Tusschen mal en dwaas Wat een meisje te genieten en te lijden heeft, eer zij de wereld in is

Part 10

Chapter 104,055 wordsPublic domain

Zulk een cotillon is een wonderlijke dans. Even eindeloos als hij duurt, is de opgewektheid die hij onder de dansenden doet ontstaan; want hier kan aan allerlei galanterie, aan allerlei gevoelens, aan voor- en afkeur uitdrukking worden gegeven, en dat door beide partijen gelijk. Voor de heeren had men, zooals ik reeds zeide, keurige bouquetten om aan de dames te geven; dezen kregen kleine papieren ridderorden om die haar dansers op de borst te steken. Ik had reeds verscheidene schoone bouquetten gekregen, en was zeer trotsch en gelukkig. Doch nu moest ik een keus doen, en aan wien zou ik mijn ridderorde liever gegeven hebben dan aan den vriend mijns vaders, dokter Huisman? Hij had zich toch reeds verdienstelijk jegens mij gemaakt, daar hij mij zoo dikwerf ten dans had genoodigd; 't was dus niets meer dan een staaltje van dankbaarheid dat ik hem de orde gaf. Toch klopte mijn hart daarbij geweldig, als deed ik iets kwaads. Angstig keek ik naar Eugenie, en ik was wat blij, toen ik zag, dat zij niet bemerkte aan wien ik mijn ridderorde schonk.

Eerst laat keerden we huiswaarts, de arme Tante doodmoe (want het is geen kleinigheid, zoo'n heelen avond duenna te zijn over een paar jonge meisjes), Eugenie nog altijd onuitputtelijk in scherts en overmoed, ik dronken van verrukking, want zoo in mijn schik was ik nog nooit geweest. Nog lang lag ik wakker en haalde mij alles voor den geest terug. 't Boerendeerntje had zich van avond nog al goed gehouden, vond ik: want Tante had me geen enkelen keer behoeven te berispen. Ik was tevreden met alles wat ik gesproken en gedaan had; eindelijk drukte de slaap mij zachtkens de oogen toe, en in den droom zweefde ik nog altijd vroolijk dansend op en neder.

„Hoor eens, Madeliefje, ik zal je eens les in het dansen geven,” zeide Eugenie den volgenden morgen, toen ik bij haar in de kamer trad. Ze lag nog te bed, ofschoon ik ook niet met de kippen van stok gekomen was.

„Dans ik dan zoo slecht, Eugenie?” riep ik verschrikt uit; want ik dacht dat ik nogal goed gedanst had.

„Ja, zoowat als Mama's schoothond, als die op zijn achterpooten loopt,” antwoordde Eugenie, terwijl zij zich geeuwend uitrekte.

Ik kreeg een kleur als bloed en beet mij op de lippen. Eugenie sloot de oogen en scheen niet meer op mij te letten, zoodat ik knorrig wilde weggaan. Eensklaps begon ze neuriënd te zingen:

„Mijn taal verwondt; Mijn booze mond Doet elk verdriet; En daarom zegt Margot terecht: Ik mag u niet.”

„'t Is toch een alleraardigst liedje, nietwaar, Madeliefje?” ging ze opgeruimd voort, terwijl ze zich in 't bed oprichtte. „Zoo diepzinnig, zoo makkelijk te veranderen en op andere dingen toe te passen. Ja, zoo'n luitenant, dat is een pronkstuk, kind! Wat er toch een schat van geest en humor in zoo'n paar knevels steekt! Dat zou men niet gelooven.”

„Maar ze zijn toch niet allen zoo, Eugenie,” zeide ik eenigszins vergoelijkend, want ze wou me zeker weer plagen. „Ik heb eenige officieren leeren kennen, die alleraangenaamste jongelieden zijn; laffe gekken heeft men onder alle standen.”

„Ik dacht dat jij meer met de leerplicht dan met de weerbaarheid waart ingenomen, klein Madeliefje,” riep Eugenie knipoogend uit. „Wat stond je balorde dien Dokter Huisman allerliefst!”

Die drommelsche Eugenie! Daar joeg ze me 't bloed weer naar de wangen. Zoo had ze dan toch opgemerkt aan wien ik mijn orde gegeven had.

„Hij had zooveel met mij gedanst en daarvoor moest ik mij toch dankbaar toonen,” zeide ik, eenigszins in verwarring gebracht.

Eugenie's schaterend gelach bevrijdde mij uit mijn verlegen toestand; want ze vond het bovenmate naïf en bespottelijk, om een danser nog te beloonen voor de genade, welke men hem bewezen had om met hem te dansen. Ze had zoo'n geheel andere opvatting van de zaken, dat ik er menigmaal geheel verbaasd over stond. Met mijne lieve Marie kwam ik toch beter overeen; evenals ik zag die nog schuchter de wereld in.—Eugenie was over zulke „groene dwaasheden,” zooals zij ze noemde, heen; zij eischte veel en de natuur had haar rijke middelen gegeven, waardoor zij ook veel verkreeg. Maar voor een bescheiden „boerendeerntje” zooals ik was, passen ook bescheidene eischen aan de wereld en de menschen, en daarom liet ik mij door Eugenie niet van 't spoor brengen.

Wel had ik mij ten aanzien van Eugenie's aanmerking op mijn dansen zeer geërgerd, maar ik wist mijn wrevel te bedwingen; daar ik overtuigd was dat zij het inderdaad zeer goed met mij meende en zeide dus:

„Zeg mij eens in ernst, Eugenie! Dans ik inderdaad zoo slecht?”

„De gratie ligt bij u nog in de windsels, kindlief,” antwoordde ze, goedhartig lachende. „Stel je echter gerust. Zelfs Tante was met je welvoeglijkheid tevreden; ruk je dus maar niet uit pure wanhoop de zwarte haren uit het hoofd. Maar ik moet je toch nog wat onder handen nemen, dat kan je geen kwaad, u zoomin als Marie; want, wat deze te veel achterover danst, helt gij te veel voorover, zoodat je, als je met elkander danstet, een aardigen scherpen hoek zoudt maken. En dan maak je allebei zulke allerliefste schoolpassen, als stond Mr. le professeur de danse achter u, om je voor elke onachtzaamheid met zijn strijkstok op de teenen te kloppen.”

Met blijdschap onderwierp ik mij aan de oefeningen, die Eugenie nog denzelfden morgen mijn voeten en handen liet maken, en juichend werd ook Marie in beslag genomen, toen ze kwam om eens over 't bal van gisteren met ons te praten. Wel was Eugenie een zonderlinge leermeesteres, daar ze allerlei guitenstreken bij onze oefeningen uitvoerde; maar wij leerden toch wat zij wenschte: ons gemakkelijker te bewegen en ons rechtop te houden bij het dansen. Daarbij voegde Tante Betsy nog de les, om den gasten zoo weinig mogelijk onzen rug toe te keeren, vooral dengenen, aan wie we als de voornaamsten de meeste hoogachting en beleefdheid verschuldigd waren. Dit in aanmerking te nemen—ik moet het openhartig bekennen—heb ik tot op den huidigen dag vreeselijk moeilijk gevonden.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Een ontmoeting.

Op dit eerste bal volgden er in den loop van den winter nog verscheidene, zoodat ik langzamerhand mijn blooheid overwon en Tante mij den lof gaf, dat ik mij veel vrijer en gemakkelijker bewoog, dan zij ooit verwacht had. Bij Eugenie vergeleken, scheen ik mijzelf nog altijd een houten pop toe; doch zij was op dat punt ook onbereikbaar.

Eer ik echter van ons huiselijk leven verder verhaal, moet ik een voorval mededeelen, dat gewichtiger gevolgen had dan ik in den beginne gedacht had.

In Tante Betsy's huis kwam dikwijls een arme vrouw, die eieren en fruit verkocht, welke haar door Tante goed betaald werden. Zij was ziek geworden, en daar Tante zich gaarne eens overtuigen wilde hoe 't er bij haar uitzag, nam ze een der schoonste dagen van den laten herfst waar, en reed met ons naar het dorp, waar de vrouw woonde. 't Zag daar juist zoo uit als men 't ons beschreven had: er was behoefte genoeg, en Tante liet door de kinderen het een en ander halen, terwijl zij ons beiden de deur uitdreef; daar ze wist dat Eugenie 't hier niet lang zou uithouden.

We gingen dus wat rondwandelen, tot we aan een fraai buiten kwamen, dat we met bijzondere aandacht beschouwden. Eensklaps kwam er een stier den weg op, die zeker losgebroken was. We schrikten beiden doodelijk, wilden hard wegloopen en riepen om hulp. Maar de stier kwam regelrecht op Eugenie af. Plotseling zinkt ze bewusteloos ter aarde en reeds bukt het woedende dier den breeden kop—toen een geweldige slag het ter zijde doet wijken, zoodat het de horens, die op Eugenie gericht waren, woest in een dikken boomstomp slaat, waardoor ze er in blijven zitten en het dier zich verwoed op den grond omwentelt.

Een fiksche mannelijke gestalte snelde nu van het dier naar Eugenie. Ook ik was spoedig bij haar en zag dankend tot den redder op, die ons zoo ridderlijk verlost had. Deze had ons echter reeds weer verlaten en hielp den boer, aan wien het beest toebehoorde, om dit uit den stomp los te krijgen, waarna de eigenaar het den kop aan een der voorpooten vastbond en 't meenam.

Thans kwam onze bevrijder weer naar ons toe; doch hoe groot was mijn verrassing, toen ik in hem Baron Van der Land herkende. Ik kreeg een kleur als bloed en kon van verlegenheid slechts eenige onsamenhangende woorden uitbrengen. Ook hij was blijkbaar verrast. Eugenie echter, die spoedig weer bijgekomen was, verloste ons uit onzen pijnlijken toestand; want hartelijk bedankte zij hem, reikte hem de hand en verzocht hem vriendelijk haar naar Tante Betsy te vergezellen.

[Illustratie]

De Baron wist niet recht wat hij doen of zeggen zou. Hij wierp een vluchtigen blik op mij, en ik verwon mijn verlegenheid en vereenigde mijn verzoek met dat van Eugenie, en zoo begeleidde de baron ons naar de boerenwoning, waar Tante reeds op ons stond te wachten en nu niet minder verrast werd door 't verhaal van 't geen ons gebeurd was, dan door onze ontmoeting met onzen ouden bekende. Maar hier, in de vrije natuur, slechts omgeven door weinige opgeruimde menschen, was de baron een geheel ander mensch. Zijn stijve, verlegen manieren, die mij in 't schitterend salon en onder zooveel vreemde, elegante menschen zoo belachelijk hadden toegeschenen, waren nu nauw merkbaar; de losse kleeding die hij droeg, deed hem op zijn voordeeligst uitkomen, en de moed en de zekerheid, waarmede hij Eugenie's aanvaller tegen den grond had geworpen, hadden hem in al zijn mannelijke kracht en beteekenis aan ons oog doen kennen. Hij verzocht de eer te mogen hebben ons naar zijn buiten te geleiden, en we namen die uitnoodiging met genoegen aan. 't Was een schoon buiten en 't getuigde zoowel van den rijkdom des bezitters als van zijn goeden smaak.

't Was mij toch zonderling te moede, toen ik door de elegant gemeubelde vertrekken wandelde. Dat alles had ik het mijne kunnen noemen; ik had hier meesteres kunnen worden! Deze gedachte drong zich als onwillekeurig aan mij op, en 't was mij als las ik dezelfde gedachte op 't gelaat van Tante Betsy; ik had wel eens willen weten, of de baron ook daarover peinsde, maar ik durfde hem evenmin aanzien als hij mij. En toch, in plaats dat mij het denkbeeld met spijt en berouw vervulde, voelde ik juist thans eerst ten volle, hoe onmogelijk 't mij zou zijn geweest, de wenschen van dien man te vervullen, al ware zijn buiten nog tienmaal schooner en kostbaarder geweest.

De baron scheen er behagen in te vinden om alles te laten zien, en hij was zoo ongedwongen en opgeruimd, dat ik hem schier niet herkende. Eugenie was geheel en al bekomen van den schrik en vermeide zich vooral in de schoone schilderijen en kunstschatten, welke de kamers van het buiten bevatten. Mij boeide de prachtig aangelegde tuin veel meer. 't Meest van alles echter stonden wij te kijken, toen we in de bibliotheek van den baron kwamen, waar zich, behalve een rijke boekenschat, ook een prachtige vleugelpiano, een violoncel en andere muziekinstrumenten bevonden.

„Ha, ha! Ge schijnt een musicus te zijn, baron!” riep Eugenie uit, op een muziekboek wijzende dat bij de violoncel lag opengeslagen.

„Een weinig, juffrouw,” antwoordde de baron eenigszins verlegen, terwijl hij blijkbaar zoo spoedig mogelijk 't vertrek verlaten wilde. Maar Eugenie was er de rechte toe, om zich te laten afleiden! Zij ging naar de piano, deed die open, liet haar vingers over de toetsen glijden, sloeg een paar heerlijke akkoorden aan, en knikte den baron glimlachend toe.

„Neen, beste baron,” riep zij vroolijk uit. „Zoo gauw krijgt ge me hier niet vandaan. Ge moet mij met de violoncel accompagneeren. O, hoe lang is 't al geleden dat ik dit heerlijke instrument gehoord heb! Onder uw muziek zullen we wel wat vinden, dat we samen kunnen spelen.”

Hier hielp geen tegenstribbelen. Eugenie was al aan 't zoeken en spoedig had ze dan ook wat gevonden. Het duurde niet lang of de baron was zoo met zijn geheele ziel bij zijn spel, dat hij alles om zich heen vergat.

Doch de reeds ter kimme neigende zon waarschuwde ons dat het tijd werd om te vertrekken. We namen zulk een hartelijk afscheid van den baron, als waren we reeds sedert lang de beste vrienden geweest; hij beloofde zelfs ons een bezoek te zullen brengen, zoodra hij in de residentie kwam. Dat gebeurde echter niet dikwijls; want hij gevoelde zich buiten altijd veel vrijer en gelukkiger dan te midden van die stijve en vormelijke stadsmenschen; ik had hem dan ook sedert hetgeen er tusschen ons was voorgevallen, niet weder in eenig gezelschap ontmoet, wat mij zeer aangenaam was geweest.

Ik was er ten hoogste over verwonderd dat Eugenie met zooveel achting, ja zelfs met bewondering over den baron sprak. 't Was of ze geheel en al veranderd was; want haar ondeugende moedwil, die niets verschoonde, had toch ook hier rijke stof tot spotternij kunnen vinden, hoe voordeelig de baron zich ook had voorgedaan. Er kwamen daardoor allerlei zonderlinge gedachten in mij op, die ik echter wijselijk voor mij hield; en ik paste er wel op, om tegen Eugenie ook maar één woord te reppen over 't geen er tusschen mij en den baron was voorgevallen. Slechts tegen Marie sprak ik er vrij en ongedwongen over: want zij was in alles mijn vertrouwde.

