Part 9
Een man stond op die plek, door ieder voor wien de overleveringen uit den heidenschen tijd nog waarde bezaten, gevreesd als een verzamelplaats der geduchte zwartalven, door de christenen vermeden als een vereenigingsoord van booze geesten.
Want donker en vol bijgeloof was de tijd en de geestelijken, waarvan velen in verlichting en ontwikkeling den leeken slechts weinig vooruit waren, geloofden zelf aan het bestaan van booze geesten en beschouwden de voormalige heidensche vrijthoven en offerplaatsen, -- waarheen het iederen leek streng was verboden zich te begeven, om de herinnering aan den vroegeren eeredienst te eerder uit te roeien, als hun natuurlijke verzamelplaats. En thans stond op de plek, waarboven sage en overlevering hun dichten sluier weefden, die de eenvoudige landbewoners zelfs vermeden bij lichten dag, de eenzame gestalte van een man in het geheimzinnig uur, dat de maan haar zilverschijn goot over de toppen der boomen. Het was Rolfr Jarl. Zijn linker hand leunde op een der reusachtige steenen, ieder op zich zelf een rotsblok gelijk, de andere omklemde het zwaard. Over de vlakte zwierven zijn oogen. In een wijden cirkel had zich, aan den boschrand, zijn lijfwacht opgesteld, tot de tanden gewapend met schild en speer, met zwaard en heirbijl; dicht genoeg bij den grafheuvel om elken onbescheiden indringer te weren, op een voldoenden afstand om geen woord te kunnen opvangen der beraadslagingen. Zij bleven niet de eenige menschelijke wezens op die stille plaats bij het weifelend maanlicht:
Wemelende stralen gloeiden op tusschen de dennen of wierpen vonken over de slingerende, slechts den ingewijde bekende paden van het moeras. Omstraald door den glans der toortsen, die zij droegen, naderden de vrije hoevelingen van den ganschen omtrek. Yglo had zijn taak goed volbracht. Opontboden in naam van Rolfr Jarl kwamen allen. Uit vrees de meesten, uit nieuwsgierigheid velen, enkelen uit belangstelling. Hij zag het. Hooger scheen zijn gestalte te rijzen, terwijl zijn hand zich vaster legde op den kouden, eens door reuzen gehouwen en opgestapelden steen. Gevoelde hij, dat ook hij reuzenkracht zou behoeven bij het waagstuk, dat hij ging volvoeren? Zijn lippen prevelden:
„Zal ik slagen? De christelijke godsdienst heerscht, dat is een onloochenbaar feit. De domme menigte ziet met een eerbied, die grenst aan ontzag, op tot de christenpredikers, als tot lieden van een hoogere orde. Zij gelooft, dat die God nader staan dan de overige menschheid en vrees volbrengt vaak wat zachtheid te vergeefs vroeg.”
Hij balde de vuist:
„O, kon ik hen evenzoo voor mij doen vreezen, doen kruipen voor mijn wil. Maar allen zijn verdeeld, weifelachtig de meesten.”
„Zijt gij een man, die woorden van aarzeling spreekt, in dit uur? Wie twijfelt aan zich zelven, aan zijn zaak, lijdt de nederlaag.” Een doffe stem sprak langzaam, doordringend die woorden. Zij gingen hem door merg en been; verschrikt wendde hij zich om. Een vrouw stond voor hem, dichtgesluierd, lange, grijze haren zwierden haar ordeloos over den rug, in de hand hield zij een knoestigen staf door een slangenhuid omwonden, een eikenkrans ritselde om haar slapen.
Rolfr Jarl was stoutmoedig gelijk zijn gansche volk, thans echter beklemde hem het bovennatuurlijke.
„Wie zijt gij?” vroeg hij ontzet.
„Een der ziensters van het volk, dat eenmaal gehuld in zijn stierenhuid, de rosse lokken ongeschoren, trad door de wouden van dit land als meester en heer.”
