Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 11

Chapter 114,115 wordsPublic domain

Ondanks mijn angst en benauwdheid ging alles heel goed; geen van ons bleef steken, de souffleur volbracht zijn plicht uitmuntend en alles sloot naar wensch in elkander. Mij brak in den beginne 't zweet wel uit en alles draaide mij voor de oogen, wanneer ik die van het tooneel naar het talrijke publiek wendde; maar dat ging spoedig over en al spelende wies mijn moed. Dat we luide toejuiching verwierven en teruggeroepen werden, deed mij veel genoegen; zelfs Eugenie zeide, dat ik „nogal goed gespeeld” had, en uitmuntend „het eerbare madeliefje” had voorgesteld, zooals een dominé's vrouw dat zijn moest.

Op ons kluchtspel volgde een tweede: „De Kurmarker en 't meisje uit Picardië” van Schneider, en dat zette het geheel de kroon op. Eugenie speelde voor de bevallige Française en Eduard voor den onbehouwen Pruis. Wat zag die Eugenie er allerliefst uit in dat vlugge Fransche kostuum. De hooge Picardische muts stond haar om te stelen! De inhoud zelf van 't stuk beteekent niet veel: de kleine Française weet door aanvalligheid, dans en vleierij den lompen Pruis zoo gunstig te stemmen, en deze wint door zijn trouwhartige goedaardigheid zoozeer de gunst zijner vijandin, dat beiden als de beste vrienden van elkander gaan. Het bekende lied: „O, denneboom! O, denneboom, hoe groen zijn uwe blaren!” zong Eduard met zooveel humor en liet daarbij toch den diepen ernst die er in lag zoozeer gevoelen, dat ons de tranen in de oogen stonden, toen het gezang van den braven soldaat, die aan zijn vaderland denkt, in snikken eindigde. Daarentegen waren Eugenie's sierlijke dansen in tegenoverstelling van de plompe sprongen van den goeden Duitscher allerliefst. Beiden oogstten dan ook geen minder daverend applaudissement in dan wij en werden ook teruggeroepen.

En zoo was alles goed en zonder stoornis afgeloopen; onze voorstellingen hadden onverholen bijval gevonden, wijzelf hadden er ons patent bij geamuseerd en, wat het hoofddoel was: er was een aardige som ingekomen voor de ongelukkigen, welke som we vol vreugde in handen van den baron stelden, om ze onder hen te verdeelen.

De drukte, door de toebereidselen voor dezen avond ons allen een tijdlang gegeven, werd nu natuurlijk weer vervangen door den rustigen, gelijkmatigen gang van het dagelijksch leven. De winter met zijn lange avonden verzamelde ons meestal in de prettige huiskamer, wier ouderwetsche meubelen thans ook der dartele Eugenie begonnen te bevallen, evenals geheel ons huiselijk leven. Zulk een leven had het arme meisje nooit gekend; want hare mama beschouwde elken dag, waarop zij niet kon uitgaan, als verloren. Gelukkig dat in onze Eugenie een geheel andere aard lag;—het oorspronkelijk goede van haar karakter kreeg dan ook al meer en meer de overhand boven haar vroegere lichtzinnigheid. Zonderling en ondeugend bleef ze echter altijd en verwend ook; maar ondanks dat alles moest men haar toch liefhebben: want in den grond was ze een lieve, aardige, hartelijke meid.

Haar groote muzikale begaafdheden verschaften ons gedurende de lange winteravonden menig genot, en ten gevolge van hare aanmoediging, beproefde ik ook langzamerhand mijn geringe talenten in piano en zang te volmaken. Marie kwam op die avondjes dikwijls bij ons, ook haar broeder Eduard en Dokter Huisman, die tegenwoordig tot de vertrouwde vrienden van onzen kleinen kring behoorde. Het duurde niet lang of we kregen er nog een lid bij: onzen eerst zoo schuwen vriend, Baron Van der Land.

