Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 15

Chapter 153,577 wordsPublic domain

Op zekeren dag kwam er een doodbericht, dat mij trof, ofschoon ik de gestorvene nooit persoonlijk gekend had. Tante Betsy had er reeds eenige malen op gezinspeeld dat Eugenie's moeder in een lijdenden toestand verkeerde. Ze had niet eens aan haar belofte om eenigen tijd bij haar schoonzoon te komen doorbrengen kunnen voldoen, en daarom waren Eugenie en de baron naar haar toegereisd. Ze hadden de anders zoo levenslustige vrouw veel veranderd gevonden; wel nog altijd vol belangstelling voor de ijdelheden des levens, maar niet meer instaat daaraan mede te doen. Ook scheen haar lichaamslijden haar gemoed verzacht te hebben—de goedhartige Eugenie kon ten minste niet van haar scheiden. Ze had terstond naar haar Papa geschreven, en deze kwam nog juist bijtijds om gedurende de laatste levensdagen der zieke tegenwoordig te zijn. Zware koortsen sloopten spoedig 't reeds lang geschokte gestel. Haar laatste woord was een bede om vergiffenis tot den echtgenoot, voor 't leed dat zij hem had aangedaan; haar laatste blik een van dank voor zijn onverdiende liefde. En zoo was een leven geëindigd, dat weinig geluk en zegen om zich heen had verspreid. Eugenie was werkelijk bedroefd over den dood eener moeder, aan wie ze, ondanks de gebreken en zwakheden der wereldschgezinde vrouw, toch gehecht was geweest. Ze wist haar vader te overreden, om den eersten tijd na den dood zijner vrouw, bij haar op haar buitengoed te komen en de liefde zijner kinderen vergoedde den zwaarbeproefden man veel voor het verdriet, dat hij jarenlang had ondervonden. Plannen voor de toekomst had hij nog niet gemaakt; ik vernam echter uit een brief van Eugenie, dat het haars vaders innigste wensch was met Tante Betsy samen te wonen. Ik twijfelde er geen oogenblik aan of Tante zou daaraan voldoen, en 't verwonderde mij evenmin dat zij er de voorwaarde bij maakte, dat hij zijn intrek in haar huis in Den Haag moest nemen; want het zou haar te veel gekost hebben, die stad en dat huis te verlaten; daarenboven was hij daar dichter bij zijn kinderen. En zoo scheen 't wel dat de edele vrouw bestemd was om allen, die met haar in aanraking kwamen, gelukkig te maken.

* * * * *

Meer dan een jaar was verloopen, sedert ik in 't ouderlijke huis was teruggekeerd. Op zekeren morgen scheen de zon met buitengemeenen glans door mijn vensterruiten. 't Was nog zeer vroeg en de witte herfstdamp lag nog als een waas over de weiden uitgespreid; aan het reeds bonte loof der boomen hingen dauwdruppels, die als diamanten in den vroegen zonneschijn flikkerden en de frissche morgenwind blies reeds enkele verdorde bladeren tegen het venster, waardoor ik peinzend mijn blikken in de verte liet weiden. Het dorp scheen nog in diepe rust verzonken: slechts in 't ooievaarsnest vlak over mij was beweging; de ouden klepperden hun kroost een morgengroet toe en begonnen weldra hun jongen in 't vliegen te onderwijzen; want de tijd van hun vertrek was nabij en wee den ooievaar, die de lange reis over zee niet kan uithouden: onbarmhartig wordt hij door zijn reismakkers gedood. Ver over de huizen van het dorp zweefden zij weg en hun witte veeren schitterden in den zonneschijn.

Dezelfde rust en vrede, die de geheele natuur ademde, vervulden mijn ziel, en met een dankbaar, vroolijk hart zag ik tot den Vader daarboven op en bad Hem om zijn verdere bescherming en zijn voortdurenden zegen. Eensklaps voel ik mij door twee armen omvat en twee zachte blauwe oogen zien mij vol liefde in 't gelaat.

„Goeden morgen, Margot! God zegene u!” zeide een vriendelijke stem en een paar zachte lippen drukten zich op de mijnen.

„Hoe! Reeds wakker, Marie?” riep ik verbaasd uit en keek mijne vriendin in het blozend gelaat.

