Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is
Part 2
„Ik wou dat ik al gekleed en gereed was!” dacht ik zuchtend, terwijl ik een glas water inschonk, om den mond te reinigen. „Wie weet, welke bokken ik nu weer schiet!” Maar 't ging beter dan ik gedacht had. De tandborstel was keurig fijn, de tandpoeder rook heerlijk, en dat hielp mij voortreffelijk.
„Ik hoop toch, dat je ook na het middageten steeds den mond spoelt en de tanden poetst,” zeide Tante, toen ik gereed was.
„Na het middageten, Tante? Dat heb ik nog nooit gedaan.”
„Doe het dan voortaan; het is uitmuntend voor 't behoud der tanden.”
„Jawel, Tantelief.”
Ach! hoe dikwijls heb ik in dien tijd: „Jawel, Tantelief!” gezegd. Als ik voor elken keer een rijksdaalder had gekregen, dan zou ik als een millionair naar huis zijn teruggekeerd.
„Ik zie gaarne, dat jonge meisjes 's morgens terstond het haar opmaken,” zeide Tante, toen zij zag, dat ik mijn bruine lokken maar zoo wat wilde gladkammen.
„Jawel, Tantelief,” antwoordde ik onderworpen, en rukte mijne vlechten zoo onhandig los, dat de haarspelden over den grond vlogen.
„Ik zal je intusschen de krant voorlezen, Margot. Neem er den tijd toe, opdat je er fatsoenlijk uitziet; daar ben ik op gesteld,” zeide Tante, terwijl zij in een leuningstoel ging zitten en mij uit de krant van alles wat voorlas, waarbij zij er echter voortdurend overheen keek, om te zien of ik alles wel goed deed. Nu eens was het: „Doe de haren uit den kam, eer gij dien weer gebruikt;” dan: „Leg het haar niet op de tafel, maar op een papier!” Dan weer: „Niet zoo stijf vlechten, maar gelijk. Maak kam en borstel schoon, eer je ze weglegt,” en al dergelijke vermaningen meer.
Eindelijk was het werk volbracht en greep ik naar mijn morgenjapon, om, zooals ik gewoon was, er mij gemakkelijk in te hullen.
„Neen, kind, een jong meisje kleedt zich dadelijk aan. Ik houd niet van slechte aanwensels,” zeide Tante, en ik legde het versmade kleedingstuk weer weg. „Dat is goed als je ziek bent, maar in gezonde dagen moet men zoo iets niet doen. Een jonge dame moet er altijd net en keurig uitzien. Slordige meisjes zijn afschuwelijk. Kom, ik zal je helpen.”
Dit zeggende nam zij mijne kleederen en hielp mij banden, haken en knoopen vastmaken.
„O, o, wat zie ik daar een tal van dingen, die mij niet bevallen,” klonk mij in 't oor en daar vloog een van mijn roksbanden, die ik gisteren in de haast aan elkander geknoopt had, door de kamer.
„Hoor eens, Margot! zoo iets moet bij mij nooit gebeuren,” zeide Tante streng. „En kijk eens, de haken van je jurk zitten altemaal zoo los, dat ze van boven tot onder een voor een te zien zijn. Dat kan zoo niet. Geef me terstond een andere jurk en naai dadelijk den roksband vast.”
Geheel en al uit het veld geslagen ging ik naar de kleerkast en deed wat mij bevolen was.
„En heeft uwe goede moeder zulke slordigheid toegelaten?” vroeg Tante, terwijl ik den band aannaaide.
„Ach neen, Tante! dat niet. Zij houdt veel te veel van orde,” antwoordde ik zacht, terwijl mij de tranen uit de oogen sprongen. „Ik ben anders zoo slordig niet; 't ging gisteren met het vertrek zoo gauw, dat ik geen tijd had om den boel in orde te brengen.”
