Toen de duisternis dreigde...

Part 6

Chapter 63,895 wordsPublic domain

Zij kon niet antwoorden -- het gaf haar een gevoel van verlichting -- want scherts en lach verstomden eensklaps. Met den hoogen, zilveren drinkhoorn in de vuist was de gastheer opgerezen van zijn zetel. Dringend tot in de verste hoeken, door de wanden hol weerkaatst, klonk zijn stem:

„Ik groet u, vrienden en schildgenooten, van ver en nabij! Welkom in mijn hal! Dappere gezellen van den bruidegom mijner kleindochter, weest heil! Dank, dat gij hem verzelt op zijn bruidsvaart, die moge worden besloten door een zegetocht, Thor ter eere, Odin tot onvergankelijk heil! Gij weet het allen: wij staan op een keerpunt. Laat alzoo niet onze woorden groot zijn, doch onze daden. Vermolmd liggen de heilige tempels, vergruisd zijn de beelden der goden, de gewijde bronnen verdroogd. Laat het niet wezen voor immer. Wijdt den Alvader uw leven, de macht van uw zwaard, sticht hem een nieuw rijk en heerlijk zal hij u eenmaal uw daden van kracht en moed vergelden in de eeuwige woonplaats van goden en helden. Hier pleng ik den hoogen hoorn; hoort mijn gelofte: Strijd zal het zijn, strijd en zege, Odin ter eere, zijn volk tot heil! Zege na strijd!”

Oorverdoovende jubel gaf hem het antwoord. Het gelaat van den Jarl gloeide. Zou hij bereiken eer de avond van zijn leven daalde, waarvoor hij had gewerkt en gestreefd gedurende heel den tijd zijner mannelijke kracht?

„De hooge held, Hij waagt en wint Of strijdt en sterft. Hoog in ’t harnas, Heft hij den heirbijl. De vijanden vlieden, De zege ziet hij: Hem wuiven Walküren In ’t weeldrig Walhalla Het welkom toe Aan Alvaders maal”....

De grijze Skald was opgesprongen bij de woorden -- een oproep ten strijde gelijk -- van zijn heer. Nu stond hij rechtop in ’t midden der hal, zijn oogen gloeiden, zijn hand greep in de snaren. Vol en krachtig hief zijn stem den ouden krijgszang aan van zijn woest, onverschrokken volk. Sneller joegen de polsen, hooger kleurden zich de wangen, kletterend werden de zwaarden getrokken, vonken schenen zij te schieten, het was of kleine vlammen dreigend zweefden boven hun spitsen.

„Juichend valt hij Voor zijn volk. De hooge held!.... ’t Zij strijd of zege!”

Donderend dreunde de fiere strijdkreet van het volk, dat lafhartigheid schuwde als de grootste schande, sneuvelen in den slag hield voor de hoogste eer.

Bloed en rouw, verdeeldheid en jammer riep hij op, die wilde krijgszang. Doch wie dacht aan de ellende van den krijg: zij zagen de zege!...

„Mijn bruid, ik sticht u een koninkrijk!” Bedwelmd door zijn hartstocht, haar woorden vergetend, bracht Olaf Swanwitha’s hand aan zijn lippen, zijn oogen zochten opnieuw de hare. Hij ontmoette een blik vol smeekenden angst.

„Vergeet gij dan geheel, hoe de zegevierende schildmaagden waden door het bloed hunner slachtoffers? Dit volk heeft reeds zooveel geleden door het geweld van het uwe. Sinds meer dan anderhalve eeuw is dit land een woestenij. Thans beginnen de bewoners een weinig tot rust te komen. Er wordt weer geploegd en gezaaid, herstelde hoeven verrijzen naast de puinhopen der verbrande woningen, waarom wilt gij nieuwe rampen voegen bij de oude wonden, die nog bloeden en schrijnen?”

