Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 14

Chapter 143,948 wordsPublic domain

En inderdaad: spoedig was er zooveel schoons en interessants te zien, dat het met een vrij en vroolijk hart moest genoten worden. Wat was ik verrukt over dat prachtige, oude Neurenberg, waar we nu kwamen; ik kon mij niet verzadigen aan het bezichtigen van deze merkwaardige stad vol schoone overblijfselen uit de middeleeuwen. Elk huis heeft iets eigenaardigs, ieder torentje, iedere gevel, ja iedere dakgoot haar eigene versiering: schilderwerk, snijwerk, dierkoppen en allerlei krullen en versierselen ziet men, waar men 't oog ook richt, en dat alles geeft aan de straten een prettig, bont en toch eerwaardig aanzien. Natuurlijk bezochten wij al de merkwaardigheden der stad, en dat Baedeker ons daarbij te pas kwam behoef ik u niet te zeggen. 't Mooist van alles vond ik de Sint-Sebalduskerk met het prachtige graf van dien heilige. Wat moet die Peter Vischer toch een knap man zijn geweest; zijn werk is zoo doodeenvoudig en toch zoo grootsch! Ook de prachtige St.-Laurenskerk vond ik een verheven monument der middeleeuwsche bouwkunst. Vooral boeide mij de schoone roos voor 't gothische voorportaal. Vol aandoening bezocht ik het Johanneskerkhof buiten de stad, een der schoonste Duitsche kerkhoven. Daar liggen beroemde mannen begraven als Hans Sachs, Albrecht Dürer, Peter Vischer en andere groote burgers van 't oude Neurenberg. Maar geen kruisen, urnen of schitterende tomben, geen met bloemen bedekte graven, geen boomen of zodenheuvels verheffen zich boven deze rustplaatsen; meer dan drie duizend groote, vlakke zerken, dicht aan elkander in lange rijen, bedekken de geheele lengte en breedte hunner grafsteden. Ze zijn versierd met de wapens en namen der oude geslachten, die sedert eeuwen onder die steenen slapen. In het gemetselde graf daaronder worden de doodkisten op elkander gestapeld, en zoo rusten al de leden der familie bij elkander, allen onder denzelfden grafsteen, die reeds vóór eeuwen hun voorvaderen dekte. Inderdaad een ernstige en grootsche geslachtsboom, door de hand des doods zelf geteekend.

Hoe ongaarne verliet ik Neurenberg; maar ons wachtte heel wat schooners: de heerlijkheid, door geen menschenhand gemaakt, de wonderbare Alpenwereld. Het bezoek aan München, dat op onzen weg lag, stelden we uit tot de terugreis; daar zou Eugenie's vader, die er woonde, onze gids zijn. We naderden nu al meer en meer de Alpenketen, en onze intrede in deze schoone wereld had niet indrukwekkender kunnen zijn dan zij 't nu was, want de zon begon reeds te dalen en hulde de bergen in een donkerrooden, schitterenden gloed, zoodat ze daar stonden als beelden uit een tooververhaal. Het verhevene en prachtige van dit gezicht ging zoo alle begrip te boven, dat ik zwijgend de handen vouwde en de tranen mij in de oogen sprongen. O God! hoe groot, hoe heerlijk schoon is Uwe wereld en hoe nameloos gelukkig ieder, die daarvan, evenals ik, zulk een verheven gedeelte mag aanschouwen! Wat zijn alle werken der menschen tegenover Uwe scheppingen, Uwe wonderen!

Indien ik nu uitvoerig wilde verhalen, waar wij in de volgende weken ronddoolden, zou ik alleen daarvan een geheel boekdeel kunnen schrijven, en toch zou ik er u geen goed begrip van kunnen geven, hoe schoon het overal was. Onvergetelijk zijn mij die zoo heerlijke, gelukkige dagen! Eerst maakten we een uitstap naar den Algäu met zijn weelderig groene weiden en prachtig rundvee. Daar waren Immenstadt, Sonthofen en Oberstdorf de voornaamste plaatsen: in den omtrek daarvan bestegen wij eenige bergen. Van Immenstadt gaat de spoorweg naar Lindau en 't meer van Constanz. Ik zou wel graag Zwitserland eens zijn ingegaan; Tante beloofde een ander jaar met mij derwaarts te zullen reizen, thans hielden wij ons aan de Beiersche Alpen en hun eerste rustpunt Füszen. Met bijzondere voorliefde denk ik aan dat schoone plekje! want daar in de nabijheid ligt de parel van de geheele streek, het bekoorlijke Hohenschwangau waar we in 't logement „de Alpenroos”, onzen intrek namen en 't goed hadden bij de kasteleines, eene opgeruimde Tyroolsche in de schilderachtige nationale kleederdracht, met een roode roos op den spitstoeloopenden hoed en zilveren ketenen aan 't geregen lijfje. Dicht bij de deur is 't uitlokkendste plaatsje onder heerlijke lindeboomen: vóór ons schitterend in het zuiverste blauwgroen het stille Alpenmeer, waarop blanke zwanen zich bewegen, rondom omgeven door frisch groen en schilderachtige rotswanden, waarboven in de verte eenige koppen der Alpenketen komen uitkijken. 't Was waarlijk geen wonder dat de koning van Beieren hier voor zijne gemalin Maria het prachtige slot heeft doen bouwen, waaruit men een ruim uitzicht heeft over bergen, meren en over 't vlakke land.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