„Ook ik had geen rust meer in de veeren,” antwoordde ze opgeruimd. „De vreugde ontrooft iemand den slaap evengoed als de smart. Daarenboven was 't wel noodig dat ik vroeg opstond: want we hebben van daag heel wat te doen. Ik zal Johanna wakker maken om met mij den tuin te plunderen. Er zijn wel is waar niet veel bloemen meer; maar gij hebt hier zooveel schakeeringen van asters en herfstbijloozen en zulke zachtgetinte dahlia's, dat wij met wat bonte bladeren er tusschen nog wonderen kunnen doen. Desnoods nemen wij bonte bladeren in plaats van bloemen; en voor slingers kan men sparregroen gebruiken.”

Het duurde niet lang of ik zag de beide blondines, Marie en Johanna, in een licht morgengewaad den tuin inhuppelen, en als bijen van de eene bloem naar de andere zwevende, tusschen de boomen verdwijnen. Langzamerhand werd nu alles wakker: honden blaften, kleine kinderen trippelden halfgekleed voor de deuren, de vensters werden geopend, de rook steeg uit de schoorsteenen op, overal klonken stemmen en begonnen de menschen hun dagtaak. Nu kon ook ik 't niet langer in de kamer uithouden; juist wilde ik mij bij de twee meisjes in den tuin voegen, toen onder mij een raam werd opgeschoven en met de frissche morgenlucht een heldere kinderstem mijn venster binnendrong. Als een pijl uit den boog snelde ik de trappen af naar de plaats vanwaar 't kinderstemmetje kwam. Voor 't open venster zat een fiksche gezonde min in boerenkleeding en op haar arm danste een allerliefste knaap van zes maanden. Zoodra hij mij zag stak hij mij kraaiend zijn mollige armen uit het rijkgeborduurde hemdje te gemoet. Ik ging in de vensterbank zitten, kuste den kleinen engel en liet mijn blikken door de kamer weiden. Op den achtergrond stond een ledikant, waarin eene jonge vrouw, de moeder van het knaapje, die mij vriendelijk toeknikte.

„Goeden morgen, Eugenie! schandelijke luilak!” riep ik, „je zoon aardt niet naar je, want die is wat vroeger uit de veeren.”

„Ja, hoe dat komt, is mij een raadsel,” zeide de moeder. „De kleine kwelgeest wordt met de zon wakker, als een echte boerenjongen.”

„Dat komt omdat hij bij Madeliefje op het boerendorp in den kost is,” antwoordde ik lachend. „'t Is hier een mooi kosthuis voor een jongen baron!”

„Een baron? een afschuwelijke bengel is hij!” riep Eugenie lachend uit. „En zijn Papa is op hem zoo trotsch, als ik van mijn leven nog geen mensch gezien heb. Hoe hij acht dagen zonder hem heeft kunnen zijn, is iets wat ik niet begrijp. Dat ik wegging kon hem in 't geheel niet schelen; toen was het: „je hebt het Margot al zoo lang beloofd en kunt er dus niet langer mee wachten; zoodra ik 't noodigste heb afgedaan, kom ik ook, 't zal dus maar een korte scheiding zijn.” Maar dat hij den jongen voor een paar dagen moest missen, dat was voor hem een ramp! Een mensch zou wel willen wegloopen van zulk een beer van een man.”

„Nu, je bent ook van hem weggeloopen,” riep ik vroolijk, terwijl ik met den kleinen baron speelde. Intusschen was Eugenie opgestaan en trad naar ons toe; ze nam haar jongen in de armen en stoeide met hem. 't Was een bekoorlijk tafreel, die gelukkige moeder met haar kind, prachtig beschenen door de morgenstralen der zon.

Doch wij bleven niet lang alleen. De huisdeur ging open, en mijn jonge broertjes en Lize kwamen op mij af.

„Goeden morgen, Margot!” riepen ze. „Wat zullen we vandaag een pret hebben! Er worden taarten gebakken en twee vette kalkoenen geslacht! En mijnheer Punt (dat was de gouverneur) maakt met Eduard de ballons klaar, die morgenavond aan de boomen zullen hangen, en het vuurwerk dat hij zal afsteken.”