In groote gezelschappen ontmoetten we hem nooit en ook in onzen kleinen kring scheen hij zich in den beginne niet erg thuis te gevoelen; de muziek echter deed hem van lieverlede zijn schroomvalligheid verliezen. Eugenie had zulk een aardige, lieve manier om zijn linksch gedrag niet op te merken en hem op zijn gemak te zetten, en Tante Betsy was zoo hartelijk en vertrouwelijk met hem, dat de ijskorst langzamerhand smolt en wij met elkander hoe langer hoe meer op gemeenzamer voet raakten. Dokter Huisman wist ons van tijd tot tijd met zijn interessante reisverhalen te vermaken, en Eduard kon over allerlei onderwerpen met een helder oordeel spreken; waarbij het weldra bleek, welk een beschaafd en ontwikkeld man de baron was. Dat had niemand achter dien stijven klaas gezocht; ik echter wel, toen hij op dien avond van de soirée met mij over de kunst en haar beoefenaars had gesproken.

Marie deelde met mij de vaste overtuiging, dat de baron tot over de ooren verliefd was op Eugenie. Hoe echter Eugenie over hem dacht, was zoo gemakkelijk niet uit te maken; haar onafgebroken scherts maakte dat men haar niet kon doorgronden, en als wij soms meenden haar gevat te hebben, ontsnapte zij als een gladde aal uit onze handen. Toch was er veel waarschijnlijkheid voor, dat ook zij den baron graag mocht lijden. Onbegrijpelijk! en toch was het zoo: de wonderlijke, stijve, schuwe menschenhater beviel aan onze schoone, elegante, verwende Eugenie beter, dan eenige andere heer van onze kennis.

Zij nam altijd zijn partij op, bracht alles te berde wat hem in een voordeelig daglicht stelde, spotte nooit met hem, lachte nooit over hem, al gaf hij daartoe ook nog zooveel reden; en thans gevoelde ik zoo ten volle de waarheid der woorden, die Tante eens tot mij gezegd had: „Spot is erger dan berisping. Een meisje zal veeleer een man huwen in wien zij veel te berispen vindt, dan een met wien zij gespot en over wien zij gelachen heeft.”

Ook ik lachte niet meer over de onbeholpenheid van den baron; want ik leerde hem al meer en meer om zijn voortreffelijk karakter achten en waardeeren. Ik moet echter bekennen, dat ik mij in den beginne tegenover hem alles behalve op mijn gemak gevoelde en zeker wel in linksche manieren met hem wedijverde. 't Is toch een pijnlijk gevoel voor een meisje, zich tegenover den man te bevinden, dien ze een blauwtje heeft laten loopen. Tot mijn genoegen scheen de baron zich daar veel gemakkelijker over heen te zetten; als hij Eugenie zag scheen hij alles te vergeten behalve haar, en hoe zou ik dan nog bij hem in aanmerking kunnen komen?

't Stond echter oogenschijnlijk slecht met den armen baron geschapen. Week op week verliep; reeds maakte de winter plaats voor de lente, en nog waren de zaken even ver gevorderd; want de vrees om door Eugenie te worden afgewezen, bond den armen man de tong. Hij waagde het niet, aan het schoone, talentvolle meisje te bekennen, hoezeer hij haar beminde. 't Was dan ook allesbehalve gemakkelijk voor hem een tweede poging te wagen, waar de eerste mislukt was; daarenboven zou een weigering van Eugenie, die hij werkelijk liefhad, al zijn hoogste wenschen en verwachtingen den bodem inslaan en wat hem thans vreugd en een nieuw leven schonk, voor altijd doen verdwijnen.

Deze gedachten stonden hem zoo duidelijk op 't gelaat te lezen, dat ik er Eduard eens over aansprak.

„Ja, lieve Margot,” antwoordde hij mij: „Je zoudt je in dit geval eens recht verdienstelijk kunnen maken.”

„Ik? Hoe meen je dat, Eduard?”

„Je zoudt het geluk kunnen grondvesten van je vroegeren vereerder, den baron.”

