Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 12

Chapter 124,146 wordsPublic domain

„Van daag is 't watersoep,” heette het. „Ge moet er u maar mee behelpen,” en inderdaad was de terrine gevuld met enkel heet water. Maar terwijl wij elkaar verbluft aanzagen, kwam de meid al met een andere terrine vol krachtige soep aan—de plaaggeest had eens willen zien, hoe raar we zouden kijken.

Er kwam bijna geen gerecht, dat door haar handen was gegaan, op tafel, of er was de een of andere grap mee uitgehaald. Nu eens droeg een gebraden gans een bloemruiker op de borst; dan was een kotelet met een guirlande van peterselie omgeven en had een hoentje een kroon van papier op den kop; de visschen hadden soms een briefje in den bek, dat een klaaglied over hun te vroegen dood of over de buitengewone warmte van den ketel behelsde; eens hadden een paar gansjes kransen van roode radijzen om den hals en verzochten in versmaat, dat we haar naar 't eerstkomende bal zouden meenemen; want ze verlangden zoo naar 't gezelschap harer zusteren, die op zoo'n bal in overvloed te vinden zijn.

De baron had ontzaglijk veel schik in al die guitenstreken. Hij vond dat het witte keukenschortje Eugenie allerliefst stond, en niets ging bij hem boven 't geen zij had klaargemaakt; 't mocht smaken zooals het wilde.

„Nu heb ik vandaag eens een zandtaart voor je gebakken, Arthur,” zeide ze op zekeren dag tegen hem. „Ik weet dat je er zooveel van houdt.”

„Nu, dat is heerlijk, Eugenie,” antwoordde hij. „Die zal lekker smaken.”

Eugenie snelde de kamer uit en kwam weldra met een groote met suiker bestrooide en met bloemen omgeven taart terug.

„Je moet die zelf maar snijden, Arthur,” zeide zij, terwijl ze hem een groot mes toereikte. De baron schoof de bloemen wat op zijde, sneed terstond een ferm stuk van de taart af en legde dat op een bord. Wel zag de taart er van binnen wat verdacht van kleur uit en brokkelde ze geweldig; maar Eugenie had haar gebakken en dus moest ze goed zijn. In deze overtuiging bracht de baron een stukje aan den mond; en Eugenie kon nog juist: „Halt!” roepen, anders was de scherts te ver gedreven, daar de taart werkelijk uit zand bestond. Terstond echter werd ze door een echte, heerlijk gebakken zandtaart vervangen, en de baron was opgetogen van bewondering over zijn lieve, guitige Eugenie, die altijd nieuw, altijd schelmsch en vroolijk, maar ook altijd vol innige liefde en attentie voor hem was.

Hoeveel Eugenie eigenlijk van de huishouding leerde, daar ben ik nooit recht achtergekomen; want nu eens was haar 't eenvoudigste nieuw en vreemd, en dan weer verraste zij ons met allerlei kundigheden, die een practische huismoeder kenmerken. Tante glimlachte als ik dan mijn verwondering te kennen gaf.

„Laat haar maar begaan, Margot,” zeide zij. „Ik ben niet bang, of Eugenie zal haar post goed vervullen; want zij kan het, als 't haar maar ernst is. Hier is 't alles maar gekheid, bij ons wordt ze nooit anders. Maar een meisje met zulk een klaar verstand en zulk een practischen aanleg wordt een flinke vrouw, zoodra zij haar eigen huishouding zal besturen. Ze zal in 't eerst nog wel eens leergeld moeten betalen; doch dat is niets: ze zal er zich wel doorheen slaan, daar is ze juist de rechte toe. God geve, dat haar 't leven geen zware beproevingen oplegge, opdat zij haar vroolijk humeur moge behouden. Kleine beproevingen zal ze wel niet ontgaan; maar ik ken haar genoegzaam en weet dat er een goede kern in haar is, en die zal blijven ook als ze getrouwd is. God leidt de menschen wijs en wonderbaar; dat zie ik weer zoo duidelijk aan Eugenie's lotgevallen. In haar ouderlijk huis zouden de heerlijke kiemen verstikt zijn, die in haar verborgen waren. God bracht haar onder ons dak en gaf haar in u, mijn kind, een lieve zuster, en zoo ontwikkelde zich het goede, dat in haar sluimerde. Hij zond haar een liefhebbenden man, die juist voor haar past, en thans kan ik haar toekomst gerust te gemoet zien; want alles zal goed worden.”

