Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 4

Chapter 44,174 wordsPublic domain

Daar op die Maandagen slechts oude heeren en dames kwamen, kon ik mijn lust voldoen, om zoo voorkomend en attent te zijn, als mij maar mogelijk was. Waren er jongere personen, vooral jonge heeren, dan bedwong Tante mij meermalen in mijn dienstvaardigheid, als die, volgens haar, menigmaal te ver ging. 't Was voor mij iets nieuws, dat men overdreven dienstvaardig kon zijn; Tante wist het echter beter dan ik. Waren er bejaarde dames, dan liet ze mij stil mijn gang gaan. Vooral voor die, welke ik 't liefst mocht lijden, kende mijn dienstijver geen grenzen. Haar van sjaal of mantel te ontlasten, een gemakkelijken stoel te geven, voetbankjes of stoven aan te dragen, voor een ruggekussentje te zorgen, voor haar de steken van haar breiwerk te tellen of ze op te rapen als ze gevallen waren, naalden in te steken, garen of zijde te winden, fruit te schillen, kortom, haar op alle mogelijke wijzen te bedienen, was mijn lust en mijn leven. Mijn oog was dan gedurig in de weer, om ook slechts den minsten wensch te raden. Haar vriendelijk bedanken was mij een voldoende belooning.

Ten opzichte van de oude heeren was ik natuurlijk beschroomder; toch deed ik ook voor hen mijn best, om hun gemakkelijke stoelen te geven, alles wat op den grond viel op te rapen, fijngedrukt schrift voor te lezen, brillenglazen af te vegen, of soms rustig en vriendelijk toe te luisteren bij een vervelende vertelling, waarvoor men geen enkelen oplettenden toehoorder kon vinden.

Veelal, wanneer er op deze prettige avondjes niet gespeeld werd, las de een of andere van 't gezelschap een mooi boek voor. 't Liefst hoorde ik Tante Betsy lezen, die niet alleen een mooie stem had, maar ook op elk woord zoo den juisten klemtoon wist te leggen, dat ik toen eerst goed begreep welk een schoon talent het is, als men goed kan voorlezen. Trouwens voorlezen viel mij meermalen ten deel, en opdat ook ik mij in die kunst zou oefenen, nam Tante dikwijls de moeite om iets met mij te lezen. In den beginne durfde ik bij zulk een begaafde lezeres nauwelijks mijn lippen openen; doch zij wist mij vriendelijk aan te moedigen, liet mij dikwerf regel voor regel naspreken, denzelfden volzin drie- of viermalen nazeggen, totdat ik den rechten toon gevat had, en dat alles met zooveel geduld en volharding, dat ik die niet genoeg roemen kan. Zij had dan ook de voldoening, dat ik langzamerhand eene zeer goede voorlezeres werd.

Maar wanneer Tante voorlas mocht ik nooit met de handen over elkander zitten. Altijd moest ik mij met een of ander vrouwelijk handwerk bezighouden.

„Als jonge meisjes niet wat doen, weten zij geen raad met haar handen en zitten dikwijls in de alleronbehagelijkste houding.” De mijne, al zeg ik 't zelf, liet vrijwat te wenschen over; mijn rug zocht onophoudelijk de leuning van mijn stoel, waarschijnlijk omdat ik zoo'n lange slungel was en mijn ruggegraat daarom een steun verlangde.

„Kijk, ik ben oud, en zit veel rechter dan jij, jonge meid,” zeide Tante Betsy menigwerf tegen mij. En inderdaad, wat zij zeide, was waar; want zij zat altijd zoo recht als een kaars, zonder dit te doen, alsof zij een boonenstaak had ingeslikt.

„'t Is maar gewoonte, kind,” placht zij te zeggen als ik haar daarover bewonderde. „Wie krom zit, groeit krom. Het boompje, dat jong goed geleid wordt, geeft bij 't opwassen een flinken, statigen stam. Jong geleerd, oud gedaan. Wie b. v. zooals mijn lieve Margot, reeds op zestienjarigen leeftijd zijn voeten zoover vooruitsteekt, met de handen zulke vechtende bewegingen maakt en overluid in zichzelf spreekt, die zal op zijn zestigste jaar zich nog even dwaas aanstellen.”

