Toen de duisternis dreigde...

Part 5

Chapter 53,987 wordsPublic domain

Hij haalde diep adem en strekte de handen uit als wilde hij een visioen afweren, dat hem voorbijtrok, een visioen van bittere, brandende smart. Toen hernam hij dof:

„Waartoe nog meer? ’t Is zoo gewoon, zoo alledaagsch wat ik heb te zeggen. Verwoesting en dood zijn overal in dit land, sinds twee eeuwen bijna, sedert twee eeuwen! Ook in Wiedelham vonden wij slechts verkoolde lijken en smeulende puinhoopen, maar ook”....

Hij hield de hand voor de oogen, te sterk, te machtig werd de herinnering.

„Frethibold houd op! Ik weet immers uw groot, gróot leed. Wees stil. Laat ook uw ziel dit zijn -- stil in God. Denk aan het woord van een, zwaar beproefd als gij:

„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd.”

„O, kon ik dat zeggen, kón ik dat! Als ik nog slechts de verkoolde overblijfsels had mogen vinden van mijne vrouw, van mijn kind. Maar niets, niets dan rookend puin, smeulende balken, wolken van smook, grauwe sintels. Ik zocht, zocht vele dagen lang, ach, een puinhoop was mijn huis, evenals voortaan mijn leven, een puinhoop van verwoest geluk....”

„Frethibold, God weegt niemands last te zwaar. Buig u voor Zijn wil. Gij zondigt, als gij zoo spreekt. Het leven is geen geluk, het is plicht. Wee hem die in opstand komt tegen het lot, dat God hem geeft!”

„Plicht! Een ander begrip voor staal en ijzer. Kan dat het gemis, de ontbering vergoeden? O, waarom, waarom liet God zooveel leed over mij komen? Waarom?”....

„Gods wegen zijn niet onze wegen. Hoe menigeen werd door leed en beproeving dichter gebracht tot Hem.”

„Ik vergat Hem niet te midden van mijn geluk.”

„Maar hebt gij toen ooit gevraagd, waarmee gij zooveel zegen hadt verdiend, waarom gij zoo gelukkig waart? En nu in smart en zielsverdriet twijfelt gij aan Gods liefde en vraagt gij: „Waarom dit?”

„Ach, vergeef mijn wanhoop! De zielsellende brandt in mijn binnenste als een schroeiende vlam!”

„Vraag niet mij vergeving, maar aan God. Uw geluk naamt gij aan uit Zijn hand zonder vragen, aanvaard thans zonder morren uw kruis. „Gij zult het na dezen verstaan.” Denk aan dat heilige woord, Frethibold. Het zal u rust geven en berusting: „ná dezen.”

Een flauwe glimlach verhelderde Frethibolds droevige trekken.

„Na dezen! Wie weet hoe spoedig dat is!”

Thans kwam een ernstige uitdrukking in den vriendelijken blik van bisschop Ansfried, toen hij waarschuwend sprak:

„Frethibold, zwijg tot mij over deze dingen. Ik acht het godslastering. Gij weet, dat er geschreven staat: „Deze dag en die ure weet niemand.”

„Maar, heer bisschop, door de gansche menschheid gaat thans het gerucht, dat de wereld zal vergaan, nog dit jaar, in den St. Jansnacht. En hoeveel geestelijken gelooven het ook en vermanen de leeken tot boete en bekeering?”

„En met hoeveel bijgeloof is thans reeds bijna overal het Christendom vermengd. Wie houdt zich nog aan het Evangelie, zooals de Apostelen ons dat nalieten? Menschenwoord en menschenleer verdringen bij velen, bij de meesten, het woord van onzen Heer.”

„Deze dag en die ure weet niemand,” herhaalde Frethibold zacht en een zucht ontsnapte hem. Was hem het leven zwaarder dan de gedachte aan den dood?

Met bezorgdheid zag de bisschop hem aan.

