Part 4
Swanwitha zweeg inderdaad, want zij wist reeds toen, wiens levensdroom het was zijn onstuimig heldenvolk opnieuw te verheffen tot heerschend ras. Daar kwamen en gingen zooveel geheimzinnige boden op den Ravenhorst: West-Friezen, die zich evenmin wilden onderwerpen aan het gezag van den graaf van Kennemerland als buigen voor dat van den bisschop van Utrecht. Zij offerden onder den Donarseik en lieten een schoof haver op het veld staan voor Wodans schimmel. Zij gaven elkander, op den kortsten dag, everzwijnen -- aan Fro gewijd -- van koek en brandden lichtjes dien god ter eere.
Den Kennemerlandschen graaf tartten zij uit, hen te vervolgen in hun moerassen en kreeken; de zendelingen van den Stichtschen kerkvorst hingen zij op. Dan waren er afgezanten en boden van de Friezen tusschen Flie en Lauwers, zij erkenden keizer noch heer en waren -- in hun onbedwingbaren drang naar vrijheid -- steeds bereid ieder bij te staan, die dit evenmin langer verkoos. Zelfs mannen die de „langue d’oui” spraken kwamen. Zij lagen steeds in veete met hun naburen, die zich uitten in de „langue d’oc”, mannen waren het met donkere oogen en hartstochtelijke gelaatstrekken. En die krijgers uit Normandië wisselden af met blonde Noren en breedgeschouderde Denen. Van hun lippen klonk een onbezorgde lach, maar grenzenlooze weemoed lag in den blik hunner oogen.
Swanwitha zag allen komen en gaan. Haar moeder had haar lezen geleerd en hoewel Rolfr Jarl hierover eerst het hoofd schudde, verhief het haar, in den loop van den tijd, eenigszins tot zijn vertrouwde. Want soms werden ook hem perkamenten gebracht; dan werd zij geroepen om die voor te lezen. Bevolen had hij haar echter te zwijgen over hun inhoud en hij wist, dat hij staat kon maken op haar belofte.
Zoo leerde zij zijn toekomstdroom begrijpen, wist zij, dat zij bestemd was de bruid te worden van hem, die Rolfr Jarl zijn invloed en macht zou leenen, om dien droom te helpen herscheppen in werkelijkheid.
Waarom dacht zij aan dit alles op het gezicht van den onbekenden ridder en waarom gingen toen opnieuw haar gedachten naar Unruoch in zijn kerker en drong zich nogmaals de radelooze gewisheid als een wig in haar hart:
„Ik kan niets, nièts.... en hij sterft.”
Kon zij dan werkelijk niets, in het geheel niets?
Weer viel de avond. Het was of de hemel en de aarde ineensmolten. Witte en grijze nevelen hingen boven de heide en blanke wolken dreven langs de zilverkleurige lucht. Alleen ver aan den gezichteinder bleef nog een roode streep zichtbaar en waar die den grond raakte straalde de omtrek van een glans, die blonk zelfs door de nevelen.
Uit de hal vielen opnieuw de rosse lichtstralen. De burchtheer vereende zijn gasten -- Olaf was niet de eenige gebleven dien dag -- aan den maaltijd. Vrouw Sigrid zat in haar hoogen zetel aan zijn zijde, maar de jonge meisjes -- haar gewoon gevolg -- bleven, evenals Swanwitha, in het vrouwenverblijf.
Zij zagen uit dit vertrek hoe de lijfdienaars door elkaar joelden op het voorplein, na het einde van het maal, dat ook hun een rijkelijk deel had verschaft van paardevleesch en schuimend gerstebier. Ook Swanwitha aanschouwde dit tooneel en een nieuw denkbeeld overmeesterde haar en deed haar hart gejaagd kloppen.
