Part 8
„Ja, dat weet ik wel. Halfr, waar gij van afstamt, kwam met mijn voorvader Roruk in het land. Hij was zijn schilddrager en bleef zijn Jarl trouw.”
Henno wendde den blik af, de herinnering knaagde. Rolfr ging voort:
„Ik geloof niet, dat iemand mij kan veroordeelen, omdat ik het volk tracht terug te brengen tot het oude geloof.”
„Gij doet het op een zachtzinnige wijze. Wie zich tegen u verzet, ondervindt wat dit beteekent,” waagde de visscher te mompelen.
„Je zoudt zeker willen, dat ik niets te zeggen had op mijn eigen goederen?”
Henno had nu zijn mond vol touw; hij knoopte aan een vischnet; hij moest daarom wel zwijgen.
„’t Is een fraaie leer, die zoo’n bisschop verkondigt. „Hebt elkander lief!” Wel aardig om aan te hooren voor een jong paar in de Winnemonath! Maar werd de macht der Noormannen en die van keizer Karel groot door liefde of door geweld en kracht?”
Henno zuchtte: „Dat heb ik niet beleefd, heer! Daar weet ik niet van.”
„En met al dat liefdegepreek is er twist in iedere woning.”
Henno keek in zijn vischkorf.
„’t Is jelui schuld niet, dat je gevangen werdt beestjes. De koorden van het net trokken je en toen was je bij elkaar. Zoo doet bisschop Ansfried ook, Jarl, hij weet het volk bij elkaar te houden, als schapen den herder loopt het hem na. Hoe komt hij aan die macht, heer? Hoe komt hij er aan?
Hij hitst nooit de honden op iemand aan, hij scheldt noch noemt ons „slechte dieven.” Menschen, die vroeger elkander stug voorbij gingen maakt hij tot vrienden en de welgestelden onder ons leert hij de armen te helpen en de vrijen niet laag neer te zien op de hoorigen, omdat God ons allen heeft geschapen.”
„Hm, hm! Dus gij kiest ook de zijde van dien christen? Gij eert het geloof van uw voorgeslacht, noch vreest meer zijn vloek, als gij eens zult verschijnen in Walhalla? Het is ver met u gekomen, Henno. De man die zijn vaderen vergeet heeft geen recht meer iets te verwachten voor zijn zonen.”
De oude Noorsche spreuk, als heilig overgeleverd van geslacht tot geslacht, was hier zoo behendig aangewend, dat de eenvoudige visscher van kleur verschoot. Hij verwachtte zooveel van het leven voor zijn eenig kind! Alles wat dit leven hem zelf had onthouden, hoopte hij voor zijn zoon.
Berouwvol zag hij voor zich:
„Wat wilt gij, dat ik zal doen, Rolfr Jarl?” Deemoedig klonk zijn vraag. Rolfr beproefde een welwillenden klank te leggen in zijn norsche stem:
„Henno, luister eens. Gij zijt verkeerd ingelicht en een man van invloed en gezag in deze streek. Gij behoort tot de oudsten. De raad, dien gij geeft, wordt gevolgd.” -- Henno glimlachte gevleid -- „En nu weet ge evengoed als ik, wat er tegenwoordig op den Hohorst gebeurt; ge weet hoe dat stuk land met den heuvel mij onwettig wordt onthouden.”
Henno wist niets, maar hij vond het aangenaam gewichtig te schijnen en knikte daarom veelbeteekenend.
„Ongelukkig de man, die wordt vervolgd door den haat van een machtige,” hernam Rolfr bijna vertrouwelijk. „Uit eigenbelang bewerkt de bisschop u allen met mooie woorden; uit hebzucht, om van zijn heerschzucht te zwijgen, heeft hij mij bij den keizer belasterd. Hij wil hier heer zijn, bevelen wil hij op mijn gebied. Daarom vroeg en verkreeg hij den Hohorst.” Weer knikte Henno. Toch antwoordde hij aarzelend:
„De bisschop is een goed man, dat blijft waar. Hij helpt ieder, die het noodig heeft, gevraagd of ongevraagd. De armen uit den omtrek mogen hun middagmaal komen halen op den Hohorst, iederen dag heer, iederen dag! En, om hun te kunnen geven onthoudt de bisschop zich zelven het noodigste. Wie heeft dat voor hem ooit gedaan, wie?”