„Frethibold, gij mijmert te veel, het maakt uw gedachten ziek. Gij hebt het volle leven noodig, het leven van daden. Gij vergeet dat te veel. Tot gouwgraaf van het Bovensticht benoemde u voor weinig weken de keizer en waaraan denkt gij meer? Aan uw eigen zorgen of aan die van uw gewest? Zijt gij daarvoor uit het klooster te Prüm, waar gij in afzondering leefdet, hier terug gekeerd?”

„Ach laat mij mijn rust, rust!”

„Dat is voor u de dood. Houd de lampen brandende! Ook u wenkt een ruim arbeidsveld. Zie om u heen. Er is veel te doen in uw gouw. Leef voor anderen. Waarom stichtte ik hier een kerkgebouw, hier op den Hohorst, waar eens de offervuren vlamden voor Wodan en Donar? Waarom bouw ik er thans een ordehuis naast?” Hij wees met de hand naar het dennenbosch, dat glansde smaragdgroen in den zonnegloed. -- „Ziet gij tusschen de boomstammen die hooge tinnen schemeren? Daar ligt de Ravenhorst. Hij beheerscht deze gansche landstreek en de geest, die van hem uitgaat, strekt tot ieders verderf.”

„Hoezoo?”

„Zijn eigenaar is trouw aan de goden zijner Noorsche voorvaderen, gezworen heeft hij zelfs hun eeredienst opnieuw te maken tot de heerschende en, hebben mijn geheime boden mij wèl onderricht, dan is de tijd niet ver meer, waarop hij zijn doel hoopt te bereiken, door het zwaard der Denen.”

„En, dat zegt gij zoo kalm!”

„Wie kan beter maatregelen nemen tegen een dreigend gevaar, hij die zich opwindt of die het rustig onder de oogen ziet en intijds tracht in te grijpen?”

Frethibold boog het hoofd, de bisschop vervolgde:

„Deze geheele landstreek wordt geregeerd door overmacht en geweld. ’t Zijn meest hoorigen van den Ravenhorst, die hier wonen en de weinige vrijen zijn genoodzaakt het gezag te dulden van zijn eigenaar; meer dan eens vonden zij bij een inval der Denen een toevlucht op zijn burcht. Dáár waren zij veilig; waarom begrijpt gij. Doch de christenen werden gedwongen hun geloof te verzaken of dit tenminste niet meer openlijk te belijden. Zoo ontstond er in dit geheel gekerstende land een streek waar onverschilligheid heerscht of bijgeloof, naast den dienst der vroegere goden. En om dit wangeloof te bestrijden verzocht ik van keizer Otto den Hohorst met het omliggende land in leen. Het was teruggevallen aan het rijk door den dood van zijn laatsten eigenaar. Thans echter reken ik op uw steun. Gij moet mij helpen met uw zwaard en gezag waar ik trachtte het Evangelie te brengen aan deze door den geweldigen druk van Rolfr Jarl geheel verwilderde landbewoners.” Tot antwoord slaakte Frethibold een kreet, die door merg en been ging.

„Rolfr Jarl! Hij was het, die Wiedelham deed opgaan in vlammen! Hij vermoordde mijn vrouw en mijn zoon, verkeerde mijn huis in een puinhoop, hij brak mijn leven! O, bind geen strijd aan met hem! Gij kent hem niet, zooals ik! Uw haar deed hij niet vergrijzen in leed, hij brak niet u het hart!”

Neen, klaarblijkelijk kende de grijze kerkvorst den woesten Noorman niet. Alleen zijn gelaat was zeer bleek geworden, toen hij den naam uitsprak, dien menigeen deed vergezellen van een vervloeking.

Stil vouwde hij de handen, in zijn borst klonk het:

„Leid mij niet in verzoeking, Heer! Hij heeft reeds zooveel te dragen; laat mij zijn last niet vergrooten, door hem deelgenoot te maken van mijn leed!”

Beiden stonden zwijgend vele oogenblikken en hun hart was als lood in hun borst, terwijl zij zagen hoe de zon glansde aan de blauwe lucht en hun bittere gedachten dwaalden in den nacht van hun weleer.

