Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 13

Chapter 133,878 wordsPublic domain

Terwijl Tante dit zeide, kwam 't rijtuig van den baron, gevolgd door het huurrijtuig, waarmede Tante gekomen was, de laan oprijden en een oogenblik later ging de deur van de kamer open en Eugenie, in bruidsgewaad getooid, trad de kamer binnen. Wij volgden haar op den voet. De baron was opgestaan; zijn voet belette hem echter naar haar toe te komen.

„Eugenie!” riep hij hevig ontroerd: „Wat beteekent dat?”

„Dat beteekent, Arthur,” antwoordde zij, terwijl ze hem de hand reikte, „dat ik u antwoord kom brengen op uw briefje. Dat antwoord is: ik word heden uw bruid!”

„Eugenie! Is 't mogelijk! De bruid van mij, een....”

Met een kus sloot Eugenie hem den mond.

„Ge wilt me toch nog wel hebben?” vroeg zij.

„Dierbaar meisje!” was al wat de baron kon uitbrengen.

„Welnu dan, mijnheer de Burgemeester, wees zoo goed binnen te komen,” hernam Eugenie tot den burgervader van het dorp, die op verzoek van Tante met het register was gekomen. En binnen weinige oogenblikken waren Baron Arthur Van der Land en Eugenie bruidegom en bruid.

„We hebben van middag slechts een familiediner,” zeide Tante. „Mijnheer en Mevrouw Donker, die tegen dien tijd zullen komen, Eduard en Marie, onzen vriend Huisman en den Burgemeester en zijne vrouw. Maar buiten zal het groot diner zijn. Want de omroeper gaat reeds het dorp rond, om al de dorpelingen aan een diner-champêtre te noodigen, dat dezen middag om zes uren door den bruidegom als aanteekenpartij zal gegeven worden.”

„Maar hoe is dat alles mogelijk, Mevrouw!” riep de baron uit. „Zijt ge dan een toovenaarster?”

„Dat is alles bedisseld, terwijl ik dat halfuur beneden doorbracht. Ik heb orde onder uw dienstpersoneel.”

Inderdaad had Tante er orde onder. Maar ze had gezorgd dat er nog eenige handen bijkwamen; want anders was 't onmogelijk geweest, zooveel gereed te maken.

't Was een onvergetelijke dag! En 't was of ieder wat had willen toebrengen om dien genoeglijk te maken. Dokter Huisman had, eer hij bij ons kwam, een goochelaar besteld, die de boeren en boerinnen vermaakte, terwijl de koude gerechten voor hen werden gereedgezet, en Mijnheer Donker bracht eenige muzikanten mede, die op het terras speelden. Eduard had den huisknecht naar de stad gezonden om een paarhonderd lampions te halen, en liet die door een paar timmerlieden aan de boomen hangen.

Bij 't licht van die lampions dansten de dorpelingen en wij mengden ons onder die vroolijke, eenvoudige lieden. Maar hun vreugd werd uitbundig, toen ook de schoone bruid beneden kwam en meedanste. De baron had zijn stoel voor 't open raam doen rollen, en zat met oogen, schitterend van vreugde, dat liefelijk tooneel aan te zien.

't Was mij in 't oog gevallen dat de dorpsonderwijzer met eenige jongelui stil was heengegaan, en een aantal knapen en meisjes hen gevolgd waren. Ik begreep er niets van en sprak er met Marie over.

„Zeker een kleine verrassing, die ze bruid en bruidegom bereiden,” zeide zij. „Zwijg er van: zulke dingen moet men veinzen niet op te merken.”

En 't was inderdaad zoo. Er kwam van den kant van het dorp een stoet met fakkellicht aan, en in 't midden van de fakkeldragers de onderwijzer met een schaar meisjes en jongens. De veldwachter verzocht ons boven te gaan naar de kamer van den baron en we voldeden daaraan. Vóór de ramen van het terras, daar waar Bruid en Bruidegom zaten, werden de kinderen geplaatst, en nu zongen ze op de wijs van „Wien Neerlandsch bloed” de volgende regelen, die de onderwijzer zijn leerlingen in der haast had laten leeren:

„Wij groeten u, o waardig Paar! Op dezen blijden dag, En hopen dat Gods gunst u beî Nog jaren sparen mag! Wij juichen op uw heilrijk feest, En roepen 't vroolijk uit: Lang leve d' edele bruidegom! Lang leev' de schoone bruid!”

