Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 3

Chapter 34,182 wordsPublic domain

„Welnu, heb ik 't je niet gezegd, dat ge vriendinnen zoudt worden?” vroeg Tante, toen wij naar huis gingen. „Marie is een lief, hartelijk meisje en het zal mij verheugen, als gij elkander wederzijds bevalt.”

„O, 't is een allerliefst, engelachtig meisje!” riep ik met geestdrift uit, „en ik zal gelukkig zijn als ze mijne vriendin wil worden.”

„Dat zou mij ook zeer veel pleizier doen,” hernam Tante, „want bij al haar natuurlijkheid is Marie een zeer beschaafd, verstandig meisje, op wier opvoeding nauwkeurig gelet wordt: zoodat gij veel van haar kunt leeren.”

Deze nieuwe kennismaking vervulde mijn hart met onbeschrijfelijke vreugde. Hoe meer ik de beminnelijke Marie Donker leerde kennen, hoe inniger onze harten verbonden werden; wij sloten een vriendschap, die ons thans nog innig aan elkander verbindt.

Mijne vriendin was iets ouder dan ik en door haar goede opvoeding reeds den leeftijd „tusschen mal en dwaas” te boven, maar zij hield zich toch liever met jongere meisjes op dan met de geheel volwassenen. 't Was een allerliefste jonge blondine, slank van gestalte en gracieus in haar manieren, zoodat ik, hoogopgeschoten boonenstaak, met mijn lange armen en beenen, waarmee ik zoo zonderling manoeuvreerde, vreemd bij haar afstak; ze had een onvergelijkelijk goed, gevoelig hart, dat zoo ten volle uit haar lieve blauwe oogen sprak, dat men haar moest lief krijgen, men mocht het willen of niet.

Al spoedig noemden wij elkander bij onze doopnamen: dat sprak wel van zelf. Vervolgens schreven we een vurige ontboezeming van vriendschap in elkaars poëziealbum. Het duurde niet lang, of we hadden ieder een medaillon met elkanders haar en Tante bezegelde het verbond nog door een paar lieve gouden ringen met blauwe steenen, die zij ons cadeau gaf. Beiden lieten we ons portret maken en daarna hing mijn beeld weldra boven haar schrijftafel en het hare boven mijn toiletspiegel. Hadden wij elkander in eenige dagen niet gezien, dan werden er van weerszijden tal van kleine briefjes gewisseld, waarin geen eind was aan 't vertellen en 't vragen.

Van dien tijd af aan begon mijn leven in Den Haag veel prettiger te worden; want hoe gaarne ik ook met mijn goede Tante Betsy praatte en van hoe groot nut de omgang met deze brave vrouw voor mij was: haar leeftijd verschilde te veel van den mijnen, dan dat onze gevoelens en inzichten met elkander overeenkomen konden. Marie echter dacht en gevoelde bijna evenzoo als ik, behalve dat ze meer ondervinding had en beschaafder was, en mij daardoor met haar goeden raad ter zijde stond. Ik was nu genezen van de visitekoorts, en begeleidde Tante zonder schroom naar haar vrienden en bekenden; want ik wist, dat ik Marie bijna overal aantrof en zij mij in mijn verlegenheid zou bijstaan. Het eerste wat mijn oogen deden, als ik in een kring van vreemden kwam, was naar Marie te zoeken; was zij er niet, dan gevoelde ik mij vreeselijk verlaten en eenzaam.

Maar we besteedden onzen tijd niet alleen aan praten en schertsen; we brachten ook ernstiger uren met elkander door. Tante Betsy verlangde dat ik nog eenige lessen in de talen, muziek en teekenen zou nemen en tot mijn onuitsprekelijk genoegen nam Marie aan die lessen deel. En zoo zorgde de goede vrouw er voor, dat ik niet alleen wat uiterlijke beschaving aanleerde, maar ook innerlijk in alles wat tot een goede opvoeding behoort. Hoe zij echter ook poogde een ander mensch van mij te maken, Tante waakte er toch altijd voor dat mijn eenvoudige ongekunstelde aard niet vervormd en veranderd werd, en zoo zijn mij tot op heden alle gemaaktheid en verwaandheid even onuitstaanbaar gebleven als zij het toen waren. Op dat punt was Marie 't geheel met mij eens: daarenboven had ik in Tante Betsy steeds een sprekend beeld voor oogen, dat de echte beschaving in geheel wat anders bestaat.