Verwonderd zag hij haar aan. Hij was zelfzuchtig noch ongevoelig, maar hij was een zoon van zijn volk. Stoute, jonge aanvoerder, gold zwaardgekletter hem het meest, was een gevecht op leven en dood hem een opwekkend spel. Doch ditmaal mengde zich een hooger denkbeeld tusschen zijn plannen voor den komenden strijd. Het zweefde boven de gestrekte speren, boven de dreigend opgeheven strijdaxten; hij ging de zegepraal bevechten van een ideaal -- van het zijne. Want hij had hem lief, den godsdienst uit het Noorden; hij vereerde Odin in zijn diepe wijsheid, Thor, in zijn ongebreidelde kracht, Balder in zijn liefelijke zangen, zijn daden edel en goed.

Voor hem waren de sagen en legenden, bijeenverzameld in de Edda, voelbare, tastbare realiteit. Zij waren hem dierbaar de oude goden van zijn volk, zijn ziel brandde in hem als hij hoorde en zag hoe ook de zonen van ’t Noorden zich bogen voor de dienaren van het Evangelie, die hun een nieuwen godsdienst predikten, het Christendom, dat eischte: „Vergeeft uw broeder zeventigmaal zeven maal.... Wie het zwaard trekt zal door het zwaard vergaan”....

Met een gevoel als hem overweldigt wiens ziel jarenlang werd verteerd in vruchtelooze plannen en droomen, wanneer hij die vage wenschen plotseling de vormen der werkelijkheid ziet aannemen, was hij deelgenoot geworden der toekomstverwachtingen van Rolfr Jarl, hoewel soms de gedachte hem huiveren deed, dat opnieuw bloed zou vloeien, veel bloed. Een gedachte, die hij steeds even ras weer trachtte te verwerpen als onwaardig en flauwhartig. En thans, nu de verwezenlijking dezer plannen niet meer onmogelijk scheen, vroeg hem de eerste vrouw, die hij had aangezien met de oogen van een man, vroeg hem zijn jonge bruid: „Hebt gij ooit een stroom zien terugkeeren tot zijn oorsprong, ooit een frisschen dronk geput uit een verdroogde wel? Wat verwacht gij dan? Nooit werd op aarde wat is geweest. De harten zijn koud geworden voor Odins leer, dien het volk in dit land vereerde onder den naam van Wodan. Bijna allen zijn christenen. Zij hebben zoo zwaar geleden door de Denen, die hem aanhangen. Eerst verfoeide het de Evangeliepredikers, later, toen zij vrienden en verwanten zagen vallen door het zwaard van „Odins zonen”, werd ook hier het martelaarsbloed de regen, die den akker van het christendom vruchtbaar maakte.”

Het verbaasde Swanwitha zelf, dat zij zoo sprak. Het waren woorden, die zij vroeger had gehoord, lang, lang geleden, vergeten sinds. Waarom drongen de herinneringen aan haar kindsheid, met al de kleine voorvallen uit dien tijd, zich in de laatste dagen opnieuw aan haar op, als met verdubbelde kracht? Waarom? Zij had toch geknield voor Freya’s beeld, naast haar grootmoeder, zoolang deze gezag over haar had. Waarom dan?....

Doch zij voelde Olafs blik nog meer verschrikt dan verrast op haar gelaat rusten. Zijn stem klonk: „Het doet mij zeer leed, dat gij zoo denkt, onze wenschen en gevoelens komen weinig overeen. Ik hoop evenwel, dat gij spoedig de mijne zult deelen. Als gij mijn vrouw zijt is dat uw plicht, mijn recht het te verwachten. „De wil van den man is de wet der vrouw,” zoo eischt het de Edda.”

Swanwitha huiverde, wanhoop sloop haar hart binnen. Haar blik rustte op de breede, gouden armringen, die haar polsen omsloten. Het verbaasde haar bijna, dat zij niet in boeien veranderden. Dwang naar lichaam en naar ziel. Zij zweeg, zij moest: het gold Unruochs leven.

Een ruwe stem drong tot haar door, zij behoorde aan Sven Persen, een der trouwste deelgenooten van Rolfr Jarls zwerftochten en een zijner wreedste gezellen. Hij haatte iederen christen en had gehoord, wie in vrijheid zou worden gesteld. Nu trad hij naar het bruidspaar.