Op geringen afstand van den rozelaar, die zijn geurige twijgen strengelde boven hun hoofd, werd intusschen de bouw van bisschop Ansfrieds „zendingshuis” met kracht voortgezet. Balken werden opgeheschen, hamerslagen klonken, planken werden gezaagd, Opeens verstomde het gedruisch. Wat was hiervan de oorzaak? Geen hamerslag op de tusschen twee palen onder een afdak hangende klok zonder klepel, kondigde immers nog het rustuur aan?

Maar een bootje dreef over de klare golven van de Eem; twee vrouwelijke, dichtgesluierde gestalten stapten aan wal en beklommen den heuvel. Was hun komst de oorzaak der heerschende stilte? Het was zulk een ongewone gebeurtenis in dezen kring!

„Zou het mij vergund zijn den bisschop zelf te spreken, slechts één oogenblik?” fluisterde de jongste tot den gezel, die naar voren trad, in schootsvel en camizool, de bijl nog in de gespierde vuist. Hij schudde het hoofd:

„’t Zal niet gaan, denk ik! Wie zijt gij? Hoe moet ik u aandienen?”

„Ik -- neen, dat kan niet.... Dan”.... Gejaagd trok zij een kleine perkamentrol te voorschijn, toen hernam zij -- de sluier kon niet geheel haar blos verbergen:

„Geef den bisschop dit en dan.... Wij mogen hier toch zoolang wachten tot gij antwoord brengt?”

Hij knikte zwijgend en ging.

Weinige oogenblikken later voerde bisschop Ansfried beide vrouwen terzijde. Bevrijd van nieuwsgierige blikken sloeg zij die ’t eerst had gesproken nu haar sluier op en thans kwam in de oogen van den grijzen kerkvorst dezelfde uitdrukking van zieleleed, die hem had doen huiveren voorden blik van Frethibold.

„God, geef mij kracht en help mij!” Zijn lippen beefden, maar hij ontving de kracht zijn gedachten te bewaren in zijn hart.

„Wat zoekt de kleindochter van Rolfr Jarl hier?” vroeg hij kalm.

In weinig woorden verhaalde Swanwitha van Unruochs gevangenneming, smeekte zij om zijn tusschenkomst: „De poort blijft gesloten, bewaakt wordt de hof, want zijn vlucht is ontdekt.... Ieder oogenblik kan hij worden gevonden.... O, help daarom; gij alleen kunt het!”

Tranen stroomden haar uit de oogen, een snik brak haar woorden. Maar de bisschop schudde het hoofd:

„De Ravenhorst heeft hooge wallen en een dubbele gracht. Rolfr Jarl laat geen gevangene vrij en vluchten is onmogelijk. „Wie daar boeien draagt wordt alleen verlost door den dood,” beweert ieder hier in den omtrek, eigenhoorige of vrije. Wat zal ik, een ongewapend, bejaard man dan vermogen?”

„O, heer, heer!”....

„Noem niet mij zoo, geef dien naam den Eenige, die hier kan helpen.”

„Wie is dat? Wie h----?”

„Dat is de Heer, die den menschen het leven schonk en hun lot houdt in Zijn hand. God alleen kan uitkomst geven in dezen nood.”

Zij hoorde niet meer, zij vouwde de handen. Half verstikt door een nieuwen tranenvloed, fluisterden haar lippen:

„O, goede God, geef redding! Gij alleen hebt er de macht toe! Ik voel, dat het zoo is!”

Het was Swanwitha of zich iets ontspande in haar ziel, een groote rust kwam over haar, de radeloosheid week, het scheen haar een wonder en opnieuw was het een gebed, dat zij stamelde.

Bisschop Ansfried zag het met aandoening, niet alleen om den zielsangst, die uit haar woorden klonk.

„Mijn dochter,” sprak hij zacht, „thans in angst en ellende hebt gij God gezocht, vergeet Hem niet als Hij uw smart verkeert in vreugde.”

„Neen, o, neen! Nooit meer! Dat beloof ik!” Toen hernam zij snel en aarzelend:

„Het gaf mij zulk een rust. Ik voelde, dat de God van mijn moeder mij hoorde en mij heel nabij was, al schijnt” -- zij wees omhoog -- „Zijn hemel ook ver.”