„Hij is nooit mijn vereerder geweest, Eduard, en aanbidt thans andere godheden,” antwoordde ik lachend.

„Maar je hebt hem toch eens bitter teleurgesteld en gekrenkt, en dat mag je wel weer goedmaken.”

„O, heel gaarne. Maar hoe kan ik dat?”

„Hoor eens, de dames hebben er 't handje van om het verborgene te ontraadselen. Zou je niet eens 't hart van je schoone nicht kunnen peilen, om te weten of zij den baron.....”

„Ho, wat! Dat is een machtig zware taak, die je me daar op de schouders legt. Eugenie is evenals een kolibrietje, dat telkens een andere kleur krijgt, al naar 't licht er op valt, of als een kameleon, die allerlei verschillende tinten aanneemt. Zij doorziet mijn doel tienmaal, als ik zou willen beproeven haar te doorgronden.”

„Maar je zoudt een goed werk doen, Margot,” zeide Eduard, die weer ernstig werd. „Onze arme baron sterft schier van liefde voor Eugenie; maar wat hij van u ondervonden heeft, is de oorzaak dat hij geen moed heeft om ooit weer een meisje te vragen. Ik heb hem vrijwillig mijn hulp aangeboden: maar hij verzocht mij vol angst toch geen stap verder te gaan: want Eugenie's weigering zou hem levenslang ongelukkig maken. Wat moet er echter van worden als hij zich niet declareert?”

„Nu, ik zal doen wat ik kan om Eugenie te polsen, ik beloof het je,” antwoordde ik zuchtend. „Ik geloof wel dat ze den baron gaarne mag. Of ze hem echter 't jawoord zou geven, durf ik niet beslissen. Ze is zulk een zonderling meisje.”

't Was een zware taak, die ik op mij genomen had. Ik poogde dikwijls het gesprek op den baron te brengen; maar niets hielp mij: ik kwam er geen stap verder mee.

„Vindt je niet, Eugenie,” zeide ik onder anderen eens tegen haar, „dat de baron toch een interessant gelaat heeft, vooral wanneer de muziek hem in vuur brengt?”

„Ik vind hem zeer leelijk, of hij musiceert of niet,” antwoordde zij droogjes.

„Ja, zijn manieren zijn niet bevallig, dat moet ik erkennen,” hernam ik.

„Wat komt dat er op aan?” antwoordde ze snel. „Wat mij aangaat, mag hij zoo stijf zijn als hij wil; ik wil immers niet met hem dansen! In de conversatie is hij niet stijf en dat is al veel.”

En zoo ging het altijd: berispte ik, dan prees zij hem; en zeide ik wat te zijnen gunste, dan was 't al weer niet goed.

„De baron moet schatrijk zijn,” was 't op een anderen dag. „En hoe jammer dat hij zoo alleen op dat groote buiten woont!”

„Waarom heb je dan geweigerd hem daar gezelschap te houden, als 't je zoo spijt dat hij zoo eenzaam woont?” vroeg Eugenie lachend.

Ik voelde dat ik kleurde; ik overwon echter mijn verlegenheid en zeide:

„Er zijn genoeg andere meisjes, die graag zijn vrouw willen worden: dunkt je dat ook niet?”

„'t Kan wel zijn,” antwoordde zij terwijl ze haar krullen om den vinger draaide. „Maar 't staat je niet mooi dat je een gerecht aan anderen aanpreekt dat je zelve niet lust. O, klein, onnoozel Madeliefje! Dacht je een oude rat in de val te krijgen!”

En ze groette mij wuivend met de hand en ging dansend de kamer uit; terwijl ik, boos op mijzelf, bleef staan, mij mijn domheid verwijtend, die zoo plompverloren voor den dag was gekomen.

Eindelijk, op zekeren dag, toen de baron weer lang bij ons geweest was, vatte ik moed en zeide ernstig:

„Hoor eens, Eugenie! Ik geloof dat de baron smoorlijk verliefd op je is; maar hij is te bloo om 't je te zeggen. Je moest hem wat duidelijker laten zien of je zijn neiging begunstigt, opdat de man wete, waaraan hij zich te houden heeft.”