Maar wat zeer gelukkig voor mij was: niet alleen Tante deed haar best om mij betere manieren te leeren, ook Marie deed het van haar kant. Zoo bijvoorbeeld kwam ze mij eens op straat tegen, en in mijn blijdschap dat ik haar zag, liep ik haar met uitgebreide armen te gemoet; terwijl ik haar luid jubelend om den hals viel en kuste. Ze kreeg een kleur tot over de ooren, maakte zich snel uit mijn omarming los en keek angstig rond.

„Wat scheelt je, Marie?” vroeg ik verschrikt. „Ben je boos op mij?”

„O neen, Margot, dat is 't geval niet,” antwoordde zij op fluisterenden toon en trok mij snel met zich. „Kom maar mee, dan zal ik je zeggen, wat het is.”

Nog eens keek zij angstig rond en thans eerst bemerkte ik, hoe een jonge kwast dicht bij ons stond, zijn lorgnet voor de oogen hield en ons met spottende blikken beschouwde. Ik schrikte er van en keek den spotter vlak in 't gezicht. Deze glimlachte vertrouwelijk tegen mij en wierp mij kushandjes toe, terwijl hij uitriep: „Allerliefst! Of men in de komedie is! Wat een snoepjes van meisjes!”

Zoo spoedig mogelijk trok Marie mij uit de nabijheid van dien onbeschaamden kwant weg en snelde met mij voort. In mijn angst wilde ik toch weten of we vervolgd werden, en keek haastig om, of ik den brutalen kerel nog zien kon. Marie's waarschuwing: „Maar om 's Hemels wil, Margot! kijk toch niet om!” kwam te laat: het was gebeurd en ik had moeten zien, hoe onze pijniger mij van uit de verte nog toeknikte en kushandjes toewierp, gelukkig zonder ons te volgen.

„Hoe kondt ge mij op de publieke straat toch zoo woest en zoo luid begroeten, Margot?” vroeg Marie op vriendelijk verwijtenden toon. „Doe dat nooit meer; je ziet welke gevolgen het heeft.”

„Maar we begroeten elkander toch altijd zoo, Marie!” riep ik uit. „Wat beweegt dien mallen kerel dan, ons zoo te beleedigen?”

„De jonge man meende dat hem dit geoorloofd was, omdat ge u zoo in 't oogvallend dwaas gedroegt, Margot. Op straat begroet men elkander niet zooals in huis. Kussen en omarmen is daar niet geoorloofd; dat moet je onthouden. 't Is nu nog gezegend afgeloopen; je hadt kans gehad dat we een troep kwajongens achter ons gekregen hadden.”

„Maar 't is dan toch verschrikkelijk, dat men elkander onder Gods vrijen hemel niet kan betuigen hoe men elkaar liefheeft,” zeide ik zuchtend en liet het hoofd hangen.

„Ja, wat het toonen van zijn gevoel aangaat, dat is nog een bijzonder hoofdstuk,” hernam Marie glimlachend. „Men moet slechts al te dikwerf zijn gevoel bedwingen en een kalm gezicht zetten, 't moge er daarbinnen zoo vroolijk of treurig uitzien als 't wil.”

„Dat is toch moeilijk,” antwoordde ik. „En ik geloof niet, dat ik het ooit zal leeren. Maar bewijs mij de vriendschap, lieve Marie, en zeg mij wat er al meer zoo op straat niet welvoeglijk is. 't Is hier in Den Haag alles zoo geheel anders; bij ons behoefde ik mij zoo niet te geneeren. Wanneer ik daar op 't veld rondliep, was alles goed wat ik deed, en geen mensch dacht er aan of het paste of niet.”