„Een Druïde alzoo!”
Reeds boog zich de trotsche Jarl aan den voet der witte vrouw.
Zij ontrukte hem verachtelijk den zoom van haar kleed.
„Raak mij niet aan, nietige sterveling! Uw weifelen, uw aarzelende woorden, hier, op deze plaats den voorvaderen heilig, wekten mij uit een rust van eeuwen her.
Lafaard! Waad door bloed als het moet, maar bereik uw doel. Zijt gij een man, die zich zwak voelt op het beslissende oogenblik? Waant gij, dat de goden zulk een erbarmelijk wezen als gij zijt, zullen steunen?”
Het gezicht van Rolfr Jarl vertrok van woede bij dien smaad, het scheen een oogenblik alsof hij zich op de vrouw zou werpen, die waagde hem te beschimpen, gelijk het roofdier zich werpt op zijn prooi. Slechts éen oogenblik: het ontzag voor de zienster, dat hij met alle Germaansche volken deelde, bedwong ook hem. Hij, wiens zwaard uit de scheede vloog bij het minste verzet van bloedmaag of strijdgenoot, deed, wat hij tot nu toe voor onmogelijk zou hebben gehouden: opnieuw boog hij zich voor de onbekende, die hem haar verachting tegenslingerde.
„Machtige zienster! Wat eischen de goden?”
Hoe deemoedig klonk die trotsche stem!
„Dat gij uw jammerklachten staakt en gelooft aan uw roeping. Dit is de eerste eisch tot welslagen. Spreek tot het volk in naam der goden en zij, de geduchten, zullen u de kracht leeren kennen van het gevleugeld woord. Bij u berust de macht om de vereering, die zoo velen koesteren voor dien christenbisschop op den Hohorst, te doen verkeeren in afschuw en haat. En kiest gij het rechte woord, zoo verschijn ik ter rechter tijd, wanneer, onverhoopt, de zege u nog dreigt te ontgaan.”
Met de hand wees zij naar het struikgewas. Een jong rund zag hij, de hoornen omwonden met veelkleurige linten, met kransen omstrikt, door roode koorden gebonden aan een boomstam. „Het offer aan de goden! Breng het trouw, naar recht en rede, gebruik en zede der vroede vaderen, opdat de goden geven goede gaven, zegenen in huis en have, wie verwachten vreugd en voorspoed van hun wil en macht!”
Haar woorden behelsden alleen een belofte van aardschen voorspoed en geluk. Maar dat begreep de spreekster evenmin als Rolfr Jarl, die, terwijl zij met een vluchtig handgebaar verdween tusschen de struiken, zich voelde aangegord met dubbele kracht. Rechtop stond hij als een overwinnaar en -- de strijd lag nog voor hem. Door een gebroken wolk viel het maanlicht op zijn forsche trekken. De landbewoners, die nu in den kring der eiken traden, zagen tot hem op met schuwe vrees. Zij gevoelden, dat hij geloofde aan zich zelven en zijn kracht, maar ook, dat hij zou vertreden en omverwerpen zonder genade of recht wat hem in den weg stond.
Als machthebbende hief hij de hand op, zijn woorden dreunden, het was of de geheimzinnige stemmen van het woud ze terugkaatsten met onheilspellenden klank:
„Ik heb u allen hier geroepen, omdat een geweldige beslissing ons wacht. Voelt gij hem niet op deze heilige plek: Wodans ademtocht; is het u niet of een bedreiging klinkt in het geluid van den nachtwind? Kan het anders? Welk licht lokt en vleit, dwalend over de vlakte, heenschemerend door de boomen als wilde het u allen wenken tot uw verderf?”
Zijn zwaardspits wees de richting aan, zij zagen allen het licht, dat blonk op de hoogte, dat straalde in den nacht als een eenzame ster.
