang aan een weemoedig gevoel toe te geven. Eensklaps rukte zij zich van Tante los, schudde de verwarde lokken van 't voorhoofd, droogde de oogen af en riep weer ondeugend uit: