Toen de duisternis dreigde...

Part 7

Chapter 73,993 wordsPublic domain

Rolfr wilde een heftig antwoord geven, hij bedacht zich in tijds. Hij kòn zich niet verzetten tegen Olaf, want zonder zijn bijstand vermocht hij niets. Indien de vloot den steven wendde, waren al de kuiperijen van zijn leven te niet gedaan. Het antwoord werd hem echter bespaard.

Plotseling verscheen opnieuw een onbekende in de hal. Wijd stiet hij de breede deur open, zijn hand wees naar den donkeren hemel, waaraan alleen de sterren een weinig licht gaven. „Wat spreekt gij van Odin, dat wangedrocht uwer krankzinnige verbeelding? De overste der duivelen is hij! Ziet hoe de Eeuwige u zal tuchtigen over uw verhardheid en wangeloof! Aanschouwt Zijn vurige roede, hoog boven wolken en wind! Knielt, buigt u voor Hem in het stof eer de ure der genade voorbij is!”

Allen herkenden broeder Johannes, een der jongste geestelijken van den Hohorst. Zijn bleek, vermagerd gelaat gloeide van vervoering, zijn ingezonken oogen staarden dwepend omhoog. Onwillekeurig volgde ieder dien blik en de doodsverf der ontzetting gleed over het brons van menig ruw gelaat, en veler hart hield bijna op te kloppen. In de looden stilte, die thans rondsloop door de hal, ging de ademhaling zwaar der feestgenooten, streed spanning met ontroering om den voorrang in hun borst. Nameloos beangst voelden zich die licht ontvlambare, voor alles wat onbegrijpelijk was ontvankelijke gemoederen.

„Heer, erbarm u onzer!” Broeder Johannes hief de armen op, als pleitend om genade, en doffe, sidderende stemmen herhaalden zijn woorden met radeloos, hijgend fluisteren. Het hoofd van menigen verharden krijger boog zich in ootmoedig gebed; eer zij het zelf wisten knielden boogschutter en speerknecht neer op de biezen, gestrooid tot afwering der booze geesten. En zij herinnerden zich den tijd -- hoe ver af scheen hij nu -- toen zij christenen waren, eer zij zich opnieuw wendden tot de oude goden, op bevel van hun heer. Zou thans het oordeel over hen komen van den God, Dien zij hadden verloochend en veracht? Strak werd hun blik in het staren omhoog -- omhóog -- waar boven de donkere wolken fonkelde het ontzettend teeken van den toorn der godheid, dat christen noch heiden ooit aanschouwde zonder beklemmende vrees, zonder een angst, die bij velen schier steeg tot waanzin. Zij zagen de dreigende ster met de roede van vlammend licht, brandend, gloeiend als Gods heilige toorn. Het was of allen zich de keel voelden toenijpen. Vage geruchten hadden reeds lang de rondte gedaan, waren gegaan van mond tot mond, hier sidderend aangehoord, dáar begroet met een ongeloovig schouderophalen. Geruchten van verdelging en dood, van den ondergang der wereld, van het oordeel, dat zou komen over het wilde, ruwe, elkander hatende, in elkanders bloed plassende menschengeslacht.

Welk oordeel mocht dit met recht verwachten? Ging macht niet bijna bij ieder boven recht? De aarde had éen groot slagveld geleken, zoover het geheugen der levenden, de overleveringen uit vroegere eeuwen reikten, zoover de schaarsche perkamentrollen of nog zeldzamer kronieken meldden, geschreven door enkele stille denkers, die het tumult waren ontvlucht der geweldige kampplaats, waarin de wereld scheen herschapen, voor de stilte hunner eenzame denkerscel. Vorsten uit hetzelfde huis, zonen van éen vader betwistten elkander de heerschappij; gedwongen of vrijwillig streden de volken voor hun ware of vermeende rechten, geheele landstreken vervullend met strijdgerucht en wapengekletter. Schonk een weinig duurzame vrede verademing voor een korten tijd, dan traden onderlinge veeten en geschillen in de plaats der groote veldslagen, dan kwamen de Noormannen. Hun handen, hun stoutmoedige, dappere handen dropen van het vergoten bloed, „goud en buit”, luidde hun eisch, waaraan klem gaven de dreigend opgeheven zwaarden, de heirbijlen roodgekleurd -- door roestvlekken nooit.

Jammer en ellende, geweld en haat vervulden de wereld, zoolang reeds, zoolang.... En thans zou zij worden verdelgd, zou de aarde weerkeeren tot het niet, waaruit zij eenmaal werd geschapen. En de menschen -- hun wachtte het oordeel over hun daden. Het oordeel!....

De nacht was donker, alleen de dreigende komeet fonkelde als het vlammend lemmet des Heeren aan het hooge koepelgewelf der lucht, en iedere andere ster verbleekte voor haar gloed.

Hol stak de nachtwind op, schril floot hij om den toren -- het klonk als een noodkreet. Bij elke huilende vlaag ging een nieuwe schok door de leden der aanwezigen; een vreemde ontroering overmeesterde zelfs Rolfr Jarl.

Hij had nooit gehecht aan de bange toekomstvoorspellingen:

Het waren immers slechts christenpriesters uit verre, zuidelijke landen, die boete en berouw predikten in de open lucht, die de straten vulden met weegeroep en klaagzangen. Verachtelijk had hij meer dan eens uitgeroepen: „Laat de christenen mijnentwege vergaan! Als Midzomer daar is, zullen mijn dienstmannen, hun ros bij den teugel, den drinkhoorn zwaaiend, springen over vuur en vlam. En de Skalden zullen in gloeienden wedstrijd zangen aanheffen en liederen dichten ter eere van het zonnevuurfeest van goden en helden”....

En thans vreesde hij, niet voor den dood, maar voor een plotseling einde.

„Ik wil vallen als een held in het heetst van den slag, mijn goed zwaard in de vuist. Dan voeren Walküren mij in Alvaders zaal; doch sterf ik den stroodood zoo zink ik in Hel!”

Hij schudde zijn zwaard.

„Olaf, ga zelf, als snelle bode, de vloot tegemoet. Wijs haar den weg! Het is tijd! Als wij moeten omkomen, laat het dan zijn naar heldenaard en -wijs.”

Vergetend wie hem hooren kon had hij gesproken. Plotseling verstomde hij.

Door het huilen van den wind drong een plechtige treurzang. Ontstoken kaarsen wierpen een flauw schemerlicht. Op vertrokken aangezichten en krampachtig gevouwen handen viel die ongewisse schijn. Hij gleed over een lange rij van doodsbleeke menschen, mannen en vrouwen. Hun naakte voeten sleepten zich met moeite voort; vele vrouwen hadden asch gestrooid op haar ontwonden haren. Wankelend trok de stoet verder, de sombere boetpsalm stierf weg in de donkere verte, maar door merg en been drong nog eenmaal, door alle boetelingen eenstemmig aangeheven, de sidderende klacht:

„Heer, erbarm u onzer! Neem weg uw gloeiend lemmet, getrokken tot kastijding der wereld! Doe weg het teeken van Uw naderend oordeel: het vurige zwaard. Heer, ontferm u! Zie onzen zielsangst en onzen nood!”

De stormwind joeg het grauwe wolkendak uiteen en door de ontstane scheuren fonkelde opnieuw met onheilspellenden gloed het sterrenbeeld buitengewoon stralend en helder als nooit te voren -- de vlammende roede....

De menschen, die het zagen met oogen glasachtig in hun staren, klemden zich met zenuwen gespannen tot het uiterste, versuft, rillend vast aan elkaar. Waarde reeds de dood om hen heen? Vreesden zij reeds nu het einde en -- het oordeel?