Zoo riepen ze door elkander en er hielp niets aan: ik moest met het wilde volkje mee om 't een en ander te gaan bekijken—ofschoon ik 't eigenlijk niet zien mocht, het moest een verrassing voor mij blijven. Maar als ge iemand verrassingen bereidt—houdt die dan geheim voor zulke enfants terribles, die juist de hun toevertrouwde geheimen 't spoedigst aan den man brengen.

„Kom,” riep ik eindelijk. „We zullen met Marie en Johanna kransjes vlechten.” Jubelend werd dat voorstel aangenomen en we gingen in den bloemtuin, waar we beiden bezig vonden met het maken van bontgekleurde slingers. Toen ze mij zagen kwamen ze vroolijk naar mij toe en Marie zette mij ondanks mijn tegenstribbelen een allerliefsten krans van kleine roode asters op 't hoofd. „Rozen zijn er niet meer,” zeide zij, „daarom hebben we hulptroepen moeten laten aanrukken. Jij bent heden de koningin van 't feest en moet een kroon dragen, opdat de geheele wereld u kenne en u huldige.”

„Morgen is 't eerst de groote feestdag,” antwoordde ik. „Vandaag mag ik nog geen krans dragen.”

„Neen, neen, morgen kunnen we 't met zulke ordinaire bloemen niet af; dan moet een krans van oranjebloesem uwe zwarte lokken sieren.” zeide Marie. „O, lieve Margot, je weet niet hoe blij ik ben dat ik dezen dag met je vieren kan.”

„Goeden morgen, dames!” klonk het thans achter ons, en we zagen onzen lieven vriend en buurman, dominee Van Dijke, die in de vroegte een wandeling deed, en zeker 't gejubel in den tuin gehoord had. Hartelijk reikte ik hem de hand en we praatten eenigen tijd met elkander. Daarop ging ik met de kinderen in huis, om te zorgen dat ze gekleed werden, waarin Johanna mij zou helpen. Ik groette den predikant en verontschuldigde mijn weggaan. Toen ik in den tuin terugkwam om Marie aan 't ontbijt te roepen, dacht ik haar nog druk bezig te vinden met het vlechten der slingers; ik was dus hoogst verbaasd toen ik haar kalm op de tuinbank zag zitten met den jongen predikant naast haar, maar hunne houding deed mij terstond vermoeden wat er gebeurd was.

„Maar ik bid u, juffrouw Margot,” zeide dominee Van Dijke, nadat hij mij bekendgemaakt had, dat hij Marie gevraagd en haar jawoord gekregen had, „ik bid u, verzwijg het tot morgen. Dan willen we het aan uw bruiloftsdisch bekend maken, want zeker zal het de vreugde van het feest verhoogen, als de gasten hooren dat er spoedig weder een andere bruiloft op til is.”

Ik beloofde tot zoolang te zwijgen. „Maar tot uw straf dat ge me zoo listig 't hart mijner vriendin voor de helft ontsteelt, dominee, beroof ik u thans terstond van uw aanstaande bruid. Of ge zoudt er lust in moeten hebben, heden met ons te ontbijten.”

„Ik dank u,” antwoordde de predikant. „Ik vrees dat ik in dat geval zou doen als de kinderen en mijn geheim te vroeg verraden.”

„Daar zou ik ook voor vreezen, dominee,” antwoordde ik. „En dus, adieu! We mogen de gasten niet laten wachten.”

Zoo was mijn stille hartewensch vervuld. Marie zou de gade worden van den man, dien we allen zoo hoog vereerden, sedert hij, twee jaren geleden, bij ons predikant was geworden. Ik had reeds sedert geruimen tijd bemerkt, dat beiden elkander liefhadden en week op week verwacht wat nu gebeurd was. Nu was alles in orde, en 't zou een nieuwen glans aan mijn eigen trouwdag geven.

Want, inderdaad, lieve lezeressen! Sedert veertien dagen was ik de bruid, en al die toebereidselen tot een feest waren ter viering van mijn bruiloft. Reeds sinds een half jaar was het „tusschen-mal-en-dwaze” meisje verloofd—met wien? Nu, dat kunt gij wel raden. Waarschijnlijk hebt ge bij 't lezen dezer bladeren er eer aan gedacht dan ik. 't Was kort na mijn terugkomst in 't ouderlijke huis geweest, dat er een brief uit Den Haag kwam—eenige dagen later door den schrijver zelf gevolgd. En die schrijver was? Natuurlijk niemand anders dan zekere dokter, en juffrouw Margot.... „zal nu morgen Mevrouw Huisman worden!” roept gij mij toe. En ge hebt het geraden.—Marie was reeds twee maanden bij mij, om Mama en mij aan mijn uitzet te helpen; Eugenie had sedert acht dagen bij ons gelogeerd, haar echtgenoot, haar vader, Tante Betsy, Eduard en zijn ouders wachtten we heden, en morgen zou ik trouwen. Wat kon ik nu nog meer wenschen!