„Reeds eer de oorlog ontvlamt is er kans, dat gij een anderen brand ziet, edele Jarl! Wie beslist hoe spoedig het dak van den Ravenhorst zal knappen en in vlammen opgaan boven uw hoofd? Men zegt, dat bisschop Ansfried de opmerkzaamheid niet ongevallig was, die zijn pleegzoon der edele Swanwitha schonk. En thans.... Wees heil, schoon bruidspaar!”

Hoffelijk hief hij den beker op en zijn oogen glinsterden als de dolk -- die het hart van een vijand zoekt. Hij kende den steeds gereeden argwaan van Rolfr Jarl, wist hoe dien te wekken. Ook ditmaal bleek zijn berekening juist.

„Wees gerust, Sven!” lachte hij honend. „Wij hebben hier een goeden gijzelaar tegen die wraak. Als hij op den Ravenhorst een vuur ontsteekt, zullen wij hem het gebraad leveren, door het lichaam van zijn geliefden pleegzoon.”

„Heil onzen dapperen Jarl! Ik drink dezen hoorn op de vervulling van zijn belofte!” barstte, onder schaterenden bijval Sven los.

Vrouw Sigrid wendde haast onmerkbaar het hoofd naar zijn zijde.

„Ga voort! Een enkel woord ter rechter tijd is meer waard dan een redevoering.”

Hij bewoog veelbeteekenend de oogleden en weer klonk zijn harde lach:

„’t Is beter den eersten slag toe te brengen dan hem af te wachten, mijn Jarl. Gij hebt Unruoch in uw macht, waarom stelt gij hem niet ten voorbeeld aan uw tegenstanders? Dat brengt er den schrik in.”

„En de speerknechten en boogschutters van bisschop Ansfried voor den Ravenhorst. Hij houdt ze in goede tucht en de sterkten, die hij bouwt om het Sticht te beveiligen tegen de invallen der Denen, -- ha, ha! -- vermeerderen met ieder jaar.”

„Men beweert zelfs, dat ook op den Hohorst een wachttoren zal worden opgericht, stellig om den Ravenhorst te beheerschen. De Hohorst ligt hooger en is onbereikbaar door de drabbige Eem en het moeras aan den anderen kant.”

Rolfr Jarl stiet een verwensching uit. Zijn oogen flikkerden dreigend. Angstig kwam Swanwitha naderbij.

„Zeggen is gemakkelijker dan doen,” hitste hem nu de stem op van vrouw Sigrid.

„Een lafaard brengt het soms verder dan een held. Terg daarom den bisschop niet. Hij is de heer van den ganschen omtrek hier. Gij niet. Bloedig zou hij zich wreken, vooral nu keizer Otto hem heeft beleend met de bezittingen van graaf Walger.”

„Ik zal er hem gelegenheid voor geven!” schreeuwde de Jarl, rood van drift. Zijn vuist beukte de tafel, kannen en bekers vielen om.

„Ik zal toonen, dat ik evenmin een lafaard ben, als vergelding vrees. Peer en Lars” -- tot twee speerknechten; zij hielden de wacht bij de deur -- „brengt den gevangene hier en zorgt, dat er op het lage hof een vuur wordt aangelegd.”

„Grootvader, heer grootvader! Heb mededoogen, denk aan uw belofte! Wees rechtvaardig, als gij zelf rechtvaardigheid van Odin verwacht!”

Met saamgeklemde handen en van angst vertrokken mond stond Swanwitha voor hem, ook Olaf zag hem aan verbaasd, niet begrijpend.

„Ja, hem zal ik laten boeten voor de kuiperijen van dien graaf van Teisterbant!” Dreigend klonk opnieuw de stem van Rolfr Jarl, toen hij zich tot Olaf wendde.

„De Hohorst was met de omliggende heide, moeras en het eiland, dat wordt gevormd door de Eem, opnieuw vervallen aan het rijk, door den dood van zijn bezitter, die zonder erfgenamen stierf.