Kort na dit avontuur hoorden wij met grooten schrik, dat er in het dorp, waar we nog zoo kort geleden geweest waren, een vreeselijke brand had gewoed, waarbij niet alleen verscheidene woningen, waaronder de school en de pastorie, een prooi der vlammen waren geworden, maar ook een gedeelte van de kerk in de asch was gelegd. Natuurlijk trof ons 't bericht van die ramp des te meer, omdat we er nog zoo kort geleden geweest waren, en we gaven rijkelijk in de collecte, die er voor de door den brand ongelukkig geworden menschen gehouden werd. Gelukkig was de arme boerenvrouw verschoond gebleven; maar de schrik en de angst hadden haar toestand vrij wat verergerd. Door haar vernamen wij, hoe edelmoedig de baron zich gedragen had. Niet alleen had hij een werkdadig aandeel bij de blussching van den brand zelf genomen; hij had ook zijn buiten opengesteld voor de arme menschen, die op die oogenblikken zonder huisvesting waren.

Eugenie stelde een bijzonder levendig belang in dit voorval, en dacht over de middelen na om krachtige hulp te verschaffen. Een verloting van dameshandwerken en andere zaken, welke ik met Marie op het touw zette, viel weinig in haar smaak, ofschoon zij er keurige prijzen in gaf.

„We moesten een dilettantenconcert zien te houden,” riep zij eindelijk uit. „Dat zal meer opbrengen dan uw speldenkussenloterij met lootjes van twee kwartjes. Of zoudt ge een tooneelvoorstelling beter oordeelen? Ik geloof dat we daarmee een goede recette zouden maken. Natuurlijk moeten we keurig zijn in 't uitreiken van entreebiljetten en niet maar Jan en alleman toelaten.”

Onze tegenbedenkingen, dat zulke denkbeelden onuitvoerbaar waren en er al te veel moeite en zorg aan verbonden zouden zijn, vonden bij haar geen ingang; en, daar Tante Betsy er niets ongepasts in vond, omdat het voor een goed doel was, stelde Eugenie haar plan vast en nam op zich te zullen zorgen voor de uitvoering van een paar aardige stukjes, voorafgegaan door een klein concert.

De anders zoo op haar gemak gestelde, niets uitvoerende Eugenie was nu geheel werkzaamheid en ijver. Het opvoeren van tooneelstukjes behoorde tot die dingen, waarmee hare mama dweepte en die bij haar aan huis meermalen hadden plaats gehad. Ze had er dus verstand van; zij zelf was er een keer of wat in opgetreden. Men kon haar nu dagelijks in haar kamer vinden, omringd van boeken: want geschikte tooneelstukjes zijn moeilijk te vinden. Eindelijk was ze er mee klaar, en de uitslag toonde dat ze een goede keus gedaan had.

't Kostte echter vrij wat moeite om onder onze bekenden 't noodige personeel voor de uitvoering bijeen te krijgen; zonder Eugenie's aanminnigheid zouden we het zeker nooit zoover gebracht hebben. Eindelijk waren alle rollen bezet, en nu gingen we aan 't studeeren daarvan en 't vervaardigen van de noodige kostumes.

't Leek bij Tante wel den zoeten inval; want al de repetitiën zouden bij ons plaats hebben—voor de uitvoering was reeds een zaal afgehuurd. Er was voor Eugenie wat te doen bij die repetitiën: want zij fungeerde voor regisseur, terwijl mij een deel van de vervaardiging der garderobe was opgedragen. Bovendien had ze mij een rol opgedrongen, hoe ik er mij ook tegen verzet had.

„Ik ben er veel te stijf toe!” had ik gezegd. „Ik zal u allen te schande maken.”

„Ik zal je wel klaar krijgen, Madeliefje,” was haar antwoord geweest. „Je bent hier bij Tante Betsy op de hoogeschool; en tot een echte beschaving behoort ook, dat men mee kan doen als er komedie gespeeld wordt. Wat ik dus van je vorder, is alleen een middel om je opvoeding te perfectionneeren.”

En 't hielp mij bitter weinig, of ik al vond dat nu juist het komediespelen niet tot de elementen eener gesoigneerde educatie behoorde—wilde ik niet eigenzinnig schijnen, dan moest ik mij onderwerpen.