Een oogenblik keek Eugenie mij met verbazing aan; daarop barstte zij in een luid gelach uit en zeide:

„Heeft hij je dat ook soms opgedragen, gevoelige ziel? Ik geloof het bijna. Maar, schatje, dan heeft hij al een heel slechte afgezant in je gekozen! Voor 't overige, Madeliefje!” ging zij vleiend voort, toen zij zag dat ik mij beleedigd afwendde en wilde weggaan, „voor 't overige zal ik je lessen ter harte nemen. Jammer slechts dat we geen schrikkeljaar hebben; dat zou vrij wat gemakkelijker voor den baron zijn. Dansten we samen maar eens den cotillon,” ging ze plagend voort, „dan kon ik hem ten minste een ridderorde brengen en hem toonen dat hij mij de liefste van al de heeren der schepping is. Nietwaar, Madeliefje? Hé, ja! Wie was 't ook weer, wien je op dat eerste bal de cotillonorde bracht? O, ja, Eduard .... neen, die was het niet. Wie was het dan toch?”

„Laat me met rust, afschuwelijk schepsel!” riep ik boos en toch lachend uit. „Met u kan klaar komen wie wil; ik heb er genoeg van!”

„Nu, dat is heerlijk! Dan zal ik toch eens rust hebben van u en je saamgezworenen!” riep Eugenie lachend uit. „Maar,” ging zij vroolijk voort, „opdat je arm hartje niet van kommer en medelijden moge breken, wil ik je bekennen dat ik den baron werkelijk best mag lijden. Kom, haast je nu wat, maak dat de vrienden het vernemen en de arme baron door hen; dan heeft hij eindelijk misschien nog de heldhaftigheid om mij te vragen en behaal je de zegepraal door de manier, waarop je de zaak tot stand hebt gebracht. Hoor je niet wat ik zeg, schatjelief! Haast je toch, opdat hij 't gauw verneme! Geloof je het dan nog niet, als ik je op drogen toon zeg: ik bemin hem. Of waarom sta je me weer aan te kijken alsof je het te Keulen hadt hooren onweeren?”

Ja, verwonderd stond ik daar: want wat ik langs omwegen haar niet had kunnen ontlokken, dat zei het wonderlijke meisje nu uit zichzelf, en wel in ronde woorden, toen ik dit het minst verwacht had. Juichend viel ik haar om den hals; maar dat kon ze niet hebben en ze liep brommend de kamer uit. Ik snelde echter met mijn nieuws naar Marie en met deze naar Eduard, die de tijding zoo spoedig hij maar eenigszins kon aan den baron zou brengen, in de verwachting dat deze hem wel weer de rol zou opdragen om de bruid voor hem te werven. Ook aan Tante Betsy werd 't geheim toevertrouwd; deze had reeds sedert lang alles vermoed, en verheugde zich zeer dat de zaken zulk een keer genomen hadden.

„Maar, lieve Tante,” zeide ik hoofdschuddend. „Zoudt gij dan werkelijk denken dat Eugenie den eenzelvigen man genoeg bemint om hem voor zijn leven gelukkig te maken? Zij zijn zoo geheel en al verschillend van karakter.”

„Dat doet er niets toe, kindlief,” antwoordde Tante glimlachend. „Zooals ik Eugenie langzamerhand heb leeren kennen, weet ik dat zij de waarde van dezen man zal ontdekt hebben onder al zijn wonderlijkheid en die met haar lichtzinnige, bevallige manier over 't hoofd zal zien, ja, voor anderen verbergen. Bij zijn vereering voor Eugenie zal zij wel is waar levenslang het verwende kind blijven dat zij is; maar daar het haar in den schitterenden toestand, waarin de rijkdom van den baron haar zal plaatsen, niet aan de middelen zal ontbreken om hare luimen te bevredigen, kan ze gerust voortgaan zooals zij doet, als ze maar zoo goed en beminnelijk blijft, als ze thans is geworden.”