Een avontuur.

Door steile rotswanden ingesloten, ligt stil en eenzaam het kalme Eibmeer met groene boomen op de oevers, die er de liefelijkheid nog van verhoogen. Het water is vischrijk; toch zijn er weinigen die daar voordeel van trekken; want het meer behoort sedert eeuwen aan de eigenaars van de weinige hutten, die door hen daar aan de oevers zijn neergezet. Het is een onbeschaafd soort van menschen, die er als heidenen uitzien: zwarte oogen staren ons uit de taankleurige, vuile gezichten aan, en die zich met hen afgeeft, kan er zeker van zijn dat hij bedrogen wordt, al is 't ook maar voor enkele kreutzers. De schoonheid van het meer lokt echter, ondanks die bewoners, van alle kanten tal van vreemdelingen. Ook wij bezochten het en bewonderden er de bekoorlijke omgeving. Eene stevige vrouw met zwarte oogen en bruine gelaatskleur roeide ons op het meer rond. 't Was nog lang voor 't vallen van den avond, toen we naar het dorp Greinau terugkeerden, waar ons rijtuig was gestald. De weg derwaarts ging door groene weiden en afhangende rotsen en maakte verscheidene schilderachtige krommingen, die mij rijke stof gaven tot vulling van mijn schetsboek; daarom verzocht ik Tante om met de beide dames, die dat tochtje medegemaakt hadden, maar vooruit te gaan; terwijl ik achterbleef om eenige vluchtige schetsen van de schoonste punten te maken. Tante weifelde eerst om mij alleen te laten; doch de zon stond nog tamelijk hoog aan den hemel, de weg was verre van eenzaam en daarom gaf zij eindelijk toe, maar beval den kleinen jongen, dien ze aangenomen had om ons den weg te wijzen, bij mij te blijven. Weldra was ik geheel in mijn arbeid verdiept; de boomen hingen zoo schilderachtig over de kleine vooruitstekende rotsbrokken, waartusschen openingen hier en daar zulk een heerlijk vergezicht opleverden en nu eens een spitse kerktoren, dan weer 't vriendelijke dak eener boerenhut te voorschijn kwam, dat ik maar niet kon uitscheiden; want het eene punt was nog schooner dan het andere.

Eindelijk bemerkte ik dat de lucht rooder werd, dat de toppen der bergen begonnen te gloeien, dat de zon begon te dalen en het dus hoog tijd voor mij was om op te breken; daar Tante zeker met ongeduld op mij zou wachten. Ik pakte dus mijn boeltje op en bemerkte nu eerst hoe twee bruine mannen, die van 't Eibmeer kwamen, mij naderden. Ze droegen groote knuppels, hun kleeding was haveloos en vuil, en hun reusachtige gestalten teekenden zich dreigend tegen de avondlucht. Ik schrikte en keek angstig naar hen om; want terstond kwamen mij allerlei vreeselijke verhalen van roovers in de gedachte. Ik wist toch dat de omwoners van 't Eibmeer in geen besten reuk stonden. De avond begon reeds te vallen, met elke minuut werd het donkerder en die kerels kwamen regelrecht op mij aan.