En dan schoof Tante een voetbank onder mijn schommelende, trappelende voeten. Had ik voor mijn tien vingers ook maar zulk een steunpunt gehad en die eenvoudig en rustig, zooals 't behoort, in mijn schoot laten liggen, dan zou 't zeker heel goed geweest zijn; maar dat was voor mij een al te zware taak.

„Je moet het echter leeren, meidlief,” zei Tante. „Onder 't gesprek behoort een jong meisje haar vingers stil te houden en niet verlegen aan haar japon of mantel te plukken; dat staat vreeselijk onbeholpen. Wanneer je eens wist hoe zulk een beweeglijkheid anderen hindert, dan zou je er meer aan denken om daartegen te waken.”

„O, Tante, 't is mij zoo moeilijk aan al die dingen te denken,” klaagde ik soms moedeloos.

„Kom, kom, dat leert men wel, en dan kan men later niet anders,” hervatte Tante. „Ik verzeker je, dat je 't vroeger zult leeren dan je wel denkt, kindlief. Ik zie dat je er moeite toe doet, en al knor ik ook dikwijls, ik ben toch zeer tevreden over je. Slechts geduld, kindlief, en alles zal wel terecht komen.”

Dit was de eerste keer, dat Tante mij te dien aanzien prees. Hoe gelukkig maakte mij die lof, en hoe werd ik er door bemoedigd!

Tante ging nu naar haar boekenkast en kreeg „Onze Buurt” voor mij, om daarin te lezen, terwijl zij haar middagdutje deed. Spoedig beviel mij dit boek zóó, dat Tante mij moest roepen om thee te zetten. Ik schrikte; want zoodanig was ik in de lectuur verdiept geweest, dat ik mijn werk geheel vergeten had.

„Eerst de plicht en dan de uitspanning,” zeide Tante vriendelijk. En zij had gelijk: ik had eerst voor de thee moeten zorgen en dan gaan lezen.

ZESDE HOOFDSTUK.

In gezelschap.

Tante ontving niet alleen dikwerf gasten, maar ging zelve ook dikwijls uit, en daar zij mij altijd meenam, maakten die gezellige avondjes, die wij bij anderen doorbrachten, het mij in den beginne angstig genoeg en gaven mijn goede Tante vrijwat aanleiding om zich over mij te ergeren. Vooral één avond is mij onvergetelijk gebleven, die zoo rijk aan gebeurtenissen was, dat ik ze u vertellen moet, daar hij in zijn gevolgen invloed op mijn leven had, zonder dat ik het toenmaals vermoeden kon.

Wij waren op een soirée bij den President der rechtbank, den Heer Van Doren. Als gewoonlijk stond ik naast mijne vriendin Marie, die mij hier als overal een redster in den nood was; want ik kende in 't geheele talrijke gezelschap geen enkel persoon. Met tamelijke verveling keek ik de zaal rond en monsterde de élegante menigte. Eensklaps echter kwam er een glans van vreugde op mijn gelaat.

„Kijk eens, Marie, daar staat warempel Dokter Huisman uit Arnhem. Die heeft Papa nog eerst onlangs een bezoek gebracht. Ik moet hem goeden dag gaan zeggen. Wat zal hij verwonderd zijn, mij hier te zien!” en ik wees met den vinger naar een grooten blonden heer, die midden onder andere gasten stond.

Snel wilde ik van Marie wegijlen en op Dokter Huisman toeloopen, toen mijne vriendin haastig haar arm op den mijnen legde.

„Blijf hier, Margot,” riep zij zacht, terwijl zij mij terugtrok. „Vooreerst, wijs toch om 's Hemels wil niet naar iemand. Dat is vreeselijk onfatsoenlijk, en dan moet ik je zeggen, dat het in 't geheel niet welvoeglijk is om Dokter Huisman thans aan te spreken, terwijl hij midden onder andere heeren staat. Om tot hem te komen, zoudt gij er doorheen moeten dringen.”