Beiden -- Ansfried de christen en ik, de Noorman, verzochten het land in leen van den keizer en heer Otto schonk het den bisschop. Thans sticht die er een kerk met een klooster, waaruit hij zijn leer wil laten verspreiden door zijn zendelingen, hier, in dezen verwilderden uithoek, gelijk hij mijn bezittingen durft noemen.

Voorwaar hij heeft den eersten slag toegebracht, niet ik. Ik oefen slechts vergelding als ik mij wreek!”

Een ijskoude glimlach speelde om zijn lippen. „Ik begin een grooten strijd, maar ik zal zegevieren,” spraken zij overmoedig.

Zou hij dat waarlijk? Hij streed in eigen kracht, voor eigen, zelfzuchtige plannen.

Maar nu werd een jonge man binnengevoerd, wien boeien de polsen omsloten, doch die het hoofd hield opgeheven. Kleurloos echter werd zijn gelaat toen hij Swanwitha zag, getooid met den krans van maagdenpalm, aan de zijde van een vreemde.

Vrouw Sigrid bemerkte het, zij wenkte haar kleindochter.

„Volg mij naar het vrouwenvertrek. Als de mannen recht spreken behooren de vrouwen zich te verwijderen.”

„Recht?” Vol afschuw werd dit woord herhaald. Toen klonk het vast:

„Ik blijf.” En met een zonderlingen nadruk: „Het is heden mijn verlovingsfeest.”

Vrouw Sigrid kende dien toon, zij had hem nog eens gehoord, lang te voren. Zij drong niet verder aan. Met saamgeperste lippen in het strak gelaat liet zij haar oogen door de hal glijden. Rolfr Jarl wendde zich tot den gevangene, op wien hij neerzag onvermurwbaar, hard. Recht noch plicht zouden invloed op hem bezitten, om het vonnis, dat hij ging uitspreken, te verzachten.

„Gij zult alles ontkennen waarvan gij wordt beschuldigd, dat verwacht ik niet anders,” ving hij aan.

Unruoch had zich hersteld. Onverschrokken, zich zijn goed recht bewust, stond hij voor den geduchten Jarl.

„Wie zonder oorzaak gevangen werd gehouden, kan ook zonder reden worden veroordeeld.”

Bedaard klonk zijn antwoord, met over de borst gekruiste armen richtte hij den blik vast op zijn aanklager.

„Gij hebt mij eerst naar ’t leven gestaan en toen gij dit moest boeten in den kerker, beproefd mijn kleindochter te onttrekken aan mijn gezag. Ontken, dat gij haar hebt willen overhalen met u te vluchten. Gij zijt gevonden in het vrouwenvertrek.”

De leugen was hier zoo behendig gekleed in ’t gewaad der waarheid, dat Unruoch verward een oogenblik zweeg. Een rilling, die niets gemeen had met de siddering der vrees, ging door zijn gansche gestalte.

„Ik heb gehandeld uit zelfverdediging, toen ik met u streed,” ving hij aan. „Aanvaller was ik niet.” Toen zweeg hij.

Rolfr Jarl lachtte spottend. „Rein als versch gevallen sneeuw, ik heb het reeds voorspeld. Blank en argeloos, in ieder opzicht. Welnu, ik verheug mij met u, dat gij onschuldig wordt beticht. Onschuld is immers een harnas waarop alle pijlen afstuiten.”

Met geweld bedwong Unruoch zich. Meedeelen wie hem zijn vlucht mogelijk had gemaakt, zou Swanwitha bloot stellen aan iedere verdenking. Hij zweeg. Uit de aanklacht van den Jarl begreep hij, dat deze hem wilde veroordeelen.

„Waarom zal ik mij verzetten tegen een vonnis, dat reeds is geveld? Doe wat u goeddunkt,” sprak hij kalm. Hij zou haar, die hem haar trouw beloofde, om die te schenken aan een ander, geen wond toebrengen, dieper dan het vlijmendste zwaard kon slaan.