„Houd Hem vast, mijn kind” -- hoe beefde zijn stem bij dat woord! -- „en alle onrust zal van u wijken en ook in leed en nood zult gij zielevrede kennen, want „daar blijft een rust over voor het volk van God.”

Gewillig legde zij haar hand in die van den grijzen dienaar van het Evangelie, wiens trekken opnieuw werden geteekend door een ontroering voor woorden te groot, toen hij die trillende vingers in de zijne hield.

„Ga nu, Gisela,” hernam hij haastiger dan zijn gewoonte was.

„Gisela! Zoo heette mijn moeder. Ik”....

Hij streek zich met de hand over de oogen als ontwakend uit een droom, die hem terugvoerde in het verleden, het verre weleer. Met moeite herstelde hij zich:

„Gij moest nu gaan, mijn”.... Weer zweeg hij een oogenblik. „Ik volg u, zoo spoedig het mij mogelijk is. Beproeven wil ik wat ik kan doen, met Gods hulp.”

Toen zij den heuvel afgingen en de kleine boot bestegen, die hen naar den overkant bracht, vroeg Witha haar gezellin:

„Waarom zou de bisschop mij Gisela hebben genoemd?”

Siva zweeg en zag haar aan met een raadselachtigen blik.

HOOFDSTUK VII.

„O, Siva! Siva!” Swanwitha drukte zich angstig tegen haar voedster aan, en deze, even verschrikt als zij zelf, trachtte haar te bemoedigen.

„Stil maar kindje! Stil! ’t Zal wel gaan!”

Want zij zagen zoowel den buiten- als den binnenhof van den Ravenhorst vol gewapenden. Rolfr Jarl bevond zich onder hen en doorpriemde de beide vrouwen met zijn toornigen blik.

„Volg mij!” beval hij zijn kleindochter, en op Siva wijzend, tot twee hoorigen: „Haar twintig stokslagen.”

„Ach, heer grootvader! heb medelijden!” smeekte Witha in snikken losbarstend. Twintig stokslagen! Dat was de dood voor de zwakke, bejaarde vrouw. „Volg mij!” beval nogmaals de Jarl en zich zelve vergetend fluisterde Siva weer:

„Stil maar kindje, ’t Zal”....

In een snik smoorden ook haar woorden. Als voortgedreven door het dreigend wenkbrauwfronsen van den Jarl, volgde Witha hem met slependen tred.

Plechtige orgeltonen waren tot haar doorgedrongen uit de kleine kerk op den Hohorst. Vredeademend, rust schenkend ruischten zij haar nog in de ooren. Thans werden die klanken verdrongen door woorden, vernederend en hard, het was of de wanden der holle hal die snerpende verwijten weerkaatsten met wreeden nadruk.

En ijskoud voegde vrouw Sigrid toe aan den woordenvloed van den Jarl: „De vrouwen uit ons huis waren steeds de eer van ons geslacht, gij echter zijt zijn schande.”

Verward, verschrikt sloeg Swanwitha de oogen neer. Voor zij een antwoord vond vervolgde de Jarl: „Gij verdient niet langer den naam te dragen der fiere schildmaagd, Swanwitha! Bezoedeld zijn uw blanke vleugelen voor altijd.”

Een gevoel van wanhoop en bitterheid overstelpte haar.

„O, houd op! Zeg dàt niet! Het was alleen”....

„Om mij te honen, te tergen, niet waar? ’t Zal u daarom niet zeer aangenaam aandoen te vernemen, dat uw fraaie plannen zijn verijdeld. Wat meer zegt: Unruoch voor wien gij uw naam hebt bevlekt zal boeten met zijn dood, gij met uw leven.”

Zij wrong de handen:

„O, genade, genade voor -- hem!”

Donker en dreigend werd de stekende blik van vrouw Sigrid; zij gaf haar man een wenk. Deze knikte toestemmend. „Waanzinnig kind, volg mij,” beval zij. Zwijgend gehoorzaamde Swanwitha. Alleen haar gejaagde ademhaling bewees de spanning, waarin zij verkeerde.