De rijtuigen rolden door het dorp, de honden blaften, de dorpsjeugd jubelde en de koetsiers lieten hun zweepen vroolijk klappen. Welk een leven in en om ons huis! Papa en Mama vlogen Tante Betsy in de armen, Eugenie in die van den baron, die vrouw en kind te gelijk omvatte en misschien niet losgelaten zou hebben, als zijn vrouwtje zich niet losgerukt en hem den knaap op den arm gegeven had. Uit zijn armen snelde ze in die haars vaders en daarna hing ze aan de trouwe borst van Tante Betsy.

En ik—ach! ik zag niets voor mij dan twee helderblauwe oogen, die mij zoo innig aanstaarden en voelde twee stevige armen, die mij zoo vast omklemden, als waren er weer van die kerels van 't Eibmeer in de nabijheid, toen ik zoo radeloos aan die trouwe borst vluchtte.

„Broer Anton, Lize wil u ook eens goeden morgen zeggen,” zeide mijn bruingelokt jongste zusje, dat op ons kwam aandartelen.

„Goeden morgen, zusjelief,” zeide mijn bruidegom vroolijk; terwijl hij 't lieve kind tot zich ophief en het hartelijk kuste. Nu kwamen ook de twee guitige zwagertjes aansnellen om hun aanstaanden broeder te begroeten, op wien de beide jongens braaf grootsch waren; vooral omdat ze Anton tegen hem mochten zeggen. Daarop bracht ik den aanstaanden schoonzoon bij Papa en Mama, die hem hartelijk verwelkomden.

Ons vriendelijk, stil huis was zeker heel verbaasd over de vele vreemden, die het binnen zijn muren moest opnemen; daar allen behalve Anton, die bij dominee Van Dijke logeerde, bij ons gehuisvest werden. 't Was of de lindeboomen er blij over waren, zoo prijkten ze in de zonnestralen, en de ooievaar op zijn nest klepperde nog harder dan anders, als wou hij 't aan zijn kinderen vertellen, wat in de anders zoo stille hofstede voorviel.

En de volgende dag! Hoe zal ik u dien beschrijven? Van alle kanten stroomden vrienden en bekenden toe, om ons feest mee te vieren. O, 't is een aangenaam gevoel, als men zich omringd ziet door zoovelen, die hartelijk deelnemen in onze vreugde. Papa had, om 't schoone zachte herfstweer, bevolen dat we onder 't lommer der linden zouden dineeren en dat bracht niet weinig toe om 't aangename en landelijke, daardoor zoo geheel ongedwongene, van 't feest te verhoogen. 't Was een dag van drukte en genoegen, dat verzeker ik u. Eerst naar 't raadhuis, waar de wet ons verbond, toen naar de kerk, waar Dominee Van Dijke ons huwelijk inzegende. En 's namiddags aan tafel, daar werd wat getoost! En toen dominee Van Dijke zijn engagement met Marie aankondigde, diende dat niet weinig om de vreugde te verhoogen, en moest het jonge paar heel wat plagerijen verduren, vooral van Eugenie, die 't alleraardigst vond dat het blauwe Vergeetmijnietje nu zoo spoedig 't voorbeeld van haar onnoozel Madeliefje zou volgen. Natuurlijk gaf ook deze mededeeling aanleiding tot tal van toosten. De avond werd besloten met een, voor ons dorp, prachtig vuurwerk.