Rolfr beet zich op de lippen. Hij zeker niet; als slaven, aan lastdieren gelijk, hield hij zijn hoorigen. Dikwerf hadden zij geen middagmaal, dat wist hij, maar als er iets verdween uit spijker of schuur van den Ravenhorst, dan hield hij een drijfjacht op zijn „menschelijk vee”, waarbij vaak schuldeloozen met hun leven voor de schuldigen moesten boeten. Hij drong zijn gedachten terug, en vervolgde streng:
„Niemand heeft ooit durven doen wat de bisschop waagt, dat is waar. Niemand heeft ooit getracht op den aan Wodan gewijden Hohorst een christenkerk te bouwen. Henno, toen Halfr, uw voorvader oud en grijs was geworden en alle hoop hem begaf, dat de schildmaagden hem zouden voeren naar Alvaders hal, uit het heetst van den slag, toen liet hij zich dragen naar den Hohorst. Hij zag de offervlammen opstijgen, hij hoorde den reizang der priesters, toen kleurde zich zijn speerspits met den gloed van de vlam: zij zocht en vond zijn hart. Doorstoken had hij zich met zijn laatste kracht, niet den stroodood wilde hij sterven. Maar toen zijn zonen zich over hem bogen, treurend om zijn einde, op zijn heldendaad fier, toen vingen zij zijn laatste woord op:
„Blijft trouw den goden, trouw onzen Jarl!”
Met zijn zwaard wees Rolfr naar den Ravenhorst, die forsch en machtig oprees tusschen de donkere sparren. Het dichte scherm hunner takken belette zelfs de morgenzon haar gouden lichtsprankels te werpen op het mos. Het was daar donker.
„Henno, ik ben het geloof mijner voorvaderen trouw gebleven, maar gij Henno, gij?” De machtige stem van den Jarl maakte indruk op den visscher. Hij liet het hoofd op de borst zinken.
„Jarl, het hamerteeken of het kruis, ’t is haast hetzelfde. En verleden winter was mijn vrouw ziek en de bisschop gaf haar medicijnen en heeft voor haar gebeden en toen genas zij. Mijn vader en grootvader waren toch ook christenen.”
Als verontschuldigend voegde hij dit er bij.
„Dan rust op u, Henno, een dubbele plicht. Gij moet de goden verzoenen, boete doen ook voor de schuld uwer vaderen. Ik handhaaf op den Ravenhorst het oude geloof en gij, de nakomeling van Halfr, den schilddrager van Roruk, bidt in een christenkerk.”
Henno zag voor zich, berouwvol.
„Dat doen zij tegenwoordig allen. Zij zeggen, dat het oude geloof voorbij is en dan” -- tot geheimzinnig gefluister daalde zijn stem -- „als het waar is, dat de wereld moet vergaan”....
„Dan is dit het oordeel van Wodan, den oppergod en van Donar, den Donderaar. Geen wonder is het, dat het koren en vlas drijft op het land en de schepen vergaan op de kust. ’t Is de straf van Donar voor de afvalligen. ’t Is de aanvang van de straffen waarmee hij de wereld zal kastijden. De aanvang.”
Het gezicht van den visscher werd wit van angst.
„Zoudt gij dat denken, Jarl! Gelooft gij waarlijk, dat”....
„Dat de wereld zal vergaan door den toorn der goden, ja, dat wéet ik. ’t Is alles leugen wat de christenen zeggen. Donar, de machtige met den vlammenrooden baard, is mij verschenen. Daarom: doe boete, gij redt niet uw eigen leven alleen.”
„Mijn zwakke vrouw en Yglo, mijn zoon! Hij is mijn eenige nu.”
„Doe boete, als in het bijzijn der goden en Yglo zal eens mijn schilddrager wezen.”