„Ik wil je een goeden raad geven, opdat zoo iets niet meer gebeure, kindlief,” hernam Tante vriendelijk. „Zie elken avond, vóór je naar bed gaat, geregeld al je goed, dat je den volgenden dag wilt aantrekken, na, en breng het gebrekkige in orde. Daartoe is altijd gelegenheid en, moet je er wat slaap door missen, dat beteekent zooveel niet. Zulke kleine, goede aanwensels dragen vruchten: dat moet men steeds bedenken. Winkelhaken worden spoedig groote scheuren, evengoed in iemands kleed als in zijn ziel, en dan is elke herstelling tiendubbele arbeid.”
Ik kuste de goede Tante stil de hand, waarmede zij mij de wang streelde. Eensklaps zette zij een half grappig, half ernstig gezicht, keek naar mijn handen en zeide:
„Heb je den hofrouw aangenomen, lieve Margot?”
„Den hofrouw, Tante? wat meent gij daarmede? Is er iemand van de koninklijke familie gestorven?” vroeg ik verwonderd.
„Hoe! Kent ge die uitdrukking niet?” vroeg Tante lachend, terwijl ze allebei mijn handen voor mijn oogen hield. „Zie, die tien zwarte nagelranden noemen wij hier gewoonlijk den hofrouw. 't Is waarlijk, alsof er geen nagelschuiers in de wereld zijn. Kom, maak die nagels terstond schoon. Op je waschtafel vindt ge alles, wat je er voor noodig hebt.”
Ik deed, wat mij bevolen was; 't was voor de eerste maal in mijn leven: te huis had ik het nooit gedaan. Tante wees mij hoe ik het doen moest, en dat was goed, en nu begreep ik, waartoe al die nette dingetjes dienden, die op mijn waschtafel lagen. Nog nooit had ik zulke mooie witte nagels gehad en ik moet eerlijk bekennen, dat mijn handen er nu netjes uitzagen.
„Margot, pantoffels zijn van die zaken, die een jong meisje slechts op haar slaapkamer mag dragen,” hervatte Tante, terwijl ze een bedenkelijken blik op mijn voeten wierp. Ik deed spoedig mijn pantoffels uit en verruilde die voor mijn rijglaarsjes. Hierop verliet Tante de slaapkamer en ik volgde haar spoedig naar 't woonvertrek, waar het ontbijt ons wachtte. Toen ik binnentrad, kwam ze mij vriendelijk te gemoet, nam mijn hoofd tusschen haar beide handen en drukte een hartelijken kus op mijn lippen.
„Zie je, nu krijg je van harte, wat ik je straks weigerde,” sprak ze opgeruimd. „'t Is een walgelijk iets, door onreine lippen gekust te worden en dat vergeten heel veel menschen, niet alleen mijn nichtje.—Maar nu aan 't ontbijt, mijn kind,” ging zij voort en wees op de mooie, blankgepoetste koffiekan. „Vandaag is de koffie al gezet; maar van heden af aan draag ik u den post op om koffie en thee te zetten.”
Ik haastte mij om Tante een kop koffie te schenken en er melk en suiker bij te doen.
„Eerst suiker, dan melk, dat is een oude regel,” zeide zij. „Schenk het kopje niet te vol en mors er niet over.”
„Ach! neem 't mij niet kwalijk,” riep ik blozend uit en goot spoedig de overgestorte koffie weer uit het schoteltje in het kopje. Maar nu raakte ik van de wal in de sloot, zooals het spreekwoord zegt; want dat was nu eerst heel ongemanierd.
Eindelijk zette ik mij neder om te ontbijten en sopte, zooals ik thuis gewoon was te doen, mijn brood in mijn kopje.
„Margot! Margot!” zeide Tante. „Wat heb je nog onhebbelijke manieren! Eet nu 't gesopte brood maar op; doch doe het nooit als er anderen bij zijn.”
„Dat is jammer, 't smaakt zoo lekker, Tante!” zeide ik.
Het tweede kopje poogde ik echter, naar 't gegeven voorschrift, fatsoenlijk uit te drinken; doch daar de koffie zeer warm was, schonk ik die in 't schoteltje, opdat ze gauwer koud zou worden.
„Dat is alweer niet gemanierd, kindlief,” zeide Tante lachend, en verschrikt zette ik het schoteltje neer.