Voorzichtig opende zij eindelijk de deur, niets bewoog zich in het nevenvertrek, geen vlugge schreden repten zich op de steenen trap, die zij nu onhoorbaar begon af te gaan. De scherpe geur van bier en gekruiden wijn drong, vermengd met de zoete reuk der mede, tot haar door uit de hal, drinkliederen en gelach bewezen, dat het feest nog werd voortgezet. Verlicht haalde zij adem. Wentelde zich bij die zekerheid een steen van haar hart? Niemand zou haar zoeken of dacht nu aan haar....
Dieper daalde de kronkelende gang, het was hier volkomen duister, vocht sijpelde langs den wand. Met de handen voor zich uitgestrekt ging Swanwitha verder. Na eenige minuten, waarin zij nauwelijks waagde te ademen, zonken echter haar armen slap neer. Zij had op een deur gestooten, op een zware, met ijzer beslagen deur. Wat nu, wat nu?
Zij luisterde een oogenblik, maar geen geluid verbrak de beklemmende stilte, alleen op den vastgestampten bodem tikte het dof met regelmatige tusschenpoozen. Het waren de vallende druppels. Nooit was zij hier nog geweest. Wel had Siva haar soms fluisterend verteld van de diepe, donkere kerkers, waar de vijanden van Rolfr Jarl heenkwijnden zonder lucht, zonder voedsel; dan was een huivering door haar leden gegaan, maar zij had ze nooit gezien. Hoe had zij dan al den jammer kunnen begrijpen welke die sombere diepte verborg? En boven die holen van ellende welfde zich de burchthal, waar scherts en lach weerklonken bij het overvloedig maal....
Wanhopig tastte zij met haar handen langs den muur, zij kwam terug bij haar punt van uitgang. Een rond gewelf scheen het, waarin zij zich bevond. Langs de plompe deur gleden opnieuw haar vingers, zij raakten een ijzeren slot aan.... een sleutel....
Uit al haar macht trekkend gelukte het haar eindelijk de deur te openen en toen, en toen....
„Zij hebben hem al gedood, hij is weggenomen uit het leven, nu reeds, nu!”....
Want zij zag het bleeke hoofd op het rottend stroo. Met roestige ketenen was Unruoch geklonken aan vloer en wand, geen kleur was meer op zijn gelaat en de oogen waren geloken.
Een flauw, walmend licht liet haar dit onderscheiden, een pit drijvend in een platte schaal met olie. Hoe was die hier gekomen? Zij dacht er niet over na, maar knielde bij den half bewustelooze en ontsloot zijn boeien. Rinkelend vielen zij op den vloer, als ijzeren slangen lagen zij in het stof.
„Unruoch! Unruoch! Word toch wakker! Zeg iets. Of hebben ze je van mij weggenomen, hebben ze dat durven doen! O, zeg iets, zèg iets! Een woord maar, een enkel woord!”....
Neergezonken lag zij op den grond, een doffe zucht scheen om te waren door den hollen kerker. Of kaatsten zijn sombere wanden slechts haar klacht terug? Wekte dit echter den gevangene tot nieuw leven?
Even bewoog hij zich. Hij scheen niet meer te weten waar hij was, noch te beseffen wie zich over hem heen boog.
„Lucht, lucht! Ik stik!”....
Nauw verstaanbaar gleed het over zijn lippen.
Witha zag om zich heen. Door de geopende deur stroomde thans lucht genoeg, doch zij zag de ongekalkte muren zonder kijkgat of eenig venster. Dit was dus het einde van hen, die werden geworpen in dezen kerker: de dood door verstikking.
Zij wrong de handen. Hoorngeschal, een schaterende zang drongen flauw tot haar door. Boven alles uit klonk de dreunende stem van Rolfr Jarl. In vollen gang scheen nog het feest....
„Unruoch, o, Unruoch!”....
Nu herademde hij, zijn bewustzijn keerde, een flauw rood kleurde zijn voorhoofd en een gevoel van nameloos geluk rees in zijn hart, toen hij zijn redster herkende.
„Witha, gij! God is goed, Hij heeft je mij gezonden!”....