„Hij kan zijn ouden vader niet verlaten; scheid ons niet heer, doe ons dat niet aan!”
„Dan zal ik hem breede roeden uitmeten, naast zijn vaders land en Trutha zal vrij zijn om de vrouw te kunnen worden van een vrij man.”
„Heer! O, Jarl! Wat zijt gij goed!” -- Het was de tweede maal, dat hij dit hoorde dien morgen. -- „Hoe zal ik dit ooit vergelden”....
„Dat zult gij hooren.”
Toen ontwikkelde de Jarl zijn plan en Henno luisterde en boog het hoofd. Waarom liep een rilling door zijn leden?....
Een gillend gezang klonk Rolfr tegen toen hij het erf opreed van een welvarende hoeve, kort nadat hij Henno verlaten en diens belofte had ontvangen. Een stapel honigkoeken lag op den disch van ongeschaafd hout; groote, ruw bewerkte drinkhoorns schuimden gevuld met bruin gerstebier; visch roosterde op een walmend kolenvuur. Het gaf een ondraaglijke lucht in het lage vertrek, waar toch de smook reeds dicht opklom tegen de bruine balken. Niemand sloeg hier acht op of dacht er aan de tafel naar buiten te dragen in de schaduw van olm en esch, naast de frissche bron. Ongeschoeide voeten trappelden dansend op den bodem van vastgestampte klei; ruwe stemmen zongen krijschend....
„Wat is hier te doen?” vroeg de Jarl verwonderd.
„Vrouw, den grooten hoorn, schenk den hoorn van mijn oudvader vol! Wij zullen den Jarl toedrinken, voor ’t laatst. Heil Rolfr Jarl! Het verga hem goed bij Wodan als de Ravenhorst brandt!”
Weer hetzelfde! Voor de derde maal! Bezwerend maakte Rolfr Jarl het hamerteeken.
„Wat voert gij allen uit?” vroeg hij nog eens.
„Pleizier maken, zoolang de wereld nog staat, waar zij stond. Die barst nu toch gauw uit mekaar, zeggen ze!”
Rolfr zag doodsangst flikkeren in de oogen, die hem aanstaarden door het masker der brooddronkenheid. En weer zong en joelde de dolle bende en allen dronken en klonken op het vergaan der wereld.
„Walger, dat geraas moet ophouden, dadelijk! Ik kan mijn eigen woorden niet verstaan,” beval hij den boer.
„Vrouw, jongens, scheid uit! Heidaar, jullie meiden!” -- dit tot zijn dochters en vrouwelijke verwanten -- ransel je met mijn zweep het erf af als je niet zwijgt! De Jarl heeft wat te zeggen!”
„Wat geven wij daarom! Laat hij zijn mond houden! ’t Is toch met ons gedaan!” Onverschillig klonk het terug.
De diepliggende oogen van Rolfr kregen weer den stekenden blik, dien ieder in den omtrek kende en vreesde.
„’t Zal zeker gauw gedaan zijn, maar eer de wereld vergaat, heeft mijn beul nog wel den tijd u allen te roosteren als nu die visch daar!”
De vrouw van Walger verschoot van kleur.
„Jarl, o, Jarl! Doe ons toch geen kwaad! Uit angst zijn wij vroolijk. Denk toch aan die vreeselijke ster met de roede van vuur! Iederen dag groeit die aan zeggen ze, en eindelijk steekt zij de wereld in brand. O, o!”....
„Jarl, ik heb een gouden spang. Gevonden heb ik die in....”
„Gestolen, meent ge!” Grimmig sneed Rolfr aan Imma, de dochter van Walger, het woord af.
„Neen, Jarl, waarlijk.... bij de rivier”....
„Dan behoort ze mij. Alles wat wordt gevonden op het land of in het vischwater van den landheer komt hem alleen toe. Branden zult ge dievegge en hangen er bij!”
„O, heer, heer! Erbarming, genade!”....
De nieuwe schrik maakte den geheelen troep nuchter. Zij kropen voor hem in het stof. Rolfr zag het met welgevallen. Om ze nu te kunnen vertrappen, allemaal die ellendige boeren! Maar hij had ze noodig, vooralsnog.