En 't „lang leven bruidegom en bruid!” schalde uit honderden kelen: want het volk had zich om de kinderen geschaard.

Tot laat in den nacht bleven wij bijeen, en al was 't gezelschap niet groot, des te aangenamer was het: want het waren allen goede, hartelijke vrienden. Reeds den volgenden morgen vertrok Tante naar haar zuster. Spoedig kregen we tijding van haar. Zij had de zieke in een zeer gevaarlijken toestand gevonden. Zij schreef mij ook dat Papa haar had voorgeslagen om mij weer thuis te halen; maar dat zij had verzocht mij bij haar te laten, tot we samen de reis naar Duitschland gedaan hadden. En hoe ik ook naar mijn ouders en mijn dorp verlangde: 't was mij toch ook een treurige gedachte, van Tante te moeten scheiden, aan wier gezelschap ik zoo gehecht was geworden, dat ik het denkbeeld schier niet kon verdragen haar te moeten verlaten.

De bruidsdagen brachten we op 't buiten van den baron door, met dien verstande, dat we elken avond met zijn rijtuig naar huis reden en elken morgen weer afgehaald werden. En we hadden het druk genoeg: want 's middags kwamen er gewoonlijk dames en heeren om 't jonge paar geluk te wenschen; den voormiddag gebruikten we om 't uitzet van Eugenie in orde te brengen. Wel klaagde de baron dat hij nu nog minder aan zijn bruid had dan anders; maar dat vergoedde ze hem aan het diner en gedurende den namiddag. Want dan werkten we niet.

't Was een prettig werk de bruid aan 't opbergen van haar uitzet te helpen. Gelukkig als een kind huppelde zij tusschen haar schatten rond, die ik in de kasten moest schikken en nu en dan moest ook de baron 't een en ander bewonderen. Men zou in haar die Eugenie haast niet herkend hebben, die vroeger voor dergelijke bemoeiingen zoo onverschillig was.

Met angst zagen wij de berichten van Tante te gemoet; want dit stond bij den baron, zoowel als bij Eugenie vast, als Tante nog niet terug was, zou 't huwelijk worden uitgesteld. Reeds acht dagen na haar vertrek kregen we bericht van 't sterven harer zuster, en, hoe weinig ook gestemd om feest te vieren, kwam ze den avond voor de huwelijksplechtigheid terug. Weinige dagen te voren was Eugenie's Papa in Den Haag gekomen. Hij was een knap man met een geestig gelaat en een edel voorkomen, door en door een diplomaat, wellevend en innemend. Hoe ook zijn aanstaande schoonzoon en hij in uiterlijk verschilden, konden zij het toch al heel spoedig best met elkander vinden; want Eugenie's vader vond in den baron den man van echte beschaving en ontwikkeling, zooals hij ze in den echtgenoot van zijne dochter wenschte. En 't geluk van zijne dochter, wie de vreugde uit de oogen schitterde, was een zonnestraal op 't pad van den man, die zooveel verdriet in zijn huiselijke omgeving had gehad. Hij zou tot na de bruiloft blijven en dan naar Duitschland terugkeeren; hij hoopte dat Tante en ik hem zouden vergezellen.

We gaan de trouwplechtigheid voorbij, die op het buitengoed van den baron plaats had, en waarbij verscheidene genoodigden tegenwoordig waren. Na het diner kwam 't rijtuig voor, om 't jonggehuwde paar naar 't station van den Rijnspoorweg in Den Haag te brengen. De reis zou naar Töplitz gaan, waar de baron de baden zou gebruiken. Na afloop der badkuur zouden ze bij Eugenie's vader eenigen tijd vertoeven, om daarna naar hun buitengoed terug te keeren.

't Afscheid tusschen Tante en Eugenie was treffend; tegen over mij kon de jonge barones hare geestigheid echter niet bedwingen; toen ze in 't rijtuig stapte fluisterde zij mij toe:

„Doe nog eens mijn complimenten aan Dokter Huisman en vraag hem of hij zijn ridderorde nog heeft. Adieu, Madeliefje! Ook te Töplitz zal ik aan mijn lieve, kleine gouvernante denken. Daarvan kunt ge verzekerd zijn!”