Het was bijna de geheele bevolking uit den omtrek, vrijen en hoorigen, dooreengemengd zonder onderscheid, zich éen voelend in stijgenden angst voor de vreeselijke ontknooping, die naderde, onverbiddelijk en snel. Sommigen van hen waren christenen, Wodan vereerden anderen, de meesten waren volkomen verwilderd door de ellende van den tijd. Zij hadden alleen gedacht aan het heden, doch nu dit heden dreigde onder te gaan, met de aarde waarvoor zij hadden geleefd, zochten zij naar een staf, die hen ten steun was, waar alles om hen wankelde en zij klemden zich vast aan het geloof, dat zij hadden veracht of vergeten.

Gevoerd door de evangeliepredikers uit het nederige kloostergebouw op den Hohorst, trokken zij thans naar de kleine kerk, gesticht op de plaats waar Rolfr Jarl nog slechts weinige maanden vroeger had geofferd aan de voorvaderlijke goden. Nu was die plek het eigendom van den bisschop der christenen -- tot zijn bedehuis vluchtten zij, met wankelenden tred, met knieën knikkend van angst.

Het heftige bloed schoot Rolfr in het verweerde gelaat. Zou hij naast zijn andere groote zwarigheden nog moeten kampen met een vijandige, afvallige bevolking, waar hij had gerekend op haar hulp en steun? Ba! het waren meest zijn hoorigen en de vrijen -- ook hen zou hij weten te dwingen tot zijn wil.

Hij had nooit gehecht -- zonderling voor zijn tijd -- aan de toevalligheden van het leven, thans echter begon hij die te duchten. Hij zelf vreesde niet, maar het volk knielde en zong boetpsalmen....

De wind steeg tot een razenden storm. Wat klonk in zijn huilen? Wat?

„Laat de gevangenen vrij! Den bisschop en den jongen ridder voor wien hij zijn leven waagde.... Om hem kwam hij hier. Hij vertrouwde het heilige gastrecht!”....

Van verschillende zijden drong die bede, een eisch schier, tot hem door. Klonk het in de dreigende stem van den loeienden storm? De toortsen flikkerden, bijna uitgedoofd door den wind; zwiepend sloegen en rammelden de luiken; het was of onzichtbare handen er aan rukten; gordijnen waaiden fladderend breed uit; met angstigen schreeuw krasten katuilen en uit de verte klonk flauw, nauw hoorbaar nog het klagend „Miserere, Domine!”....

„Geef de gevangenen vrij! Laat hen gaan!”....

Nogmaals werd het gefluisterd, dringend, smeekend, doch nu wist hij, dat het menschenstemmen waren, geen bevel werd hem gegeven op den adem van den storm. Hij barstte uit in een snijdenden lach, alle beklemming van zich schuddend.

„Lafaards zijt gij allen. Bang als kinderen voor een rukwind en een staartster. Ik zal toonen, dat ik niet vrees. Sven en Jorgen, brengt de gevangenen naar de folterkamer.”

„Geboren beul! Als gij niemand anders hadt, zoudt gij u zelven folteren.”

Wie durfde dat mompelen? Wit van drift keerde hij zich om.

Maar, eer hij een bevel kon geven, dat een bevestiging zou zijn van het verwijt, hem vol haat tegengeslingerd, hief Olaf de hand op, waarschuwend.

„Rolfr Jarl! Thans geen geeseling met taaie roeden of een gloeiend brandmerk op beide kaken! Het vonnis zou op u zelven terugvallen met het brandmerk der schande, Rolfr Jarl! Ik vraag u nog eenmaal die mannen vrij te laten heengaan uit uw hal. Is het Odin, die tot ons spreekt, waarschuwend tot ons spreekt, door de vlammende roede hoog boven wolken en wind; is het, als de christenen beweren, een teeken van hun God -- wie zal het beslissen? Wij dwalen in nevelen, donkerder dan die welke bij nacht de aarde bedekken, zoekend, vragend weten wij, dat wij niets weten. Wat is zien wij; maar wij weten niet wat geweest is, noch wat komen zal”....

„Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet.”