„Maar thuis dronken wij, kinderen, altijd uit het schoteltje, Tante,” zeide ik blozend.
„Dat wil ik graag gelooven,” antwoordde zij. „Kinderen mogen wel eens kinderachtig zijn. Maar gij zijt nu bij mij om te leeren hoe volwassen menschen doen moeten en om de kinderschoenen uit te trekken, en daarom plaag ik je zoo zonder eenige deernis, arm kind! We willen echter voor van daag de les voor geëindigd houden; doe nu verder zooals je 't goeddunkt; anders vergeet je 't een door het andere. Heden heb ik je met de regelen en plichten van den morgen bekendgemaakt, dat was les één. Als we zoo alle dagen een Hoofdstuk nemen, dan zullen we over een jaar wel klaar zijn.”
Op deze opgeruimde, prettige manier wist Tante Betsy mij, onbeschaafd meisje, wat te polijsten, 't geen inderdaad geen gemakkelijke taak was. Zij deed dit echter met zooveel zachtheid en met zulk een onuitputtelijk geduld, dat ik er onmogelijk boos over kon worden. Al deed ik ook nog zooveel verkeerds en kreeg ik nog zooveel terechtwijzingen: steeds was ik dankbaar aan haar, die mijn opvoeding met zooveel zelfverloochening en liefde op zich genomen had, en elken morgen begon ik met het vaste voornemen, om deze pogingen met ijver en oplettendheid te vergelden.
En 't was inderdaad voor mij geen gemakkelijke taak om op alles te letten en alles anders te doen dan ik het tot nu toe gedaan had. Toch was ik wel een weinig moedeloos wanneer ik bedacht, hoe alleen de morgen reeds zooveel reden tot vermaningen en berispingen had opgeleverd. Met welk een treurig hart dacht ik reeds op den eersten dag aan mijn lief ouderlijk huis!—Ach, daar was steeds alles goed geweest wat ik deed: daar was ik nog een kind, daar was alles mij geoorloofd, en hoe gelukkig en vroolijk gevoelde ik mij daar! Maar nu! Nu was ik geen kind meer, nu moest ik een volwassen meisje verbeelden en dat stelde mij allerlei nieuwe verplichtingen en nieuwe eischen. Dan kwam mij telkenmale weder het refrein van dat gevoelvolle lied voor den geest, dat ik zoo dikwijls gezongen had en nu zoo ten volle tot de taal van mijn eigen hart maakte:
„Hoe zalig, hoe zalig, een kind nog te zijn!”
DERDE HOOFDSTUK.
Hoe mijn eerste visites afliepen.
Gij moet niet denken, lieve Lezeressen, dat mij al de dagen die ik bij Tante doorbracht, zoo levendig en in alle bijzonderheden voor den geest staan als die eerste morgen, waarvan ik u een beschrijving heb gegeven. Toch herinner ik mij, vooral uit den eersten tijd, nog vele op zichzelf staande voorvallen zoo duidelijk, alsof ze eerst gisteren gebeurd waren en van deze wil ik er u eenige verhalen.
„Krijg je hoed en mantel, Margot! we gaan eenige visites maken,” zeide Tante op zekeren dag, en ik haastte mij om aan haar bevel te voldoen en spoedig klaar te komen; want zij hield er niet van om op mij te wachten. Nu was ik echter aan zulk een deftig uitgaan niet gewoon; want te huis zette ik maar gauw mijn hoed op en sprong zoo de deur uit. Mantel, handschoenen, parasol en al dergelijke voorwerpen, die zoo noodig zijn voor een wandeling in de stad, waren mij genoegzaam onbekend. Vandaar dat ik geregeld steeds een van die dingen vergat, wat ik gewoonlijk eerst bemerkte, zoodra wij onderweg waren en natuurlijk was Tante daarover niet erg in haar humeur.