Maar het witte kleed met wijde, loshangende mouwen, de gouden gordelband en de kroon van maagdenpalm, waarvan een fijne sluier afgolfde, die zij gereed zag liggen in het vertrek harer grootmoeder, deed die ademhaling bijna geheel ophouden. Zij wist, wie zulk een gewaad droeg, wist wat het beteekende toen, op een kort bevel der strenge gebiedster, een lijfmaagd haar dit kleed over de schouders wierp.

„Grootmoeder.... Wat!”....

Vrouw Sigrid hief de hand op, bevelend. „Gij hebt het recht mij met dien naam te noemen verbeurd. Wacht af of ik u ooit die eer weer waardig keur.”

Hooghartig, ijskoud klonk het. Zeer stil werd het in het vertrek, maar buiten dreunden hamerslagen; flauw drong de nagalm door de zware muren. Er werd een nieuwe galg opgericht, in den zonneschijn van den lachenden, klaren dag en daarop zou door een enkelen ruk van het roode beulenkoord worden afgesneden een jong, krachtvol leven. Witha’s gelaat werd even wit als de sluier, die haar omgolfde. Onderzoekend zagen de koele oogen van vrouw Sigrid haar aan.

„Dat” -- zij wees naar buiten -- „kondigt het einde aan van den deelgenoot uwer schuld. Zoudt gij hem echter redden als het in uw macht stond?”

Swanwitha’s blikken spraken, haar bevende lippen zwegen, zij kònden de beslissing niet uiten over leven en dood.

„Hij zal vrij heengaan, als gij er in toestemt nog heden de bruid te worden van Olaf Erikson,” hernam vrouw Sigrid even stroef.

Swanwitha opende de oogen wijd.

„Dat kan ik niet, nooit!”

„Het moet!” Scherp als een ijsvlaag sneed de koude stem. Witha richtte zich op, hoog; krampachtig trokken haar handen.

„Vraag dat niet! Dàt kan niet!”.... Zielsangst brak haar woorden, bijna onverstaanbaar stierven de laatste klanken weg. En weer rustte de koude, stekende blik op haar, die haar denkkracht verwarde, haar wil verlamde. „Gij hebt geen wil, onmondig kind. Rolfr Jarl heeft bevolen en gij gehoorzaamt.”

„Liever sterf ik!”

Vrouw Sigrid zweeg eenige oogenblikken, toen hernam zij, en haar toon duldde geen verzet, -- zij wist, dat zij nu haar laatste middel aangreep:

„Eer Unruoch zijn vonnis ontvangt aan den Noorderboom, zal hij worden gegeeseld met taaie roeden. Volgens den uitdrukkelijken last van Rolfr Jarl, zoo zwaar beleedigd door hem, zoo diep gekrenkt door u, zal het voor hem gelden „huid en haar.”

Een kreet van ontzetting wrong zich door Swanwitha’s keel. Glasachtig werd de blik harer oogen. O, dat wreede, wreede vonnis....

Erger was het dan de dood! Zij kromp ineen als hoorde zij reeds de zwiepende slagen, als troffen zij haar zelve.... Zoo menigeen stierf onder die strafoefening, een der wreedste van haar wreeden tijd. Rood wolkte het voor haar oogen. Zag zij Unruochs bloed reeds vloeien, deed dit haar ineenzinken met een kreunende klacht?

En terwijl zij neerlag als wezenloos, half verdoofd, siste het in haar ooren:

„Liefhebben kunt gij hem, maar uw eigen wenschen opofferen om zijn leven te redden -- dát kunt gij niet. Uw liefde is zelfzucht. Een zwak, verachtelijk wezen zijt gij.”