„Ach! dat is waar; daaraan had ik niet gedacht,” zeide ik verlegen.

„Daarenboven,” ging Marie voort, „kent ge dien heer zoo van nabij, dat gij hem het eerst begroeten wilt? Hij is zeker een goed vriend van je familie.”

„Neen, ik heb hem slechts eens bij ons aan huis gezien; hij kwam bij Papa voor zaken en bleef dien achtermiddag bij ons,” antwoordde ik min of meer verlegen. „Maar daar ik hier de menschen zoo weinig ken, vond ik het zoo prettig, dat ik met hem over Brondaal kon spreken; daarom voel ik mij veel meer naar hem heengetrokken dan naar de andere heeren, die noch Papa noch iemand thuis kennen.”

„Hoor eens, Margot, als je hem niet nader kent, wacht dan tot hij je aanspreekt,” zeide Marie. „Dat behoort zoo. Want al boezemt hij je ook nog zooveel belangstelling in omdat hij je familie kent, schijnt gij hem niet erg te interesseeren; anders zou hij je wel aangesproken hebben.”

Hoezeer ik Marie ook gelijk moest geven speet het mij toch geweldig dat ik door den jongenheer, in wien ik zulk een levendig belang stelde, in 't geheel niet werd opgemerkt. Doch spoedig was mijn knorrigheid over; want het heerengesprek was uit en de blonde dokter wachtte geen oogenblik om regelrecht op mij af te komen.

„Hé, juffrouw Zuidhof!” riep hij vroolijk uit. „Vind ik u hier? Een aardige verrassing! Eerst nu zie ik u, anders had ik mij reeds gehaast u vroeger mijn compliment te maken. Hoe gaat het u?”

Ik had het wel gedacht! Hij was er ook over in zijn schik, dat hij eene bekende onder al die vreemden zag; en dat had hij mij niet vroeger kunnen zeggen, daar hij mij nu eerst opgemerkt had. Gij begrijpt, hoe prettig ik dat vond, en vroolijk praatte ik nu met hem over al mijn dierbaren te huis, en Dr. Huisman scheen in alles wat ik hem voorbabbelde zooveel belang te stellen, dat ik mijn geheele omgeving vergat en hem openhartig terstond allerlei dingen vertelde. Nadat we een tijdlang zoo met elkander gepraat hadden, zag ik Tante Betsy eensklaps dicht bij mij en het scheen mij toe, als zag zij mij onderzoekend en verrast aan. Ik begreep, dat het haar genoegen zou doen, Dokter Huisman te leeren kennen, en zoo stond ik snel op en zeide, dat ik mijn Tante wilde roepen. De dokter volgde mij op den voet en verzocht mij dat ik hem liever bij Tante zou brengen, opdat hij zich aan haar mocht voorstellen. Daarbij glimlachte hij zoo zonderling, dat ik vreesde weer iets doms uitgevoerd te hebben en hoog blozend voor hem uit tot bij Tante Betsy ijlde, aan wie ik met een paar woorden mijn bekende voorstelde.

Tante begroette den dokter wel is waar op de vriendelijke manier, waarop zij voor alle menschen zoo engelachtig goed was; ik vond echter dat zij hem vrij koel en afgemeten ontving. Dat hinderde mij geducht! Doch hoe was ik verwonderd, toen Tante, nadat de dokter zich verwijderd had, met een tamelijk onvriendelijk gezicht mij wenkte om haar naar een donker vensterkozijn te volgen, waar men ons niet kon opmerken.

„Je spraakt daar al vrij vertrouwelijk met dien jongen heer!” zeide zij. „Is die dokter Huisman bij u zulk een vertrouwd vriend des huizes? Daar wist ik niets van.”

„Een vriend des huizes? Dat nu juist niet,” antwoordde ik eenigermate bedremmeld. „Ik was echter zoo blij dat ik hem zag, omdat ik hier genoegzaam geen mensch ken.”

„En in je blijdschap heb je geheel vergeten wat een jong meisje past, kindlief!” zeide Tante zacht.