Wat bracht Swanwitha die woorden terug in het hart, in dit oogenblik? Had zij die eens gehoord met de zachte stem harer moeder? Wat bezaten de christenen veel, dat haar ontbrak!

Olaf streek zich met de hand over de oogen. Het was of ook hij helder wilde zien. Op zijn eigenaardige, bedaarde wijze vervolgde hij:

„Voor mij is die vurige ster een teeken van Alvaders macht en heerlijkheid, niet van zijn toorn. Ik hoor zijn stem in het razen van den storm, zie zijn kracht in den wil, die den eik ontworteld neerwerpt. Indien hij daarom deze menschen” -- hij wees met een handbeweging de gevangenen aan -- „wil tuchtigen voor hun afval, bezit hij daartoe niet de macht? Zie het teeken van die macht, in gloeiend schrift boven de wolken. Laat daarom de gevangenen vrij. Meng u niet in zijn raad: Odin wreekt zich zelven!”

„Odin wreekt zich zelven!” Schuwe stemmen herhaalden het, dringend, smeekend, vol nameloozen angst. Rolfr Jarl begreep, dat hij tot toegeven zou worden gedwongen, indien hij dit niet vrijwillig deed -- in schijn.

Wrevelig haalde hij de schouders op.

„Laat ze dan gaan! Làat ze dan gaan! Lafaards, zotten! Het zal je allen te laat berouwen, warhoofden, gekken!”....

De sierlijke redevoering was nog niet ten einde, toen Olaf zich reeds tot de gevangenen wendde.

„Men zal u paarden geven, ik zal er zorg voor dragen. Volgt mij naar buiten!”

Maar hoog richtte bisschop Ansfried zich op, een bevel in zijn doordringende oogen.

„Gij zijt niet de eigenaar van dit huis. Deze zelf behoort en zal mij uitgeleide doen uit zijn hal. Zoo eischt het de zede der vaderen.”

Rolfr opende den mond, een heftig woord op de lippen. Zijn blik boorde in dien van den bisschop en hij zweeg en ging hem voor. Want hij dacht opnieuw aan het uur, waarin hij óók dien blik had gezien en weer legde het verleden de hand op hem. Een huivering ging door zijn leden. Het was een ongewone gewaarwording, die hij echter kon bedwingen, noch meester worden. De wind bedaarde een weinig, grijze wolken bedekten den sterrenschijn, ook de vurige schittering der vlammende roede. De laatste tonen van den klaagzang waren langzaam weggestorven in het donkere verschiet.

Onstuimig wendde de Jarl zich eensklaps tot den bisschop:

„Gij verdiendet te worden gegeeseld, wie schuld heeft, boet. Waarom hebt gij het leen geëischt voor het bisdom?”

Weer bracht een blik hem tot zwijgen:

„Afweren van onrecht is een aan ieder door God verleend recht. Het is de eenige wijze om zich en anderen te beschermen tegen daden, ingegeven door zelfzucht en heerschzucht. Ik heb van dit recht gebruik gemaakt, naar ik hoop tot zegen van velen.”

Rolfr sprak niet meer, het was hem of de duisternis en de wind den klank der woorden voor hem herhaalden....

HOOFDSTUK VIII.

De nacht met zijn verschrikkingen was voorbij. De hemel straalde van licht, de vogels kweelden hun morgenlied, de aarde bloeide, als een belofte van rijken oogst. Weggevaagd was de vurige roede aan de nu weer heldere lucht. Het landvolk was aan den arbeid -- het zong als ontheven van een verpletterenden last:

„U, onzen Schepper, loven wij!”....

Een lofpsalm der christenen! Rolfr Jarl kende ook de woorden, lang te voren had hij ze nog eens gehoord, lang te voren.

Hoe haatte hij dien lofzang, gelijk hem die.... Zijn hand omknelde de greep van zijn zwaard. De herinnering aan het tooneel van den vorigen avond verliet hem geen oogenblik. Steeds zag hij hoe hij gedwongen was geweest den man uitgeleide te doen, dien hij begeerde te worgen met eigen hand. Vrij was hij nu, vrij!....