De brieven, die Eugenie van haar vader ontving, vloeiden over van vreugdebetuigingen over het geluk van zijn kind. Hij beloofde dat hij bij haar huwelijk tegenwoordig zou zijn, ofschoon hij geen lang verlof kon krijgen. Maar dat was niets. Eugenie en haar man konden hem dan op hun huwelijksreisje een bezoek brengen. Ook Tante had moeten beloven tegen dien tijd mede te komen, en ik, gelukskind, zou dan meegaan en een heerlijk reisje door 't schoone Duitschland maken.

„Je bent bij mij op de hoogeschool, zooals Eugenie het noemt,” zei Tante. „Welnu, dan is 't ook noodig, dat je leert, hoe een mensch zich op reis moet gedragen.”

Zoover waren we echter nog niet. Op aandrang van den baron zou 't huwelijk nu in Juli gesloten worden, en 't gaf ons handen vol werk, om met Eugenie's uitzet klaar te komen. Wel werd er niets bij ons aan huis genaaid; maar er waren toch veel zorgen en bemoeiingen aan verbonden. Van al die dingen wist Eugenie genoegzaam niets; als zij die zaken had moeten besturen, zou er wat fraais voor den dag zijn gekomen. Tante en ik moesten dus schier dagelijks met haar naar de winkels of de naaisters. Gelukkig liet ze zich in alles ten goede raden, doch in sommige bijzonderheden wilde en moest ze haar eigen zin volgen. Daarbij kwam nog dat de baron, die gaarne zijn wel wat ouderwetsch gemeubileerd kasteel voor een gedeelte nieuw en elegant wilde inrichten, opdat zijn schoone, jonge vrouw daar alles naar wensch zou vinden, ook daarvoor de goede Tante Betsy in den arm nam; waarbij echter Eugenie natuurlijk ook een woord, zoo niet 't hoogste, in 't midden te brengen had.

„Dat zou nu eigenlijk eerst een werk voor Mama zijn,” zeide Eugenie glimlachend. „Die dweept met nieuwe inrichting van ameublement en ze heeft een heel goeden smaak in die soort van zaken!”

Tante Betsy keek Eugenie uitvorschend aan en vroeg of het haar ernst was; dan zou ze hare mama uitnoodigen om te komen logeeren.

„Neen, lieve Tante,” antwoordde Eugenie met een lichten blos en neergeslagen oogen. „'t Is beter dat ze niet komt. Gij weet het zelf wel; 't is veel beter voor ons allen.”

Tante zuchtte en gaf Eugenie, wie de tranen in de oogen stonden, een kus. En Eugenie had gelijk; want de brief, dien ze van hare moeder als antwoord op de mededeeling van hare verloving had gekregen, was zoo vreeselijk koel geweest, dat het arme meisje er tranen bij geschreid had. Wel had ze daarin haar vreugde over de verloving uitgesproken; maar alleen in betrekking tot „de schitterende partij,” zooals ze 't noemde; het geluk van haar kind, de waarde van haar aanstaanden schoonzoon waren bijzaken, waarvan ze niet eens melding had gemaakt. Ja, er was zelfs wel wat nijd en afgunst tusschen de regels te lezen, nijd en afgunst over den hoogen rang der aanstaande barones; zelfs sloot de brief met eenige bittere klachten over haar eigen ongelukkig huwelijk en over haar echtgenoot, dien zij zoozeer had veronachtzaamd en zoo ongelukkig gemaakt had, zonder het te willen bekennen. „Tot mijn spijt,” had ze er nog bijgevoegd, „zal ik, daar uwe bruiloft in den zomer valt, er niet bij kunnen tegenwoordig zijn. Ge weet dat ik sedert eenigen tijd aan de lever lijd, en de dokters raden mij, om daarvoor Carlsbad te bezoeken. Natuurlijk moet men zulk een kuur gedurende het badseizoen ondernemen. Maar in den herfst, als 't hier zoo vervelend is, eer 't winterseizoen begint, hoop ik u op uw kasteel een bezoek te brengen.”