„Daar ligt de Hohorst, de heuvel van Wodan! De eeuwen door werd hij daar vereerd, de machtige, te midden der plechtige stilte van het ruischende woud. Daarheen riepen de priesters het volk, om het te brengen, als voor het aangezicht der goden, wanneer de vlammen rezen bij het plechtig offer hun gewijd.
En thans?
Vergruisd ligt Wodans heilig beeld en wanneer iemand nog hierheen zijn schreden richt, dan rijst minachting in zijn blik of krult de spot zijn lippen voor den „heidenschen” afgod! Waar zijn de geloovigen, die in vroegere eeuwen opgingen met juichend hoorngeschal en plechtige reizangen Alvader ter eere? Waar zijn zij?
Is het wonder, dat de goden u willen verdelgen, nu gij hen vergeet en de wereld hen met u? Door wiens schuld? Wie hebben de beelden der goden verbrand, de menschen, die hun offerden verdelgd van den aardbodem, te vuur en te zwaard? De Franken! De belijders van den Gekruisigde, de Evangeliedienaars, gesteund door het zwaard en de speer der machtige Frankische vorsten. De dooden uit de geslachten, die u voorgingen, mochten niet meer worden neergevlijd op den houtmijt, als het leven was gebluscht in hun blik; begraven werden zij op last van den Frank en ieder lichaam, dat zij de zuiverende vlammen weigerden, droeg de bloedige litteekens van de felle worsteling, eens door den levende gestreden, voor de vrijheid der vaderen, voor hun geloof in de eeuwige goden. De Franken versloegen de vrije mannen, allen. Op last der dienaars eener leer, welke zij het Evangelie der liefde en der barmhartigheid noemen, deden zij dat. Een geheel geslacht roept tot u om wraak en gij aarzelt nog, gij aarzelt?”
Als in razenden hartstocht, gedreven door vlammenden toorn, hief hij de handen op naar den maanlichten avondhemel:
„Wodan, hoor mij, gij machtige, alwetende! Fosite, rechter der goden en der menschen richt ook mij! Werp mij Höller, den helgod, voor als aas, richt uw donderkeil en tref mijn schuldig hoofd, o, Donar, wanneer ik ooit mijn eed breek! Hoort hem: „Niet rusten zal ik bij dag of bij nacht, de slaap zal mijn sponde vlieden, spijs noch drank aanraken mijn lippen, eer ik u heb gewroken aan hen, die zich verbonden tegen u! Weg met de christenen! Uitgeroeid zullen zij worden als giftig addergebroed, als het woud, dat opgaat in vuur, wanneer Donar zijn bliksem slingert in de dichte stammen. Hoort mij, geweldige goden, hoort mij! Wanneer de vereering voor u is gebluscht in de harten der menschen, zoo zal ik alleen den strijd wagen, en gij zult mijn arm sterken, opdat allen erkennen dat gij zijt de machtigste, de hoogste!” Plechtig, doordringend had zijn stem geklonken, thans zweeg hij uitgeput, maar een storm van bijval verhief zich onder de ademloos luisterenden, een loeiende storm.
Wakker geschud hadden zijn woorden de herinnering aan verdrukking en onnoemelijk lijden, waarvan het verhaal die eenvoudigen was overgeleverd van geslacht tot geslacht. Hun voorvaderen hadden den godsdienst der christenen gehaat, omdat die hun was opgedrongen door vreemdelingen, welke zij vereenzelvigden met de Franken, hun vreemde overheerschers. In de tijden van verdrukking en vervolging, die aanvingen met den eersten inval der Denen in de pas gekerstende, nauwelijks tot rust gekomen landstreken, hadden zeer velen den nieuwen godsdienst vergeten: slechts met de lippen waren zij belijders geweest -- uit vrees. Het geheimzinnige waas, dat den naam Wodan omgeven had, bleef zijn invloed behouden. Nog altijd luisterden velen, zeer velen vol eerbied naar de overleveringen, die verhaalden van zijn grootheid en wondermacht. Hij was de Alvader, de wilde jager, die de aarde zegende als hij voorbijjoeg, gehuld in zijn wolkenmantel, aan het hoofd van zijn godenstoet, in den bruisenden storm van den lentenacht. Anderen vereerden de oude goden onder nieuwe namen. Niet Freya’s beeld werd meer in de Meimaand met bloemen omvlochten; op het altaar van Maria werden de geurige bloesemkransen gelegd. Alvader heette voortaan God, Höller, de helgod, werd vereenzelvigd met den duivel der christelijke leer. Slechts in weinige harten viel het zaad van het zuivere Evangelie, om opwassend dikwerf te worden verstikt door het onkruid van het bijgeloof. Somber was de tijd en duisternis heerschte in de harten der menschen.