„Welnu, Margot, als je dan zoo graag wilt weten, wat alzoo op straat niet fatsoenlijk is, dan zal ik je 't een en ander opnoemen,” hervatte Marie, vriendelijk glimlachend: „Bijvoorbeeld: spreek nooit zoo luid op straat als je nu doet. En loop, als 't je belieft, niet iedereen zoo plomp tegen 't lijf aan; maar wijk een beetje voor de menschen uit.”

„Ja, ja, je hebt een rare stoethaspel van een vriendin, Marie!” zeide ik zuchtend, en maakte nu een halven cirkel voor ieder die mij ontmoette, om voor hem uit den weg te gaan. Dat was ook al niet goed: want de boog, dien ik om de menschen beschreef, viel weer in 't oog en alles wat in 't oog valt, was verboden kost; dat begreep ik nu. „Je zult wel heel boos op mij zijn; je moet je wel schamen om met mij te loopen, Marie,” zeide ik knorrig. „Ik wil dus niet langer met je gaan; 't is beter, dat ik alleen loop. Adieu! Tot wederziens.”

„Kom, Margot, wees toch zoo dwaas niet,” zeide Marie, terwijl ze mij vriendelijk terughield. „Ik zou al een heel mooie vriendin zijn, als ik je zwakheden niet droeg. Jij moet immers ook mijn gebreken dragen.”

„Och, jij hebt in 't geheel geen gebreken,” antwoordde ik nog altijd knorrig.

„Hoe! ik geen gebreken!” riep Marie lachend uit. „Nu, dan kan ik me wel in een spel op de kermis laten kijken! En daarin heb ik nooit veel lust gehad. Wil ik je dadelijk eens een gebrek van je voortreffelijke vriendin laten zien,” ging ze opgeruimd voort, terwijl ze een harer voeten oplichtte. „De welvoeglijkheid vordert, dat men te huis de veters van zijn laarzen goed vastbindt, zoodat ze onder 't wandelen niet losgaan en ons naslepen, waardoor men genoodzaakt is stil te staan en ze op de een of andere stoep weer vast te maken.”

Terwijl wij na de herstelling van deze kleine fout naar huis gingen, ontmoetten ons eenige zeer jonge, keuriggekleede meisjes, die, te oordeelen naar de mappen die zij droegen, uit school kwamen. Ze gingen allen gearmd en namen meer dan de geheele breedte van het trottoir in. Toen ze dicht bij ons waren, toonden ze weinig lust om de keten te verbreken en ons door te laten. Doch Marie ging zoo kalm op haar af, dat ze het toch beter vonden plaats te maken, waarbij zij allermalst ginnegapten en op elkander drongen.

„Zoo onfatsoenlijk als die nuchtere kalvertjes zich daar gedragen, heeft Margot van het boerendorp zich nooit aangesteld!” riep ik uit, vol verwondering dat dametjes uit de residentie zoo ongemanierd waren.

„Ja, dat is nu een van de fraaie schoolmeisjesmanieren,” antwoordde Marie. „De jonge dingen weten zeer goed, dat het niet fatsoenlijk is de geheele straat te beslaan, en toch laten zij het niet. Er gebeuren meer van die grappen, welke jonge meisjes zich in de schooljaren veroorloven; als ik je die mededeelde, zoudt ge er verbaasd over staan. Men heeft er wat mee te stellen als men zelve nog op school gaat en niet mee wil doen. Uitzonderingen zijn hier natuurlijk evenals overal. Dit echter wil ik je wel zeggen en dat zal je troosten, dat zulk een echt residentiedametje met haar verbeelding en haar ijdelheid tienmaal erger is dan jij, lief natuurkind, zelfs al omarmdet ge mij alle dagen op de publieke straat en al stond er een geheel legioen malle kwasten bij, om het tooneel aan te zien.”