En zoo reed ze weg, die lieve, ondeugende Eugenie!

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

De reis.

Ofschoon wij gaarne met Eugenie's vader de reis naar Duitschland ondernomen hadden, konden wij dit plan niet volvoeren, omdat Tante noodzakelijk weer naar de plaats terug moest, waar haar zuster was gestorven, ten einde met Papa de zaken daar te regelen, en het verlof van Eugenie's vader niet lang genoeg duurde om daarop te wachten. Voor mij was dat een heel eenzame tijd: Tante weg, Eugenie en de baron weg. Had ik Marie niet gehad, ik zou waarschijnlijk 't heimwee hebben gekregen. Hoe gelukkig was ik toen Tante, spoediger dan ik verwacht had, terugkwam.

Nu moesten we ons voor de reis gereedmaken. We waren over de gestorvene tante in den rouw gegaan en hadden dus niet veel pakkage noodig, waarvan Tante trouwens toch niet hield. „Groote reiskoffers en eene massa doozen en pakken,” zeide zij, „geven mij geen gunstige meening van de reizigers aan wie zij behooren; want ze zijn òf zeer onpractisch òf pronkerig en parvenuachtig.” Ik ondervond zelf, hoe aangenaam het is weinig pakkage bij zich te hebben, en was tamelijk trotsch op den kleinen omvang, dien ons reisgoed innam in vergelijking met dat van andere reizigers. Vooral doozen, mandjes en pakjes, die men zoo los meeneemt, werden door Tante zorgvuldig vermeden, en ik moest er nu om lachen als ik aan de talrijke kistjes en pakjes dacht, die ik bij 't afscheid van 't ouderlijke huis om mij heen stapelde; ja, ik zou zelfs toen mijn kanarievogel in zijn kooi op mijn schoot hebben meegevoerd, als Tante mij dat niet belet had.

Thans hadden we niets bij ons in den waggon, dan onze parapluies en parasols, een paar wollen doeken, opgerold en met riempjes vastgegespt, en ieder een leeren taschje, waarin kleine reisbehoeften zooals wat eau de cologne, chocolaadjes, een paar naalden met een klosje garen, een Bädeker, een notitieboekje, een borstel en een zakdoek. Al het andere moest achterblijven, hoe graag ik 't ook had meegenomen; daar ik maar niet kon begrijpen dat men op reis veel ontberen moet of anders liever moet thuisblijven. Tante had vroeger veel met haar man gereisd en daardoor veel ondervinding opgedaan; daarbij was ze een eenvoudige en practische vrouw en ook op dit gebied kon ik dus geen betere leermeesteres vinden. En wat ze er slag van had om een koffer te pakken! Ik had het geprobeerd; maar de koffer was vol, terwijl er nog een heele hoop dingen naast lagen, die er maar niet in konden, hoe ik ook pakte of niet. Daar kwam Tante er bij. Bedaard pakte zij alles weer uit en nu begon zij. Op den bodem legde ze de zware dingen: ondergoed, boeken en wat dies meer zij, dan keurig opgevouwen japonnen en rokken. Daarboven, ieder in een bijzondere afdeeling, de kragen, doekjes en dergelijke zaken. Linten, handschoenen en andere losse kleinigheden werden in een afzonderlijk doosje gedaan, dat netjes in een hoekje werd gedrukt. Alle andere gaatjes werden met schoenen en andere voorwerpen gevuld, die niet meegaven; en zoo zag ik met veel genoegen, hoe eindelijk alles eene plaats vond: 't was of de kleine koffer onder Tante's handen van elastiek was geworden; zooveel ging er in.

De reis van Den Haag naar Arnhem was voor mij niet nieuw en vooral boven Utrecht tamelijk vervelend. Des te meer gelegenheid had ik, het reisgezelschap op te nemen dat zich met ons in denzelfden waggon bevond. Het bestond uit eenige dames, jonge en oude; twee daarvan zaten zwijgend in een hoek, de derde echter begon spoedig met Tante en mij een gesprek aan te knoopen, en scheen veel belang te stellen in alles wat wij haar mededeelden. Tante echter scheen weinig lust te hebben om veel met haar te praten: zij haalde een boek voor den dag en begon te lezen. De dame hield zich nu geheel met mij bezig, en, ofschoon ik nu juist niet kon zeggen dat zij mij erg beviel, vond ik toch dat de beleefdheid eischte haar fatsoenlijk te antwoorden, en zoo wist zij spoedig in welke betrekking ik tot Tante stond, ons beider namen en het doel van onze reis.

