Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is
Part 5
Den volgenden morgen kwam Marie reeds vroeg bij mij om te vernemen hoe mijn avonturen van den vorigen avond mij bekomen waren. Zij hield mij op zulk een vroolijke manier voor den gek en was zoo uitgelaten en schalksch, dat haar vroolijkheid spoedig aanstekelijk voor mij was en wij beiden om 't hardst om mijn verovering lachten. Waarschijnlijk gedroegen wij ons geducht kinderachtig; want Tante, die anders gaarne met ons schertste, deelde ditmaal niet in onze vroolijkheid. Ik had haar den vorigen avond, eer wij naar bed gingen, in ons vertrouwelijk groen kamertje alles eerlijk opgebiecht en ofschoon zij mij waarschuwde, om voortaan niet meer dergelijke onbezonnenheden te begaan, moest zij toch hartelijk over de geheele ontmoeting lachen: eindelijk was zij ernstig en nadenkend geworden en sprak ze niet meer van de zaak.
„Hoort eens, kinderen,” zeide zij nu, terwijl wij zaten te babbelen en te lachen. „Uw gedrag bevalt mij in 't geheel niet. Wel heeft de baron zich belachelijk aangesteld; maar het is volstrekt geen teeken van een goed hart, alleen oog te hebben voor de komische zijde van het voorval. 't Kan immers zijn dat de menschenschuwe man, werkelijk innig getroffen is door de vriendelijkheid van zulk een jong meisje? Alleen en verlaten in een gezelschap te staan is hard, en verdient medelijden, geen spotternij.”
„Maar, lieve Mevrouw,” zeide Marie. „We lachen niet om het linksche gedrag van den baron, maar om Margots naïf gedrag en 't geen daarmee in verband staat. En wat het alleen staan van den baron aangaat, dat is geheel en al zijn eigen schuld. Waarom zondert hij zich ook zoo van anderen af? Hij heeft alles wat hij wenscht, en waardoor hij zichzelf en anderen gelukkig zou kunnen maken; rijkdom, een geëerden naam, een onafhankelijken staat, een gezond lichaam, en toch leeft hij als een kluizenaar, ziet nooit iemand bij zich en legt evenmin ooit bezoeken af. Den een of ander op zijn landgoed te noodigen, dat is nog nooit in zijn brein opgerezen; en neemt hij soms eens het besluit om uit zijn kluis te voorschijn te komen, dan ziet hij er zoo schuw en ongelukkig uit, dat niemand zich aan hem waagt. Zelfs zijn beste vrienden kunnen niets met hem aanvangen, zooals Eduard zelf zegt. Er is nu eenmaal niets aan hem te doen; hij is een zonderling.”
„Toch is hij te beklagen,” zeide Tante zacht; „want, ondanks zijn aardsche goederen, ontbreekt het hem aan 't ware geluk. Hij weet het leven niet te genieten door voor zich en anderen nuttig te zijn, en zulke menschen wekken altijd mijn medelijden op.”
„Nu, lieve Tante,” zeide ik, „we zullen niet meer om hem lachen. Ik erken dat het kinderachtig van mij was. Hij heeft mij gisteravond werkelijk goed onderhouden en ik heb van hem geleerd. Jammer, dat het zulk een innerlijk beschaafd mensch aan uiterlijke vormen ontbreekt.”
Juist op dit oogenblik kwam de meid zeggen, dat Dr. Huisman ons een bezoek kwam brengen. Bij dien naam kreeg ik weer een kleur als bloed. Des te meer verraste het mij, dat Tante zeide:
„Nu, daar ben ik zeer verheugd over. Laat den dokter binnenkomen.”
Vriendelijk werd hij door haar ontvangen. Hij begroette haar, Marie en mij zoo ongedwongen en vriendelijk, dat ik minder schroomvallig werd; want ik begreep er uit, dat hij mijn gedrag niet bespottelijk had gevonden. Ik mengde mij dus in 't gesprek, om, als 't mogelijk ware, te verbeteren wat ik den vorigen avond verkeerd gedaan had. Tante had er den slag van, zulke dingen ter sprake te brengen waarover ik meepraten kon, en zijn bezoek was inderdaad zoo aangenaam, dat ik, toen hij wegging, geheel en al over mijzelf tevreden was.