Een oogenblik heerschte weer de stilte, nu een stilte, plechtig en heilig, want de kerkerwanden, die zoo menigen noodkreet, zoo menige verwensching hadden opgevangen, hadden thans weerkaatst den naam van Hem, die Eeuwig is, Die blijft, wanneer alles vergaat.”
Het was Witha als moest zij op de knieën vallen gelijk Unruoch dit deed, om met hem te danken....
Maar de tijd drong. Zij sprak het eerst: „Unruoch, ga nu mee, voor de bewaarder terugkeert.”
„Die kwam alleen om te zien of het licht reeds was uitgedoofd, want dan rest ook den gevangene niet veel levenstijd meer.”
Zij zag hem aan met groote, verschrikte oogen; in hun diepten las hij nog een ander gevoel dan alleen medelijden. Zijn hart klopte snel, niet om de gevaren zijner vlucht. Hij wilde spreken, maar zij toonde hem den weg, de donkere, kronkelende gang, de smalle trap....
„Kom nu, kom! Ik wijs u den weg, hier linksom, anders komt ge in de hal en daar vieren zij -- feest.”
Het klonk zoo droevig en zoo hartstochtelijk. Maar ongehinderd bereikten zij de verdieping, gelegen boven de burchtzaal. Nu opende Witha een lage deur en schoof een donker gordijn terug. Unruoch zag lange trossen vlas opgehangen aan de bruine balken. Hij onderscheidde weefgetouwen en meer dan een spinrokken in het zilveren maanlicht.
„Waar brengt ge mij heen?” vroeg hij verwonderd.
„In het vrouwenverblijf. Dit is de weefkamer, hier naast is mijn vertrek. Daar zijt ge vooreerst veilig.”
Er kwam een uitdrukking van schrik in zijn blik, zijn wenkbrauwen trokken zich samen.
„Dat is onmogelijk! Welke gevolgtrekkingen zou men maken als ik daar werd gevonden, in het vrouwenverblijf, in uw vertrek”?
In haar oogen lichtte een zachte weemoed.
„Ik zou de eerste niet zijn, die werd veroordeeld om den schijn. Moet men daarom vreezen het goede te doen? Gij kunt nu onmogelijk verder vluchten: de brug is opgehaald, de poort gesloten, vol hoorigen het lage hof. Wacht daarom eenige uren. Ik zal Siva roepen, zij zal wel een touw weten te vinden, waar mee ge u kunt laten afglijden van den muur, op een plaats waar de gracht ondiep is.”
Het werd alles zoo bedaard en wel overlegd gezegd. Begreep zij geheel, welk offer zij bereid was hem te brengen? Want men zou hem zoeken, overal. Hij zag haar aan, hij vond haar even aantrekkelijk en mooi als vroeger, maar anders mooi. In de zorgelooze oogen was nu een ernstige blik gekomen, stille droefheid verving den zonnigen lach om haar mond. Het vroolijke, speelsche kind was veranderd in een fiere, vastberaden jonkvrouw, die onverschrokken den weg volgde haar door den plicht gewezen.
Plicht alleen?
Een groote liefde vervulde zijn hart voor haar, wier zoet geheim zich verried in haar zelfverloochenende toewijding.
„Swanwitha,” zei hij eensklaps, haar hand in de zijne klemmend, „ik zeg niet, dat ik je dit ooit zal vergelden, dat zou onmogelijk zijn. Ik vraag nog meer, nog oneindig meer, dan je me nu toevertrouwt. Geef mij je geheele leven, heb mij lief altijd, altijd en ik zal God loven voor Zijn grootste geschenk.”
Zij schudde het hoofd:
„Het kan niet, Unruoch! Wat zou mijn grootvader zeggen, wat bisschop Ansfried?”
Zijn blik rustte in den haren:
„Denk je daaraan het eerst? Dan heb je mij niet lief.”