[Illustratie]

Ongerust riep ik om den knaap, die nog kort geleden bij mij gespeeld had; maar hij was verdwenen: wie weet of hij niet de medeplichtige van die kerels was! Een onuitsprekelijke angst greep mij aan, ik liep den weg op, die naar Greinau voerde; maar het dorp was nog ver, en de mannen kwamen al nader en nader. Reeds hoorde ik duidelijk hun stemmen; zij schenen mij iets toe te roepen en lachten daarbij. Weder keek ik angstig naar hen om, en, vreeselijk! ik zag duidelijk hoe de een zijn knuppel ophief en mij daarmede dreigde. Nu was er geen twijfel meer aan, mijn vrees was slechts al te zeer gegrond: ze hadden het op mij voorzien. Luid schreeuwend liep ik heuvel op en heuvel af, aan niets meer denkende, dan om mij door de vlucht te redden. Ik struikelde over wortels en boomstronken, verloor parasol en schetsboek; 't kon mij niet schelen: altijd maar voort, voort! eer de kerels mij bereikten, die mij—dat wist ik—nog steeds achtervolgden. Thans hoorde ik hun stemmen zoo dicht bij mij, dat ik bijna bezwijmde van angst en mij op de knieën voor hen wilde werpen en hun alles geven wat ik bij mij had. Maar dat was zoo weinig; ze zouden mij zeker uitplunderen en mishandelen. Daar, in 't beslissende oogenblik, zie ik een gedaante door de boomen heenschemeren. Was dat een hunner gezellen? Luidkeels riep ik om hulp en stormde voorwaarts. Goddank! het was een goedgekleed heer; ik was gered! In mijn doodsangst snelde ik op den vreemdeling af, ten einde hem om bescherming te smeeken; hij mocht dan zijn wie hij wilde. Doch wie begrijpt mijn verrukking, toen ik mijn vriend, Dokter Huisman voor mij zag? Met uitgebreide armen snelde ik hem te gemoet, en zonder recht te weten wat ik deed, zonk ik aan zijn borst.

„Red mij om Godswil!” riep ik buiten mijzelf uit; toen viel ik in zwijm. Weder bijkomende lag ik op het gras en Dokter Huisman naast mij neergeknield. Ik voelde mij onuitsprekelijk afgemat en kon mij in 't eerst niet te binnen brengen, wat er gebeurd was. Eindelijk herinnerde ik mij alles en keek angstig om mij heen.

„Wees gerust, juffrouw Margot, er is niets te vreezen,” zeide Dr. Huisman geruststellend. „Die kerels hebben u voor den gek gehouden en u schijnbaar vervolgd, omdat ze bemerkten, hoe bang ge voor hen waart. Thans zijt ge volkomen veilig; want ik blijf bij u.”

Nu eerst viel het mij in, op welk een manier ik in mijn angst bescherming bij mijn vriend gezocht had. Een donkerrood bedekte mijn gelaat, en ik durfde mijn oogen niet opslaan. Dokter Huisman zag mijn verlegenheid en trachtte mij gerust te stellen.

„En zijt ge niet verwonderd dat ge mij hier ziet?” vroeg hij opgeruimd en ging naast mij op het gras zitten. „Wist ge misschien dat ik u opzocht?”

„Ik? Neen, hoe zou ik dat geweten hebben?” antwoordde ik, terwijl ik mij poogde te herstellen. „Zijt gij alleen, en hoe hebt ge vernomen dat we hier logeerden? Ik wist niet, dat ge ook voornemens waart om deze reis te maken.”

„'t Is ook een plotseling opgekomen plan. En thans ben ik blij dat ik de reis ondernomen heb, omdat ik u van nut heb kunnen zijn, juffrouw Margot,” zeide hij en keek mij daarbij zoo hartelijk aan, dat ik weer 't bloed naar de wangen voelde stijgen.

„Nu zou ik gaarne naar Tante gaan,” zeide ik; „ze zal zoo ongerust over mij zijn.” Ik poogde op te staan; maar de knieën knikten mij nog onder 't lijf, en zoo moest ik op den arm van mijn vriend steunen, hoe ongaarne ik het ook deed. Deze echter babbelde maar altijd vroolijk voort en vertelde mij dat Eduard de reis met hem deed, en dat ik hem bij Tante in Greinau zou vinden.