„Nu, Margot,” zeide Tante. „Ik geloof dat die dokter Huisman beter is, dan ik gisteravond vermoedde.”
„Zeker, Tante, dat heb ik u wel terstond gezegd. Doch waarom denkt u vandaag beter over hem dan gisteren.”
„Omdat hij zich anders zeker niet zou hebben gehaast ons met een bezoek te vereeren. Ware hij onverschillig geweest of had hij den spot met je gedreven, dan zou hij niet gekomen zijn. Zijn bezoek van heden echter toont mij, dat hij je kinderlijke vertrouwelijkheid als een verstandig man heeft beoordeeld, en dat bevalt mij in hem. Hij is een beschaafd man, die fijn gevoelt, en zulke menschen zie ik gaarne bij mij.”
Dat oordeel van Tante verheugde mij; want het stelde mij gerust over mijn gedrag van den vorigen avond. De dokter had mij niet uitgelachen, dat was de hoofdzaak, en de andere lieden hadden wel wat anders te doen gehad, dan over mij, arm kind, dat nog tusschen mal en dwaas was, lang te denken en met mijn domheden den spot te drijven.
't Was voor Marie een heele triomf, dat zij zich in de gelaatstrekken van mijn vriend niet vergist had. En zoo namen wij opgeruimd afscheid van elkander, toen Marie naar huis ging.
Denzelfden dag moest ik eenige boodschappen voor Tante doen, en ik maakte mij na den eten gereed om uit te gaan, toen ik door 't bezoek van eenige jonge meisjes werd opgehouden. Tante was bij eene oude vriendin thee gaan drinken en ik was dus verplicht de honneurs waar te nemen. 't Was daardoor al tamelijk laat geworden, eer ik de deur uit kon komen, dus ook laat, eer ik mijn boodschappen verricht had. Toen ik naar huis ging was het gaslicht der stadslantaarns en in de winkels al opgestoken. Dat was voor mij wat nieuws. Bij dag had ik die fraaie winkels dikwijls genoeg gezien; maar hoe geheel anders, hoeveel schitterender zagen zij er nu bij dat heldere gaslicht uit! Was 't wonder, dat ik, eenvoudig dorpskind, bij al die pracht er niet over nadacht dat het al laat werd en hier en daar bij een winkel bleef staan, om de uitgestalde fraaiigheden te bewonderen?
Vooral de plaatwinkels trokken mijn aandacht. In een daarvan zag ik in 't voorbijgaan enkele van de platen, die ik den dag te voren met baron Van der Land beschouwd had en wier groote waarde hij mij had leeren kennen. Bijna onwillekeurig trad ik voor de spiegelruit en beschouwde die kunstwerken nogmaals, evenzeer als de rijke verzameling van gravures, die daarnaast hingen of voor de glazen lagen. Geheel en al in mijn kunstgenot verdiept, bemerkte ik niet, hoe een jong heer mij al sedert geruimen tijd opnam, vóór hij mij op een zeer in 't oogvallende manier nadertrad en mij onder den hoed keek. Verschrikt wendde ik mij van hem af, in de hoop dat hij zich zou verwijderen: ik wist echter niet, dat mijn vertoeven voor de spiegelruit van den winkel, en dat in den avond, zeer ongepast was voor een jong meisje, en dat daarom die jonge heer zich deze brutale vrijheid veroorloofde. Het duurde niet lang of hij sprak mij op een zeer laffe manier aan, en dat verschrikte mij geducht. Ik sprong snel van de stoep af en ging met verhaaste schreden de straat door, om dat jonge mensch te ontvluchten; doch ik bemerkte, dat hij mij vlak op de hielen volgde en hoorde maar al te goed de onbehoorlijke woorden, die hij mij toevoegde. Ik had nog een heel eind af te leggen voor ik thuis was, en door mijn haast en verwarring liep ik verkeerd en wist weldra geen weg of steg meer. Dat ik slechts bij een stalhouder had in te loopen en daar een vigilante had te nemen om mij naar huis te brengen, kwam mij door den angst niet in de gedachte; ik hoorde maar altijd mijn lastigen vervolger achter mij en stormde vooruit; want ik was bang, dat hij mij zou beetpakken, daar hij hoe langer hoe dichter achter mij aankwam.