We waren juist thuisgekomen, toen Marie dat zeide en ik viel haar bij die woorden om den hals. In haar kamertje toch had ik mij niet te ontzien. Lang zaten we hier nog met elkaar te praten, tot de avondschemering, die reeds begon te vallen, mij herinnerde dat het tijd was om naar huis te gaan. Toen moest ik weg: want zooveel wist ik reeds, dat het tot de lastige eigenaardigheden eener groote stad behoort, dat een meisje 's avonds niet alleen over straat mag gaan. Thuis werd het eerst recht prettig, als de avond aankwam. Hoe vroolijk en onschuldig wandelde of dartelde men dan het dorp door, zonder dat iemand ons 't minste molest aandeed, zooals hier bij klaarlichten dag gebeurde, alleen omdat men voor 't oog der wereld zijn gevoel toonde. He! dan was het in Brondaal toch anders.

VIERDE HOOFDSTUK.

Aan tafel.

Ik heb u reeds verteld, hoe 't mij den eersten dag aan 't ontbijt was gegaan; natuurlijk waren er bij 't middagmaal ook verscheidene dingen, die ik niet behoorlijk deed: want thuis was de kleine bende luidruchtige kinderen oorzaak dat papa en mama op mij niet konden letten. 't Bewaren van de rust toch was bij ons de eerste en eenige eisch; al 't andere bleef genoegzaam geheel en al aan ons eigen goeddunken overgelaten.

De maaltijden bij Tante Betsy geleken in den regel vrijwel op elkander; toch heerschte er een opgeruimde en prettige geest: want Tante kruidde het maal met een aangenaam onderhoud, waarin haar vermaningen als groote uitroepteekens van tijd tot tijd de redeneering afbraken.

„Gebruik toch je servet, kindlief!” was eens een der geboden uit haar welvoeglijkheidsformulier. „Alleen daar waar geen servetten groeien, veegt men zich den mond met de handen af.”

Ik greep terstond naar het door mij zoo veronachtzaamde voorwerp.

„O, jij kleine lekkerbek!” heette het toen weer. „Je slurpt je soep met al de eigenschappen van een kenster, juist zooals een echte wijnproever het druivenvocht keurt. Je wilt zeker eens proeven, hoeveel pond rundvleesch er noodig is geweest, om zulk een krachtigen bouillon te trekken. En wat zit je daar op je gemak. Eten bij u thuis de ellebogen ook mee?”

„De poort is te klein voor zulk een hoog voer hooi,” werd er kort daarop lachend aangemerkt, toen ik zooveel eten te gelijk op mijn vork had genomen, dat ik het bijna niet in den mond kon krijgen. Toen ik nu met dien vollen mond wilde antwoorden, wenkte Tante mij dat ik zou zwijgen.

„Men spreekt nooit, als men den mond vol heeft,” zeide zij. „Dat is zeer onfatsoenlijk.”

Allerlei onhandigheden beging ik, waarover ik moest terechtgewezen worden. Nu eens kwamen mijn vingers in aanraking met hetgeen op mijn bord lag, dan gebruikte ik mijn mes in plaats van mijn vork, of legde de beenderen van het vleesch niet op den rand van mijn bord, maar op het tafellaken.

„Lieve Margot, denk toch dat die arme Philax nog graag een vezeltje vleesch aan de beenderen vindt,” was het dan weer als ik de kluifjes van hoenders of duiven bijna geheel opat en alle beenderen zoo schoon afkloof of uitkauwde, dat er niets meer aanbleef.

„Papa zegt altijd, dat in de beenderen de meeste kracht zit, Tante,” antwoordde ik. Toen echter op zekeren dag het vet van mijn vingers droop onder 't afkluiven van een hoenderboutje, zeide Tante glimlachend:

„Hoor eens, kindlief. Morgen zijn we, zooals gij weet, bij de Donkers ten eten gevraagd. Wees dan zoo wijs, geen jong hoen in de handen te nemen. Hier bij mij kan ik het door de vingers zien. Maar het gebruik eischt, dat men met mes en vork het vleesch van de beenderen doet; 't is nu eenmaal zoo en niet anders.”