De beweging deed mij goed, en weldra had ik de ondersteuning van mijn geleider niet meer noodig. Ik verhaalde hem de bijzonderheden van mijn avontuur en poogde mijn angst te rechtvaardigen. Dokter Huisman verzekerde mij, dat hij dien zeer natuurlijk vond. Bij Tante en Eduard, die mijn vrees overdreven noemden en mij voor een „haas” uitmaakten, verdedigde hij mijn zaak zoo goed, dat ik hem oprecht dank zeide, vooral omdat hij over onze ontmoeting maar licht heenstapte. En wat vreemd was, anders biechtte ik mijne goede Tante Betsy alle dwaasheden die ik begaan had trouw op; maar mijn ontmoeting met den dokter kon ik haar onmogelijk beschrijven, zooals die had plaats gehad; de woorden wilden volstrekt niet over mijn lippen. Waartoe zou ik dat alles ook vertellen? Hijzelf scheen er in 't geheel niet meer aan te denken, zoo net en terughoudend gedroeg hij zich jegens mij—eindelijk scheen 't geheele avontuur mij slechts een benauwde droom.

In 't gezelschap van onze nieuwe reisgenooten brachten wij eenige zeer aangename weken door en doortrokken de schoone streek in alle richtingen. Ook Eugenie's vader kwam, zooals hij beloofd had, en met hem reisden wij eindelijk naar Beierens schoone hoofdstad München. Hoe stond ik verbaasd over de tallooze kunstschatten, die grootendeels door den prachtlievenden koning Lodewijk hier verzameld zijn. Wij bleven er twee weken, en zoo hadden wij ruim den tijd om alles te bezichtigen. Het merkwaardigste voor mij bleef echter altijd het reusachtige beeld der Bavaria op de Theresiaweide, in wier hoofd we met zooveel gemak rondwandelden, als ware 't een torenkamertje en wier oogen de prachtigste vensters vormden, waardoor wij een heerlijk vergezicht hadden op München en de geheele vlakte; een panorama, begrensd door de blauwe Alpen, die ons een vriendelijken afscheidsgroet schenen te brengen.

Onzen terugweg namen wij door Bohemen, om in Töplitz Eugenie en den baron te bezoeken, die daar langer vertoefden, dan zij wel gedacht hadden en van wie onze gastheer ons de beste berichten had meegebracht. Wel was het bad den baron in den beginne niet best bekomen en had Eugenie al haar vroolijke luim te hulp moeten roepen om hem afleiding te bezorgen, waarover haar dankbare echtgenoot later nooit genoeg uitweiden kon. Na 't einde der badkuur echter ging het hem uitmuntend en verbeterde de stijfheid van zijn voet van dag tot dag; zoodat we, toen we hem verlieten, in de stellige overtuiging heengingen, dat hij volkomen genezen zou terugkomen. En inderdaad, de herfst zag ons allen weder vertrouwelijk bijeen, in de gezellige huiskamer van Tante Betsy. Hoe schoon ook de reis was geweest en hoeveel heerlijks ik gezien had: hier bij mijn lieve Tante, in mijn tweede ouderlijk huis, was het toch het allerschoonst; dat gevoelde ik het sterkst toen we terugwaren.

Maar met groote schreden naderde thans de tijd, waarop ik dat lieve huis vaarwel moest zeggen. „Voor een jaar neem ik uwe Margot met mij mee,” had Tante tegen Papa gezegd. O, toen had ik weinig gedacht dat ik zulk een scheiding zou hebben kunnen dragen. Een jaar! welk een eeuwigheid voor mij, die tot dien tijd nog nooit een enkelen dag van de mijnen gescheiden was geweest! Twaalf lange, lange maanden! En thans was er meer dan een jaar sinds dien dag verloopen, twaalf maanden en nog zes daarenboven en ik leefde nog; de scheiding had mij niet ziek gemaakt, ik had er de tering niet van gezet, zooals ik eens dacht dat ik doen zou. Integendeel, ik was gezond en sterk, ja zag er (als ik mijn spiegel raadpleegde) beter uit; want ik had meer houding en manieren, dan toen ik hier als een onbeholpen boerenkind kwam. Met tal van draden was ik aan den kring verbonden, waarvoor ik eens had teruggebeefd, doch waarin ik mij nu zoo gemakkelijk bewoog. Hoezeer ik ook naar Papa, Mama en mijn broertjes en zusjes terugverlangde—een onbegrijpelijk treurig gevoel maakte zich van mij meester, wanneer ik aan de scheiding dacht van allen, die ik in Den Haag liefgekregen had. Tante met haar onuitsprekelijke goedheid en zachtmoedigheid, fijne beschaving en haar welwillendheid voor mij,—Eugenie aan wie ik als een zuster gehecht was,—Marie mijn trouwe vriendin,—de baron, met wien ik op zulk een vriendschappelijken voet verkeerde,—Dokter Huisman,—Eduard, zij allen waren mij lief en dierbaar geworden en ik moest ze hier achterlaten; die gedachte kon mij benauwen. En toch was er niets aan te veranderen. De dag van het vertrek kwam en ik moest afscheid nemen. Eugenie en de baron beloofden mij, dat ze mij spoedig in 't ouderlijke huis een bezoek zouden komen brengen; ook Tante troostte mij met dat vooruitzicht en Marie had mij beloofd, een heelen tijd bij ons te zullen komen logeeren.