„Niet lief!”.... Het beven harer lippen was haar eenig antwoord, haar gezichtje straalde, maar zij zweeg. Hij trok haar in zijn krachtige armen.
„De bisschop moet weten, dat ge mijn bruid zijt. Stemt hij, als mijn voormalige voogd, toe in onze verloving, dan kan niets ons meer scheiden volgens de wetten van dit land.
Zeg me, Witha, is dit onze verloving?”
Zij boog haar hoofd aan zijn hart en voelde op haar lippen zijn kus.
Zoo stonden zij zwijgend in overstelpend geluk.
De purperen tinten waren aan den hemel reeds lang uitgewischt door den ijl-blauwen sluier van den nacht; de eerste sterren glinsterden.
Wit en stil lag het ruime voorhof waar de laatste pekton verglom; donkere schaduwen wierpen de struiken op het zand. Maar te midden der plechtige stilte van den lenteavond trilden eensklaps kristalheldere, lang aangehouden tonen. Eerst zacht en teer, zwollen zij met ieder oogenblik in kracht, vulden zij meer en meer de ruimte. Zwijgend luisterden de beide jonge menschen, tot het hun was of al de liefde, al de toekomsthoop, die zij droegen in het hart, een liefde, diep en onmetelijk als de zee, een verwachting hoog als de hemel, die zich welfde boven hun hoofd, uiting vond in den jubelzang van den nachtegaal, of die kleine vogel hun verhaalde, wat zij elkander niet konden zeggen, omdat de taal er geen woorden voor bezat.
[4]
Eenen koning ken ik, Hij heet Heer Lodewijk Die gaarne God dient, Omdat Hij het hem loont.
Toen dit alles geschied was, Beproeven wilde God hem, Of hij ook moeite Zoo lang kon verduren.
Hij liet heidensche mannen Over de zee komen, Om de Franken Te herinneren aan hun zonden.
Doch God had erbarmen, Hij wist al dien nood, Hij beval Heer Lodewijk Terstond derwaarts te rijden.”
HOOFDSTUK VI.
Seringengeur begroette den nieuwen dag; het was of al de knoppen, die de heesters droegen op den Hohorst, tegelijk waren opengegaan. Dauwbepareld glinsterde het buigend gras en de zonnestralen tintten de golven van de Eem, die den „Hoogen horst” bespoelden met goudkleurigen glans.
Recht en slank stonden de dennen, in groepen vereenigd, op de witte heidehoogten. De ochtendwind ruischte zijn zang door hun takken, doch kon het geluid niet dempen, dat klonk van den Hohorst en voortgolfde over de heide tot het werd weerkaatst door de muren van den Ravenhorst. Of Rolfr Jarl niet wrevelig de zware wenkbrauwen zou fronsen wanneer hij die bijlslagen opving? Tergend moesten zij hem immers in de ooren klinken van dien heuvel, ver in ’t rond zichtbaar, bespoeld door de Eem ter eener zij, en aan den tegenovergestelden kant begrensd door het moeras. Een natuurlijke sterkte, door weinig manschappen te verdedigen, die slechts te dwingen zouden zijn door -- hongersnood.