„Heel goed, lieve Tante,” antwoordde ik verwonderd; want tot hiertoe had ik nog nooit gevogelte naar den mond gebracht dan met mijn vingers.

't Was voor de eerste maal, dat ik met Tante uit eten ging en mijn hart klopte als een hamer van angst dat ik weer bok op bok zou schieten. Tot mijn geluk kreeg ik Marie naast mij aan tafel en zoo was ik in geval van nood gedekt. Aan mijn andere zijde zat een dikke, vriendelijke heer, die er uitzag, als bestond zijn grootste genot in lekker eten en drinken. Dit was inderdaad het geval; doch het welbehagen, waarmede hij slurpte en smakte, de onsmakelijke manier, waarop hij evenveel langs zijn breede lippen als daartusschen bracht, en eindelijk het snuffelen, dat hij onder dien gewichtigen arbeid deed, bedierven mijn eetlust. Nu schoten mij Tantes woorden van gisteren te binnen: dat het alleronaangenaamst is aan tafel naast iemand te zitten die slechte gewoonten heeft. En al mochten nu die slechte gewoonten aan een ouden heer eer te vergeven zijn dan aan een jong meisje: ik begreep toch ten volle, hoezeer ikzelve op goede manieren te letten had, om geen ergernis te geven.

Na de soep werd er een gerecht rondgediend, dat ik nog nooit gegeten had: het was een zwartachtig moes en om de korreligheid hield ik het voor vla van moerbeziën of bramen, waarvan ik een groote liefhebster ben. Daar nu de oude heer naast mij braaf toetastte, nam ik er ook een goede portie van op mijn bord en begon die te verorberen.

Maar hoe verschrikte ik, toen ik in plaats van de heerlijke moerbeivla een zout, slijmerig goed op mijn tong kreeg. Ik was niet in staat er een tweede vork van te nemen en keek verwonderd naar mijn buurman, die dat zwarte korrelige goed op geroosterde sneedjes brood streek, er dan citroensap op liet druppelen en al wat hij op zijn bord had genomen spoedig naar binnen gewerkt had.

Juist wilde ik Marie vragen, wat voor goed dit eigenlijk was, toen zich de oude heer nog kauwend en genietend tot mij wendde.

„Delicieuse kaviaar!” zeide hij. „Ook een liefhebster van dat heerlijke Russische product, jonge dame?”

Dus was het kaviaar. De naam was mij wel bekend, maar ik had het goed nooit gezien; daar er nooit een korreltje van naar ons dorp verdwaald was.

„O, neen, mijnheer, ik.... ik was in gedachte, toen ik er van nam,” stotterde ik, terwijl ik een kleur kreeg, en mijn onwetendheid dwaas genoeg onder een leugen verborg.

„O, dat is niet mogelijk! Proef 't nog maar eens, 't is heerlijk, dat kan ik u verzekeren, en ik.... ik heb verstand van wat goed smaakt,” verzekerde de dikkert met nadruk, en hoezeer ik van de waarheid zijner bewering overtuigd was, waagde ik het toch niet, om aan zijn uitnoodiging gehoor te geven en had er vermaak in te zien, met welke verlangende blikken mijn buurman de door mij versmade lekkernij nakeek, waarvan de knecht mij eindelijk bevrijdde.

Eenige volgende gerechten gingen zonder verder ongeval voorbij; slechts toen ik Marie om zout gevraagd had en zooals ik gewoon was, met de vingers in 't zoutvaatje wilde komen, zeide zij zacht: „Met het mes, Margot.”

Beschaamd deed ik wat zij zeide, ofschoon ik werkelijk zeer verwonderd was: want tot nu toe had ik mij altijd van mijn vinger en duim bediend, om zout te nemen.