En thans zou de wereld vergaan om hun afval en redden konden zij hun bedreigd bestaan, en de wereld bewaren voor ondergang als, als....
O, verwarring van gedachten, o, aarzeling van plannen en wenschen, gewekt door radeloozen twijfel en doodsangst voor het dreigend, met iederen dag meer naderkomend gevaar!....
Walger was de eerste die sprak. Met zijn ruwen lach barstte hij los:
„Wat kunnen wij nog verwachten van Wodan? Hij is dood. Als hij leefde zou hij reeds lang zijn macht hebben getoond. Sinds twee eeuwen is hij gezwicht voor de christenen. Wat vermogen de dooden? Hij is dood!”....
„Dood!”.... Holle stemmen herhaalden beteekenisvol het ontzagwekkende woord en het was alsof zij een echo opriepen in de wijde verte, in het donkere woud.
Rolfr Jarl hief de hand op. Was het een waarschuwing of een bedreiging?
„Dood, zegt gij, Wodan dood? Ja, voor u ongeloovige lafaard, maar herleven zal hij om u te straffen voor dien hoon!”
„Hoe weet gij dat, edele Jarl?”
„Voor mij, Wodans gunstgenoot, is niets verborgen.”
Zegevierend zag de Jarl in het rond, maar Walgers grove stem antwoordde spottend:
„Waarom raadpleegt gij dan het offer nog? Ik zie het offerdier reeds gereed staan.”
„Om zinneloozen, als gij zijt, te overtuigen, om hen te redden van Wodans vergelding en van Donars wraak.”
Maar weer haalde Walger hardnekkig de schouders op:
„Als gij alles weet, is het u ook bekend of ik nog voor overtuiging vatbaar ben. Mijn vrouw zegt -- en die wou niet, dat ik hierheen ging -- als de wereld verbrandt, dan doet ze dat, en als ze blijft bestaan, dan doet ze dat niet. ’t Is alles zooals ’t is.”
„Gij spot met Wodans macht. Hij zal zich wreken!” hernam Rolfr Jarl gestreng. „Ik zie uw noodlot naderen! Wee u! Wee!”....
Zijn oogen staarden in de verte, afwerend strekten zich zijn handen uit.
Opnieuw opende Walger den mond voor een onverschillig antwoord, maar verschrikte handen trokken hem terug, het verder spreken werd hem belet door een stem schor van angst, dof van ontzetting. Een der wachten, die aan den boschrand op post stond, kwam; bijna kermend riep hij:
„De vlammende roede! Daar is zij weer, dáár!”....
Strakke oogen, met levenloozen blik, zochten den nachthemel, waaraan opnieuw de gevreesde komeet fonkelde. Ter aarde bogen zich de hoofden, de handen woelden krampachtig in het stof van den bodem en dezelfde lippen die, een etmaal te voren, hadden gebeden in de kerk der christenen, riepen thans tot Wodan om bijstand en redding, met stemmen onverstaanbaar van vrees en wanhoop.
Een zegevierende glimlach speelde om de dunne lippen van Rolfr Jarl. De doodsangst van het volk bevorderde zijn plannen....
