Part 3
Hij hief de hand op met plechtig gebaar en terwijl Olaf vol eerbied het hamerteeken maakte over den beker, eer hij dien aan zijn lippen bracht, volgde zijn blik die beweging. Door de tegenover elkander liggende vensters viel het helle morgenlicht in de hal. Het brak de somberheid der donkere hoeken en van de bruin berookte zoldering en wierp over het uitgestrekte landschap zijn wemelenden glans. Aan de eene zijde van den Ravenhorst strekte zich de heide uit, daar stonden de dennen als reuzenlansen, hun takken schenen pijlen, gereed te snorren van den boog. Onder hun forsche kruinen huilde ’s nachts de wolf en woelde het everzwijn den bodem om met zijn scherpe slagtanden; daar vernam de behoedzame jager alleen het gedruisch zijner eigen schreden en het kraken van het struikgewas, wanneer de opgejaagde roofdieren voor hem vluchtten in razenden ren. Het was of de Eem, die ter anderer zij den Noormannenburcht bespoelde, en breed, als een zilveren lint, zich slingerde door het landschap, de grensscheiding vormde tusschen de woeste heide en het ontgonnen land. Langs zijn groene oevers verhieven zich verspreide hoeven, de meeste omgeven door slooten en moeras, als welkom verdedigingsmiddel. Hun middenpunt vormde de Hohorst met zijn halfvoltooid houten klooster en klein steenen kerkgebouw. In het verre verschiet rezen de wallen en torenspitsen van Bacheforth,[3] het sterke slot. De lage houten huizen, die het omgaven, verhaalden in hun toegenomen aantal van vernieuwde welvaart na jaren van ellende en strijd.
Rust zweefde over geheel den omtrek, in zomerweelde verzonken lag het landschap, vredig steeg de blauwgrijze rook omhoog uit de opening in het rieten of met plaggen beschutte dak van hoeve of heem. Omhoog, als eenmaal die der gewijde offeranden in Salomo’s tempel, stegen die rookzuilen, goudgetint door de breede stralenbundels van het licht, dat neervloot van den hemel om zich te vereenen met den oprijzenden lofzang der aarde. Of waren zij geen lofzang gelijk de volle, plechtige metaalklanken, die dreunend van den torentrans op den Hohorst, de ruimte vulden, de stilte braken, omhoog stegen als een jubelzang van een toekomstheil nog onbegrepen door wie hen thans hoorden?
De dreigende flikkering in Rolfr Jarls blik schonk nogmaals een antwoord van haat aan dien juichenden klokkenzang. Had Olaf Erikson andere stemmen verstaan in die statige galmen? Een ernstige uitdrukking verscheen in zijn peinzende oogen. Het waren oogen, die een wereld van gevoel verborgen in hun diepten, blauw als de stralende zomerhemel, ondoorgrondelijk als de zee van het zuiden, die parelen verbergt onder haar schitterend golvenvlak en -- onzichtbare klippen. Ook hij hief de hand op, -- het scheen een waarschuwing:
„Voor rust zal daar weldra onrust heerschen, waar nu het leven lacht, treurt dan de dood en schreit de wanhoop. Handelen wij goed?”
De borstelige wenkbrauwen van Rolfr Jarl vormden een enkele saamgetrokken streep, toen hij norsch antwoordde:
„Hebt gij berouw of koestert gij vrees, Olaf Erikson? Wilt gij onder schoonschijnende voorwendsels uw heiligen eed ontduiken?”
Met de beide eerste vingers zijner gespierde rechterhand vormde Olaf het hamerteeken op zijn voorhoofd, eer hij sprak:
„Gezworen heb ik bij Odins speer en bij den donderkeil van Thor, en onverbrekelijk blijft die eed, gelijk hij dit steeds was ook voor de geslachten, die ons voorgingen, in lang vervlogen eeuwen. Want wat wisselt of verandert, Alvader blijft, zijn almacht heerscht. Dat zegt mij de stem van mijn hart. Wat is, was altijd en wat de toekomst zal brengen ligt besloten in het heden.”
Hij besefte niet welk een eeuwige waarheid hij uitsprak met deze woorden.