Het had geregend en daarom schortte ik mijn japon heel netjes op; want reeds dikwijls had tante mij doen opmerken, hoe leelijk het stond als netgekleede dames haar goede japonnen in de modder lieten hangen, of ze zoo ongemanierd opnamen, dat men alle verdiepingen der onderkleederen volgen kon, waarbij niet altijd alles even zindelijk was. Goed uitgerust met mantel en parapluie, volgde ik snel mijn geleidster die, als naar gewoonte, vlugger klaar was dan ik. Ik was nog op de stoep, toen ik bemerkte dat ik mijn handschoenen vergeten had en verschrikt ijlde ik het huis weer in, om die mij zoo ongewone dingen te krijgen. Gelukkig haalde ik Tante spoedig weer in, doch lette er in mijn haast niet op, hoe nat de straten waren en dat ik dunne rijglaarzen aan had, tot Tante eensklaps bleef stilstaan en naar mijn voeten wees.
„Zonder overschoenen in zulk weer, Margot!” riep zij knorrig uit. „Dat gaat niet, kind! Vooreerst krijg je natte voeten en ten tweede bederf je je goede laarzen. Ga gauw weer naar huis, doe je overschoenen aan en kom mij dan achterop; je vindt me bij mevrouw Bredius, naar wie ik 't eerst toega.” Haastig snelde ik naar onze woning terug en haalde de vergetene overschoenen uit de kast. Maar, o lieve hemel! Ze zaten nog vol modder van den vorigen keer, toen ik uit geweest was, en nu moest ik wachten, tot Doortje ze had schoongemaakt.
„Dat ik ook zoo dom geweest ben, om die dingen vuil weg te zetten!” bromde ik in mijzelven en stampte ongeduldig op den grond. „Haast je toch wat, Doortje! anders kan ik Tante niet meer inhalen en moet alleen bij mevrouw Bredius binnengaan.” Die gedachte joeg mij een hevigen angst aan; en toen de overschoenen klaar waren en ik ze had aangetrokken, rende ik Tante met zulk een spoed achterna, dat ik in duizend plassen trapte, alle menschen die mij ontmoetten tegen 't lijf liep of hun met mijn parapluie bijna de oogen uitstak.
„Lieve Hemel! Nu die heeft haast! Die moet er wezen!” hoorde ik achter mij roepen; maar onophoudelijk stormde ik voorwaarts om Tante nog in te halen, voor zij bij mevrouw Bredius was. Doch al mijn hollen hielp mij niet: Tante was er al vóór ik aankwam, en ik moest nu alleen de kamer binnengaan.
Met een kloppend hart volgde ik den huisknecht, die mij aandiende en ging toen bloode naar de dame des huizes toe, die mij vriendelijk welkom heette. Tante Betsy zat reeds naast haar op de canapé, doch stond bij mijn binnenkomst ook op, om mij aan mevrouw Bredius voor te stellen. Daar kwam een vreeselijk oogenblik: ik moest een nijging maken! Ach! dat was een steen des aanstoots, en ik moet mij houterig genoeg gedragen hebben; dat voelde ik duidelijk aan mijn knikkende knieën en den hoogen blos, die mij de wangen kleurde.
„Kom nader, lieve Margot,” zeide de dame hartelijk en wees mij een keurigen fauteuil om op te gaan zitten.
„Veroorloof Margot om eerst haar overschoenen en parapluie in 't voorhuis te brengen,” zeide Tante, juist toen ik mij angstig in den fauteuil zette.
Verschrikt rees ik weer van mijn zitplaats op en sloeg mijn oogen neder. Dit gaf mij de gelegenheid te bemerken, in welk een onbehoorlijken toestand ik door mijn haast de kamer was binnengetreden. Niet alleen dat ik vergeten had, mijn opgenomen japon te laten vallen om mijn rok te bedekken, die bij den geforceerden marsch tamelijk vuil was geworden, maar ik had ook mijn modderige overschoenen aangehouden, die leelijke sporen op het kostbare tapijt hadden achtergelaten. Ook omklemde ik nog krampachtig mijn parapluie, die braaf nat was en vreeselijk droop.