Hoe smartelijk deze brief Eugenie ook moest vallen, ons was die in zooverre aangenaam, dat wij in ons genoeglijk leven niet door zulk een onhartelijke, wereldsche vrouw zouden worden gestoord. Des te meer verheugde 't ons, dat Eugenie's Papa zou overkomen; dat zou een aangenamer gast zijn—zijzelf verlangde met smachtend ongeduld naar zijn komst.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De mensch wikt, maar God beschikt.

't Kwam echter alles anders uit dan we gedacht en berekend hadden.

De baron was een voortreffelijk ruiter; niets was hem liever dan jonge vurige paarden aan zijn wil te onderwerpen. De moedige Eugenie vermeide zich zeer in zulke zegepralen van haar geliefde, die er dan bijzonder trotsch en mannelijk uitzag, en haar lof vuurde den ijver van den koenen rijder dikwijls tot overmoed aan. Ik kon er bij beven en begreep niet hoe 't mogelijk was, dat Eugenie's oogen van vreugde schitterden bij zulke halsbrekende toeren; terwijl ik er zelfs niet naar durfde kijken, en vreesde dat de baron nog eens een ongeluk zou krijgen.

En mijn vrees werd maar al te zeer bewaarheid. Op zekeren dag kregen wij de vreeselijke tijding, dat de baron van een onhandelbaar paard gestort en een eind weg meegesleept was. Hij had een zware wond aan het hoofd bekomen en het been gebroken.

De tranen sprongen mij bij deze tijding uit de oogen; Eugenie echter sprak geen woord, liet geen traan; doch het doodelijke bleek dat haar gelaat overtoog, toonde genoegzaam wat er in haar binnenste omging.

„Terstond een rijtuig!” beval Tante Betsy, en weinige minuten later reden wij naar 't buiten van den baron, terwijl Eugenie nog altijd zweeg en geen traan haar oogleden bevochtigde. Ook wij spraken geen woord; doch ik deed niets dan weenen, en Tante droogde onophoudelijk de oogen af.

Toen wij aan het kasteel kwamen, had de chirurgijn met behulp van den dokter juist het verband gelegd: de laatste gaf ons een vrij geruststellende tijding. Wel was de beenbreuk gevaarlijk en bedenkelijk, maar de wond aan het hoofd was niet verontrustend: die zou door een zorgvuldige verpleging wel spoedig genezen zijn. Maar de pijn had den patiënt afgemat; hij was genoegzaam bewusteloos; spoedig echter zou hij wel in slaap vallen, en als dat gebeurde, dan was er geen gevaar. Doch op 't oogenblik mocht er niemand bij hem, zelfs Eugenie niet.

„Ik blijf hier toch,” zeide zij met akelige bedaardheid. „Ik wil wachten tot Arthur in slaap is.”

Nadat we eenigen tijd gewacht hadden, een tijd, die ons en vooral Eugenie zonder einde toescheen, kwam de dokter ons waarschuwen en begaven wij ons naar het bed van den lijder.

Tot nu toe had Eugenie zich goed gehouden en haar smart bedwongen; toen echter de krachtige man daar zoo hulpeloos voor haar lag, bleek als een doode, beefde zij over haar geheele lichaam en, steunende op Tante, ging zij de kamer weer uit. Daar barstte ze in tranen los en weende lang. En die tranen waren een weldaad voor haar overkropt gemoed. Nadat zij eindelijk wat bedaard was, zeide zij ernstig en met bewogen stem:

„Tante, ik ga niet van hem weg; wie weet hoe kort ik hem nog heb. Hij behoort mij toe—ik heb heilige rechten op hem: ik moet hem oppassen.”