Bij die gedachte speelde om Rolfr Jarls mond een glimlach, zooals niemand zou wenschen voor de tweede maal te zien. Het scheen bijna of het hem nu verheugde, dat het woonhuis naast de kleine kerk weer werd vergroot door een nieuwen vleugel, met een gevel van rechtopstaande planken en door een stevig staketsel omringd. Bisschop Ansfried van Utrecht had immers gezegd, dat hij den Hohorst had uitgekozen tot zijn rustoord, bij de vele zorgen, die het leven van hem eischte. Hier zocht hij, van tijd tot tijd, eenige dagen verademing, ook thans bevond hij er zich en -- de Denenvloot naderde de kust. Rolfr dacht na, steeds met denzelfden wreeden glimlach om de lippen tot het blaffen der honden, die den ontsnapten beer najoegen op het lage hof, hem zijn jachtspriet grijpen deed. Ook dezen gevangene zou hij weten te dwingen tot zijn wil. --
En op den Hohorst repten zich intusschen de vlugge handen om bisschop Ansfrieds „zendingshuis”, als hij het noemde, op te trekken volgens zijn eigen aanwijzingen. Afgepaald waren de grondslagen voor schuur, werkhuis en spijker. Er moest plaats wezen om den oogst te bergen -- de vrucht van zwaren arbeid op den nauw ontgonnen grond, -- naast de levensmiddelen uit Utrecht aangevoerd, om ze te kunnen wegschenken „als de nood drong en het gebrek neep, Christi ter eere, om Godswil.” -- --
IJverig arbeidden de werklieden voort. Hun zwart oppergewaad met wijde mouwen hadden zij hierbij afgelegd. Het wees hen aan als broeders, behoorend tot de orde van Benedictus van Nursia, den Patriarch der Westersche geestelijkheid, wien zelfs zijn grootste tegenstanders de eer geven, „dat hij was de weldoener der menschheid en het licht zijner duistere eeuw” -- de zesde sinds Christus’ geboorte.
Toch vormen zij nog een bijzondere broederschap, die ijverige bouwlieden. Bijzondere voorrechten en vrijheden zijn hun geschonken -- vandaar heeten zij „vrije metselaars” in den volksmond. Zij hebben teekenen, waaraan de leden der verschillende vereenigingen elkander kennen, en reizen van land tot land, van het eene volk naar het andere, overal waar zij worden geroepen, om kerken en gebouwen, vaak nog van zoo eenvoudigen vorm, om te scheppen in kunstwerken.
Want de „bouwmeester” van dien tijd mocht eerst na jaren van ernstigen arbeid dien naam voeren, en toonde door de voortbrengselen zijner kunst, dat hij daartoe het recht had.
De bouwlieden, die thans op den Hohorst arbeidden, bewezen door hun taal, dat zij uit York afkomstig waren, de stad van wetenschap en kunst bij uitnemendheid. Met den naam van Kuldeërs werden zij aangeduid. In navolging van de bouwmeesters der oudheid, die tijdens Constantijn den Groote christenpriesters werden, droegen zij dien naam. Hun levensregel was streng en hun kunst regeerde hen met een ijzeren roede. Toch arbeidden zij steeds vol kracht en lust. Zij wisten, dat zij mijlpalen plaatsten in het zand van den tijd, dat zooveel overstuift en onkenbaar maakt. En welke kunstenaar offert zelfs niet bereidwillig zijn leven voor het kunstwerk, dat ontstond door zijn scheppend genie, dat blijft, om te toonen wat arbeid en volharding vermogen, aan de geslachten, die nog niet waren toen het ontstond.
De geur der bloeiende meidoorns steeg in wolken omhoog in den hof, een vlucht witte duiven zweefde verschrikt door de hamerslagen met kleppenden wiekslag weg door de diep blauwe lucht.
Twee bejaarde wandelaars -- zij hadden de vorderingen van den bouw bezichtigd -- volgden die kleine vredeboden met hun blik. Een zeer verschillende uitdrukking gleed hierbij over beider gelaat.
„Alles geniet van lentelucht en zonneweelde; wat is de aarde toch schoon, en groot Hij, die haar schiep. Groot en goed.”