Den geheelen dag sprak ik er met Eugenie geen enkel woord meer over; zij bleef veel op haar kamer en dat was mij heel aangenaam. Maar tusschen licht en donker zag ik haar naar Tante Betsy's kamer gaan; daarna kwam ze bij mij in de huiskamer.

„Madeliefje,” zei ze. „Daar je hier toch op de hoogeschool bent, kun je er nu ook je studie van maken, hoe je je als verloofde in de wereld te gedragen hebt.”

Ik wist niet wat die woorden te beteekenen hadden, en omdat ik vermoedde dat er weer plagerij onder school, antwoordde ik:

„Laat toch die grappen, Eugenie, ik vind ze niet aardig.”

„Wat kan 't mij schelen, of je ze aardig vindt of niet,” antwoordde zij lachend. „Maar ik maak geen grappen; 't is mij thans hooge ernst.”

„Nu, wat mij aangaat, die tijd is voor mij nog ver af,” antwoordde ik.

„Misschien zoo heel ver niet, Madeliefje,” hernam zij opgeruimd. „Je hebt altijd gezegd dat je van mij zooveel kondet leeren. Welnu, thans kunt ge leeren hoe je met gratie als verloofde kunt optreden.”

„Hoe!” riep ik verrast uit. „Heeft dan de baron den moed gehad zich te declareeren?”

„De baron? Wie zegt dat?” vroeg Eugenie lachend.

„Nu, een van beiden heeft zich toch 't eerst moeten verklaren; jij hebt toch soms niet....” stotterde ik.

„Ik? Ik heb niets anders gedaan, dan den raad mijner voortreffelijke nicht gevolgd,” zeide Eugenie vriendelijk. „Zij heeft mij getoond, hoe men orden uitdeelt, om de taal van zijn hart te doen verstaan. Ook ik heb dezen voormiddag een orde geschonken, en, zooals 't een galanten cavalier past, een bouquetje daarvoor teruggekregen; want dat is cotillonsregel, nietwaar, Madeliefje? Kom, laat eens zien of je de bloementaal verstaat. Je weet dat ik zeer openhartig ben.”

En nu haalde ze uit haar zakdoek een heerlijken bouquet en hield me dien onder den neus. Een klein briefje stak in de bloemen; ik nam het en las daarop: „Dank, onuitsprekelijken dank voor den lichtstraal in den donkeren nacht. Thans zijt gij de mijne, de mijne voor eeuwig.”

Mij was het als droomde ik. Alzoo was alles reeds in orde en onze bemiddeling geheel onnoodig geworden. Eugenie had ons aardig beet gehad en haar aangelegenheden zelf bestuurd. Was zulk een handelwijs niet door de onoverwinnelijke blooheid van den baron te verontschuldigen, ja, geheel te rechtvaardigen? Het levensgeluk van twee menschen hing er immers van af; en Eugenie was den baron zoo kiesch tegemoetgekomen, als men 't van een welopgevoed meisje als zij was, verwachten kon. Gelukkig, dat ik niet in haar plaats was—zooiets had ik nooit durven doen!

Een half uur later kwam er iemand de trappen opstormen, en in mijn leven heb ik een mensch niet zoo veranderd gezien als onze baron. Met oogen, fonkelend van geluk en liefde, vlug en levendig als een vurige jongeling, baadde hij zich in een zee van zaligheid, en Eugenie was zoo bevallig, zoo zedig, en toch weer zoo geestig, plaagachtig en teeder, dat men gerust een voorbeeld aan haar kon nemen—zij scheen mij het ideaal toe van een schoone, gelukkige verloofde.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Groote veranderingen.