„Ik, Tante?” riep ik verschrikt uit; want daarvan had ik in 't geheel geen vermoeden.

„Ja, jij,” antwoordde Tante. „In de drukte van je gesprek heb je niet opgemerkt, hoeveel verwonderde blikken zich op je vestigden; want je praatte zoo luid met dien jongen man, dat allen, die er omheen stonden, verstaan konden wat je zeide. Dan lachte je tusschenbeide ook zoo hard, sperde den mond zoo wijd open en leunde met den rug in je stoel, dat ik mij over je schaamde. En 't ergste van alles nog was, dat je tusschenbeide met den jongen heer fluisterde, alsof gij de intiemste vrienden waart. Hoe kwam dat toch? Je bent anders zoo schuchter en bedeesd.”

„Ach, Tante, ik vertelde hem eenige mijner domme streken, en die mochten anderen toch niet hooren; ik bemerkte ook niet, dat andere gasten naar ons gesprek luisterden,” zeide ik.

„En heb je hem die verteld? Dat is al heel vertrouwelijk jegens zulk een vreemden heer. Ken je hem dan zoo goed, om te weten, dat hij in zijn hart niet den spot drijft met die vertrouwelijkheid?”

„O, dat zal hij niet doen, lieve Tante,” riep ik blozend uit. „Hij stelde zulk een groot belang in alles wat ik hem van mijn familie en mijn dorp verhaalde, en dat zou hij toch niet gedaan hebben, als hij zoo slecht was.”

„Natuurlijk scheen dit u zoo toe; want hij kon toch zoo onbeleefd niet zijn om weg te loopen, als een jonge dame haar hart voor hem uitstortte,” zei Tante Betsy glimlachend.

„Ach, Tante!” zeide ik, terwijl mij 't huilen nader stond dan 't lachen.

„'t Is mijn schuld niet, dat je deze kleine strafpredikatie moet aanhooren, opdat je voortaan voorzichtiger wordt,” ging mijn onverbiddelijke Tante voort. „Wie weet, of je vriend niet op ditzelfde oogenblik bezig is aan een anderen jongen man te vertellen, welk een dwaas kind juffrouw Zuidhof is, en hoe beiden zich ten uwen koste vroolijk maken.”

„Ach! lieve Tante! zeg dat toch niet!” smeekte ik haar, terwijl de tranen mij langs de wangen rolden.

„Nu, we zullen er het beste van hopen; troost je dus maar,” hernam Tante, terwijl zij 't haar uit mijn gloeiend gezicht streek. „Doch ik moet je waarschuwen om voortaan voorzichtiger en verstandiger te zijn, en niet zoo aan je gevoelens den vrijen loop te laten. Pas nu op; maak door een ingetogen, fatsoenlijk gedrag weer goed, wat gij in de oogen van zoovelen misdaan hebt en bovenal zet een kalm, vriendelijk gelaat: want het is niet raadzaam om door zijn gelaatstrekken zijn gevoelens en de bewegingen van zijn hart te verraden; vooral in gezelschap. Daar komt Marie; zij zal je beter kunnen troosten dan ik.”

Tante wendde zich nu naar eene oude dame, met wie zij een gesprek aanknoopte, en liet ons alleen om vertrouwelijk met elkander te spreken. Gelukkig verborg nog steeds het donker vensterkozijn ons; want ik moest mijn bezwaren in 't hart van mijn goede Marie uitstorten. Zij troostte mij en stelde mij gerust.

„Je gedrag is in 't oog gevallen,” zeide zij, „ik kan het niet ontkennen, en ik had je er zoo gaarne opmerkzaam op gemaakt, dat je gesprek met dokter Huisman lang genoeg geduurd had. Maar je scheen het zoo druk te hebben, dat je niet om mij dacht, hoe ik ook om je heendraaide; en ongeroepen kon ik mij in je gesprek niet mengen, daar ik je vriend niet kende.”

„Ach! noem hem zoo niet,” smeekte ik. „Wie weet of hij dien naam niet geheel en al onwaardig is en zich over mij vermaakt.”