Nog denzelfden avond verliet ik met mijn echtgenoot het lieve ouderlijke huis, om naar onze eigene woning in Leiden te reizen, in welke stad Anton zich voor goed gevestigd had. Het afscheid van mijne goede ouders, van broeders en zusters viel mij zwaar; ook van u, mijne lieve Lezeressen, die zoo vriendelijk zijt geweest om mij op een gedeelte mijner loopbaan te volgen, en er uit hebt kunnen zien, hoe er met vallen en opstaan en door de trouwe zorg mijner goede tante eene vrouw is geworden uit een boerendeern en nog wel eene, die, toen gij haar leerdet kennen, zoo groen was als gras, nog erger dan wat men gewoonlijk noemt:

TUSSCHEN MAL EN DWAAS.

DE WERKEN VAN P. J. ANDRIESSEN.

0.90 per deel ingenaaid en ƒ 1.20 in linnenband.

#De Val van een Koningshuis,# of het eerste tijdperk van de Fransche Revolutie.

#De Dageraad van een Keizerstroon,# of het tweede tijdperk der Fransche Revolutie.

#De Kolossus der Negentiende Eeuw,# of Frankrijk in den bloeitijd van het Keizerrijk.

#De Tocht naar Rusland,# of het begin van den val van het Keizerrijk. 1812.

#Elba en Sint-Helena,# of de dubbele val van het eerste Keizerrijk. 1814–1821.

#De Strijd tusschen twee Groote Volken.#

#De Deserteur,# of de Fransche overheersching en Nederlands herstelling. 1810–1813.

#De tamboer bij Quatrebras en Waterloo,# of de tweede verlossing van Nederland. 1814–1815.

#Koning en Stadhouder,# of Nederland gedurende de laatste regeeringsjaren van Willem III. 1678–1702.

#De Prins en Johan de Witt,# of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering. 1654–1668.

#Het Huisgezin van den Raadpensionaris,# of hoe de eerste stadhouderlooze regeering een einde nam. 1668–1672.

#Adolf en Clara,# of hoe ons land een republiek werd. Een verhaal uit de eerste jaren van den tachtigjarigen Oorlog. 1564–1584.

#De Weezen van Vlissingen,# of hoe onze republiek onafhankelijk werd. Een verhaal uit het derde tijdperk van den tachtigjarigen Oorlog. 1609–1648.

#De Zoon van den Zeeroover,# of hoe de Nederlandsche republiek groot werd. Een verhaal uit het tweede tijdperk van den tachtigjarigen Oorlog. 1584–1609.

#De Vrijheidsoorlog,# of de Opstand der Batavieren en Kaninefaten tegen de Romeinsche Overheersching. 69–70.

#De Schildknaap van Gijsbrecht van Aemstel.# Een verhaal uit den laatsten tijd van het Hollandsche huis. 1295–1304.

#De Zeeman tegen wil en dank,# of Amsterdam in den aanvang der eerste stadhouderlooze regeering. 1650–1654.

#De Kinderen van den Zoetelaar,# of Nederland gedurende de eerste regeeringsjaren van Prins Willem III. 1672–1678.

#Een Zoon van Friesland,# of Nederland gedurende den Spaanschen Successie-oorlog. 1702–1713.

#Erlo, de Heidenknaap,# of Nederland gedurende het tweede Stadhouderlooze bestuur. 1713–1747.

#Evangelie en Friezen,# of hoe het Christendom onder onze Heidensche voorvaderen kwam. 677–754.

#De Vrouw van de Wolfsgrove,# of het Valkhof te Niumage onder Karel den Grooten. 786–814.

#Door het kreupelbosch tot den Troon.# De jeugd van prinses Elizabeth, Koningin van Engeland. 1533–1558.

#Koning en Veldheer,# of Frederik de Groote in en na den zevenjarigen Oorlog. 1756–1786.

#Een Gentsche Vrijheidszoon.# Een episode uit de geschiedenis van Vlaanderen. 1335–1345.

#Een onderdrukte Koningszoon,# of de jeugd van Frederik den Groote van Pruisen.

#Vorst en Dichter,# of hoe Pruisen onder Frederik den Tweede groot werd.

#De Muiderkring,# of Vijftien jaar uit den bloeitijd onzer letterkunde. 1623–1637.

#De Suppoost aan de Bank van Leening,# of de laatste levensjaren van Joost van der Vondel. 1657–1679.

#Tusschen mal en dwaas#, of wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is.

Ingenaaid ƒ 1.60, gebonden ƒ 1.90.

#Het Begin van den strijd,# of de regeeringsjaren van Prins Willem IV. 1747–1751.