„Nu, dat treft al bijzonder,” zeide zij. „Ik ga ook naar de Saksische Schweiz. Het doet mij zeer veel genoegen dat ik u en uwe Tante ontmoet heb. We moeten maar trouw bij elkander blijven. Ik ben heel gelukkig dat ik zulk een goed gezelschap gevonden heb, en zal mij in alles naar u voegen: want voor eene dame is 't alleenreizen alles behalve aangenaam. Dat zult gij wel begrijpen.”

Ik kon haar daarin geen ongelijk geven, en dewijl zij een fatsoenlijke dame scheen te zijn, nam ik haar aanbod met vreugde aan, en vond het zelfs wel aardig dat we nu een reisgezellin hadden. Nu begon ze Tante met vragen te bestormen, hoe ze verder dacht te reizen, om zich daarnaar te richten; Tante echter scheen niet zeer in haar humeur te zijn, want ze gaf haar slechts ontwijkende antwoorden.

Toen we aan een station waren gekomen, waar de trein eenige minuten stilhield en den passagiers de gelegenheid werd gegeven iets te gebruiken, ging Tante den waggon uit en stapte tot mijn verwondering in een andere.

„Hé, Tante, dat is onze waggon niet,” zeide ik.

„Dat weet ik wel, Margot,” antwoordde Tante. „Ik doe dat opzettelijk.”

„Beviel 't u dan in dien anderen waggon niet?” vroeg ik. „We hadden daar toch zulk een goed gezelschap.”

„Neen, Margot,” antwoordde zij. „Dat indringen van die dame was onverdragelijk. Veel degelijks is zij niet; reeds op 't eerste gezicht beviel zij mij in 't geheel niet.”

„Maar ze scheen zoo fatsoenlijk en tevens zoo goedhartig en ze reist zoo alleen,” hervatte ik medelijdend. „Ik kan zeer goed begrijpen, hoe blij ze was dat ze gezelschap vond.”

„Wees daaromtrent maar gerust, kind,” antwoordde Tante glimlachend. „Zij zal niet lang alleen reizen, daar kunt ge op aan. Ons gezelschap zal ze echter moeten missen; wij passen niet voor haar. Voor 't overige moet je voortaan voorzichtiger zijn, Margot, en niet aan iedereen terstond vertellen wie we zijn en waar wij heengaan. Op reis treft men al te dikwijls menschen aan, voor wie men zich moet wachten. Wees liever al te stilzwijgend tegen uw reisgezelschap dan te openhartig; vooral een jong meisje kan op dit punt nooit te voorzichtig zijn.”

Ik volgde den raad van Tante en merkte nu ook op, hoe teruggetrokken de meeste onzer medereizigers waren, vooral de dames. Prettig vond ik dat nu juist niet; maar er was zooveel te zien, dat ik het best zonder praten afkon.

En dat Tante gelijk had mij tot voorzichtigheid aan te manen, ondervond ik slechts al te goed. We waren te Dresden aangekomen, en, ofschoon we onzen intrek in een logement genomen hadden, had Tante mij daar bij de familie geïntroduceerd van een harer oude schoolvriendinnen, wier echtgenoot een aanzienlijke betrekking bekleedde. In gezelschap van deze familie bezochten wij „de Saksische Schweiz.” We bevonden ons in een heerlijk dal, toen ons een vroolijk troepje te gemoet kwam, welks luid gepraat en gelach onze oplettendheid tot zich trok. In dat gezelschap merkte ik terstond de dame uit den waggon op. Ze was zeer keurig gekleed en behoefde ten minste op dat oogenblik niet over de eenzaamheid te klagen; want ze bevond zich in 't gezelschap van eenige jonge elegante heeren, met wie ze zeer veel pret scheen te hebben. Op eens zag ze ons en snelde naar ons toe.

„Hé, Mevrouw!” riep ze uit, terwijl zij Tante de hand toestak, als waren ze jarenlang familiare kennissen geweest. „Wat verheugt het mij, u te zien. En u ook, Margot! kijk, dat is een heerlijke ontmoeting!”