Bijna plechtig ging hij voort:
„Gestand doende den eed, dien ik voor u aflegde, als in Odins tegenwoordigheid, heb ik opgeroepen al de mannen en jongelingen, die in mijn Noorsch vaderland, evenals ik, de leer verfoeien van den Gekruiste, den lafhartigen godsdienst uit het Zuiden, die thans zelfs Odins leer dreigt te overheerschen in de erflanden der helden. En vele honderden hebben gehoor gegeven aan de woorden en beloften, die mijn boden hun brachten in uw naam. Harald Sigvatr, vergrijsd in roem en wapendaden, bevindt zich bij ons, als aller raadsman. Weldra sneden onze drakenschepen de golven, hoog spoot het vlokkig schuim op voor den boeg. Thans kruist de vloot niet ver van het Sincfal. Gereed is zij om de stroomen op te zeilen, die haar zal brengen in het hart van dit land. Alleen wacht zij op uw woord, dat de ure daar is om Odin en Thor een nieuw rijk te scheppen. Met deze vraag kom ik tot u, in naam van Viking en bemanning. Wat moet ik hun antwoorden? Komen wij ter rechter tijd, heeft onze inval kans van slagen?”
Diep haalde Rolfr Jarl adem, het was of een last zijn borst ontzonk of zijn trekken minder stroef werden, toen hij antwoordde:
„De ure is daar. Gunstig de tijd. Zelf zal ik -- als het onbemerkt mogelijk is -- met u gaan om de vloot naar Utrecht te voeren, de sterkste stad van dit land.”
Hij streek zich met de hand over het voorhoofd:
„Zoo zal dan de droom van mijn leven verwezenlijkt worden, nu mijn grijze haren mij toeroepen, dat ik weldra zal worden verheven om het heil te deelen der helden in Odins hal.
Het zij! Wellicht val ik in den slag en word ik verkozen tot Einheriar van den Alvader. Dan zal ik de overwinning zien, maar gij, Olaf Erikson, zult er de voordeelen van genieten.” Kwalijk verborgen ijverzucht klonk in zijn stem. -- „Dan zult gij nooit die jaren van onmacht kennen, zooals ik ze heb doorworsteld, nooit, in het hart een dof gevoel van haat, dat iederen ademtocht tot een marteling maakt, behoeven te dulden, hoe een ras, dat gij veracht en verafschuwt, om den godsdienst dien het belijdt, steeds toeneemt in macht. O, hoe menigmaal heb ik vol nieuwe hoop een Vikinger vloot de rivieren zien opzeilen van dit land, hoop, die geleden teleurstelling slechts te feller deed schrijnen. Dan, als weeklagend het landvolk vluchtte en steden en kerken opgingen in vlammen, riep ik den overwinnaars toe:
„Keert niet terug! Blijft! Sticht u hier een nieuw rijk; een rijk voor Thor en Odin!”
Maar, zij haalden de schouders op, spottend: alleen zucht naar buit dreef hen. Zij zeilden verder, zelfs naar de groene eilanden van Grecaland, ver in de zuidelijke zeeën, waar het water zijn kleur leent van het hooge gewelf der lucht, de woonplaats der goden. Soms wezen eenigen mij met bijtenden spot op het voorbeeld van hertog Godfried en ook op dat van mijn stamvader. Honend klonk het mij dan tegen:
„Ook zij namen bezit van geheele landstreken, maar weldra werden zij genoodzaakt die op te dragen aan de Karolingische vorsten en ontvingen ze terug als leen, op voorwaarde, dat zij zich lieten onderdompelen in het doopwater. Dan héétten zij christenen. Wenscht gij dat voorbeeld gevolgd te zien door ons? Ook uw vader behoorde tot hen, die een kruis slaan in stede van een hamerteeken!”
En allen, die zoo spraken, haatte ik, maar grooter nog was mijn verachting. Vaak ben ik in de eenzaamheid gevlucht om te ontkomen aan ieder menschelijk wezen, heiden of christen. En eens, toen ik in toorn en verbittering uitriep, -- weer had ik in de verte aanschouwd hoe een Viking zich liet doopen door den bisschop van Utrecht, om zich een erfgoed te verwerven en gezag:
„Odin is dood, ik wil sterven als hij!”.... was het of mijn hand werd tegengehouden, de hand waarmee ik reeds het zwaard ophief om het te dompelen in eigen borst. Een nevel kwam voor mijn oogen, in de verte, daar waar de zon wegzonk aan den gezichteinder, legerde zich een witte sluier over het veld en het was mij eensklaps of oprees uit dien zilverglans de statige vrouw met den gouden voorhoofdband en den glinsterenden barnsteenen halsketen, de Brinsigamen. Geen twijfel, Frigga, Odins liefelijke gemalinne, stond voor mij:
„Vrees niet,” sprak zij zacht: „Alvader is onsterfelijk. Geen menschenmacht kan verbreken wat waar is en eeuwig. Sticht gij alzoo den eeuwige een nieuw rijk. Dit zij de taak u toevertrouwd op deze aarde.”