„Luistert, gij allen. Of de wereld zal vergaan of behouden blijven, dat ligt in uw eigen macht.”
„Wij, wij! Wat zouden wij arme stakkerds daaraan kunnen doen!”
„Ja, dat kunt gij wèl, als gij doet wat ik zeg. Keert weer tot de oude goden, dan is alle gevaar voorbij. Om den afval van hun geloof dreigen zij de wereld met ondergang, de menschen met den dood.
Komt alzoo hedenavond bij den grafheuvel van Roruk en gij zult allen hooren wat u te doen staat om eigen leven te redden en de wereld er bij. Wees niet bang” -- dit tot Imma, die nog altijd voor hem knielde -- „die spang moogt ge houden, ik vraag niet meer naar de herkomst. Daar hebt ge nog een ring van roodgoud er bij.” Hij wierp haar een ring toe en ontving van de gedachtelooze bende de belofte, die hij begeerde.
Het opnieuw brullend uitgeschreeuwde lied van Wodans wilde jacht dreef zelfs hem op de vlucht....
* * * * *
Yglo, Henno’s zoon, kwam dien middag thuis van de jacht. Een reebok hing dwars over zijn schouder. Hij was een kloeke, jonge man, twee heldere oogen lichtten als sterren in zijn schrander gelaat. Hij vond zijn vader bezig het oude, roestige zwaard op te poetsen van Halfr, den schilddrager.
„Wat zijt gij van plan, vader? Is er een inval van de Denen te vreezen?”
Henno schudde zuchtend het hoofd:
„Dat was nog het ergste niet. Maar Yglo, dat andere, je weet wel. Gisteren zijn wij allen als boetelingen naar de kerk gegaan van den bisschop en nu zegt Rolfr Jarl, dat het de goden zijn die toornen, en dat daarom de wereld.... O, Yglo, ik ben oud en afgeleefd en als ik vergaan moet dan zal ik vergaan, Alvader moge mij richten, maar dat jij, zoo jong, in den bloei van je leven.... En ik had zoo gehoopt jou althans gelukkig te zien.
Je bent de eenige van mijn kinderen, die ik mocht behouden. En, dat is nu alles om den afval onzer vaderen van het oude geloof.”
De eerlijke stem van Henno stierf weg, gesmoord in snikken. De droefheid, die zijn welmeenend, braaf gezicht teekende, was deerniswaardig.
Yglo had zwijgend geluisterd, eerst niet recht begrijpend, nu sloeg hij zijn door verdriet neergebogen vader den arm om den schouder.
„Vader, bedaar, kom tot u zelven. Wat over ons is besloten kan wanhoop noch vrees van ons afwenden. Houd echter moed. Heeft bisschop Ansfried ons niet geleerd, hoe de Heer zelf heeft gezegd: „Van dezen dag en deze ure weet niemand.” Hoe kunnen dan menschen een gebeurtenis bepalen, die zelfs verborgen bleef voor Gods eigen Zoon?”
„Maar omdat ons voorgeslacht, ten tijde van keizer Karel, van de goden is afgevallen, komt thans het oordeel over ons. Het christendom is het rechte geloof niet, zegt Rolfr Jarl. En die weet zooveel, hij is overal geweest in de wereld.”
„Wat aan koren gelijk is, zou Rolfr van den Ravenhorst gaarne tot onkruid maken. Vader, kunt gij nog hechten aan de heidensche dwalingen?”
„Wat zou Rolfr Jarl er dan mee voor hebben om ons te waarschuwen?”
„Kunnen wij beoordeelen wat hem drijft? Medelijden met ons lot zeker niet. Daar heeft hij nooit blijk van gegeven.”