„Dat denk ik nu juist niet,” antwoordde Marie. „Daartoe ziet hij er mij veel te ernstig en te vriendelijk uit, en al lacht hij misschien ook in zichzelf een beetje over 't meisje, dat in haar eenvoud nog niet weet hoe zij zich gedragen moet, ik ben er zeker van, dat hij zich niet ten uwen koste zal vermaken.”

„Denk je dat werkelijk, Marie?” riep ik in verrukking uit. „Tante had er mij zoo bang voor gemaakt.”

„Ik zou mij al zeer in hem moeten vergissen, als hij het deed,” hervatte Marie.

„Maar al die menschen, voor wie ik mij zoo gecompromitteerd heb! Ik durf niet meer uit mijn schuilhoek komen!”

„Kom, dat is ook zoo erg niet als je denkt,” zeide Marie. „Het ergste, wat ik gehoord heb, was dat men lachte en je voor heel jong en kinderlijk hield, en dit is toch over 't geheel geen groot gebrek. Daarenboven is men nu de geheele historie alweer vergeten. Kom dus gerust maar weer te voorschijn; want langer mogen we hier niet staan. Zie, daar komt juffrouw Van der Velden; zij is altijd vriendelijk jegens mij en ik heb haar nog niet gesproken. Nu, tot straks! Wees goedsmoeds en zet niet langer zoo'n armezondaarsgezicht!”

Vreesachtig mengde ik mij weer onder de overige gasten en zette mij neder in een kamer naast het salon, waarin men juist begon te musiceeren. Men presenteerde ijs, waarvan ik zeer veel hield, en zoo verdreef ik mij een poos lang den tijd, terwijl ik naar de muziek luisterde en mij 't ijs goed liet smaken. Daarbij sloeg ik mijn omgeving gade, of er misschien niet nog iemand was, die tegen de regelen der welvoeglijkheid zondigde, opdat ik toch niet alleen als zoo onhebbelijk mocht bekend staan. Maar helaas! rondom mij was alles zoo welvoeglijk en ernstig: men praatte wel, maar om de muziek slechts fluisterend—allen gedroegen zich zoo, dat ik mij zuchtend van hen afwendde.

Daar viel mijn blik op een heer, die dicht bij mij stond. Jong scheen hij niet en toch zag hij er in 't oogvallend angstig en verlegen uit. Blijkbaar was hij geheel onbekend in dezen kring en had in 't geheel den tact niet om zijn schuchterheid te verbergen, zoodat ik een hartelijke sympathie voor hem gevoelde.

Eindelijk zweeg de muziek en 't gezelschap bewoog zich weer door elkander; maar mijn vreemdeling bleef daar alleen staan. Ook ik bleef stil op mijn stoel zitten; want ik was geducht uit mijn humeur.

Eindelijk stond ik op om mijn ijsschoteltje ergens neer te zetten en zag daarbij, dat mijn vreemde man het zijne nog in de hand had en er klaarblijkelijk vreeselijk verlegen mee was, daar hij niet wist, wat hij er mee zou beginnen.

„Ach,” dacht ik, „die arme schelm is ook nog tusschen mal en dwaas, evengoed als ik,” en daar ik hem voorbij moest, ontlastte ik hem met een vriendelijk woord van zijn schoteltje en verloste hem daardoor uit zijn verlegenheid.

Verrast keek de heer op en zag mij zonder een woord te spreken aan; daarop scheen hij zich te bezinnen en maakte een buiging voor mij, die tamelijk stijf uitviel. Vervolgens stond hij weer even stil op zijn plaats en ging ook weer zitten, daar de muziek opnieuw begon.

Ik had eerst gedacht dat de vreemdeling, in wien ik zooveel belang stelde, niet jong meer was; toen ik hem evenwel wat meer van nabij zag, bemerkte ik dat ik mij vergist had, en dat zijn onbeholpen gedrag de oorzaak van die vergissing was. Zoodra ik nu weer zat, nam ik hem nog eens goed op; eensklaps keek hij mij met zijn donkere, zwaarmoedige oogen strak en zwijgend een lange poos aan.