De oudste der beide wandelaars sprak het op een toon, die rust moest schenken wie hem hoorde en de jongste ving de woorden op en dezelfde bittere uitdrukking, die zijn lippen plooide bleef haar sombere lijnen trekken om zijn vastgesloten mond. Bijna verwijtend richtte zich zijn blik op den spreker. Recht en ongebogen was diens gansche houding, al kringelden hem zilveren haren langs de bleeke slapen, ofschoon de fijne voren in zijn hoog voorhoofd meer waren getrokken door den ploeg van het zieleleed, dan door de hand van den tijd. Het eenvoudige zwarte kleed der Benedictijners vormde ook zijn gewaad. Toch dacht, wie hem zag, zich onwillekeurig een mijter op dit waardig gedragen hoofd, wenschte hij voor deze hooge gestalte een geborduurde dalmatiek over een met gouddraad omzoomde alba van zuivere witte wol -- het gewaad van de bisschoppen der christelijke kerk. En wie zijn oogen op zich voelde rusten, oogen helder en vredig, vol van licht, opende de zijne wijder. Niet omdat het zulk een schoon gelaat was, dat hij aanschouwde, het waren de trekken van een bejaard man, maar in wiens blik een glans lag, die lichtte en straalde, die verhaalde van duur verworven zielevrede, maar van een edel zieleleven tevens. Het was of er licht van hem zelf uitging of hij reeds begreep wat men hem zeggen wilde, nog voor hij had verstaan. Op zijn edel gevormd voorhoofd stond te lezen dat steeds de liefde hem de meeste was geweest, dat hij nooit met woord of daad zou zaaien het onkruid van den haat, dat verbittering en tweedracht draagt als giftige vrucht. Van hem ging uit vrede en zegenende rust, die voorspelde wat eens de zaligheid wezen zou, waarvan zij de flauwe afschaduwing waren, hier op aarde.
Een groote tegenstelling vormde hij met den man aan zijn zijde, in de ijzeren maliënrusting van den ridder, den man wellicht het vierde eener eeuw jonger dan hij, doch die het hoofd ter aarde boog en wiens magere, sombere trekken fluisterden van veel leed, waaraan geen berustende overgave zijn angel had ontnomen.
Warm straalde de zon ook boven zijn hoofd, en liefelijk als harpgesuis klonk het ruischen der dennen; blauw zag de lucht, de lijster zong, -- hij scheen er geen acht op te slaan. Starend bleef zijn blik, de rimpel tusschen zijn oogen groefde zich dieper.
Kleine berkeboomen met zilverwitten stam wiegden hun blaadjes op den morgenwind. Hij trok eenigen af, liet ze dwarrelen, zag hoe zij eindelijk neerzonken om te sterven of te worden vertreden.
„Zoo gaat het met alles, met allen!” -- Welk een bittere klank was in zijn stem. „Waarom zou men zich dan verheugen over lenteglans? Menschen, bladeren vliegt hoog, vliegt den hemel tegemoet en gij valt ter aarde en wordt vertreden, ongeacht, ongezien.”
De andere schudde het hoofd.
„Neen, Frethibold, neen, gij spreekt tegen uw weten, uw beter weten in. Wiens ziel ooit hemelvlucht heeft genomen en zijn God vond omhoog, kàn niet meer vallen of zinken, want God is zijn toevlucht en schild en beschermt hem voor beide.”
„Dat zegt gij, gij! Maar u lachte ook het leven toe, altijd, altijd! Toen gij de wereldlijke macht moede werdt, vondt gij die der kerk voor u gereed. Bisschop van Utrecht, meester niet over de lichamen, zooals de woeste Jarl van den Ravenhorst over zijn hoorigen, doch over de zielen der menigte. Wat begeert gij nog meer?”
Bisschop Ansfried zag hem ernstig aan:
„Ik begeer te heerschen door liefde, Frethibold, en, dat wordt mij zwaar gemaakt, zeer zwaar, want onze tijd is ruw en hard als ijzer.”
„En de menschen worden voortgezweept door het geweld, dat steeds gaat boven het recht. Dwarrelende bladeren zijn zij allen, allen!”
„Frethibold!” De stem van den bisschop werd ernstig waarschuwend. „Moogt gij, een christen, zóo spreken?”