Nu kwam het gevogelte op tafel, werkelijk jonge hoenders, juist zooals Tante Betsy gedacht had. Ik herinnerde mij gelukkig de ontvangen vermaning en beproefde het vleesch met mes en vork los te maken, in plaats van zooals anders de teedere beentjes met mijn tanden te bearbeiden. 't Was echter een ondankbare arbeid, het beste bleef daarbij aan de beenderen zitten en het deed mij groot verdriet, dat ik die heerlijke overblijfselen moest laten wegnemen. Met de confituren, die bij 't gevogelte werden gepresenteerd, was ik ditmaal niet bedrogen: die waren zoet en frisch, zooals ik ze gaarne lustte en niet zoo onaangenaam zout als de kaviaar. Ik gebruikte die confituren met niet minder welbehagen dan mijn dikke buurman zijn steurkuit en verheugde mij reeds op 't genot van de gesmolten suiker, waarin de vruchten op mijn bord lagen te zwemmen. Daar ik die suiker met geen vork kon machtig worden en er geen lepel onder mijn bereik was, lichtte ik mijn bordje op en wilde het aan mijn lippen brengen, om, zooals ik thuis altijd deed, het sap er van af te slurpen. Reeds zweefde het bordje in de lucht en was het dicht bij mijn mond, toen ik mij eensklaps bij den arm voelde vatten, en met een snellen ruk stond het bord weer op zijn plaats.

„Om 's hemels wil, Margot! Ben je niet wijs?” fluisterde Marie mij toe. „Men laat de suiker op zijn bord liggen.”

„Op zijn bord?” vroeg ik, terwijl ik Marie aankeek, die nog altijd mijn arm vasthield, uit vrees, dat ik de comedie nog eenmaal mocht vertoonen. „De gesmolten suiker is juist het lekkerste van de confituren; die kan ik toch niet op mijn bord laten liggen.”

„Doe thuis, wat gij wilt;—in gezelschap gaat dat niet anders,” fluisterde Marie snel; want juist sprak haar buurman haar aan, en kon ze zich niet meer met mij bemoeien. Zoo zat ik daar bedroefd tegenover mijn bord met heerlijke vruchtensuiker, die ik niet gebruiken mocht en ergerde mij vreeselijk over de zonderlinge wetten der welvoeglijkheid, die mij eerst geboden hadden het vleesch aan de beenderen te laten zitten en nu het lekkerste van 't geheele diner op te offeren.

„Wat zou mama wel van deze verkwisting zeggen!” dacht ik knorrig, maar eensklaps stond ik doodelijk verschrikt van mijn stoel op, en keek om mij heen, wie daar zoo vlak bij mij een pistool had afgeschoten. Mijn oude buurman lachte hartelijk over mijn schrik en weldra bemerkte ik, dat hetgeen ik voor een pistoolschot had gehouden, het knallen van een champagneflesch was, een geluid dat ik misschien eens in mijn leven gehoord had. En de wijn zelf: Ik had hem lang geleden thuis eenmaal geproefd, toen het doopmaal van een mijner zusjes gevierd werd, en nu stond daar een hoog vol glas voor mij, waarin tallooze kleine paarlen dansten.

De wijn smaakte mij buitengewoon goed. Dat prikkelen op de tong, dat vuur, dat zoete zonder flauw te zijn, alles droeg bij, om mij hem lekker te doen vinden. Mijn dikke buurman had er niet minder smaak in dan ik en 't scheen hem zooveel pleizier te doen, dat de wijn mij zoo beviel, dat hij mij 't eene glas na 't andere inschonk. Weldra gloeiden mijn wangen en het werd mij zoo raar voor de oogen; doch ik lette daarop niet, tot ik eindelijk zoo wonderlijk zat te kijken, dat Marie mij angstig aanzag en zeide:

„Ben je niet wel, Margot? Wat scheelt je?”

„Ik ben zoo wonderlijk! Alles draait mij voor de oogen,” antwoordde ik en greep Marie's hand om mij vast te houden.

„Heb je champagne gedronken? Dat is koppig goed! Pas op!” zeide Marie.

„Ja, drie of vier glazen. Mijnheer Martini heeft mij aldoor maar ingeschonken,” fluisterde ik en hield de oogen toe, om wat tot mijzelf te komen; want ik wist werkelijk niet waar ik was.