Met een verlegene verontschuldiging stormde ik 't vertrek uit en verbeterde in de entréekamer zoo goed ik kon mijn misslagen. Tevens keek ik eens in den daar hangenden spiegel en ontdekte nu hoe slordig ik er uitzag. Mijn haar was door den wind geheel verward en zat zoo los als 't maar kon; mijn hoed stond door de botsingen met de parapluies der voorbijgangers geheel scheef en had een groote deuk bekomen; de strik van mijn dasje was naar achteren geschoven en mijn kraagje was losgegaan en op het punt mij te begeven.
„Dat Tante nu ook juist met zulk weer visites moet maken!” zeide ik braaf knorrig en bracht mijn toilet weer eenigszins in orde. Terwijl ik daarmede nog bezig was, viel mijn blik op mijn handschoenen en dat bezorgde mij een nieuwen schrik. In de haast had ik een paar oude aangetrokken en dat bemerkte ik nu eerst. Wat zou Tante wel zeggen als zij dit zag! Want zien zou zij het; aan haar oog ontging niets. En wat zou mevrouw Bredius wel van mij denken! 't Ergst was, dat ik die afschuwelijke handschoenen moest aanhouden, want zonder handschoenen op visite te komen, dat ging bij ons in Gelderland best, maar niet in Den Haag. Angstig en aarzelend trad ik de kamer weder binnen; terwijl ik zooveel mogelijk mijn handen onder mijn mantel poogde te verbergen, 't geen mij natuurlijk een nog stijver en onbehaaglijker voorkomen gaf.
De goede mevrouw Bredius was vriendelijk genoeg om te doen of ze mijn binnenkomen niet bemerkte en zat druk met Tante te praten. Ik zette mij dus zoo stil mogelijk op een stoel en zat daar lang zonder een woord te spreken, terwijl ik heimelijk aan de vingertoppen van mijn ongelukkige handschoenen trok, die hier en daar losgebarsten waren, zoodat de vingers er door kwamen als rozenknopjes uit hun bladeren. Het hielp echter niets: ze werden er niet weer heel door.
Ik moest noodzakelijk mijn neus snuiten en wilde dus mijn zakdoek krijgen. Maar, o hemel! hoe ik ook in mijn zak tastte, ik kon den doek niet vinden. Zeker had ik hem op straat verloren of in de entréekamer laten liggen. Nu weet gij, lieve lezeressen, welk een toestand het is, als men zijn neus moet snuiten en zijn zakdoek vergeten heeft. En Tante bleef maar; 't was of zij aan geen heengaan dacht. Eindelijk stond mevrouw Bredius op om den huisknecht te schellen, en van dit oogenblik maakte ik gebruik om een paar stappen naar Tante te doen en haar met een smeekenden blik den fijnen zakdoek uit de hand te nemen. Toen mevrouw Bredius zich weer omkeerde, zat ik reeds weer, maar ik had duidelijk aan 't ontevreden hoofdschudden van Tante bemerkt, hoe zij over haar onbezonnen nichtje dacht.
„Frits, zeg aan de juffrouw dat er visite is,” zeide mevrouw Bredius tegen den knecht. Kort daarop ging de deur van de aangrenzende kamer open en eene knappe jonge dame in een elegant toilet trad binnen. Met een lichte nijging begroette zij Tante. Mij scheen ze over 't hoofd te zien, ofschoon ik in mijn geheele lengte naast haar stond, tot eindelijk hare mama mij aan haar voorstelde. Het stijve compliment dat ik bij mijn binnentreden gemaakt had, wilde ik nu door een beter goed maken en dus neeg ik voor juffrouw Amanda zoo diep als ik maar kon en was zeer tevreden over mijzelve. Juffrouw Amanda verwaardigde zich nauwelijks mij een genadig knikje toe te werpen, en ging toen zoo gemakkelijk zij maar kon op den door mij lediggelaten leuningstoel zitten. Deze scheen haar nog niet gemakkelijk genoeg te zijn; want zij trok een geborduurd voetbankje naar zich toe, ondersteunde met de eene hand het hoofd en hield in de andere een mooien waaier, waarmede zij zoowat speelde; terwijl zij mij met halfgesloten oogen lang zwijgend aankeek.