„Vreest niet! Wodan redt wie op hem vertrouwt! Zijn vlammende speer -- gij ziet haar tusschen Muspelheims vuurvonken -- treft alleen de ongeloovigen.”
Zijn luide stem klonk boven het kermen en de radelooze kreten der van ontzetting schier verstijfde menigte. Maar de uitroep van jubel en verlossing, die hij verwachtte, bleef uit. Kwam het, doordat Henno, alles vergetend wat de Jarl had beloofd, plotseling, vastbesloten -- legde het vlammende zwaard in de wolken hem zijn woorden op de lippen? -- stond te midden van het knielende volk.
„Gij kunt beweren wat gij wilt, maar ik geloof in Gods almacht, waaraan iedere macht der wereld is onderworpen, ook Wodans macht, zooals die vroeger bestond.”
„Gij zùlt overtuigd worden, willooze twijfelaar. Te laat zult gij uw aarzeling beklagen! Geen oogenblik blijft gij uzelf gelijk!”
Als het weerlicht, verzengend wat het aanraakt, was de stem van den Jarl.
„Henno! Henno! nog dezen middag kwam Yglo, uw zoon, tot ons met uw goedkeuring!”
Bevende stemmen riepen het verbijsterd; allen zagen het vreeselijke teeken aan de lucht. En weer klonk de stem van Rolfr Jarl met dreunende klem:
„Vreest niet, gij allen! Ik weet wat Henno denkt. Voor de twijfelenden met oprecht hart is vergeving bij den Alvader.”
„Alvader moest wel blind zijn, als hij niet zag hoe ieder twijfelt of slechts uit doodsangst zich tot gelooven dwingt,” mompelde Henno.
Weer scheen een vuurstraal uit de oogen te schieten van den Jarl.
„Uw ongeloof ontvangt weldra haar loon. Het zal Wodan niet zwaar vallen u te vernietigen!”
Zijn stem overheerschte opnieuw elk geluid, en te midden eener nu invallende doodsche stilte, trad hij toe op het uit graszoden opgehoogde altaar. Het waren zeer bleeke gelaatstrekken, die tot hem werden opgeheven en ieder zijner bewegingen volgden.
„Heer, smeek Alvader voor ons! Wij twijfelen niet langer aan zijn bestaan!” mompelde een grijsaard, bevend.
Hij begreep niet welk een waarheid hij uitte in gebrekkigen vorm. Rolfr antwoordde niet. Hoog zwaaide zijn hand het offermes, het lemmet weerspiegelde den vuurgloed. Als een bliksemstraal schoot het lemmet door de keel van het met linten en bloemen versierde rund, dof brullend stortte het stuiptrekkend neer. Onder het uitstooten van onsamenhangende, op vreemden, half zingenden toon geuite kreten, wroette de Jarl met het staal in de lillende ingewanden. Langzaam legde hij ze bloot, een stroom drabbig bloed vloeide neer, zorgvuldig ving hij dit op in een glinsterend bekken. Onder ademlooze stilte zag het volk hoe hij de ingewanden nauwkeurig onderzocht. Het was of zijn oogen hierbij grooter werden, of zij strak werden in hun staren.... Toen boog hij zich plotseling neer, de handen in vervoering opgeheven, dwependen gloed in zijn blik:
„Heil u allen, heil! Wodan neemt uw offer aan; de teekenen zijn gunstig! Buigt u voor hem in het stof, herbouwt zijn tempels, Alvader ter eere!
Wodan, machtige, steun ons, red ons!”
„Welke redding smeekt Rolfr Jarl af van Wodan?”