Eenigszins gepijnigd door dat aanstaren bepaalde ik mijn aandacht op mijn handschoenen, waarvan een knoopje was losgesprongen. Toen ik echter weer even opkeek was 't mij, alsof ik dat gelaat vroeger meer gezien had. Ik kon den jongen man echter (zooals men 't noemt) maar niet thuisbrengen, en dat kwelde mij. Natuurlijk keek ik hem daarbij weer aan; doch hoezeer verschrikte ik, toen ik bemerkte, dat zijn blik nog altijd op mij rustte. Dat was toch recht lastig! Wat had die vreemde man aan mij te kijken? Ik voelde dat ik een kleur kreeg; rusteloos draaide ik mij op mijn stoel heen en weer, en besloot vast, om van plaats te veranderen, zoodra het zangstuk gedaan was. 't Scheen echter dat er geen eind aan kwam, en terwijl ik nu tamelijk schuw en verschrikt mijne oogen voor de blikken van den zonderlingen man neersloeg, gebeurde er weer iets, dat hem opnieuw verlegen maakte.

Hij hield namelijk, zooals alle heeren, zijn hoed onder den arm, maar zóó links, dat ik al bang geweest was, dat hij hem zou laten vallen. En inderdaad! Plats, daar lag de ongelukkige hoed eindelijk, en wel vlak voor mijn voeten. De vreemde was nu in de hoogste verlegenheid en waagde het nauwelijks er de hand naar uit te strekken. Onwillekeurig bukte ik snel, greep naar den hoed en reikte dien, natuurlijk nogmaals hoog kleurend, aan den eigenaar, die hem met een stijve buiging uit mijn hand ontving. Doch hierbij verloor hij nu zijn handschoen, dien hij in de hand hield, en eer hij nog zijn stijven rug gebogen had, gaf ik hem ook dit verloren kleedingstuk terug.

Wederom maakte hij met doodelijke verlegenheid een buiging, en nu stond hij daar vlak voor mij, zonder te weten of hij zou spreken of zijn stomme rol verder voortspelen. Om hem en mijzelve uit onzen pijnlijken toestand te verlossen, nam ik een album in de hand, dat vlak bij mij opengeslagen lag, en deed alsof ik mij in de beschouwing der platen ernstig verdiepte.

't Zij de fraaie gravures de opmerkzaamheid van den jongen heer trokken, of dat hij meende mij eenige oplettendheid te moeten bewijzen—hoe 't zij, met uitgerekten hals en wijdgeopende oogen keek hij naar het album dat ik doorbladerde, doch bleef op zulk een eerbiedigen afstand, dat ik mij nauwelijks van lachen kon onthouden over het dwaze figuur dat hij maakte. Om zijn vervelend meekijken te beletten, reikte ik hem 't eene blad na 't andere toe, opdat hij dat kon bezien, zonder het mij lastig te maken. 't Scheen, dat deze nieuwe attentie den dam zijner verlegenheid doorbrak.

„Mejuffrouw!” zeide hij stotterend en zacht, terwijl hij zich naast mij neerzette. „Ik dank u, o, ik dank u!” Daarop vroeg hij mij of ik veel van de beeldende kunst hield. Ik antwoordde bevestigend, maar bekende tevens, dat ik er weinig verstand van had. Toen begon hij mij zoo zacht, dat zijn stem de muziek niet hinderde, over de meesters te praten, wier werken zich in dat album bevonden: Koekkoek, Schotel, Ten Kate, ook van Duitsche en Italiaansche meesters. Eerst was ik wel wat angstig en herinnerde ik mij, hoe Tante mij verboden had om met andere heeren te spreken dan met degenen, die mij waren voorgesteld; maar spoedig vergat ik mijn angst voor de levendige belangstelling, die zijn woorden in mij verwekten. Hij was blijkbaar een groot kunstkenner, en wist niet alleen van de werken der meesters, maar ook van hun leven op een zeer aangename wijs wat te zeggen.