Swanwitha steunde van angst. Nu werd het doodsoordeel over haar uitgesproken, over wat in waarheid léven mocht heeten in haar bestaan. Want hoe zou Unruoch haar beoordeelen als hij haar de bruid wist van een ander? En het eenige middel om hem te redden was het -- haar vonnis. Zij aanvaardde het moedig en zelfvergeten. Er wàs geen andere uitweg. „Zeg hem nooit wat hem de vrijheid hergaf en ik ben bereid mij te voegen naar uw wil,” sprak zij nauw hoorbaar. Vrouw Sigrid knikte welvoldaan, een lijfmaagd werd door haar naar den Jarl gezonden, met een kort bericht. Het meisje haastte zich heen, maar een rilling liep door haar leden, toen zij haar jonge meesteres zag in het gewaad der bruid.

Vrouw Sigrid was onverschrokken als geen van haar geslacht. Haar hand drilde de jachtspriet even vaardig als de meest geoefende jager. Zij kende vrees noch mededoogen, doch eens hadden beide haar getroffen. Het was op een jacht waar het gold „haar met haar.” Een door haar pijlschot getroffen ree wilde zij den genadestoot geven. De honden hingen reeds aan den hals van het gemartelde dier. En toen zag dit haar aan met een blik in de stervende oogen, die haar deed terugwijken, verschrikt, ontroerd.

Thans zag zij dien blik ten tweeden male -- in de oogen harer kleindochter. Zij sprak geen enkel woord, doch ging haar voor naar de hal, maar afgewend bleef haar gelaat.

En in de hal waren toebereidselen gemaakt voor een feest. Daar was met versche biezen de vloer bestrooid, -- onfeilbaar middel om de nadering af te weren van booze geesten -- daar waren de pilaren omvlochten met frisch eikenloof. Zilver snarenspel ruischte. Naast Harald, den grijzen Skald van Olaf Erikson, had een rij van jonge knapen in gefriesde lijfrokken en roode hozen, zich opgesteld. Begeleid door de zachte, zilveren tonen hunner driehoekige harpen, hieven zij bij de nadering van Swanwitha het eeuwenoude Noorsche bruidslied aan:

„Hef thans den hamer Ter wijding der bruid En leg den Miölnir De maagd in den schoot, Men volbreng de gebruiken, Deze bruid zij de mijne”....

Het klonk Witha in de ooren alsof melodieën aanzwollen uit de wijde verte, uit een droomenland. Het was alles zoo vreemd. Het kón immers geen werkelijkheid zijn, geen voelbare, tastbare werkelijkheid. Zij zag haar grootvader, recht en kloek, ondanks zijn jarental geheel gepantserd, van zijn glinsterenden helm tot zijn rinkelenden harnasschoen, in het midden der hal. Zijn dienstmannen omringden hem, maar naast hem stond de vreemde Viking, rank en fier met een vurigen blik in de groote oogen, die zich hechtten aan haar bleek gelaat. Hem zou zij toebehooren en op haar lippen zweefde nog het woord van trouw gegeven aan een ander!

In een warreling van gedachten legde zij de weinige schreden af, die haar brachten voor Rolfr Jarl en het was haar of die korte oogenblikken den duur van jaren bezaten. Toen leerde zij, dat niet de tijd het leven vormt, maar zijn ervaringen.

Maar de vaste stem van hem, die het recht bezat, te beslissen over haar leven en lot, sprak luide:

„Swanwitha, mijn kleindochter en erfgename, ik stel u voor een mijner waardste schildgenooten in menigen harden strijd, Olaf Erikson.

Houd hem hoog: hij zal weldra zijn uw heil en uw heer, op den dag wanneer zijn ontbloot zwaard u wordt voorgedragen en gij zult worden begroet als zijn vrouw op den drempel zijner hal. Tot die ure aanbreekt, verloof ik u thans aan hem als zijn wettige bruid.”

Een smalle gouden ring werd haar, op een wenk van den Jarl, aan den vinger geschoven, door een hand, krachtig en gespierd, die thans echter beefde. Met een gevoel van afgrijzen zag zij op tot hem, die nu haar bruidegom heette -- de onbekende jonge Viking. Zijn maliënpantser glinsterde als zilver. Geheel zijn wezen ademde eenvoud en goedheid. Het was een schier bedroefde blik, dien zij van hem afwendde want hij zag haar aan glanzend van gouden geluk, hopend....