Zoo scheidde ik dan eenigszins getroost van de plaatsen, waar ik zooveel goeds had genoten en keerde naar mijn dorp terug.

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Weder in 't ouderlijke huis.

Met welke gemengde gewaarwordingen vloog ik mijn lieven Papa om den hals, toen hij na zulk een lange scheiding in Den Haag kwam om mij af te halen, en met welk een gevoel van vreugde zoowel als van smart, reisde ik weer naar mijn dorp, nadat het afscheid van mijn hoogvereerde Tante achter mij lag.

Toch deed het mij goed, ons oud, lief dorp weer te zien, waarbij ons landgoed lag. Ja, dat was toch maar de schoonste plaats op de geheele wereld, schooner nog (in mijn oog althans) dan alles wat ik op mijn reis met zooveel verrukking bewonderd had. Die boomen, die huizen, die wegen—'t waren alle oude kennissen, die ik terugzag. Daar scheen de zon nog even vroolijk op 't blauwe leiendak en op den spitsen toren van 't kerkje, als ze dat voor anderhalf jaar deed—en toen ik daar onzen ouden Frits op 't voorbankje van ons wagentje zag zitten en ik mijn oog op de lieve bruintjes sloeg, was 't mij of ik nooit weg geweest was.

En buiten het dorp, daar zag ik den ouden Thomas den herder, die zijn hoed zoo diep voor ons afnam—hoe dikwijls had ik met dien man gekeuveld! Zijn hond kwam naar den wagen toe om onze paarden aan te blaffen, juist zooals hij 't voor anderhalf jaar deed, toen we het dorp uitreden. En daar stonden de dorpskinderen ons aan te gapen, zooals ze 't altijd rijtuigen deden: verlegen en bloode de meisjes, brutaal en onbescheiden de jongens—ik kende de meesten nog; want zooveel waren ze in die achttien maanden niet veranderd. Daar kwamen we aan de eerste huizen van het dorp—allemaal bekenden—en de menschen evenzoo, en zij groetten allen zoo vriendelijk en ik was zoo blij dat ik ze weer zag. Eindelijk, daar kwamen we aan ons landgoed, ons statig huis met de gele jaloeziën en de groengeverfde deur. En daar op den hof stond de paal met den ooievaar, die weer jongen had, juist zooals ik 't van jongsaf had gezien. En 't bassen van onzen grooten Turk, die zich wel van zijn ketting had willen losrukken, toen we 't hek van 't landgoed binnenreden, zeker omdat hij blij was over mijn terugkomst! En, o vreugde! daar kwamen onze kleine jongens in hun ezelwagen aan, Lize tusschen hen in als eene groote dame. Ik kon 't niet langer uithouden en had wel uit het wagentje willen springen. Gelukkig hield Frits een oogenblik later voor de huisdeur stil.

De jongens hadden me al gezien. Zij waren uit den ezelwagen gesprongen om mij te verwelkomen en hadden de arme Lize er maar laten inzitten, die echter bij de hand genoeg was om er zelf uit te kruipen. Ik werd bijna doodgedrukt en toen ging het met groot gejuich de voordeur in. En Mama! ik dacht dat ze me nooit zou loslaten; ik weende en lachte te gelijk. En toen werden allen op hun beurt nog eens door mij omhelsd en gekust. Toen kwamen ook de dienstboden en een glans van genoegen straalde hen uit de oogen en op hun boersche manier gaven ze hun vreugde over mijn terugkomst te kennen. Nu moest ik eerst al de kamers eens door om die oude, gezellige bekende vertrekken weer te zien. Daarna in den bloemhof, in den moestuin, in den boomgaard, overal sleepten de jongens mij heen en 't scheelde weinig, of ik zou 't bouw- en weiland ook hebben moeten bezoeken. En onder de hand werd mij allerlei aangewezen: de nieuwe kropduiven, die al tweemaal gebroeid hadden, en wat een aantal kiekentjes! Verder moest ik naar den stal om de twee melkkalveren en de jonge geitjes te zien. En dan den prachtigen bles, dien Papa een maand geleden gekocht had! Ook den nieuwen schommel: en daar moesten de jongens mij toonen hoe hoog ze durfden schommelen!