„En ik blijf bij je, kindlief,” antwoordde Tante. „Anders zou 't niet gaan. Margot zal wel gedurende mijn afwezigheid op mijn huis passen en komt ons van tijd tot tijd gezelschap houden. Den overigen tijd zal Marie haar wel helpen korten.”

Tante gaf mij nu de noodige inlichtingen, en met een bezwaard hart keerde ik alleen huiswaarts. Toen snelde ik naar Marie, die reeds van 't ongeluk gehoord had en mij met ongeduld verwachtte. Bijna dagelijks reed ik naar 't buiten van den baron; altijd in zijn rijtuig, en dikwijls gingen Marie en hare mama met mij mee. In de eerste dagen was de toestand van den baron zeer gevaarlijk; want hij lag voortdurend in een hevige wondkoorts en had veel pijn. 't Scheen echter dat Eugenie's tegenwoordigheid hem veelal tot kalmte bracht; wat was die vroegere salondame voor hem eene trouwe, zorgvuldige ziekenverpleegster! Tante kon er niet genoeg over uit, welk een verandering er met Eugenie voorgevallen was. Haar lichtzinnigheid, haar oppervlakkigheid en onbezonnenheid waren voor stillen ernst en nauwgezette plichtsvervulling geweken. Slechts met moeite kon men haar in de eerste bange dagen van 't leger des kranken verwijderen, opdat ze zelf wat rust zou genieten. Al wat hij gebruikte moest ze zelf klaarmaken, en met de meeste nauwkeurigheid gaf ze hem op 't uur zijn drankje in en zorgde voor de verordende omslagen.

De wond aan 't hoofd genas spoedig, en de zieke mocht nu meer van Eugenie's bijzijn genieten, daar de dokter hem 't spreken veroorloofde, wat hij hem in de eerste dagen volstrekt verboden had. Het duurde niet lang of ze mocht hem ook voorlezen, den tijd met muziek verdrijven en Tante, die de zorg voor de huishouding op zich had genomen, hield beiden gezelschap. En kwam ik er dan bij, of nog een of twee van onze vrienden, dan verzamelde zich een heele kring om den zieke, die met oogen vol dankbaarheid nu den een dan den ander aankeek, maar ze eindelijk steeds op zijn schoone verpleegster liet rusten. Dan werd Eugenie wel weer eens het vroolijke, ondeugende kind met haar schelmsche oogen; over 't geheel echter was ze veel stiller en ernstiger dan ik haar ooit gekend had. De beenbreuk heelde langzaam; geheel genezen zou die waarschijnlijk wel nooit: de baron zou er zijn leven lang een stijf been van houden.

„Arme Eugenie,” zeide de baron op zekeren dag met tranen in de oogen. „Een kreupele kunt ge toch niet trouwen.”

„Zoudt ge dan vreezen dat uw voet moet worden afgezet?” vroeg ze angstig.

„Dat nu juist niet,” antwoordde hij. „Maar een stijf been houd ik mijn leven lang. Daaraan behoef ik niet te twijfelen.”

„Laten wij liever het beste hopen, Arthur,” antwoordde Eugenie met een vriendelijken glimlach. „Ge hebt een knappen chirurgijn; 't zal beter gaan, dan ge denkt.”

De baron zweeg; maar Tante bemerkte wel, dat hij sedert dit gesprek zijn oog dikwijls onrustig op Eugenie vestigde. Hij sprak er echter verder geen woord meer over.

En zoo ging de eene week na de andere voorbij en de tijd kwam dat het hoofdverband van den voet zou worden afgenomen. De baron was vreeselijk zenuwachtig en had een lang gesprek met Tante Betsy, waardoor deze ook zeer opgewonden werd; slechts Eugenie wachtte het gewichtig oogenblik kalm af en was opgeruimd en vol moed. Den dag vóórdat het verband zou worden afgenomen, reed Tante met Eugenie naar de stad, wat zij in den laatsten tijd meermalen hadden gedaan. Maar nauwelijks waren zij daar eenige uren, en juist thuisgekomen van een paar noodzakelijke boodschappen, of daar kwam een brief van den baron aan Tante met een ingesloten biljet aan Eugenie.