Hoog klonk de onverwachte stem, die dit vroeg, als kwam zij uit de hoogte. Zware rookwolken dwarrelden op boven het vuur, en hingen boven de hoofden der knielenden als een donkere nevel, maar daartusschen blonk de blanke schittering van een wit vrouwenkleed, breed uitwaaiend, en de glans van een golvenden, zilverkleurigen sluier. Eensklaps verdeelden zich de rookwolken, het vuur rees, daalde weer, nu opflikkerend, dan verdoovend. Het was of uit zijn gloed de vrouw verscheen, die thans stond in den kring der onthutste mannen. Sneller joegen de polsen, beklemd werd ieders ademhaling, niemand bewoog zich. Alleen het vuur knetterde, het offervleesch siste, donker dwarrelde de rook. In een stilte, aan waanzinnigen eerbied grenzend, zagen allen naar de onbekende, de gevreesde verschijning.
Was het een der Druïden, der ziensters van weleer, van wie zij bij overlevering wisten.... Op de vlakte, onder de boomen heerschte doodsche stilte, zelfs de nachtwind hield zijn adem in, alleen de woorden der zienster schenen te worden weerkaatst door de echo’s van het woud. De speren en heirbijlen der opgestelde wachten flikkerden geheimzinnig, en over de sidderend bijeengedrongen menschen wierp het vuur zijn hellen gloed.
Al het opgehoopte sprokkelhout had nu vlam gevat, begeerig lekten de roode vuurtongen naar buit.
„Zonen van Wodan!” -- plechtig klonk de stem der als uit den grond opgerezen zienster -- „kinderen van den Alvader, hoort wat hij u heeft te zeggen door mij!”
Een siddering liep door de leden der landbewoners. Vrees voor de toekomst, de streng door Rolfr van den Ravenhorst gehandhaafde overlevering, verbonden aan den grafheuvel van Roruk, als plaats van godsdienstige vereering weleer, het nachtelijk uur en de angst voor het onbekende, alles werkte mee om den indruk te weeg te brengen, dien de Druïde verlangde en verwachtte.
„Wodan, gij eeuwige! schenk mijn tong de taal, die haar voegt, om te verheffen uw eer en uw lof!
Alwijze, gij dreigt met ondergang de aarde en de menschen die afvielen van u. Dan, als de maat is volgemeten stormen razende reuzen op tegen den regenboogbrug, den toegang tot Alvaders gouden zaal. Goede geesten hadden hen gesloten in boeien, zij verbraken die ketenen met hun alles kneuzende kracht. Dan ontbrandt de felle strijd tusschen goden en reuzen, een worsteling, waarbij ook de wereld moet opgaan in vlammen en gloed.
Maar Alvader zal aan zijn zijde voeren, door zijn macht, de goeden en getrouwen onder de kinderen der menschen. Met zijn hooggehelmde helden zullen zij kampen tegen de reuzen in de woeste worsteling. En de goden, de hoogen, de heerlijken, zullen bijstaan de getrouwen, die hen bleven eeren bij den afval en het verraad eener halve wereld.
Donar, de oorlogsgod, zal nederstormen uit zijn ijsbergen, met dreunend gedruisch. Miölner, zijn geduchten hamer, dien boozen noch reuzen kunnen weerstaan, zwaait hij vuurschietend boven zijn hel flikkerenden helm. Hoort gij niet het rollen der raderen van zijn wagen in het dreunen van den donder, ziet gij niet den vuurgloed van zijn golvenden baard in het flikkeren van het weerlicht? Luistert naar zijn stem, machtig, meesleepend:
„Kracht beheerscht het aardrijk, kracht en geweld. Medelijden, liefde is zwakheid, onverzettelijkheid zegepraalt in den geweldigen wereldstrijd.
Daarom, laat af van de leer van den bleeken God der christenen, Hij moet ondergaan, want liefde luidt zijn eisch en slechts kracht kan bestaan!”
Gordt u aan, gij allen, die mij hoort, om te kampen met de goede, de heerlijke goden, die spreken uit mijn mond. Dan zal, na strijd en wereldbrand, verrijzen de nieuwe, goudglanzende aarde en daarop zult gij leven voor altijd, in voorspoed en heil met de goden, wien gij trouw bleeft, die hoog zullen loonen uw heldenmoed.