Yglo had met diepen wrok gesproken, zijn vader wist de reden. De blonde Trutha was hofhoorige op den Ravenhorst. Tevergeefs had de visscher aangeboden het vereischte losgeld voor haar te betalen: twee koeien en een weldoorvoed schaap. De eisch van Rolfr Jarl luidde, dat Yglo zich zou voegen tot dezelfde hoorigheid als Trutha, dan alleen wilde hij zijn toestemming geven tot het huwelijk[8]. De tranen van Trutha hadden wellicht bewerkt, dat Yglo zich driemaal boog onder den galg op den Ravenhorst, dat hij, de vrij geborene, zich daar het hoofd liet scheren, wat hem voor altijd tot den gelijke zou maken der eigenhoorigen -- de wanhoop van zijn vader hield hem terug.
„De gelijke van een lagen knecht, een strik van hennep om den hals, gij! Wel zijn wij, door den nood der tijden, gedaald, doch onze stamvader droeg een Viking het schild, hij was hem het naast in den slag. Yglo, heb geduld tot gij mij ter ruste legt aan den rand van het vrijthof. Het zal niet lang meer duren.” -- --
En Yglo boog het hoofd, met de gelofte zijn vader een smart te besparen, die zijn leven zou breken, maar somber werd zijn blik, vastopelkaar geklemd bleven zijn lippen, die tot wit verschoten toen de meier van den Ravenhorst hem meedeelde, dat Rolfr Jarl op het Midzomerfeest Trutha zou toewijzen aan een zijner keurmedigen. Wat kon, bij verzet, voor haar volgen dan de dood? Rolfr Jarl bezat de macht en het recht, zijn hoorigen te dwingen tot slaafsche gehoorzaamheid. Trutha’s blos verbleekte, geen lied klonk meer uit haar mond, wellicht was zij dichter bij het vrijthof dan Yglo’s oude vader.... Hoeveel levensgeluk Rolfr Jarl verwoestte door éen norsch bevel, hoeveel levensleed hij veroorzaakte -- wie vroeg daarnaar? Hij bezat de macht....
En thans was hij gekomen en Trutha zou vrij zijn, vrij als de vogel in de struiken, als, als.... Fluisterend, aarzelend schier, deelde Henno zijn zoon mee wat van hem werd verlangd en, gebroken door den tweestrijd, die woelde in zijn borst, nam hij eindelijk het zwaard, dat zijn vader hem reikte en deze zegende hem, maar zijn kranke moeder -- zwijgend had zij alles aangehoord -- schreide....
Van hoeve tot hoeve ging Yglo, bij al de vrijen in den omtrek tot zelfs naar Bacheforth om hen te nooden, het zwaard in de hand, naar oud vaderlijke zede, bij den grafheuvel van Roruk, dien avond als de maan zou zijn gerezen boven de toppen der boomen.
Hij kwam voorbij den grafheuvel. Hoog lagen de zware steenblokken opgestapeld. Reuzen hadden hem eenmaal gebouwd, naar het volk geloofde. De sporen hunner vingers, waar zij de steenen hadden aangevat, waren nog zichtbaar.
Streng was door de geestelijken der christelijke kerk daar het offeren verboden. „Een werk des duivels,” noemden zij die oude grafheuvels.
En thans ging Yglo de hoevelingen oproepen om zich te verzamelen op die verboden plaats....
Onrustig sloeg zijn hart; een misdadiger voelde hij zich -- hij, een christen, zou.... Met geweld verdreef hij die gedachte. Het gold immers zijn levensgeluk, het gold Trutha te redden van een lot wreeder dan de dood.
„Wat baat het een mensch of hij de gansche wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel?”....
Waarom kon hij dat heilige woord niet vergeten? Stond het te lezen op het glinsterend watervlak van de Eem, schreef de zon het met gouden lichtvonken op de bladeren der boomen, las hij het op de steenen aan zijn voet?
„Wat baat het een mensch”.... Ook Trutha was een christin, niet slechts met de lippen, dat wist hij. „Wat baat het een mensch”....
Sneller ging hij voort, het zwaard brandde in zijn vuist, heftiger sloegen zijn polsen, maar verder ging hij, volgens Rolfr Jarls wil en bevel, verder....
[5]
Karel, hij was de geliefdste En hij was de beste. Hij stichtte en stierde Trouwe en waarheid, En hij zette der koningen giften,[6] En aller lieden keuren En Landrecht En alle landen elk zijn recht.