In zijn volle lengte verhief zich eensklaps de Jarl:

„Nog ben ik hier heer en meester, niet alleen op den Ravenhorst, ook in den ganschen omtrek. Het zijn allen mijn dienstmannen, mijn hoorigen. Ik zal mij wreken, zij het dan op andere wijze dan ik wilde.”

Hij liet zijn paard zadelen en reed heen in woesten ren.

Niet ver van het dennenbosch, dat de Ravenhorst aan de eene zijde insloot, stond een vervallen hut van plaggen en leem, met een half vergaan dak van mos en graszoden. Wind en weer waren er ongehinderd jaren lang in en uit getrokken. De ingang werd afgesloten door een wolfsvel, dat genoeg koude en tocht doorliet aan alle zijden. De rook trok weg door een gat in het dak en de eenige bewoonster was een oude in half vergane lompen gekleede vrouw. Zij had in die hut haar leven voortgesleept sinds de Denen haar hoeve verbrandden en haar man en zonen door hen werden gedood. Oude Lisa zat dien morgen zich te koesteren in de zon op den aarden drempel, die een weinig was opgehoogd boven den uitgegraven bodem van haar hut.

Zij zag naar de lijsterbes bij den bouwvalligen gevel, naar de kamperfoelie, die geurige bloemen vlocht door zijn takken. Het water van een kleine beek murmelde half verborgen tusschen berken en elzen zijn droomerig lied. Deed die golvenzang ook haar neuriën:

„Hi was minnera, And hi was betera”....

Haar stem was zwak en beverig, maar terwijl zij zong scheen die toe te nemen in kracht. En opnieuw klonk het:

„Kerl, hi was minnera, And hi was betera Hi stifte and sterde Triwa ande werde Ande hi sette thera Kenega jeft, Ande allere liude leest And Londriucht Ande allera londe eccum sin riucht.[5]

Een breede schaduwplek viel op den zonneschijn aan haar voet. Hoog te paard zag zij den landheer.

„Lisa, oude heks, wat durft gij daar zingen?”

„Wat ieder zong toen de Denen het land verwoestten, voor de eerste maal, heer, voor het eerst. Toen begrepen de menschen pas wat keizer Karel was geweest, toen begrepen zij het.”

Recht zag Lisa voor zich uit met onverschillig, strak gezicht en toch wist zij hoe de trekken van Rolfr Jarl vreeselijk waren om aan te zien, nog eer zij hem hoorde bulderen:

„Oude tooverkol! Ik moest je levend laten verbranden. En, als ik niet wist, dat je gek waart, gebeurde dat vandaag nog.”

„Ga uw gang, heer! Nooit zal ik meer kunnen lijden dan ik reeds geleden heb. Mijn leven is zoo lang geweest en even lang mijn verdriet. Dus, als ’t nu gedaan kon raken, dan was het goed.”

Besluiteloos zag hij haar een oogenblik aan. Hoe hier te treffen?

Toen viel hem iets in.

„Lisa, gij hebt vlijtig gewerkt op het veld dit jaar. Ik weet, dat gij een vollen zak gerst bezit, om van uw wikken en rapen niet eens te spreken. Ge kunt dus ruim brood bakken, maar waar maalt gij die gerst tot meel?”

Verschrikt zag zij op. ’t Was of haar kleur verschoot onder het tanige vel.

„Heer, heer, laat me niet van honger sterven! Dan maar verbranden! Ik kneusde mijn gerst tusschen twee steenen, heer! Ik heb geen gereede penningen, geen enkele! Hoe zou ik dan het maalgeld kunnen betalen! Hoe zou ik!”

Zij zag, dat hier geen genade was te wachten. Een snik schoot uit haar keel, zij wrong de handen, radeloos.