„Hoe kon je dat ook doen? Je hadt al wijn gedronken,” zeide Marie en schonk mij een groot glas water in dat ik snel leegdronk. Dat hielp gelukkig, en nu wachtte ik mij wel, nog een enkelen druppel van dien verraderlijken wijn te drinken, hoe mijn buurman mij ook noodigde en toeknikte. Hij kon, zooals 't mij toescheen, geducht veel verdragen, zonder er duizelig van te worden, zooals ik, arme nieuweling, dat geworden was; want zijn glas was onophoudelijk vol en even spoedig weer leeg. Ik was recht blij, toen men van tafel opstond om naar den tuin te gaan, waar de koffie zou gepresenteerd worden. De frissche lucht bracht mijn verward hoofd weer geheel en al in orde, en alweder rijker aan ondervinding wandelde ik met Marie den tuin rond. Aan Tante Betsy, die spoedig bij ons kwam, biechtte ik eerlijk al de domme streken, die ik op dit eerste diner begaan had en die mij nooit uit het geheugen zullen gewischt worden, al word ik ook honderd jaar oud.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Onder ons.

Elken Maandag kreeg Tante bezoek van eenige kennissen, die thee bij haar dronken en zich met praten, voorlezen of ook wel eens met kaartspel vermaakten. Mij werd op die avonden de post opgedragen, om thee te schenken en den kleinen kring te bedienen, daar Tante niet graag de meid in de kamer zag. Dat was mij, nadat ik de eerste moeilijkheden had overwonnen, zeer aangenaam: want huiselijke bezigheden vond ik heel prettig: ik ontging daardoor het best de verlegenheid, om onder die oudere heeren en dames fatsoenlijk stil te moeten zitten of ook wel soms aan hun gesprekken deel te nemen, waarvoor ik nog veel te weinig algemeene kennis en beschaving bezat. Ik kon immers evengoed toeluisteren en had tevens wat te doen. Maar in den beginne waren er natuurlijk verscheidene dingen, die ik eerst moest leeren.

Zoo vulde ik de kopjes altijd hoog tot aan den rand, wat Tante mij reeds den eersten morgen verboden had; doch dat ik maar niet scheen te kunnen onthouden. Het kwam mij altijd voor, als zouden de menschen denken, dat ik 't hun niet gunde, wanneer ik zoo weinig in de kopjes schonk. Verder liep ik met den trekpot de kamer rond, om terstond de kopjes op de plaats waar ze stonden, te vullen; totdat Tante mij zacht terugtrok en mij de kopjes aan de schenktafel bracht, om ze daar weder vol te schenken.

Wanneer dan de een of andere gast bedankte, hield ik 't voor mijn plicht zoolang bij hem aan te dringen, tot ik mijn thee of mijn banket aan den man gebracht had. Tante verbood mij dat. „Dat opdringen,” zeide zij, „mogen de menschen op uw dorp hartelijk vinden, tot den goeden toon behoort het echter niet, al is het dan ook juist geen kwaad. Ook moet je wel opletten, dat je de gasten altijd aan hun linkerhand iets presenteert en nooit aan hun rechterzijde; anders hebben zij de rechterhand niet vrij om 't gepresenteerde aan te nemen.”

Vooral was Tante er zeer op gesteld, dat ik alles wat ik deed stil en zonder veel gedruisch ten uitvoer bracht, „opdat de gasten,” zeide zij, „het knarsen der raderen, waardoor de huishouding loopt, niet bemerken. Ik ten minste vind het altijd onpleizierig, wanneer ik iemand een bezoek breng en ik zie, hoeveel stoornis mijn tegenwoordigheid veroorzaakt. Dan wordt er gerend en geroepen, deuren en kasten worden open- en toegeworpen, en dat alles om mij misschien een stukje taart op een bordje te presenteeren of de thee klaar te zetten. Maak nooit zooveel leven om niets, kindlief, in 't lichamelijke, zoomin als in 't geestelijke.”