[6] „Hij stelde koninklijke vergunningen vast, gaf ons belangrijke rechten en vrijheden.”
In het oude Hunsingoërlandrecht van 1252 vindt men in de voorrede dit fragment van een oud Friesch volkslied, dat blijkbaar veel ouder is dan de kronieken en boeken, waarin het voor het eerst werd opgeteekend.
[7] Noordewier. Nederl. Rechtsoudheden.
[8] Noordewier: Ned. Rechtsoudh. 126.
HOOFDSTUK IX.
Blonde Trutha dwaalde in haar wit geplooid lijfje en zelfgeweven rok van grof wadmer langs de smalle paden van moeras en bosch. Haar kleine voeten waren bloot; kortgeknipt -- wat haar als onvrije kenmerkte -- de kroezende haren. Om kruiden te zoeken was zij uitgezonden door vrouw Sigrid -- niemand in de gansche streek kon beter artsenijen mengen dan zij. Het deed de bijgeloovige vrees, die het landvolk voor haar koesterde, nog toenemen.
Een zwaren bundel had Trutha reeds bijeengegaard. Een vroolijk lentelied klonk van haar lippen, het eerste sinds vele maanden. Zij wist reeds van den omkeer in haar lot: Yglo had haar het groote, gelukkige nieuws verteld, haperend, vol vreugd en -- vol geheimen angst.
Trutha zong: de hemel zag zoo lachend blauw en de velden bloeiden. O, die schoone aarde, zij kòn immers niet vergaan! God was zoo goed, Hij maakte haar zoo gelukkig. Waarom zou Hij dat niet Zijn heele wereld doen?
Een schaduw viel over den rozelaar, waarvan zij de bleekroode bloemen plukte; met porceleine en honig gekookt zouden zij een veel begeerd middel schenken voor de gevreesde koorts, waartegen zoo menigmaal bezweringen noch aderlaten hielpen.
Zij zag op, een uitroep van eerbied waarin genegenheid zich mengde, ontsnapte haar:
„De bisschop!....”
Bisschop Ansfried glimlachte. Hij droeg weer het eenvoudige, zwarte ordekleed. Zijn forsche gestalte scheen meer die van een krijgsman dan van een geestelijke, maar slechts goedheid was in den glimlach, waarmee hij zich tot het meisje wendde.
„Uw lied lokte mij hierheen. Ik verheugde mij er over, want een opgewekte christenzin is God aangenaam. Wat stemt u zoo blij, mijn kind?”
Het stralend gezichtje werd tot hem opgeheven, de roode lippen fluisterden: „Heer bisschop, ik ben zoo gelukkig.”
„Gelukkig is ieder, die Gods wegen gaat, niet zijn eigen weg. Doet ge dat ook, mijn dochter?”
Trutha bloosde, zij dacht aan Yglo’s woorden en aan Rolfr Jarls eisch. Wist de bisschop?.... Of kon hij lezen in de harten der menschen, zooals soms werd gefluisterd, en was wat anderen dachten hem bekend?
Zij geloofde het nu. Antwoordde zij daarom zonder te weten, dat zij dit deed op haar eigen gedachten: „Niets kan het gemis vergoeden van iemand dien men zoo echt lief heeft. Ik ben zoo bedroefd geweest, zoo lang, en nu....”
„Nu zult ge misschien nog meer tranen storten, arm kind! Als gij God verlaat om aardsch geluk, dan zal dat geluk u verlaten.”
Het was waar: bisschop Ansfried wist alles! Dan wist hij ook, dat Yglo bij den ouden grafheuvel....
Het was of er iets schreide in haar hart; zij behoorde tot de christengemeente evenals Yglo, evenals hij!... Hoe menigmaal had hun bij het verdriet, dat hen overstelpte, de gedachte kracht ingestort en nieuwen moed, dat God hun levenslot bestuurde. En thans.... Mochten zij om aardsch geluk vergeten wat onvergankelijk was en eeuwig? Het natuurkind kon niet onder woorden brengen, wat zij diep gevoelde, maar zij wist, dat thans berekening haar daden bestuurde -- brak er iets in haar binnenste?