„Uw gerst is verbeurd, verstaat gij? Gij hebt den wind bestolen van uw heer. Wees dankbaar, dat ik je niet den hongerdood laat sterven in een kerker van den Ravenhorst, maar je overlaat aan de hongertering in je eigen krot.”

„Heer, o, heer! Dan maar verbranden, dan is het uit! Dan is het uit! Ik wist niet”....

„Gij wist wèl, dat de molen van den Ravenhorst een dwangmolen is. Niemand van mijn onderzaten, vrijen of hoorigen heeft het recht elders te doen malen.”[7]

Lisa barstte uit in een schellen lach: „En nu zeggen ze, dat ik zooveel voorrechten heb, omdat ik vrij ben en de hoorigen benijden me!”

Hij werd bang voor het woeste flikkeren van haar oogen. Menigeen noemde haar gek. Als ze hem eens aanvloog! Gekken hebben immers dubbele kracht.... Vaak spraken door hen de goden.

„Luister Lisa,” hernam hij wat zachter. „Ik zal u geen kwaad doen. Gij kunt uw gerst malen waar gij wilt. ’k Zal u zelfs nog een kruik olie laten brengen uit mijn spijker, om koeken te bakken.”

„Heer, o, heer! Wat zijt gij goed!”

Zij boog zich voor hem neer en kuste zijn handen.

„Maar onder een voorwaarde Lisa, onder een voorwaarde.”

Vragend wachtte zij.

„Gij zult niet meer naar de kerk op den Hohorst mogen gaan, nooit meer, verstaat gij mij goed? Nooit meer. En overal moet je vertellen, dat ge daar niet meer komt, omdat gij er den duivel gezien hebt.”

Lisa richtte haar kleine gestalte op met groote waardigheid.

„Bisschop Ansfried en de zendelingen hebben mij gezegd, dat ik een ziel had. Vroeger wist ik dat niet en het is zulk een voorrecht om te kunnen denken, dat daar” -- zij wees met de magere hand omhoog -- „alle tranen zullen worden afgewischt, die hier op aarde zijn gestort. Dat te weten maakt het leven tot een lust in plaats van een last.

Uit het verdriet en de ellende van dit leven zweef ik dan, hoog boven de wolken, de gouden stad binnen en ieder, die daar mag komen, heeft de onsterfelijkheid ontvangen en is gelukkig voor altijd, in het eeuwig licht. Daar zie ik dan de engelen; schitterend wit glanzen hun vleugels, zij zingen met gouden stem, de klank hunner harpen vervult het Paradijs en de zweep van den meier en de kerkers van den Ravenhorst zijn er niet meer.

Dat heb ik geleerd in de kerk op den Hohorst, daarom zeg ik nooit wat gij mij beveelt, heer, noòit. Want iets zeggen, dat de waarheid niet is, staat gelijk met groote zonde, zegt de bisschop. En ik wil geen zonde doen. Ik heb liever een onsterfelijke ziel dan olie voor koeken.”

Rolfr Jarl glimlachte niet om het verhevene en alledaagsche, dat hier werd dooreengemengd. Hij fronste opnieuw de wenkbrauwen:

„Goed Lisa, goed, gij hebt gekozen, wacht dan nu de gevolgen maar af.”

Zij zag hem na met donkeren blik.

„De Ravenhorst is hoog, maar hij kan tòch vallen. Niets is tegen het vuur bestand.”

Nog uit de verte hoorde hij haar schamperen lach.

„Oude tooverkol, ’k zal je wel vinden!” De sprake ging immers, dat zij kon sluipen door het kleinste sleutelgat -- alzoo was zij een heks. -- Hij zòu haar vinden.

„Niets is bestand tegen het vuur,” had zij geroepen. Dat was een bedreiging tegen den Ravenhorst.

„Niets bestand tegen het vuur!”

Zij zou het ervaren aan hut en lijf.