Zij wilde spreken, zij kòn, zij mocht het niet: aan haar zwijgen hing immers Unruochs leven of dood? O, wat zou hem dit leven zijn, zonder haar? En toen herinnerde zij zich hoe haar moeder eens had gezegd:

„De christenen leven niet alleen voor deze aarde. Hun leuze luidt: Excelsior! Worden ook zieleleed en smart hun niet bespaard, zij dragen geduldig wat God hun bereidt, wetend, dat Hij alleen weet wat zij behoeven en alle dingen doet medewerken ten goede.”

Op deze wijze veranderde iedere smart in zegen, en háár boog het leed neer tot verpletterens toe. O, welk een groote kloof bestond er tusschen Unruochs geloof en denkbeelden en de hare! Misschien was het wel goed voor hem, ja, voor hèm, dat zij werden gescheiden. Hij zou een rijk arbeidsveld vinden en haar vergeten, en zij....

Maar luid, met jubelenden koperklank schetterden horens en pauken, hoog en hooger zwollen zang en lied, terwijl zij rondging door de hal, getooid met de bruidskroon van maagdenpalm, aan haar vinger den gouden ring, het bewijs, dat zij was verkocht aan hem, die haar nu voortleidde aan zijn hand, gelijk hij dit zou doen door ’t leven.

Haar heer.... Onder zijn zwaard zou zij doorgaan en dan zou hij meester wezen over haar leven of dood, hij zou haar opnieuw kunnen verkoopen.... Met moeite bedwong zij een snik. De leer der christenen gebood liefde en trouw tusschen echtgenooten; bij de heidenen echter bestond de verhouding van meester en slavin!.... Bittere, vernederende gedachte -- niet geheel bitterheid meer: Unruoch was gered, wat deed het er dan verder toe. Te midden van den nacht die haar omgaf, de nacht harer toekomst, werd het voor hem licht....

En ook om haar heen was het licht, gelijk schijn en wezen menigmaal zijn vereenigd in het leven. Weer verhieven zich lied en snarenspel; over een schaar van luidruchtige dischgenooten wierpen de flikkerende toortsen hun wemelenden gloed. Swanwitha zag zich nu het middenpunt van ieders aandacht; op het verhoogde gedeelte der zaal, waar de zilveren schotels werden geplaatst voor den burchtheer, zat zij naast den onbekende, die zou zijn „haar heil en haar heer”....

De kleine halfronde vensters waren geopend. Donker welfde zich de avondhemel over het land, slechts enkele sterren flikkerden met gouden tintelglans. Donker stonden de hooge dennen, hun takken bewogen zich niet, alleen aan hun voet, daar waar de Eem een stroomlandschap vormde, was het licht. Een witte, blinkende weg scheen het water, een weg, die rechtstreeks voerde naar den Hohorst, waar ook het licht heerschte, ’s levens licht van liefde en medegevoel voor anderer leed. O, waarom kwam bisschop Ansfried niet, zooals hij had beloofd; nog was Unruoch niet vrij gelaten....

„Mijn bruid” -- een stem met een lichte trilling in haar toon bracht haar terug tot de werkelijkheid. „Hoezeer hoop ik, dat gij nooit met droefheid terug zult denken aan dezen dag. Rolfr Jarl had mij u toegezegd, maar ik wist niet, hoeveel mij werd geschonken, eer ik u zag. Het is mij als ken ik u sinds lang, heel lang. Ben ik u een vreemde?”

Ernstig zag zij hem aan.

„Verspil geen onnoodige woorden. Het was noodzaak: mijn grootvader heeft u noodig voor plannen die ik niet geheel begrijp, maar wel vrees. Ik gehoorzaamde zijn wil om”....

Hij zag haar aan verwonderd en verschrikt, zacht hernam hij:

„Ik hoop, dat gij eenmaal anders zult denken over dezen dag, later, weldra, als ’t kan. Gij hebt gelijk, ik eisch te veel, maar geduldig zal ik wachten tot gij mij vrijwillig geeft, wat gij mij nu niet kunt schenken.”