„Eer een meisje verloofd of zelfs gehuwd is, kan men niet weten wat er in haar steekt,” had Tante Betsy dikwijls gezegd en hoe juist en menschkundig haar woorden steeds waren, dat bemerkte ik nu weder. Ook Eugenie, dat ongedurige schepsel, ontwikkelde als verloofde geheel nieuwe, ongekende eigenschappen, die onze oprechte bewondering opwekten. 't Was inderdaad treffend, hoe ze poogde zich te verbeteren. Tot hiertoe had zij er nooit aan gedacht om veel voor anderen over te hebben; allen waren haar tegemoetgekomen en hadden voor haar ingeschikt; bij wat zij deed, vroeg zij er nooit naar: hinder ik daarmee ook anderen, stoor of kwel ik soms iemand? Thans echter was ze steeds op alles bedacht, wat den baron aangenaam kon zijn en met bevallige teederheid poogde ze voor hem uit den weg te ruimen, wat hem bij zijn blooheid lastig moest vallen. Daartoe behoorden vooral de bezoeken, die het jonge paar te maken had om elkander aan vrienden en bekenden voor te stellen. Deze kon zij den armen baron wel is waar niet besparen, en, daar ik die niet bijwoonde, weet ik ook niet hoe stijf en gedwongen hij daarbij was; maar bij de contravisites zag ik, hoe Eugenie met fijne behendigheid altijd tusschenbeide wist te komen, waar hij het antwoord schuldig bleef, hoe zij er meestal in slaagde hem steeds in het gesprek te trekken, op 't juiste oogenblik zijn arm wist te grijpen, kortom hoe zij met de meeste beminnelijkheid hem meer vertrouwen op zichzelf wist in te boezemen. Geen wonder dat zijn oogen steeds op haar rustten en het scheen dat de heele wereld buiten haar niet bestond. Eugenie was hem alles; wat hij dacht en gevoelde, het gold alles haar, háár geluk en háár vreugde waren het eenige doel zijns levens. O, hoe dankte ik er God voor, dat Hij mijn wensch vervuld en den braven man het geluk geschonken had, dat hij zoozeer verdiende en dat ik hem nooit had kunnen schenken.

Hoezeer Eugenie en de baron ook in karakter verschilden, was het toch alsof zij voor elkander geschapen waren: want haar zwakheden brachten hem niet minder in verrukking dan haar goede hoedanigheden. Hij bedierf haar zooveel hij maar kon, en hoe ondeugender zij was, van hoe meer geluk zijn oogen schitterden. Al haar oolijke grappen bewonderde hij als waren het heldendaden, en nooit werd hij knorrig, wanneer ze ook, en dat slechts al te dikwijls, hem tot het doel harer plagerijen maakte. Hij wist ook wel dat Eugenie bij al haar guitenstreken een fijn gevoel bezat en hem hartelijk beminde, en 't was wonderlijk om te zien, hoe die zoo schuwe, achterhoudende man voor haar zijn geheele hart opende. En diezelfde Eugenie, die zich altijd zoo tegen alle teedere aandoeningen verzet had, kon dan soms met een traan in 't oog naar hem zitten luisteren.

Reeds in de maand Mei wenschte de baron te trouwen; doch Tante verzette zich daartegen, daar ze haar pleegkind gaarne eerst in de geheimen der huishouding wilde inwijden. En, ofschoon de baron meende dat dit volstrekt niet noodig was, daar zijne vrouw zich niet met de huishouding behoefde te bemoeien en alles wel evengoed zijn gang zou gaan als het tegenwoordig ging, stond Tante er toch op en ook Eugenie nam de zaak ernstig op en zeide: „Oprecht gesproken, zou ik niet graag in naam aan 't hoofd van een huishouding staan en inderdaad van ondergeschikten afhankelijk wezen. Ik heb er geen lust in de speelbal van knechts en meiden te zijn, die de domme barones in hun vuistje zouden uitlachen en haar tusschen neus en lippen bestelen. 't Mocht me dan eens gaan als het zekere jonge vrouw ging, die zachte eieren voor haar man zou koken, en ze een uur lang in den ketel liet, steeds probeerende of ze haast zacht werden. Tante Betsy heeft groot gelijk; eerst zullen we maken dat we wat van de huishouding leeren en dan mag de baron zijn zin hebben en kan hij zijn huiskruis krijgen.”