Maar de slechten en afvalligen, zij vergaan met de oude aarde en nimmermeer wordt hun naam genoemd, bij de levenden noch bij de dooden. Ondergang werd hun vloek, vergetelheid hun deel!”
De onbekende sprak als in geestvervoering, het volmaakte den indruk, die haar verschijning te weeg bracht. Met verbazing zagen allen hoe de machtige heer van den Ravenhorst knielend den zoom aanraakte van haar gewaad, zij zagen de vlammen van het offervuur recht omhoog stijgen, aan een eerezuil gelijk. Wodan nam het offer aan!
Opgeheven werden de handen, als gedreven door hetzelfde gevoel riepen vele stemmen:
„Wodan, Wodan! Alvader, u zij de eere, u alleen! Wij aanbidden voortaan slechts u en vervolgen wie u afvalt en veracht!”
De boomen wierpen trillende schaduwen, omhoog, naar Walhalla wees de gloeiende vlammenzuil; de stem der onbekende zienster vulde de ruimte:
„Hoort! Hoort! Muspelheims vonken, de sterren, zingen, de goden zeggen het! U, Alvader, behoort de macht! Gij redt van ondergang en wereldbrand wie op u vertrouwt! Wie u weerstaat treedt gij onder den voet, de aarde is u onderworpen, uw kracht zegeviert over uw vijanden! Alles buigt zich voor u neer en heerschen zal met u tot het einde der dagen, wie volbrengt uw wil en houdt uw wet! Wee, wee den afvalligen! Heil den getrouwen, heil duizendvoud!”
Zij had als bezwerend de armen opgeheven bij haar laatste woorden. „Wodan, kom mij te hulp!” smeekte zij nu zacht, toch drong haar stem door tot aller hart. Nu strooide haar hand de runen, roode en zwarte, in smalle stukjes eikenhout gesneden op een wit kleed, reeds te voren door Rolfr gespreid aan haar voet.
„Urd, Vernandi en Skuld, alwijze Nornen, weefsters van der menschen lot, wijst mij den weg!”
Zacht gleed haar hand over de runen: „Goed zijn de goden gezind wie het goede wenscht, het goede volbrengt volgens Alvaders wil! Wodan, Wodan, heil!”
„Wodan heil!” herhaalden schier al de aanwezigen, de speren werden geschud, vonken schoten de heirbijlen in den gloed van het vuur, ontroerd drukten vrienden en vreemden elkander de hand.
Maar toen eindelijk ieders oog opnieuw de zienster zocht, ontdekte niemand haar meer.
Verdwenen was de witte gedaante plotseling gelijk zij verscheen, als in den grond gezonken.
* * * * *
Vrouw Sigrid zag Rolfr Jarl keeren in den witten maannacht, die de toppen der boomen verzilverde.
Haar langslepend Druïdekleed, de glinsterende sluier met den ruischenden eikenkrans lagen nog in een hoek. Verachtelijk schopte zij ze weg, toen vertrad zij met haar voet den groenen krans en het witte gewaad.
„Zal ik slagen?” prevelden haar dunne lippen. „Zal ik mij kunnen wreken eindelijk, eindelijk -- op hém?”
Vele jaren doorvlogen haar gedachten, jaren, die voorbij waren gekropen, gedrenkt in haat en bitter leed. Zij was weer jong, zij zag zich de speelnoote van Hereswit van Strijen, zij droomde een droom van geluk en hij, wien die droom gold, reikte Hereswit de hand voor het leven. Toen huwde zij Rolfr, den Deen. Onverschillig was hij haar, maar hij zou haar kunnen wreken, hij alleen.
Jaren bij jaren had zij haar dag afgewacht. Zou die thans rijzen?....
HOOFDSTUK XI.