Haar plan om een klein concert vooraf te laten gaan, gaf Eugenie nog meer moeite dan het bezetten der rollen. Wat haar betrof, zij wilde gaarne spelen en zingen; maar er moesten haar eenige andere ferme krachten ter zijde staan: anders kon het niet. Eindelijk had Amanda Delius zich bereid verklaard iets op de piano voor te dragen, welk instrument zij met talent bespeelde, en Dokter Huisman studeerde met Eugenie een duet in; er moest echter nog voor een ouverture gezorgd worden, die 't geheel behoorlijk zou inleiden.

„Ik ben er! Dat moet gebeuren!” riep Eugenie mij op zekeren morgen toe en liet mij een klein keurig briefje zien, waarop stond: „Den Hoogwelgeboren Heer, Baron Van der Land.”

„Nu, zet maar zulke groote oogen niet op alsof je mij zoo maar met huid en haar wilde opeten!” riep Eugenie uit, terwijl ze schelde. „Breng dat briefje eens gauw naar de post, Lizette,” vervolgde zij tot haar kamenier, aan wie ze 't overreikte.

„Maar, Eugenie! Wat heb je nu gedaan?” riep ik half versteend van verbazing uit.

„Wel, ik heb onzen goeden baron verzocht, voor zijn door brand ongelukkig geworden dorpsgenooten eenige stukken op de violoncel als bijdrage te leveren,” antwoordde Eugenie.

„Op de violoncel? Zal hij op ons concert meewerken? En heb je hem dat durven vragen, Eugenie?”

„Wel, waarom niet? Hij speelt zoo magnifiek. Waarom zou hij geen trio met mij en Marie's broeder uitvoeren? Ik neem de piano, Eduard de viool en de baron de violoncel; dat is een prachtige introductie.”

Ik schudde het hoofd en dacht niet anders of zij zou een weigerend antwoord van den baron ontvangen. Maar, o wonder! daar verscheen reeds den volgenden dag onze goede baron zelf, wel een beetje stijf en verlegen, maar toch levendig en vol vuur, zooals ik hem nog nooit gezien had. Hoeveel 't hem gekost had zijn menschenschuwheid te overwinnen, dat konden wij slechts vermoeden; hij had haar echter overwonnen en kwam nu om Eugenie's verdere bevelen te vernemen. Deze was dol verheugd en zeer voorkomend voor haar nieuwen vriend, met wien zij zich spoedig in de keus van een geschikt stuk verdiepte.

Toen de baron weg was, kon ik niet nalaten op mijn beurt Eugenie eens te plagen en zei heel onnoozel:

„Wat is het toch lief van den baron, dat hij alleen ter wille van het edele doel zijn blooheid overwint en het offer brengt, om met je te spelen, Eugenie.”

Ze keek eensklaps op, bukte zich toen en scheen zich in de muziek te verdiepen.

„Hm! ja, hij is zeer goed,” zeide zij verstrooid. „Apropos, Madeliefje,” ging ze toen op haar gewonen plagerigen toon voort: „ik had nooit gedacht dat je zoo onbarmhartig zoudt zijn geweest, om dezen ~goeden~ man zoo wreed te behandelen.”

Nu kwam de beurt aan mij om te blozen; want het was mij zeer onaangenaam dat Eugenie van de geschiedenis wist. Eduard moest haar die verraden hebben; Tante en Marie toch hadden mij beloofd er over te zwijgen. Het verwonderde mij echter ten hoogste dat Eugenie deze plagerij niet voortzette, en ik paste er wel op om haar weer met den baron te plagen.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Op de planken.