Ik was brandend nieuwsgierig om eens te zien hoe 't bemoeien met de huishouding Eugenie zou afgaan. Daar had men haar vroeger eens mee moeten aankomen! „Ik dank je hartelijk voor dien smerigen boel!” had ze me steeds geantwoord als ik haar mee naar de keuken wilde nemen. Thans kwam haar eergevoel in 't spel, en als zij iets wilde moest het haar gelukken. Toch zou 't haar in den beginne wel vreemd afgaan.

't Was inderdaad voor Tante Betsy een moeilijke taak, om Eugenie in de geheimen der huishouding in te wijden; want bij al den ijver, dien het meisje aan den dag legde, nam ze de zaak niet altijd ernstig op en had ze dikwijls guitenstreken in den zin. Voor haar nieuwe onderneming wapende zij zich met een dozijn witte keukenboezelaars, en de baron schonk haar een heele bibliotheek van de voortreffelijkste keukenboeken. Hieruit leerde zij alle dagen drie recepten uit het hoofd, en die zeide ze dan, als een schoolmeisje haar les, voor den aanstaanden huisheer op. Wat haar echter van die recepten in 't hoofd bleef hangen, was weinig bruikbaars en gaf aanleiding tot allerhande dolligheden; want ze maakte tusschenbeide stilletjes de fabelachtigste gerechten klaar en beriep zich dan op haar keukenboeken. Als ze maar wilde en oplette, begreep zij de huishoudelijke zaken spoedig, want ze toonde heel veel aanleg; maar dan kwam de guiterij weer voor den dag en was 't met de oplettendheid gedaan.

„Lieve Eugenie, je moest die rammenas eens schoonmaken,” zeide Tante Betsy en ijverig ging Eugenie aan 't werk. Het duurde niet lang of de rammenas was onder haar handen een aardig popje geworden. Onder de groene bladerkroon had ze een gezicht uitgesneden, dat door 't groen als een muts bedekt werd, een koolsblad was de rok van 't popje en een paar zwavelstokken vervulden de plaats van armen en beenen.

„Maar, Eugenie! Wat moet dat nu beteekenen?” vroeg Tante lachend.

„Wel, u hebt mij bevolen om de rammenas ~schoon~ te maken,” antwoordde zij. „Is zij nu nog niet ~schoon~ genoeg? Mij dunkt het! Ze heeft haar Zondagschen rok aan!”

Op een anderen tijd moesten er peren of appelen gekookt worden.

„Ze eerst goed wasschen, Eugenie!” zeide Tante.

Dadelijk ijlde Eugenie de keuken uit en kwam met zeep en een handdoek terug.

„Wat wil je nu doen, kind?” vroeg Tante, die groote oogen opzette.

„Wel, de appelen wasschen,” antwoordde zij guitachtig, en lachte dat het door de keuken heenklonk.

Een poosje daarna stond ze peinzend aan de kookkachel.

„Let op het water en waarschuw mij als het kookt, Eugenie,” zeide Tante toen ze de keuken verliet.

Het duurde niet lang, of de talentvolle leerling der kookkunst kwam bij mij in de mangelkamer, waar ik met strijken bezig was, hield mij een kommetje vol dampend water onder den neus en zeide met een ernstig gezicht:

„Zeg eens, Madeliefje, kun je ook zien of dat water kookt?”

En zoo kwamen er dagelijks allerlei guitenstreken voor den dag; geen oogenblik was men zeker van haar. Dikwijls verzocht zij Tante om haar eens alleen te laten koken, en hoezeer ze dan ook aan haar luim den ruimen teugel vierde, zorgde ze er toch altijd voor dat het eten goed op tafel kwam. Toch kon ze ook zelfs dan haar spotlust niet bedwingen.