#De Republiek in woeling en strijd,# of de regeeringsjaren van prins Willem V. 1751–1795.

#De Bataafsche Republiek,# of Nederland onder den invloed van Frankrijk. 1795–1806.

#Het hof van Koning Lodewijk,# of Nederland als Koningrijk Holland. 1806–1810.

#Geschiedenis van het tijdperk# van vijfentwintigjarigen vrede. 1849–1874.

#Steeds Tegengewerkt.# Een Tafereel uit de Middeleeuwen.

#Lotwisselingen op den Troon.# Twee bladzijden uit het boek der Geschiedenis.

#Bladen# uit de Geschiedenis van ons Vaderland.

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) — Correctie (C:) | | | | B: vaderlijk zou lijden, gelijk Hij tot | | C: vaderlijk zou leiden, gelijk Hij tot | | B: reuzenschreden vooruitgegaan, Margootje en | | C: reuzenschreden vooruitgegaan, Margootje, en | | B: eens was het: „doe de haren | | C: eens was het: „Doe de haren | | B: blankgepoetste koffiekan, „Vandaag is de koffie | | C: blankgepoetste koffiekan. „Vandaag is de koffie | | B: en greep Maries hand om | | C: en greep Marie's hand om | | B: alles eerlijk opgebiecht en, ofschoon | | C: alles eerlijk opgebiecht en ofschoon | | B: geleiden want ik ben verdwaald!” | | C: geleiden, want ik ben verdwaald!” | | B: Wat moeten we nu beginnen!” | | C: Wat moeten we nu beginnen?” | | B: zeide ik „Laat mij | | C: zeide ik. „Laat mij | | B: „Hoe! zou 't bezoek van dien | | C: „Hoe zou 't bezoek van dien | | B: wensch ik het roosje te plukken; | | C: wensch ik het roosje te plukken, | | B: snelde naar Eugenies kamer, om | | C: snelde naar Eugenie's kamer, om | | B: dagelijksche gewoonten niet storen. | | C: dagelijksche gewoonten niet storen.” | | B: ergeren. | | C: ergeren.” | | B: trouwen?—Doch ik stoorde mij | | C: trouwen?”—Doch ik stoorde mij | | B: voorzien. | | C: voorzien.” | | B: onder den neus en riep; „Hè, wat ruikt | | C: onder den neus en riep: „Hè, wat ruikt | | B: den wand te versieren; terwijl allen | | C: den wand te versieren, terwijl allen | | B: rug toe. Louize Terstege heeft | | C: rug toe. Louise Terstege heeft | | B: zaal op. | | C: zaal op.” | | B: buiten bevatte. Mij boeide de | | C: buiten bevatten. Mij boeide de | | B: alleman toelaten. | | C: alleman toelaten.” | | B: met mij en Maria's broeder uitvoeren? | | C: met mij en Marie's broeder uitvoeren? | | B: dominé's vrouw dat zijn moest.” | | C: dominé's vrouw dat zijn moest. | | B: ingesloten aan Eugenie gegeven?” | | C: ingeslotene aan Eugenie gegeven?” | | B: de schoone bruid! | | C: de schoone bruid!” | | B: Duitschland terugkeeren, hij hoopte dat | | C: Duitschland terugkeeren; hij hoopte dat | | B: was ik toen Tante spoediger dan | | C: was ik toen Tante, spoediger dan | | B: parfenuachtig.” Ik ondervond zelf, | | C: parvenuachtig.” Ik ondervond zelf, | | B: welwillendheid voor mij—Eugenie aan wie | | C: welwillendheid voor mij,—Eugenie aan wie | | B: vroeg de kleine ize, terwijl ze | | C: vroeg de kleine Lize, terwijl ze | | B: eigene opvoeding te volooien, wanneer | | C: eigene opvoeding te voltooien, wanneer | | B: voor het verdriet, die hij jarenlang had | | C: voor het verdriet, dat hij jarenlang had | | B: juffrouw Margot.... zal nu morgen Mevrouw | | C: juffrouw Margot.... „zal nu morgen Mevrouw | | B: Prins en Johan d Witt,# of ons | | C: Prins en Johan de Witt,# of ons | | B: Een Tafareel uit de Middeleeuwen. | | C: Een Tafereel uit de Middeleeuwen. | | | +--------------------------------------------------------+