„Kan ik anders, als ik het leven zie en de lotgevallen der menschen, van geslacht tot geslacht; als ik mijn eigen lot zie en dat van deze landen en gouwen? Voorheen waren zij bloeiend als mijn bestaan. Toen keizer Karel, dien zij nu den Groote noemen, stierf, waren zijn staten een rijpen, met weelderigen oogst prijkenden akker gelijk. Maar, de Denen kwamen, verdrongen elkander in deze rampzalige landen, schier van jaar tot jaar. Het verderf hield den sikkel, en de velden wit om te oogsten, gaven geen vrucht.
O, waarom was de keizerlijke adelaar dus afgemat, dat hij de wieken moest samenplooien in de rust van den dood? De raven krasten reeds bij zijn lijk, de raven uit het Noorden, tuk op aas.
En de vorsten, die na hem kwamen, die hoopten zich te redden van de Noorsche speren door het Noorsche schild, en daarom Deensche aanvoerders het erfdeel van landgenooten schonken.” Dreigend schudde hij zijn vuist. „Rolfr Jarls geslacht is een van hen, die macht en invloed verwierven op zulk een wijze. Dat wist de vader van mijn vader, eer hij werd gedood in den slag door een pijlschot in den nek. En ofschoon haast twee eeuwen voorbij zijn gegaan na hun eersten inval, de geest der mannen van de grimma hjerna is dezelfde gebleven, al deze tientallen van jaren door.
Harald Jarl onderwierp Friesland en vestigde in het bloeiende Dorestad zijn verblijf. Wèl mocht den nijveren inwoners de schrik om ’t hart slaan:
Raven zoeken aas.... De volkswelvaart was voorbij, de volksellende kwam. Het kwijnende Wijc kan het getuigen, dat ontstond uit de rijke stad. Voorbij bleef het met handel en verkeer, met landbouw en veeteelt. De horden der Denen overstroomden onze gouwen om wraak te nemen op voormalige aanvoerders, die thans christenkerken stichtten, om daarmee invloed en gezag te winnen in hun pas verworven bezittingen.
En terwijl Gaungo Rolfr, de reus, dien geen paard dragen kon, Friesland vernederde tot zijn krimpend wingewest, en het arme Dorestad nogmaals in vlammen opging, was het wonder, dat toen ook Wiedelkam, dat herleefde onder mijn bestuur, voor de tweede maal werd gelijk gemaakt met den grond? De stad aan den Maasstroom, waar die zijn blonde golven vermengt met de grijze wateren der Germaansche zee.”
Hij zweeg eenige oogenblikken. Kostte het hem moeite de rechte woorden te vinden? Toen vlogen zij eensklaps uit zijn keel, alsof een pijl van den kruisboog schoot:
„Ik had trouw gestreden voor keizer en rijk tegen de Denen, tegen de Denen altijd. Want zij waren overal: in de Friesche gouwen glinsterden hun speren, op de Kennemer duinen vlamden hun wachtvuren, Masaland en Toxandria werden door hen uitgemoord, Niumage bezet, Utrecht verwoest. O, een storm van ontzetting en wanhoop voer door het land: waar geen speren kletterden tegen speren, wezen verwoeste hoeven, vertrapte velden en raven die den marsch van het leger volgden, den weg aan, dien de overwinnaars waren gegaan.
Toen drong op eenmaal de kreet in mijn ooren:
„Wiedelham gaat op in vlammen. Gedood, weggevoerd als slaven zijn de inwoners, uitgeplunderd, verwoest is de gansche stad!” Het was of ieder lid van mijn lichaam verstijfde. Wiedelham! Dat was mijn gebied. Daar, op den hechten burcht had ik achtergelaten, toen veilig, toèn nog veilig, mijn lieve vrouw, mijn zoon, mijn eenige....
Ik worstelde met mijzelven, de ijzige koude, die als de adem des doods over mij heenstreek, week, ik voelde mijn hart weer kloppen, keeren mijn kracht. Toen greep ik mijn zwaard, sprong in den zadel, klemde mijn heirbijl in de vuist, mijn getrouwen en schildgenooten joegen mij na, in stormende vaart en wij bereikten Wiedelham.”