Het angstzweet parelde mij op 't voorhoofd en de tranen stonden mij in de oogen. Juist was ik van plan een winkel binnen te gaan en daar bescherming en hulp te zoeken, toen ik een bekend gezicht op mij zag afkomen. 't Was dat van baron Van der Land, mijn nieuwen kennis van den vorigen avond. Ik liep hem met vreugd te gemoet, greep zijn hand zooals een kind zou gedaan hebben en riep hem smeekend toe: „O, mijnheer de Baron, bescherm mij als 't u belieft, en wees zoo goed mij huiswaarts te geleiden, want ik ben verdwaald!”
De baron keek mij verwonderd aan; want ik beefde over mijn geheele lijf van angst en opgewondenheid; terstond echter bood hij mij den arm en zeide, terwijl hij een strengen blik op mijn vervolger wierp:
„Met genoegen, lieve juffrouw. Maak u verder maar niet ongerust; ik zal u wel beschermen.”
Thans eerst kwam 't mij in de gedachte, hoe zonderling mijn gedrag tegenover den baron was; doch hij kon van mij geen kwaad denken, daar hij wel zag in welk een radeloozen toestand ik mij bevonden had toen ik hem om bescherming verzocht, en natuurlijk vertelde ik hem nu in alle bijzonderheden, hoe ik in die moeilijkheid geraakt was. De edele jonge man gaf mij onverholen te kennen, hoe 't hem verheugde dat hij mij van dienst kon zijn. Hij was zoo hartelijk en eerbiedig jegens mij en herhaalde mij hoe gelukkig hij zich gevoelde, dewijl ik zooveel vertrouwen in hem gesteld had, dat ik weer vroolijk en gerust werd en den goeden baron als een kind innig dankbaar aankeek, toen wij eindelijk ons huis bereikt hadden. Hij zag mij daarbij zoo verwonderlijk ernstig met zijne donkere, zwaarmoedige oogen aan, dat ik niet recht wist wat ik er van denken moest; ik had hem echter als een zonderling leeren kennen en dacht er niet verder over na. Bij 't afscheidnemen gaf hij mij de hand en drukte die zoo hartelijk, als ik het van dien stijven, onbeholpen man nooit zou verwacht hebben.
„En ge zult mij wel willen veroorloven morgen naar uw welstand te komen vernemen, juffrouw Zuidhof?” vroeg hij op uiterst beleefden toon.
„'t Zal mij hoogst vereeren, mijnheer de Baron,” antwoordde ik, en wipte in huis, terstond naar Tante Betsy ijlende, aan wie ik, recht vergenoegd over den afloop, mijn avontuur en 't aanstaand bezoek van den baron mededeelde.
Tante beknorde mij braaf over mijn onvoorzichtigheid en verbood mij streng in 't vervolg weer lang voor een winkel te staan kijken, 't geen overdag voor een meisje al heel weinig past, maar 's avonds bepaald onfatsoenlijk is. Verder beval zij mij, om, wanneer 't weer mocht gebeuren dat ik door de duisternis overvallen werd, terstond een vigilante te nemen, om mij naar huis te laten brengen. Mijn ontmoeting met den baron scheen haar ook al weinig te bevallen; kortom, ik gevoelde wel, dat ik alweer heel dom geweest was en ging ontevreden op mijzelf aan mijn naaiwerk.
Den volgenden morgen verscheen het verwachte bezoek werkelijk, en liet de baron Van der Land zich aandienen. Tante Betsy ontving hem op haar beschaafde, vriendelijke manier. Toch vond ik haar meer teruggetrokken dan anders, en daar de baron, misschien wel hierdoor, ook uiterst verlegen en stijf was, liep het bezoek al heel koel af. Ik had inderdaad hartelijk medelijden met den armen schuwen jonkman, en deed wat in mijn vermogen was, om door vriendelijke tegemoetkoming en kinderlijke ongekunsteldheid zijn toestand gemakkelijker te maken.