Opmerkzaam had Olaf ieder zijner bewegingen gevolgd. Nu trad hij toe op den Jarl.

„Ik houd hem niet zoo schuldig als hij schijnt. Zou het niet beter zijn deze ondervraging op te schorten? ’t Is heden feest.”

Geërgerd zag Rolfr hem aan:

„Gij hebt gelijk. Ik zal een betere ondervraging aanwenden.”

Hij wendde zich tot de beide speerknechten, Unruochs wachters.

„Brengt hem naar den beul, laat hem folteren.”

Een driedubbele uitroep weerklonk.

Met een blik, gloeiend van verontwaardiging strekte Unruoch de hand uit:

„Meent gij mij tot een misdadiger te kunnen maken door mij als een misdadiger te behandelen? Wees voorzichtig: uw vonnis zal op u zelven terugvallen. Gij kunt mij martelen, dooden zelfs, maar een vonnis door haat geveld, onteert niet.”

Bevend van toorn en verachting rustte zijn blik op Rolfr Jarl, iedere ader op zijn voorhoofd was gezwollen, vlammend rood en doodelijk bleek wisselden af op zijn trekken. Rolfr balde de vuist in stilte.

„De foltering zal uw tong minder los maken,” beet hij hem toe.

„Maar ik zal haar eerder afbijten dan een schuld bekennen, die ik niet beging. Gij hebt mij naar ’t leven gestaan, mij zonder een schijn van recht geworpen in uw kerker, gij moest hier staan op mijn plaats als beschuldigde en indien er dan een veroordeeling werd uitgesproken, zou het een rechtvaardig vonnis zijn.”

Slechts een enkele kreet van woede uitte Rolfr, een kreet snijdend als een mes. Toen hief hij de hand op:

„Naar de pijnbank met hem.”

Maar Swanwitha’s gloeiende vingers omklemden zijn bevelend uitgestrekte hand.

„Heb medelijden, wees rechtvaardig, laat hem vrij of ik beken zelf een schuld, die ik nooit beging.”

Hij stiet haar van zich, hij schopte haar met den voet.

„Uit mijn oogen of ’k laat u van den omloop van den toren werpen.”

Overredend, ernstig klonk de stem van Olaf aan zijn andere zijde:

„Gij kunt hem breken, buigen niet: hij bezit de kracht van het recht. Laat hem vrij.”

Rolfr Jarl werd wit van drift.

„In uw eigen belang geef ik u thans den raad: matig u! Nog zijt gij hier geen heer en meester. Als gij u tegen mijn wil verzet, wordt gij dit nooit.”

Olaf haalde de schouders op met een gebaar van minachting, dat Rolfr bijna razend maakte.

„Ik zal nooit op bevel goedkeuren wat slecht is en laag.”

Vrouw Sigrid trad naar voren.

„Wat beduidt al dat geredetwist? Alleen het feit, dat die knaap onze goden vervolgt, maakt hem reeds des doods schuldig. Behoort hij niet tot de ridders van den bisschop, was hij niet meer dan eens -- dat weet gij allen -- de aanvoerder der soudenieren, die werden uitgezonden om „de overblijfselen van het heidendom uit te roeien”, naar het woord luidt der christenpredikers, als zij soms, in een verborgen schuilhoek van het woud, nog enkele landbewoners, die den goden getrouw bleven, geknield vinden bij een gewijde, in de schaduw van den heiligen esch murmelende bron?”

Het opzweepend woord viel in goeden grond:

„Hij moge het eerste voorbeeld zijn, voor al de christenen, die hem zullen volgen in den dood! Weg met de aanbidders van den bleeken Gekruiste! Zij varen naar Hel!”

In wilden roes herhaalde Olafs gevolg, met de Denen, die in dienst stonden van Rolfr Jarl, deze wilde wraakgelofte. Sterk gevoelden zij zich door hun aantal en de Vikingervloot naderde de kust.

„Ter dood met de christenen! Weg met bisschop Ansfried!”