Tante beantwoordde den groet met in 't oog vallende koelheid, en ik kon niet zeggen dat ik bijzonder in mijn schik was om de dame weer te zien, die mij nu nog minder beviel; ik antwoordde echter vriendelijk op haar vragen—dat kon toch niet anders. Zij scheen wel lust te hebben om in ons gezelschap te blijven; maar spoedig bezon ze zich en volgde haar geleiders, die zeer met haar bevriend schenen te zijn.

„Hoe komt ge toch aan die kennis, Mevrouw!” riep de echtgenoot van Tante's vriendin uit, zoodra de dame ons verlaten had.

„Zij heeft een eindje met ons gereisd, verder ken ik haar niet,” antwoordde Tante. „Weet gij misschien iets naders van haar?”

„Iets naders? Dat nu juist niet. Evenwel zou ik u raden, die dame op een afstand te houden—voor juffrouw Margot is ze ten minste geen gepast gezelschap. Ze behoort tot een troep reizende komedianten en moet al rare avonturen gehad hebben.”

Ik kreeg een kleur als bloed en was blij, toen onze wandeling was afgeloopen: want ik was bang dat we die dame soms nog eens mochten ontmoeten. En ik voelde mij vrij wat verlicht, toen mij den volgenden dag verteld werd, dat het gezelschap den vorigen avond een afscheidsvoorstelling gegeven had en zij dus vertrokken was.

Van ons verblijf in Dresden zal ik u niets meer vertellen; ons reisplan bracht ons verder naar Beieren, waar we een nacht in Hoff vertoefden. Den volgenden dag reden we voorbij Kulmbach, welks kasteel zoo schilderachtig van een hooge rots neerziet, en, terwijl de meeste reizigers het voortreffelijke bier dronken, liet Tante voor ons ieder een kop koffie brengen. Zij zelf dronk er weinig van en ging op 't perron op en neer; ik echter ging in de nette restauratiezaal, zette mijn hoed af, deed mijn handschoenen uit, bracht mijn haar wat in orde en was juist op mijn gemak gaan zitten om de koffie te drinken, toen de bengel tot instappen luidde en Tante mij riep, waardoor ik mijn heerlijke koffie moest laten staan. 't Was alweer een goede les, en sedert maakte ik wat meer voort, als we eenige minuten aan een station vertoefden. De schoone streek troostte mij over 't verlies mijner koffie—we naderden Bamberg, reden het schoone klooster Banz voorbij, en daar lagen nu in de verte de groene bergen der „Frankische Schweiz.”

We vertoefden eenige dagen in Bamberg, een schoone stad, heerlijk gelegen, omkranst van vriendelijke bergen en versierd met een prachtigen Dom en de ruïne van 't slot Altenburg in de hoogte. 't Was heerlijk weer, toen we derwaarts opstegen. O, wat was dat alles schoon! En welk een uitzicht! Ik had wel vleugels willen hebben, om zoo eens overal heen te vliegen.

En dat oude slot herinnerde mij aan historische feiten. Daar moet in 1208 in dezelfde torenkamer waarin wij uitrustten, keizer Philips van Zwaben door Otto van Wittelsbach omgebracht zijn. Er ging mij een rilling door de leden, hoewel de nooit uit te wisschen bloedvlek op den grond mij wat apocrief toescheen; zulke bloedvlekken schijnen bij zulke akelige geschiedenissen te behooren.

Toen we in Hoff den nacht doorbrachten, was ik op den morgen van ons vertrek slechts met moeite gekleed en gereed; want eerst liet ik onbezorgd den tijd voorbijgaan en eindelijk moest ik nog in de grootste haast het haar slechts half opgemaakt onder mijn hoed steken; want de omnibus stond reeds voor de deur van 't logement.