Ik was blij dat hij spoedig vertrok; want Tante Betsy was onbegrijpelijk koel en stroef. Dat kon ik niet overeenbrengen met het liefdevolle oordeel, door haar den vorigen dag over den baron uitgesproken. Ik zeide haar dat onbewimpeld.
„Dat heb ik gedaan,” antwoordde zij ernstig, „als tegenwicht voor de al te groote vriendelijkheid van mijn nichtje. Ik moet je verzoeken, kindlief, bij al je ongekunstelde hartelijkheid, waarmede je den baron in zijn verlegenheid poogt voort te helpen, toch wat meer ingetogen te zijn. Je weet niet of zulk een gedrag wel zoo beoordeeld wordt als gij 't in je onschuld denkt. Een andere uitlegging zou je toch zeker zeer kwetsen.”
„Een andere uitlegging, Tante?” vroeg ik verwonderd. „En waarvoor zou men mijn vriendelijkheid dan kunnen houden?”
„Voor behaagzucht, coquetterie, kindlief,” hernam Tante, terwijl zij hoe langer hoe ernstiger werd.
„Maar, Tante! Hoe komt u dat in de gedachten!” riep ik uit. „Behaagzucht is toch waarlijk mijn zwak niet. Wat heb ik toch misdaan, dat hij zoo iets van mij zou kunnen denken! O, als hij dat deed, zou 't al heel slecht van hem zijn!”
„Ik hoop en geloof dat wij zoo iets van baron Van der Land niet te vreezen hebben,” antwoordde Tante vriendelijk. „Toch moet gij je van hem terugtrekken, kindlief; want al moge hij je ook niet voor coquet houden, hij kon zich toch wel eens verbeelden, dat je levendiger belang in hem stelt, dan ik vermoed dat het geval bij je is.”
„Maar, lieve Tante, hoe kunt gij nu zoo iets zeggen!” riep ik uit, terwijl ik tot achter de ooren rood werd. „Gij meent, dat hij zou kunnen denken, dat ik.... o, Tante!”
Dit denkbeeld vond ik zoo grappig, dat ik, ondanks Tantes ernstig gezicht, in een hartelijk gelach uitbarstte. Ik op den baron verliefd! Ik een dartel, jong, onbeschaafd dorpskind! En hij, die ernstige, voorname, stijve baron, die mij, hoe jong hij ook ware, als een oud heer, iemand voor wien ik eerbied moest koesteren, voorkwam en aan wien ik mij als een onergdenkend kind had toevertrouwd! Iets zonderlingers kon wel niet uitgedacht worden; Tante had dan toch vreemde invallen!
Toen ons gesprek deze vroolijke wending genomen had, want ook Tante moest bij die gedachte glimlachen, was 't mij weer lichter om 't hart geworden en ging ik zingend en opgeruimd als gewoonlijk aan mijn bezigheden. Des namiddags kwam Marie mij een bezoek brengen, en ik snelde vol verrukking mijn lieve vriendin te gemoet.
„Nu, dat is heerlijk, dat je eens komt,” riep ik uit. „Maar wat scheelt er aan? je kijkt zoo vreemd!” voegde ik er terstond bij; terwijl ik haar uitvorschend in de blauwe oogen zag, die mij nu eens zoo guitig, dan weer zoo ernstig aankeken.
„Ik weet zelf niet, of ik moet weenen dan of ik moet lachen, Margot,” antwoordde Marie, die, tegen haar gewoonte, erg opgewonden was. „Doch eerst moet je me zeggen, welke domme streken je nu weer begaan hebt. Heb je bijgeval den baron Van der Land gisteren ook gesproken?”
„Baron Van der Land? Welzeker. Gisteren en van daag,” zeide ik blozend; want ik begreep niet, wat Marie met haar vraag bedoelde. „Ik brand van verlangen, om je alles te vertellen.”