Eugenie brak haar briefje snel open, las het en werd bleek; toen ging ze stil en peinzend bij het raam zitten. Tante Betsy rolden de tranen uit de oogen, toen zij haar brief had gelezen. Zij ging naar Eugenie toe en sloot haar in de armen.

„God legt u een zwaar kruis op de schouders, kind,” zeide zij zacht. „Waar uw geluk zoo vlak voor u lag, zendt Hij u een zware beproeving. De baron heeft u toch zeker dezelfde mededeeling gedaan als mij?”

„Ik wist reeds vooraf dat het zoo afloopen zou, Tante,” antwoordde Eugenie met bewogen, maar toch vaste stem. „Reeds eenige dagen geleden heb ik den chirurgijn tegen den dokter hooren zeggen, dat Arthur levenslang een stijf been zou houden. Ik heb dus niets anders verwacht.”

„Gij wist dat, lieve Eugenie, en toch waart ge al dien tijd de bedaardste en opgeruimdste van ons allen!” riep Tante met verbazing uit. „Weet je wel wat dat zeggen wil, een stijf been?”

„Jawel, Tante! Ik weet zeer goed dat daaraan een kreupele gang, misschien wel een krukstok verbonden is,” zeide Eugenie met bewogen stem; terwijl haar de tranen langs de wangen liepen. „Doch ik weet ook dat zulk een man dubbel een vrouw noodig heeft.”

„Maar deze ramp ontslaat u van uwe belofte, Eugenie,” zeide Tante zacht. „Ge hebt uw woord gegeven aan een gezonden, krachtigen man; de vrouw van een kreupele te worden, daartoe hebt gij u niet verbonden. Bedenk je wel, mijn kind! Ge zijt jong en bloeiend en hebt nog veel genot in 't leven te hopen; een kreupel echtgenoot kan niet anders dan je daarin hinderlijk zijn. Zullen u mettertijd de boeien niet te knellend worden, die u daardoor worden aangelegd? Gij neemt dure verplichtingen op u, en, hebt ge die eenmaal op u genomen, dan moet gij ze ook trouw en gewillig vervullen.”

„Ik dank u voor uw heusche woorden, Tante,” gaf Eugenie met zachtheid ten antwoord. „Het was uw plicht mij dit te zeggen, en de liefde van mijn verloofde heeft hem ook bevolen mij in zijn treurigen toestand van mijn belofte te ontslaan. Maar nu gij gedaan hebt wat uw geweten u beval, mag ik zeker ook wel eens een woordje meespreken. Zeg mij, Tante Betsy, houdt ge mij werkelijk voor zoo—ja, welk woord zal ik er voor gebruiken?—voor zoo laag, dat ik zou weigeren de gade te worden van een man, die door zijn ongeluk toch reeds beklagenswaardig genoeg is geworden? Ik ben een zeer oppervlakkig, lichtzinnig meisje geweest, voor wie niets ernstig of heilig scheen en dat bovendien zeer zelfzuchtig was. Maar, lieve Tante, ik ben niet meer de oude Eugenie. Aan u en aan Margot heb ik meer te danken, dan ik u beiden ooit vergelden kan. Ge hebt veel van mij verdragen, maar, al heb ik 't u nooit getoond, van 't eerste oogenblik af heb ik het diep in mijn hart gevoeld, in welke trouwe handen de goede God mij gevoerd heeft. En wat er nog verkeerds en dwaas in mijn hart was, dat hebben de laatste lijdensweken er volkomen uitgeroeid. Arthur zal met Gods hulp in zijn Eugenie een trouwe gade krijgen. Gelooft ge 't ook niet, Tante?”