Vaster omklemde zijn vuist de greep van zijn zwaard. Met geheimvolle runen was het ingelegd, wondere kracht bezat het breede lemmet. Want was het niet gesmeed op den dag aan Wodan gewijd, den vierden van iedere week, en bevond zich tusschen de runen geen houtsplinter, gezegend door Donars hamerslag: uit een door den bliksem getroffen boom was die splinter gesneden.

Rolfr wist hoe hij werd gevreesd om dat zwaard: de mare ging, dat het ieder wapen, waarmee het zich kruiste, in stukken deed springen.

Een welgevallige glimlach speelde om zijn mond: geen menschelijk wezen was in staat hem een wond toe te brengen: onder zijn rinkelend maliënkleed droeg hij een slangenhuid aan Loki, den helgod gewijd....

Dien morgen wierp Henno, de visscher, zijn lijn in een plas tusschen den Ravenhorst en den Hohorst. Half verborgen tusschen riet en lisch lag hij en wachtte af wat de dag verder hem schenken zou. Hij was een groote, sterke boer met vlasblond haar, dat hij, naar oud vaderlijk gebruik nog meer bleekte door het te besprenkelen met kalkwater. Zijn wambuis en hozen waren van hertevel -- zelf had hij het wild geschoten -- onbedekt was zijn hoofd. Vergenoegd floot hij tusschen de tanden -- hij had reeds een voordeelige vangst gehad -- toen de Jarl verscheen, geharnast van zijn schedel tot den voetzool.

Henno zong -- latere eeuwen zouden op deze wijze overzetten het oude volkslied --

„Hi woonde na dien tide op sinen ouden casteele gheen langde dagen meer: den kerker bleefer gesloten, de linden standen te groene, den eenen steene vieler oppe den anderen neer”....

Rolfr Jarl hechtte sinds den vorigen avond aan voorteekens, al wilde hij dit zich zelven niet bekennen. Oude Lisa had hem bijna hetzelfde nageroepen wat Henno zong. Vroeger zou hij er de schouders over hebben opgehaald, nu verschrikte het hem.

Hij vergat, dat het niet de dingen zelf zijn, die vrees aanjagen, doch de wijze waarop zij worden opgevat.

„Je bent vroolijk, Henno!” Norsch riep hij het hem toe.

Zoodra de visscher hem zag stond hij rechtop. Wel was hij een vrije, maar zijn hoeve had alleen -- naar vaderlijke zede -- den haag en den sluitbalk als verweermiddel en de tijden waren onrustig, steeds dreigde gevaar. Meer dan eens was hij genoodzaakt geweest met zijn tilbare have een schuilplaats te zoeken op den Ravenhorst.

„Wat stemt u zoo blij? Er is anders niet veel reden toe, dunkt me.”

Henno verschrok van den dreigenden blik, die de woorden onderstreepte. Het was of een mes hem stak. Wat had de Jarl in ’t zin?

„Wees gegroet, heer.” Schier beschroomd klonk zijn stem.

„Heer! Ben ik dat nog? Ik heb u allen beschermd en gevoed als overstrooming dreigde of de krijg ontbrandde. Als de graaf van Kennemerland een inval deed of de keizer kwam met heircracht, als de graaf van Hamelant of Megingos van Gelre stroopte, dan hadt gij mij noodig, dan was ik uw heer. Maar nu ik beleedigd word en bestolen, nu is er niemand, die het voor mij opneemt. Schimpwoorden, spotzangen, dat is mijn dank.”

„Wat is er dan gebeurd, heer?” vroeg Henno verbaasd.

„Moet jij dat nog vragen, lompe dorper! Heb je soms gisteren avond niet mee loopen galmen met een kaars in je knuisten!”

„Hebt gij alleen, heer, dan de vurige roede niet gezien?”

„Even goed als ieder ander, maar mij jaagt men geen schrik aan of er een paar sterren meer of minder aan de lucht staan.”

„Mij ook niet: bisschop Ansfried zegt”....

„Spreek nog eens dien naam uit voor mijn ooren en gij hangt aan den Noorderboom.”

„Ik ben een vrijgeboren man, heer.”