Zacht raakte de hand van den bisschop haar schouder aan.
„Mijn kind, het leven is maar kort. Het gaat voorbij als een nevel en al zijn moeiten en teleurstellingen zullen zoo nietig schijnen, als zij worden gemeten met de maat der eeuwigheid. Thans ligt dat leven nog zoo lang voor u, maar als gij er eens op terugziet in uw grijsheid zult ge zeggen: „Het was een schaduw op den wand der oneindigheid.” En al uw wenschen en uw plannen, gevormd in de jaren, die dan lang, lang voorbij zijn, zullen zoo onbeduidend lijken bij de groote eeuwigheid, die ons wacht en allen, die Gods wil deden op aarde, het geluk schenkt, dat geen einde meer nemen zal. Wie God vasthoudt heeft niets verloren, al begeeft de geheele wereld hem, doch wie Hem verlaat, verliest alles.”
Trutha liet het hoofdje hangen, de overgang was zoo groot, zoo plotseling. Maar, wat haar te doen stond zag zij duidelijk -- al was het bitter en zwaar -- omdat zij in haar schuldeloos hart voelde wat recht was en plicht. Eenvoudig en dapper nam zij haar besluit, maar het scheen ineens donker voor haar oogen en de tranen schoten haar in de keel.
„O, heer bisschop, ik zal mijn best doen, dat zal ik waarlijk om niet meer het meest te denken aan Yglo en aan ons geluk. Maar het was zoo heerlijk en de zon scheen en nu lijkt alles zwart en ’t is of ik loop op brandnetels of die steken in mijn hart. Het doet zoo’n pijn. Overal is onkruid waar vroeger bloemen bloeiden. ’t Is zoo erg alles te moeten opgeven, nu ik dacht, dat het geluk was gekomen. Dan blijf ik een hoorige en dan is alles verdriet, mijn heele leven!...
O, maar ik zal doen wat ik kan, om geduldig te wezen; God weet alleen wat goed voor mij is, als Hij mij dan maar wil helpen.” -- --
Snikken braken haar woorden. Meer bewogen dan hij wilde schijnen legde de bisschop haar de hand op het voorhoofd en het was Trutha of een wolk van zegen op haar neerdaalde:
„Mijn kleine heldin, houd moed en wees goed. Gods wegen zijn niet onze wegen, maar wat ons nu een last lijkt, zal eenmaal wellicht blijken een licht te zijn geweest, dat ons den weg wees naar huis.
God geeft niemand te veel om te dragen en als wij ons eenzaam voelen en zielsbedroefd zijn, is het om ons te brengen tot Hem. Doe wat Hij wil, niet wat gij wilt, dan is het goed, hier op aarde en in het eeuwige land.”
Het werd reeds minder donker voor Trutha’s oogen: ook de nacht bezit zijn sterren. Zij dacht aan de dwalende lichten, die zij soms had zien zweven boven het moeras: was zóó het geluk geweest, dat zij had verwacht? Vluchtig, tijdelijk, verschenen en verdwenen....
Haar zachte oogen zochten den hemel waaraan het groote licht straalde, de flauwe afschaduwing der Onsterfelijke Liefde. Neen, het was niet alleen duisternis meer.
„God zal mij helpen, ik wil sterk zijn en goed”....
Zij boog het jonge hoofd, evenals de zwakke korenaar, die den storm voelt naderen.
Maar de orkaan spaart, als hij den forschen eik ontwortelt, de gouden garven, die lijdzaam buigen voor zijn macht.
HOOFDSTUK X.
Alleen in het midden van den zomer, als de zon het hoogst aan den hemel stond, verhelderden haar stralen de geheimzinnige schaduwen, die zweefden boven den grafheuvel van Roruk. Hier vlochten donkere beukentakken en dicht eikenloof een verward net, terwijl, schier verborgen door die groene bladerenzee, een half verdroogde bron murmelde met gedempt ruischen. Het klonk als geheimzinnige stemmen uit het ver weleer.