Het wreede woord vond een holle echo in de muren der hal, de zwaarden kletterden tegen de schilden, de speren werden geschud. Plotseling verstomde het oorverdoovend geraas, dat Swanwitha ijskoud worden, vrouw Sigrid welgevallig glimlachen deed. De deur was niet achter Unruoch gesloten, thans ging zij geheel open, niemand der aanwezigen sloeg er te midden der wilde opwinding acht op, eer zij den man zagen, die zijn naam hoorde uitstooten in doodelijken haat, die in den kring trad zijner vijanden, kalm als de rots te midden der schuimende zee.

Was het geen waan, geen zinsbegoocheling; stond hij daar inderdaad, van wiens wijsheid en macht over de harten wonderdadige verhalen de rondte deden, dien enkele tientallen vreesden maar honderden vereerden en liefhadden? Zilveren lokken golfden hem over de schouders in weligen overvloed, zijn oogen gleden door de hal en bleven toen rusten op den heer van den Ravenhorst, die de zijne afwendde bij dien ernstig waarschuwenden blik.

„Het is goed, dat ik thans hier ben gekomen, niet later. Ik dank mijn God, die het juiste oogenblik voor mij koos.”

Rustig en waardig klonk de stem van den kerkvorst der christenen, als een koraal, dat het bruisen overstemt der kokende branding. En ook hier verstomde het oorverdoovend rumoer, onwillekeurig luisterden allen zwijgend, toen hij voortging:

„Heden morgen klopte ik aan de poort van uw kasteel, Rolfr Jarl, ik vroeg u te spreken.

„De Jarl heeft thans geen tijd. Hij jaagt met zijn gasten,” werd mij geantwoord.

Ik keerde terug toen de middaggloed den zilveren ochtendnevel had weggevaagd en verzocht om een onderhoud.

„De Jarl heeft heden geen tijd, hij viert het verlovingsfeest zijner kleindochter,” luidde het wederwoord van den schildwacht. Ik wachtte tot de avondschaduw zweefde boven de toppen der dennen, toen drong opnieuw door het poortwinket mijn vraag:

„Leid mij tot uw heer.”

En als een donderslag klonk mij in de ooren:

„Wacht tot morgen, dan ziet gij hem bengelen aan den Noorderboom, over wien de Jarl thans recht spreekt.”

Toen dacht ik aan Simson en hoe op zijn gebed voormalige reuzenkracht hem werd hergeven. Ik bad als hij en het was of ook mij werd ingestort duizendvoudige kracht. Mijn hand greep het winket der kleine zijpoort, het slot week terug en toen het knarsend opensprong wist ik ook mijn gebed verhoord.

Thans vraag ik echter u, Rolfr van den Ravenhorst, komt het u toe, een onschuldige te vonnissen op deze wijze?”

„Redder uw eigen zaken, bisschop van Utrecht, en gun mij dezelfde vrijheid.”

Schamper klonk het honend woord, waardig de weervraag:

„Wien dacht gij ’t meest te treffen, Unruoch of mij? Ik weet, dat gij treffen kùnt.”

„Ondervind dat opnieuw.”

Rolfr hief zijn zwaard op tot een slag. Een blik vol verachting, afkeer en ontsteltenis deed zijn arm weer zinken. Bisschop Ansfried had hem niet met woorden gewaarschuwd, alleen met een blik, waarin verontwaardiging beelden en schimmen opriep, ontzettende gebeurtenissen hem terugvoerend naar het ver weleer.

Naar den tijd toen zij beiden jong waren en bloedsbroederschap dronken aan het schitterend hof van keizer Otto den Groote....

Het was een dure, onverbrekelijke eed, dien zij aflegden en Rolfr schond haar.

Dreef die wetenschap hem het bloed naar de slapen of bestond daar nog een andere oorzaak?

Herinnerde hij zich een donkeren, stormachtigen nacht en las hij in den blik van den grijzen kerkvoogd, dat hun gedachten elkaar ontmoetten, de eene vol zieleleed, de andere vervuld van ’s levens grootste misdrijf: de schuld?