„O, dan laat het zich verklaren,” hervatte Marie nadenkend. „Maar voor u, lieve Margot, is 't een alleronaangenaamste historie.”
„Maar wat is er dan van die onaangename historie, Marie?” riep ik ongeduldig uit. „Spreek toch duidelijk. Wat is er toch gebeurd?”
„Ga mee naar je Tante; die moet de zaak te gelijk met u vernemen,” antwoordde Marie, mij voorgaande naar Tantes kamer.
„Wat is er gebeurd, kinderen?” vroeg Tante, toen wij binnentraden.
„Marie is een sphinx geworden, die in raadsels spreekt, Tante!” riep ik lachend uit. „Misschien verstaat gij wat zij wil; voor mij, arm boerenkind, is haar taal te hoog.”
„Ach, mevrouw!” riep Marie half lachend, half weenend uit. „Dat is een fraaie historie! Wat moeten we nu beginnen?”
„Wat is een fraaie historie?” vroeg Tante. „Je bent opgewonden, Marie. Ik heb je nooit zoo gezien. Wat heeft je zoo uit je gewone gemoedsstemming gebracht?”
„Toch niet misschien weer onze goede baron?” vroeg ik luid lachend.
„Ja, ja, lach maar, ondeugend nest!” zeide Marie. „Hij is het juist!”
„De baron? Wat heeft die arme man nu alweer misdaan?” vroeg Tante Betsy, insgelijks schertsend.
„Och, lieve hemel! Niets minder, dan dat hij..., 't woord moet er uit.... dan dat hij Margot wil trouwen!” riep Marie uit.
„Trouwen!...” riepen Tante en ik te gelijk uit, en ik begon 't weer uit te schateren van lachen, evenals dezen morgen bij 't zotte denkbeeld dat de baron op mij verliefd zou zijn.
„Foei, Marie! kom toch met zulk een onzin niet voor den dag en praat verstandig,” zeide ik. „Wat je daar zegt, kan niet ernstig gemeend zijn.”
„En toch is het ernst, Margot, je kunt mij gelooven,” hernam Marie. „Waarom zou ik anders zoo opgewonden zijn, als 't niet om die fatale historie was?”
„Maar Marie. Hoe kan 't een mensch met gezonde hersens in de gedachten komen, om mij, dom schepsel, te willen trouwen?” ging ik vroolijk voort. „Bedenk eens, ik trouwen! En dan nog wel met een baron!”
Nu kwam ook mijn lieve Marie de zaak zoo grappig voor, dat wij beiden kinderlijk uitgelaten lachten. In mijn vroolijke luim sloeg ik den arm om Tante Betsy's hals en keek haar vroolijk in de lieve, zachte oogen, waarin ik ook vroolijkheid dacht te zullen vinden. Maar de blik, die mij uit deze oogen aanstaarde, was ernstig en peinzend. Met een licht hoofdschudden zag ze ons aan.
„Ik begrijp je niet, kinderen,” zeide zij zacht, maar verwijtend. „Reeds gisteren heeft mij je vroolijkheid over dien braven man gehinderd, en nu lacht ge weer over hem. Margot, vergeet je dan, wat ik je van morgen gezegd heb? Had ik dan inderdaad zoo geheel en al ongelijk, toen ik je zeide dat je vriendelijke voorkomendheid anders kon worden uitgelegd? U schijnt het denkbeeld heel belachelijk; maar zou dat ook het geval zijn met hem, dien ge tot dien stap gebracht hebt?”
Deze woorden van Tante waren voor mij een bitter verwijt. Beschaamd verborg ik mijn gelaat aan haar borst. Eenigen tijd liet zij me zoo liggen; toen lichtte ze mijn hoofd op en keek mij ernstig en liefderijk aan.
„Zie je nu wel, kindlief,” zeide zij zacht en vriendelijk, „dat ik geen ongelijk had, toen ik meende dat de baron meer gevoel had, dan zijn stijve, wonderlijke figuur en zijn onhandige manieren deden vermoeden? Het is zoo hard alleen en verlaten door deze wereld te gaan. En mag men er dan om lachen, wanneer zulk een man iemand meent gevonden te hebben, die hem liefheeft onder een menigte menschen, die hem onverschillig, ja, onvriendelijk bejegenen? Is het belachelijk, omdat de arme man daarin gedwaald heeft, en dat hij dus zijn leven eenzaam en vreugdeloos moet voortzetten?”