„Een voorstelling tot een weldadig doel,” stond op de toegangkaarten, die wij voor den avond, waarop onze voorstelling zou plaats hebben, uitreikten. Alle plaatsen in de zaal waren spoedig aan den man gebracht en we zagen onze moeite door een ruime recette beloond. Met welk een angst zag ik dien gewichtigen avond aankomen—daarmee vergeleken toch was een bal maar een kinderspel, een beuzeling! Doch wat hielp al die angst? de avond kwam spoediger dan ik wel gewenscht had; de tooneelschel ging en langzaam werd het scherm opgehaald, dat het tooneel van de zaal scheidde. Een dof gegons uit het publiek drong tot achter de coulissen door, waar wij, die moesten spelen, stonden; maar weldra werd alles doodstil en hoorden we de stem mijner lieve Marie, die een korte toespraak moest houden. Zij verzocht daarin het doel onzer uitvoering als verontschuldiging voor onze vermetelheid te willen aannemen, en de critiek, aan welke we geen entreebiljet hadden willen geven, den toegang tot de zaal te ontzeggen.

Een donderend applaus volgde op den met heldere en welluidende stem uitgesproken proloog, en hoe ik Marie ook in den beginne beklaagd had, dat haar de zware taak ten deel gevallen was, om zoo het eerst en alleen op te treden, zoozeer benijdde ik haar nu: want haar taak was volbracht, en ze had nu niets meer te doen dan naar ons spel te kijken.

Toen Marie van het tooneel was afgetreden, klonken de eerste tonen van het trio van Beethoven en heerschte er een ademlooze stilte in de zaal. Hooge planten en bloemen, die Eugenie met fijnen tact ter gemoetkoming aan des barons verlegenheid daar had laten plaatsen, verborgen de drie dilettanten voor een groot gedeelte, en daarachter vertolkte nu het muzikale klaverblad de harmonieën van den grooten meester op eene wijze, die iedereen meesleepte en met luide toejuichingen werd beloond. Nu volgde eene kleine pauze en daarna zong Eugenie een schoon lied, zoodat de oogen van den baron schitterden, toen hij bij ons achter de coulissen verscheen: 't was of al zijn zinnen zich in dien van zijn gehoor concentreerden, terwijl hij naar 't schoone gezang luisterde. Eerst toen Amanda met een prachtig concertstuk op de piano het programma vervolgde, kwam hij weer tot zichzelf. De introductie werd besloten met het duet, dat door Eugenie en Dokter Huisman gezongen werd.

Nu echter kwam het vreeselijke oogenblik waarop onze uitvoering moest beginnen. We gaven een vertaling van Kotsebu'es „De rechte weg is de beste.” Ik had de rol van de jonge predikantsweduwe, die te gelijk met de vacante predikantsplaats zal worden vergeven en een zeer vroolijk meisje, dat niet heel jong meer was, had die van de huishoudster, die ter beproeving der sollicitanten als de dame wordt voorgesteld, die ze met de plaats op den koop toe moeten nemen. Een oud majoor door Dokter Huisman met paruik, lange Duitsche pijp en beschilderde rimpels keurig voorgesteld, was degeen, die de plaats te begeven had, en bij hem meldden zich nu twee sollicitanten aan. De een heeft veel voorspraak en noemt een aantal personen die te zijnen gunste willen spreken; de voorwaarde om de oude huishoudster te trouwen neemt hij terstond aan, vooral als hij verneemt dat ze geld heeft. De andere sollicitant heeft geen voorspraak en wendt zich regelrecht tot den majoor; toen hij echter de voorwaarde hoort om de dominésweduwe op den koop toe te nemen, bedankt hij, nog vóór hij haar gezien heeft, voor de plaats. Doch toen hij haar ziet en ontdekt dat ze 't voorwerp zijner vroegere liefde is, om wier wil hij nooit heeft willen trouwen, krijgt hij natuurlijk de vrouw met de predikantsplaats er bij, en zoo eindigt alles voortreffelijk, vrij wat gemakkelijker dan mijn zedige rol van jonge weduwe. Het optreden der oude huishoudster had een algemeen handgeklap veroorzaakt, want een ontzaglijke muts met vreeselijk veel strikken en een kostelijke ouderwetsche gebloemde samaar gaven haar iets comisch; daarbij speelde zij uitmuntend.