„Mené, Mené Tekel Ufarsin!” De stem van den bisschop ging door merg en been bij deze woorden en het was Rolfr of alle aanwezigen begrepen, allen, allen.... Of begrepen zij alleen het zwijgend gebaar, waarmee de spreker omhoog wees, omhóog en voelden zij de tegenstelling met het tooneel, dat hen omgaf. Rolfr Jarl, die zijn kleindochter huwde door dwang aan een onbekende, ter bereiking van eigen plannen, die haar, getooid met de bruidskroon, dwong tegenwoordig te zijn bij het doodvonnis, dat hij uitsprak over hem, dien zij lief had....

Neen, nog een ander gevoel sprak uit de bleeke, ernstige trekken van den man, die voor hen stond, niet in het statig gewaad, dat het hoofd der christenkerk voegde in zijn land, maar in het eenvoudige, zwarte ordekleed, dat hem niet onderscheidde van den minste der broeders, die als hij, in dienende liefde hun liefde wilden toonen voor den Heer. Niet den kromstaf hield hij opgeheven als wilde hij hen, die iederen hoogeren band verachtten, dwingen onder zijn gezag, maar zijn hand wees omhoog, en zijn mond sprak de woorden, die zij eenmaal zouden hooren van hun Eeuwigen rechter, indien zij niet de boeien braken, die hen kluisterden aan wat vergankelijk was als hun vluchtig aardsch bestaan.

Zoo machtig was de uitdrukking van bisschop Ansfrieds door veel leed, door veel gebed gewijde trekken, dat zelfs het minste gerucht zweeg. Doodelijke stilte bleef heerschen in de hal, waar slechts enkele oogenblikken vroeger de wanden dreunden van de instemming waarmee het vonnis, over Unruoch uitgesproken, was herhaald.

Ook Rolfr Jarl stond met starende oogen, die in het verleden zagen, wanneer zij rustten op den grijzen kerkvoogd, wiens tegenwoordigheid het vernietigend oordeel was over zijn daden. Hij beproefde te spreken, hij wilde zijn trots hernemen, en zijn bevelende houding; geen geluid drong over zijn droge lippen: Want hij hoorde het loeien van den storm in den donkeren nacht, lang, heel lang geleden. Hij hoorde het knetteren der vlammen, die lekten naar de krakende balken van een hechten burcht, hij vernam den gil vol doodsangst eener vrouw....

En te midden der stemmen uit het weleer, hoorde hij die van den bisschop kalm doch beslist:

„Unruoch, volg mij. Niemand hier heeft het recht u te kerkeren of te vonnissen.”

Een gebiedende wenk beval den speerknechten hem vrij te laten en zij gehoorzaamden, bedwongen door zijn zedelijk overwicht. Een rauwe kreet sneed door de ruimte als een mes.

„Vrij? Ik gelast u: grijpt beiden! Werpt ze in het verlies onder den toren, den graaf van Teisterbant en zijn gunsteling!”

Wel dwaalde nog Rolfr’s geest in het verleden, terwijl hij voor het heden zijn bevelen gaf. Een slag van zijn zwaard, dat hij nooit ontgespte dreef de speerknechten voort.

„Grijpt ze!”

Een flauwe gil ontsnapte Swanwitha’s lippen, met oogen donker van angst zag zij hoe het bevel werd gehoorzaamd.

„Doode honden bijten niet,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wist hoe verstikkend de lucht was in het onder de waterlijn gegraven verlies. Een nieuwe opschudding ontstond, een kloeke gestalte wierp zich voor de beide gevangenen, als wilde hij ze beschermen met eigen lijf. Met bronzen klank dreunde de stem van Olaf:

„Ik eisch de vrijheid dezer beide mannen. Gebiedt niet Odin zelf: „Eerbiedig den vreemdeling, die uw hal betreedt”? Is wat gij thans oefent Noormannenrecht?”

„Olaf Erikson, gij oordeelt, waar gij niet begrijpt.”

„Ik begrijp, dat Odin zich zal wreken op u, die de wetten der vaderen, het recht van den vreemdeling met dat der gastvrijheid schendt.”