Terwijl Tante Betsy sprak, was mijn lachlust geheel en al verdwenen en had plaats gemaakt voor een ernstig zelfverwijt, dat mij de tranen in de oogen bracht.
„Ach, lieve hemel! Tante!” riep ik uit. „Daaraan had ik niet gedacht. Het was slecht, heel slecht van mij.”
Nu kwam het ernstige, treurige beeld van den baron mij voor de oogen, en ik kreeg innig medelijden met den armen man. Gaarne had ik hem willen helpen—doch hoe kon ik dat? Hem te huwen, daaraan toch kon niemand ernstig denken, ik ten minste niet.
„Ach, lieve Tante!” riep ik schreiend uit. „Het doet mij zooveel leed, en toch kan ik er niets aan doen. Dat ik ook zoo onbezonnen moest zijn! Maar wie had dat kunnen denken?”
Tante zweeg en stoorde mij niet in mijn gedachten. Eindelijk zeide Marie:
„Neen, dat kan ik niet langer bedaard aanzien! Wel was ik voornemens de zaak niet zoo te vertellen, als zij is; doch thans moet ik 't wel doen, dat zie ik nu duidelijk in. Gij hadt gelijk, mevrouw, om ons kinderachtig lachen te berispen; want kinderachtig was het: dat moet ik bekennen. Doch de zaak is niet zoo ernstig, als gij haar beschouwt. Laat mij u eerst alles vertellen.”
„Ga je gang, kindlief,” zei Tante.
Marie begon:
„Toen ik een uur of wat geleden van een bezoek thuiskwam, zag ik den baron voor mij de trap opgaan en in de kamer van mijn broeder verdwijnen. Hij had mij niet gezien, wat mij zeer aangenaam was. Ik vond echter, dat hij er zeer opgewonden uitzag en met een ongewone haast de trappen opstormde. Ik dacht niet verder aan den zonderling, maar hield mij bezig met eenigen huiselijken arbeid, toen eenigen tijd daarna mijn broer met een vroolijk gelaat de kamer binnentrad.
„Raad eens, Marie,” zeide hij met een guitigen glimlach, „wie daar bij mij geweest is?”
„Je vriend, baron Van der Land,” antwoordde ik. „Dat is niet moeilijk te raden.”
„Doch raad nu eens waarover hij mij kwam spreken, mijn verstandig zusje,” ging hij lachend voort.
„Wat gaan mij de zaken van je vrienden aan,” zeide ik. „Laat mij daarover met rust.”
„Zeg dat niet zoo gauw,” hernam hij. „Ze gaan je zeer goed aan. Of is 't je onverschillig, als ze je aardig zwartoogje van een vriendin betreffen?”
„Hoe zou 't bezoek van dien zonderling Margot aangaan?” vroeg ik. „Maar dat is niet mogelijk. Wat wil hij dan, lieve Eduard! O, vertel 't mij toch!”
„Je vroolijke, aardige Margot was het voorwerp van ons gesprek,” hernam hij.
„En wat wil de baron dan van haar?” vroeg ik.
„Niets meer of minder dan met haar trouwen,” antwoordde Eduard droogweg.
„Ik behoef u niet te zeggen, dat mijn verbazing niet geringer was dan daar straks de uwe. Toen ik een weinig van de verrassing bekomen was, deelde Eduard mij het wonderlijke gesprek mede, dat hij met den baron gehad had en dat ik wil beproeven u zoo trouw mogelijk terug te geven.
„Eduard!” had de baron geroepen, toen mijn broeder zijn zeldzamen gast vriendelijk begroet had. „Ik heb je een vriendschapsdienst te verzoeken.”
„Tot je orders,” antwoordde Eduard. „Wat is er? Ge zijt toch niet voornemens om te duelleeren?”