En wat waren de kinderen allemaal groot geworden in die anderhalf jaar! Johanna, die drie jaren jonger was dan ik, scheelde niet veel met mij in lengte, Eduard, die een jaar met mij in leeftijd verschilde en die met de vacantie thuis was, was bijna een hoofd grooter dan ik. Hij zag wat bleek, de goede jongen, zeker door het te sterk groeien. En die ondeugende Frits en de kleine Max en Lize, wat zagen die er ferm uit!

„En wat ben jij een knappe meid geworden, Margot!” zei Mama, terwijl ze mij met een verheugd gelaat beschouwde.

„De stadslucht schijnt je goed bekomen te zijn.”

„Ze ziet er als een dame uit, piek fijn!” zeide Eduard, terwijl hij aan iets boven zijn lip trok, dat haar moest voorstellen en hem verbeelden deed dat de knevel in aantocht was.

„Heb je wat meegebracht, Margot?” vroeg de kleine Lize, terwijl ze aan de riempjes van mijn reistaschje trok.

„Ja, ja! Uitpakken, Margot!” riepen de andere kleinen.

„Je moet wachten tot mijn koffer komt,” zeide ik. „Denk je dat ik al de presenten heb kunnen dragen?”

„O, dan zal 't mijne wel heel groot zijn! Vast een hobbelpaard,” juichte Max.

„En nu, Margot, moet je je kamertje eens zien,” zei Mama, en zij bracht mij naar een allerliefst vertrekje, waar ik een prachtig uitzicht had. Juist zoo'n ledikant, als waarin ik bij Tante had geslapen met witte gordijnen, boven mijn latafel hing, met een groenen krans omgeven, het sprekend gelijkend portret van Tante Betsy! O, welk een allerliefste verrassing! Met tranen in de oogen viel ik mijne lieve moeder om den hals en toen ik mijn koffer later uitgepakt had, kwamen Marie en Eugenie er naast hangen. Zoo had ik nu toch 't liefste, wat ik in Den Haag had achtergelaten, hier dagelijks voor oogen.

Naast mijn kamertje sliep Johanna, wier bijzondere opvoeding mijne goede moeder nu aan mij toevertrouwde. „Ik denk dat je eene leerzame scholierster aan haar zult hebben,” zeide Mama. „Het is het beste middel voor u, om je eigene opvoeding te voltooien, wanneer je je zusje tot een goed voorbeeld wilt dienen. Nu kun je toonen of je bij Tante wat geleerd hebt.”

Ik verheugde mij ongemeen over 't vertrouwen, dat Mama in mij stelde, door mij Johanna's opvoeding toe te vertrouwen. Reeds gedurende mijn verblijf bij Tante Betsy was die wensch dikwerf in mij opgekomen; want mijn zachtzinnig zusje, dat veel knapper en aanvalliger was dan ik ooit in mijn leven ben geweest, groeide, evenals ik vroeger, in boersche gewoonten en manieren op, en nu zou 't geen ik bij Tante geleerd had, haar te pas komen. De liefde en de volgzaamheid van het zachtzinnige kind deden mij dat vurig wenschen. Daarenboven hoopte ik ook Mama's zorgen voor 't huishouden te verlichten en de kleinere broers en vooral Lize onder mijn bijzonder opzicht te nemen. Papa had kort geleden een gouverneur aangenomen, die de jongens bezig hield en hun de eerste beginselen leerde. Van hem kreeg ook Johanna les. En nu zou ook ik zijn scholierster worden, want hij bood aan, mij nog eenige lessen in de muziek en de talen te geven. Natuurlijk nam ik dit met dankbaarheid aan, en zoo doorleefde ik een gelukkigen tijd vol werkzaamheid en genoegen in den kring mijner dierbaren; terwijl de herinnering aan de residentie dit kalme leven met een liefelijken glans verhelderde. Een drukke briefwisseling onderhield de banden met de verre vrienden; want zoowel Tante als Marie schreven mij dikwijls uitvoerige epistels, waarin zij mij op de hoogte hielden van al wat er in haar kring voorviel. Eugenie schreef weinig; want ze was geen groote briefschrijfster; dat wist ik nog wel van vroeger, maar des te aangenamer waren mij dus haar enkele opgeruimde brieven, waarin nog altijd de een of andere plagerij voorkwam.