Thans echter zweeg de muziek weder en werd het levendig rondom ons. Ik begon mij weer te beangstigen, dat ik met den wonderlijken vreemdeling zoo alleen in een hoekje zat; hij scheen het echter niet te bemerken, maar ging bedaard met spreken voort. Eindelijk zag ik Marie's blauwe japon in de nabijheid; snel opstaande, zeide ik eensklaps:

„Neem mij niet kwalijk, mijnheer. Ik geloof dat mijne vriendin mij zoekt.”

Reeds kwam Marie naar mij toe. Zij was zeer verwonderd, dat zij mij zoo vertrouwelijk met den vreemdeling zag spreken, maakte een lichte buiging voor hem en zeide:

„Ha, baron! Zien wij u ook eens hier! Wel, dat is goed.”

Ik fluisterde Marie snel in 't oor, mij aan den jongen baron voor te stellen, daar zij hem kende. Zij keek mij verbaasd aan; want zij dacht natuurlijk dat de man, met wien ik in zulk een vertrouwelijk gesprek gewikkeld was geweest, dat zelf reeds gedaan had; ze wendde zich echter vriendelijk tot ons en zeide:

„Lieve Margot, veroorloof mij dat ik je een vriend van mijn broeder voorstel, mijnheer den Baron Van der Land. En dit, mijnheer de Baron, is mijn lieve vriendin, Mejuffrouw Margot Zuidhof.”

Toen Marie zich bij ons gevoegd had, werd Baron Van der Land weer even onbeholpen en stijf als straks; 't geen bleek uit de weinige afgebroken woorden, die hij uitstiet als: „Veel genoegen—juffrouw—allervriendelijkst,” die hem met veel moeite van de lippen rolden.

Om aan zijn verlegenheid een einde te maken, bogen we voor hem en begaven ons naar een anderen kant van de kamer. Daar ik echter met innig medelijden bemerkte, hoe treurig de jonge baron ons nastaarde, was 't mijn schuld niet, dat mijn goed hart mij aandreef hem nog een heel vriendelijken blik toe te werpen.

„Lieve hemel! Wat doe je toch, Margot? Wat bega je toch een dwaasheden van avond!” riep Marie uit, toen ze mijn groet bemerkte. „Eerst zoo vertrouwelijk met Dr. Huisman, en nu reeds één hart en één ziel met den menschenschuwen Baron Van der Land? Nu doet het mij inderdaad leed, dat ik je daar straks gestoord heb in het interessant tête à tête, waarin je met den zonderlingen jonkman gewikkeld waart. Voortaan behoef je me niet meer wijs te maken, dat je bloo bent. Een meisje, dat Baron Van der Land aan het praten kan krijgen, is de medaille van verdienste waard.”

„Zwijg toch met dien belachelijken onzin, en laat mij je vertellen, hoe dat alles in zijn werk is gegaan,” riep ik uit en verhaalde haar nu, hoe de vork in den steel zat.

„Gelukkig dat het de verlegen baron is,” gaf zij ten antwoord. „Ieder ander heer zou je oplettendheid geheel anders hebben uitgelegd. Wat ik je echter raad, bespaar je gedienstigheid voor oudere lieden; jonge heeren ontvangen niet gaarne ongevraagd diensten van jonge dames. Dat is nu eenmaal zoo en niet anders. Maar op den jongen baron hebben je zwarte oogen een sterken indruk gemaakt; want zie slechts, daar staat hij weer als een zoutpilaar aan de deur en kijkt smachtend naar onzen kant.”

Marie had gelijk. Hij stond daar en keek ons met zijn groote oogen zoo zonderling aan, dat mij de kleur weer in 't gezicht sloeg en ik mij angstig aan Marie's arm klemde; waarbij ik haar smeekte, dat zij mij niet weer verlaten zou, daar ik anders vreesde nog meer dwaasheden te zullen begaan.

Toen we naar huis gingen, fluisterde Marie mij schalks in 't oor:

„Geluk met je verovering! Slaap lekker, Margot.”

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De gevolgen van mijn dwaasheid.