„Dat nu juist niet; maar iets bijna even gewichtigs. Ik wil trouwen,” antwoordde de baron ernstig.
„Trouwen! voortreffelijk! En wie is dan de uitverkorene van je hart? En welke rol moet ik daarbij vervullen? 't Zal toch, hoop ik, geen treurige rol zijn?” riep Eduard uit.
„Ik bemin juffrouw Margot Zuidhof,” antwoordde de baron, „en daar zij de vriendin uwer zuster is, verzoek ik je, haar voor mij ten huwelijk te vragen!”
„Hoe! Heeft die aardige kleine Margot het hart van den menschenhater getroffen!” riep Eduard verbaasd uit. „Nu, dat is drommels aardig! Maar hoe komt ge daartoe? Hoe is dat toch in zijn werk gegaan?”
„Omdat ik gemerkt heb, dat zij mij liefheeft,” zeide de baron kort en droog.
„Wat men al niet beleeft!” riep Eduard lachend uit. „Je bent een toovenaar. Maar weet je ook zeker, dat ze u bemint? Heeft ze 't je dan gezegd?”
„Niet in woorden; doch meer dan dat, door haar blikken en handelingen,” hernam de baron.
„Dus heeft de kleine Margot de coquette met je gespeeld. Wel drommels, dat had ik van dat frissche mosroosje niet gedacht!” riep Eduard vroolijk uit; want hij bemerkte wel, dat alles hier niet geheel en al was zooals 't behoorde en dat de wonderlijke baron meer vermoed had te zien, dan er werkelijk gebeurd kan zijn.
„Van coquetterie kan hier geen sprake zijn,” zeide de baron beleedigd. „Het jonge meisje heeft, zonder dat zij 't vermoedde, getoond, dat ik haar niet onverschillig ben, en daarom wensch ik het roosje te plukken, dat zich voor mij in al zijn liefelijkheid ontsluit.”
„Je wordt poëtisch, vriend,” riep Eduard uit. „Dus uit ridderlijke opoffering verheft ge het meisje tot je gemalin! Hebt gij haar ook zoo lief, als je vermoedt dat zij u heeft?”
„Eduard,” hernam de baron, „ge weet, hoe mijn familie er op aandringt dat ik mij in 't huwelijk zal begeven. Ze heeft mij reeds allerlei voorstellen gedaan, mij de rijkste en aanzienlijkste meisjes aangeprezen; maar geen van allen bevallen ze mij; ik kan dat trotsche vrouwvolk niet uitstaan. Lachen en spotten ze niet allen over mijn stijf, ernstig voorkomen? houden ze mij niet allen voor den gek? toonen ze niet duidelijk, dat ze mij niet lijden mogen, en zouden ze mij niet allen hare hand alleen daarom willen geven, dewijl ik rijk en van ouden adel ben? Voor zulk een huwelijk bedank ik hartelijk. Daarom had ik reeds besloten om niet te trouwen. Doch Margot Zuidhof heeft mij tot andere gedachten gebracht. Zij is het eerste vrouwelijke wezen, dat mij achting en vertrouwen getoond heeft, in plaats van mij te bespotten; dat heb ik duidelijk in haar oogen gelezen en daarom wil ik haar huwen.”
„Je mededeeling verbaast mij,” hernam Eduard, nadenkend geworden. „Maar nog eens: wat zegt je hart van dit besluit? Is het slechts medelijden met het bevallige kind, dat je aanzet om haar je hand te schenken?”
„Ik leid een zeer eenzaam leven, vriend,” antwoordde de baron. „De liefde van zulk een jong, lief wezen kan mij niet onverschillig doen blijven, en wat er aan mijn liefde ontbreekt, zal wel komen, als ze eens mijn vrouw is.”
„Maar, vriendlief! Bedenk toch! Zulk een jong kind!” waarschuwde Eduard hem, terwijl hij 't hoofd schudde. „Ze is ter nauwernood zestien jaren.”
„Jeugd is geen gebrek,” antwoordde de baron.
„Maar zij is van burgerlijke afkomst en uw familie van ouden adel. Wat zullen uwe bloedverwanten zeggen?”