Ik kon Tante's antwoord niet hooren; want de tranen verstikten haar stem. Ook ik snikte luid. Nu sloot Eugenie mij in haar armen, zij trok mij den doek van de oogen weg en zeide:

„Nu zal mijn gouvernante toch wel tevreden zijn met haar kweekeling. Nietwaar, Madeliefje? Zulke afschuwelijk lange redevoeringen te houden heb ik van u geleerd. Heb ik 't er goed afgebracht, kleine?”

Een tweede brief voor Tante leidde onze gedachten spoedig op iets anders. Tante en Papa hadden een zuster, die veel ouder was dan zij. Zij was erg ziek geworden en wenschte haar broeder en zuster voor haar dood nog eens te zien. Papa meldde, dat hij binnen eenige dagen bij haar zou zijn en hoopte dat Tante ook aan 't verzoek der stervende zou voldoen. 't Zou voor hun zuster een werk van barmhartigheid zijn als Tante haar wilde komen oppassen en tot aan haar dood, die spoedig te verwachten was, bij haar wilde blijven.

Tante was zeer getroffen en, ofschoon ze met die zuster, die altijd een zeer zonderling mensch was geweest, weinig vriendschap gehouden had, wenschte zij toch zoo spoedig mogelijk naar haar toe te gaan. Aan den anderen kant had zij een moeilijken plicht ten aanzien van Eugenie, die toch niet alleen bij den baron kon blijven.

„Dat is niets, lieve Tante,” zei Eugenie. „Ga gerust naar uw zuster. Ik zal alle dagen met Margot naar mijn bruidegom rijden—hij heeft thans zooveel zorg niet noodig.”

„Uw bruidegom? Hoe meent ge dat, Eugenie?”

„Wacht maar even,” riep ze, en snelde naar hare kamer. Spoedig kwam ze terug met een paar opgevouwen papieren in de hand.

„Hier zijn mijn papieren; ik heb gezorgd dat ze in behoorlijke orde zijn. Dokter Huisman heeft er mij bij geholpen; 't zijn de doodacte van mijn eigene mama en mijn geboorteacte. De papieren van den baron zullen wel in orde zijn. Nog heden worden wij bruid en bruidegom en over veertien dagen—als Tante Betsy ten minste terug is—man en vrouw.”

„En vindt de baron dat goed?” vroeg ik verwonderd.

„Hij wil me in 't geheel niet meer tot vrouw hebben,” antwoordde Eugenie. „Moet ik dus zelf niet zorgen dat alles in orde komt?”

Terstond werden er briefjes aan Dokter Huisman, Eduard en Marie geschreven, en na het noodige met ons afgesproken te hebben, reed Tante Betsy met een huurrijtuig naar 't buiten van den baron. Weldra kwamen de dokter, Marie en haar broeder. Wij hadden den korten tijd gebruikt om ons te verkleeden: Eugenie had een lichte neteldoekschen japon aangetrokken en een krans van oranjebloesem in 't haar gestoken. Ze zag er uit om te stelen. We wachtten nu slechts op het rijtuig van den baron, dat Tante met de koets, waarmede zij naar 't buiten gereden was, ons zou zenden. Het duurde echter nog een heele poos eer het kwam; dat was echter volgens afspraak.

Tante was intusschen reeds lang en breed op 't buitengoed aangekomen. Daar had ze haar tijd goed besteed. Ze had de noodige bevelen gegeven aan de bedienden en dezen, die in den laatsten tijd daaraan reeds gewoon waren, haastten zich die bevelen ten uitvoer te brengen. Daarop begaf zij zich naar den baron. Zij vond hem treurig in zijn armstoel zitten.

„'t Is lief van u, beste Tante Betsy, dat ge me nog eens komt opzoeken,” zeide hij. „Maar waar zijt gij zoolang gebleven? 't Is al een half uur geleden, dat ik uw rijtuig de laan zag oprijden.”

„Ja, lieve baron,” antwoordde Tante, „ik moest het huishouden eens nakijken. Dat hebt ge me niet voor niemendal opgedragen. En dat wilde ik eerst doen, om daarna eens rustig met u te kunnen praten.”

„Rustig praten?” zeide de baron treurig. „Ge komt zeker wel voor altijd afscheid van mij nemen. Ge hebt toch mijn brief ontvangen en den ingeslotene aan Eugenie gegeven?”