't Koude zweet stond mij op 't voorhoofd en ik zat onrustig op mijn stoel heen en weer te draaien, terwijl ik voelde dat ik tot achter de ooren rood werd.
„Je bent zeker uit het boerenland gekomen,” zeide de jonge dame eindelijk met een geaffecteerde stem.
Ik werd nog rooder bij deze eenvoudige vraag. Tot dusverre was ik nog altijd trotsch op mijn dorp geweest en mijn oog schitterde als ik er met iemand over spreken kon; thans echter was 't mij als moest ik mij schamen, dat ik uit het „boerenland” was; want de toon, waarop Amanda dat vroeg, was vrij verachtelijk.
Tante, die tot hiertoe met mevrouw Bredius gesproken had, verloste mij uit mijn pijnlijken toestand, daar zij voor mij antwoordde. Na eenigen tijd, gedurende welken ik weer zonder een woord te spreken daar gezeten had, wendde Amanda zich weer op een toon van nederbuigende trotschheid tot mij.
„Hoe oud ben je, kind?” vroeg zij.
„Zestien jaar, juffrouw,” antwoordde ik, terwijl de kleur mij weer, uit- en insloeg.
„Dus nog tusschen mal en dwaas!” zeide Amanda op kouden toon, en verkoelde zich met haar waaier, terwijl ze 't hoofd trotsch in den nek wierp.
Dat was inderdaad geen nieuws voor mij. Tusschen mal en dwaas was ik van top tot teen, dat zeiden Tante en alle menschen mij dagelijks en ik had het mij nog nooit aangetrokken. Doch uit den mond van Amanda kwam 't mij hatelijk voor, en 't scheelde niet veel of de tranen waren mij van kwaadheid uit de oogen gesprongen. Gelukkig stond Tante juist op en nam afscheid van moeder en dochter, waardoor ik uit mijn onaangenamen toestand verlost werd.
Goddank! Eindelijk waren wij weer op straat! Zonder een enkel woord te spreken en vol schaamte over mijzelve, wandelde ik naast Tante voort, en ook deze sprak in den beginne volstrekt niet. Eindelijk zeide zij:
„Nu, Margot! Ik moet zeggen dat je je van daag met roem overdekt hebt!”
„Ach, Tante! ik ben zoo bedroefd over al mijn domheden!” riep ik in lang bedwongen tranen losbarstende uit.
„Nu, kind! Huil maar zoo niet,” zeide Tante. „Wat zullen de menschen er wel van denken, dat zoo'n groote meid over straat loopt te huilen en snikken. Je hebt immers geen kwaad gedaan: slechts eenige misslagen tegen welvoeglijkheid en goede opvoeding, en dat zal wel beter worden.”
„O, ik ben een dom kind, lieve Tante!” riep ik nog harder snikkend uit. „Beknor mij maar geducht; ik heb het dubbel en dwars verdiend.”
„Je over zulke dingen beknorren, kindlief? neen dat nooit: want je weet het nog niet beter,” hervatte Tante Betsy vriendelijk. „Maar wat ik niet wil is, dat je mijn fijn batisten zakdoek nog langer zoo nat maakt met je tranen.”
Ondanks mijn droefheid moest ik toch weer lachen en weldra was ik weer bedaard.
„Ten aanzien van ons bezoek bij deze mijne vrienden,” ging zij voort, „zal ik je nog iets zeggen, wat je bij de andere dingen, welke tot een goede opvoeding behooren, wel in acht moogt nemen. Als je gaat zitten, 't zij op een stoel of op iets anders, dan moet je niet op den hoek of op den rand blijven hangen, maar terstond de geheele zitting innemen, anders stelt ge u links en bevreesd aan. Verder moet je wachten tot men u de hand toereikt; je kunt niet weten of men plan heeft u de hand te geven. Eindelijk moet je je nijgen inrichten naar den ouderdom en den stand der personen, voor wie je ze maakt. Mevrouw Bredius kreeg slechts een onbeduidend knikje van je; terwijl je voor Amanda een nijging maaktet, zoo diep als ware zij een prinses geweest.”