Daardoor geleerd, stond ik den morgen van ons vertrek uit Bamberg heel vroeg op en was met aankleeden, inpakken en ontbijten zoo tijdig klaar, dat ik Tante verlof vroeg om nog een weinig in de straten te mogen rondwandelen. „Pas op den tijd!” vermaande zij mij. Vroolijk wandelde ik nu eenige mij bekende straten door en amuseerde mij uitmuntend; want het was juist marktdag, en landlieden in vreemdsoortige dracht kwamen allerwegen de poorten in met hun waren; zoodat weldra overal een bont gewoel heerschte. Ik trad tot afscheid nog eens den schoonen Dom binnen, beschouwde de oude beelden en grafgesteenten, vooral 't beroemde gedenkteeken voor Keizer Hendrik II en zijne gemalin Kunigunde, en bemerkte niet dat het reeds laat was geworden, toen boven mij de klok eensklaps het volle uur sloeg. Verschrikt snelde ik weg; want het was kort bij 't oogenblik van ons vertrek en ik moest nog eerst naar 't logement. Ik liep dus ijlings voort en meende den weg te weten; maar welk een schrik! ik moest verkeerd geloopen zijn—eensklaps ten minste stond ik weer bij den Dom, en wel op dezelfde plaats waar ik straks geweest was. Ik vroeg nu van straat tot straat; de een wees mij hier-, de andere daarheen; ik liep badende in zweet altijd voort. 't Kon onmogelijk de naaste weg zijn, dien men mij wees. Gaarne had ik een rijtuig genomen—ik zag er geen, of 't was met menschen bezet; eindelijk, terwijl 't weenen mij nader stond dan het lachen nam ik een jongen aan om met mij mee naar 't logement te gaan, en kwam daar buiten adem aan.

Tante was zeer in zorg over mij; den eersten trein konden we natuurlijk niet meer halen en moesten nu met den twaalfuurstrein gaan. Ik was geheel en al uit het veld geslagen over mijn onbezonnenheid; maar Tante troostte mij. Ditmaal had ons verzuim niets te beduiden; ik moest er echter een les uit trekken: want in een vreemde stad kon dat meer gebeuren.

Maar de verkeerdheid van dien morgen was slechts het voorspel van andere dwaasheden, die ik dien dag beging: men heeft zoo zijn ongeluksdagen—ik was dien morgen zeker met het verkeerde been uit bed gestapt.

Toen wij namelijk om twaalf uren gelukkig aan 't station waren aangekomen en onze plaatsen hadden ingenomen, ging Tante nog eens uit den waggon, daar ze juist een bekende in een anderen zag stappen, die zij gaarne even spreken wilde. Ze gaf mij de kaartjes over en stapte uit. Juist kwam er een vrouw met heerlijk fruit voorbij en zoowel ik als mijn medereizigers kochten daarvan. Men drong zich aan 't open portier waar ik voor zat, en gedienstig reikte ik allen de fruit aan en het geld daarvoor aan de koopvrouw.

Daar kwam Tante en met haar de conducteur, die de kaartjes moest zien en knippen. Ik wilde de onzen geven; maar—zij waren weg. Verschrikt zocht ik op de bank, op den grond, schudde mijn japon uit, onze medereizigers hielpen mij zoeken—alles te vergeefs—ze waren nergens te vinden. Alleen 't bewijs onzer goederen was er; de beide plaatskaartjes moest ik met het aangeven van de vruchten verloren hebben. De conducteur haalde de schouders op; het speet hem, maar zonder kaartjes kon hij ons met den besten wil niet veroorloven om mee te reizen; we moesten den waggon uit of nieuwe plaatsbiljetten nemen. En 't was hoog tijd ook; de trein zou binnen een paar minuten afrijden. In groote haast snelde ik den waggon uit. Daar vloog iets naast mij op den grond: het was een der kaartjes. Gelukkig! dat was ten minste een van de twee; 't andere was en bleef weg; ik snelde naar 't plaatsloket, en was blij dat ik nog mee kon komen.

Weenend zat ik in 't hoekje van den waggon. Wel sprak Tante geen enkel verwijtend woord; maar schaamte en ergernis over mijn onoplettendheid verbitterden mij 't genot van de reis.

„Steek voortaan terstond je kaartje in je portemonnaie,” zeide Tante. „Daar is 't op zijn plaats. Je bent de eerste niet wien zoo iets overkomt. Ik denk dat het je niet licht weer gebeuren zal.”

„Ja,” zuchtte ik, „nadat gij, goede Tante, mijn dwaasheid met grof geld hebt moeten betalen!”

„Kom, kind!” hernam Tante. „Troost je nu maar. Als men alle dwaasheden zoo gemakkelijk kon herstellen, zou 't gelukkig zijn. Geniet nu liever van de schoone streek en denk er maar niet meer over; ik vergeef het je van ganscher harte.”