„Welzeker. 't Is een kwade tijding, beste baron! En ik heb ook al tot Eugenie gezegd dat zoo'n knappe, flinke meid slecht een kreupel man kan nemen. Wat voor een leven zou dat zijn!”

„Dat heb ik ook begrepen, lieve Mevrouw, en daarom heb ik haar heur woord teruggegeven.”

„Waaraan ge braaf gedaan hebt, baron! Ofschoon ik 't in uw geval nog niet zoo gauw zou gedaan hebben.”

„Hoe, Mevrouw! En gij meent zelve dat Eugenie slecht een kreupel man kan nemen.”

„Nu, ja; wat ik meen, komt hier minder te pas. Maar van uw kant toont het wel een weinig gebrek aan vertrouwen op Eugenie's hart en op haar innige liefde jegens u.”

„Maar ik mocht daarvan geen misbruik maken, Mevrouw! want dan zou ze mij uit medelijden genomen hebben. Dan kwam later 't berouw—een kreupele als ik is geen echtgenoot voor een meisje als Eugenie—en ik had mijn geheele leven het zelfverwijt, 't liefst wat me op aarde is ongelukkig gemaakt te hebben.”

„Laten wij daarover zwijgen, baron. Straks komt Eugenie om afscheid van u te nemen. Ge zult haar, hoop ik, toch niet in dit gewaad wachten? Ze heeft u nu lang genoeg zoo gezien. Mij dunkt, het zou wel passen dat ge heden eenig toilet maaktet. Zoolang ge met Eugenie verloofd waart, ging dat goed—thans echter, nu ge een afscheidsbezoek van een jonge dame wacht, eischt de achting, die gij voor die dame hebt, dat ge er fatsoenlijk gekleed uitziet.”

„Ook dat nog!” zuchtte de baron. „Maar gij hebt gelijk.”

„Ik zal u uw kamerdienaar zenden en hem zeggen hoe hij u kleeden moet. Ik wensch 't om uwentwil, dat uw laatste onderhoud met Eugenie in de vormen plaats heeft, die uw beider stand en de welvoeglijkheid eischen.”

Dit zeggende verliet Tante de kamer en weldra kwam de kamerdienaar bij den baron met een zwarten pantalon, een zwarten rok en een wit vest, volmaakt als moest de patiënt naar een feest. En of de baron al tegenwerpingen maakte: „Mevrouw had het zoo bevolen,” zeide de kamerdienaar. Toen de baron gekleed was kwam Tante weer binnen.

„Zie zoo, nu ziet ge er uit als moest ge de bruigom worden,” zei Tante lachend.

„Ik bruigom!” zeide de baron bitter.

„Wel waarom niet? Gij hebt Eugenie wel bedankt; zij heeft echter uw bedanken nog niet aangenomen. Ik heb haar wel onder 't oog gebracht wat ze doet als ze een kreupel man neemt; maar daarom is 't nog niet gezegd, dat ze mijn raad opvolgt.”

„Hoe, Mevrouw! Zoudt gij dan meenen.....”

„Ik meen,” antwoordde Tante ernstig, „dat we beiden onzen plicht gedaan hebben: gij, met Eugenie haar woord terug te geven; ik met haar te zeggen wat haar lot kan zijn, als ze haar woord niet terugneemt. Eugenie verstaat ons beiden. Ze heeft in uw schrijven den man van karakter herkend, die haar onbaatzuchtig bemint en alles, ook zichzelf, voor haar geluk kan opofferen—in mij de moederlijke vriendin, die haar gewaarschuwd heeft, opdat ze niet alleen haar hart, maar ook haar verstand zou raadplegen. Maar de beslissing blijft natuurlijk aan haar. En thans gaan wij uit een ander vaatje tappen, baron! Ge noemt uzelf kreupel! Kom, wat kreupel! Een stijf been maakt een mensch niet kreupel! wacht eerst de uitwerking van de baden te Töplitz af en spreek dan mee.”