„Ze was ook zoo ongenaakbaar als een prinses,” zuchtte ik.
„Daar heb je zoo geheel en al geen ongelijk aan,” antwoordde Tante glimlachend. „En juist daarom acht ik er haar des te minder om; als jij het doen wilt, geef ik je er verlof toe. Maar nu gaan we naar huis. De verdere bezoeken zullen we later wel eens maken, wanneer het weer beter is en je een zakdoek in den zak hebt en.... je handschoenen er fatsoenlijk uitzien.”
Ja, dat had ik wel gedacht! Aan Tantes oogen was dat niet ontgaan, hoeveel moeite ik ook gedaan had om die lastige vingers te verbergen, die er zoo brutaal doorheen kwamen kijken. O, Tante Betsy! Ge zaagt dan ook alles!
Gelukkig liepen niet alle bezoeken, welke Tante met mij maakte, zoo treurig af als dit; desniettemin kreeg ik altijd de visitekoorts op 't lijf, als we op zulke expedities uitgingen. Mijn hart bonsde geweldig toen Tante mij eenigen tijd later mededeelde, dat we een bezoek bij mevrouw Donker, de vrouw van den dokter, zouden afleggen.
„'t Zou me niet verwonderen, of Marie Donker zal je wel bevallen,” zeide Tante onderweg; „ja 't kon wel zijn dat je er een vriendinnetje in vondt.” Ik zuchtte in stilte bij deze gedachte; want, hoezeer mijn hart ook naar den omgang met eene vriendin verlangde, de jonge meisjes in de residentie schenen mij van zoo'n heel ander allooi te zijn dan mijne vriendinnetjes op 't land, dat ik er aan twijfelde of ik er wel ooit eene zou vinden. Al de Haagsche jonge dames toch stonden voor mij, arm onbeschaafd dorpskind, op zulk een onbereikbare hoogte, dat ik telkens wel als een slak in mijn schulp had willen kruipen, wanneer ik aan zulk een dametje werd voorgesteld. Zoo trad ik, als een schuchter kieken, door Tantes beschermende vleugelen gedekt, met angstige schreden de kamer van Mevrouw Donker in. Ze was een zeer levendige, vriendelijke dame, de doktersvrouw, die ons hartelijk en met ongeveinsde gulheid begroette. Zij liep terstond naar de deur en riep: „Marie! kom eens beneden! er is een aangename visite!”
Kort daarop kwam een jong meisje met mooi blond haar en vriendelijke blauwe oogen, licht blozend en eenigszins schuchter, maar toch vrij en bevallig de kamer binnen. Tante Betsy gaf haar een hartelijken kus en bracht haar toen naar mij, opdat wij met elkaar in kennis mochten komen. Marie keek mij met hare schoone blauwe oogen vriendelijk aan, gaf mij de hand en zeide: „O, lieve Margot, uw Tante heeft mij reeds zooveel van u verteld, dat ik er recht blij over ben u te leeren kennen.” Dit zeggende nam zij mij mee naar de canapé, die aan 't venster stond, terwijl de beide oude dames op eenigen afstand van ons gezeten waren en sprak zoo hartelijk en vertrouwelijk, zoo prettig en eenvoudig met mij, dat mijn hart zich van vreugde en genot ontsloot. Dat was nu eerst een geheel ander meisje dan die trotsche Amanda Bredius, die zich ter nauwernood verwaardigd had mij een paar woorden toe te voegen en mij als een onnoozel schaap had behandeld; ook geheel anders dan de andere jonge juffrouwen, van welke ik er reeds eenige bij Tante had leeren kennen. Mijn blooheid verdween; weldra waren we met elkander aan 't praten en lachen, als hadden we elkaar reeds jarenlang gekend. Toen Tante eindelijk afscheid nam, gaf Marie mij een hartelijken kus en beloofde dat ze mij heel gauw eens zou komen bezoeken.