Geknield beloofde ik haar wat zij wenschte, de machtige godin. De bindende gelofte legde ik af, de hand opgeheven naar de verheven woonplaats der goden, waar in hetzelfde oogenblik Odins wagen zichtbaar werd, het schitterend, zevenvoudig sterrenbeeld. En geen bliksemschicht geslingerd door Thors hamer, sloeg mij neer. De Alvader nam mijn gelofte aan”....
„Toch deedt gij wat hij heeft verboden, de hand opheffen naar zijn van licht stralend Walhalla.”
„Het was het geweldige oogenblik, dat mij dreef. Alvader wist het. Hij leest in de harten der stervelingen.” Rolfr Jarl begreep de beteekenis niet zijner woorden: hij vereerde als godheid een schepping van menschen. Zou ooit de dag nog voor hem aanbreken waarop hij den Schepper der menschen aanbad?
Hij trad aan het venster en staarde naar buiten, verdiept in herinneringen, die sneden scherp als het zwaard, dat hij zoo dikwerf had opgeheven in den bloedigen slag. Klonk daarom zijn stem hard en koud, nog meer dan gewoonlijk, toen hij eindelijk hernam:
„Het overige weet gij. Ik leefde in een ijzeren tijd en was zelf van ijzer. Geen middel liet ik onbeproefd om den ouden eeredienst de macht van weleer te hergeven. Het was te vergeefs. Zelfs aan het hof der Noorsche vorsten vond ik geestelijken met kruisen en kaarsen, psalmgezang in christenkerken werd ook daar reeds gehoord, maar verstomd waren de reizangen bij het plechtig offermaal. Verboden werd het heilige paardevleesch te eten, niet langer vlamde de brandstapel van den doode. Bij de koele bronnen werd geen water meer geschept onder stille gebeden, esch noch vlier waren meer heilig, de wolf was niet langer Odins bode, maar een roofdier, waarop jacht moest worden gemaakt. Het roodborstje bleef niet aan Donar gewijd, niemand kweekte meer huislook op het dak, of vereerde nog de alruinen als huisgoden. Geen rund, de hoornen met veelkleurige linten omvlochten, werd geslacht den goden ter eere door priesters, wien de eikenkrans ruischte om de slapen; geen hamerslag wijdde meer de bruid of het lijk van den held, wiens geest door de schildmaagden werd gedragen naar het stralend Walhalla....
De oude tijd was voorbij met de oude zeden, met het geloof der vaderen.
Toen reisde ik, -- vermomd als Skald -- van land tot land, van stad tot stad, van de eene hoeve naar de andere en ik zong, bij de klanken mijner harp, het oude geloof, de vroegere gebruiken terug in de harten der menschen. Schouderophalend werd ik aangehoord aan de luidruchtige hoven, maar volgelingen vond ik in de stille bosschen, waar de vervlogen eeuwen hun runen schreven in de grijsbemoste stammen. Het volk sloeg geloof aan mijn woorden. Velen dreef ontevredenheid met bestaande toestanden aan mijn zijde, hun aantal nam toe met den dag, vooral in Noorwegen waar eens Harald Haarfager de macht der onderkoningen had geknot, wat vele Noren opnieuw den weg der zwanen had doen kiezen op het wiegelend drakenschip, tot zij IJsland en Groenland ontdekten om ook daar Odin een nieuw rijk te stichten.
Ik behoefde de nakomelingen van die stoute zwervers slechts te herinneren aan hun fiere vaderen om hun het woord te ontlokken: „Wij volgen hun voorbeeld.”
Want bruisend joeg de gedachte hun het bloed door de aderen, dat Olaf Trygväson, Haralds achterkleinzoon, thans tracht het christendom ook in Noorwegen in te voeren. Velen van zijn tegenstanders bevinden zich ongetwijfeld op de vloot?”
Olaf knikte. „Zij vormen een groot deel der bemanning. Maar wat Noorwegens afvallige vorst betreft, het zal hem niet gelukken, zijn voornemen te volvoeren, naar ik geloof. Ook Haralds zoon, koning Hako, was een christen en in Engeland opgevoed. Maar zooras hij den troon beklom van het Noorden werd hij gedwongen in de heilige tempels te offeren. Had hij volhard bij zijn eerste weigering, dan was hij door zijn eigen volk omgebracht.”
De blik van Rolfr Jarl gloeide:
„Zou thans inderdaad de tijd daar zijn, de tijd die mijn stoute plannen vormt tot hooge werkelijkheid? De gansche aarde aan Odin gewijd, en onderworpen aan zijn helden. Waar nu het psalmgezang der christenen weerklinkt, zal daar worden aangeheven het strijdlied van Thor?”
„Het is niet onmogelijk. Sven, de machtige Sven van Denemarken, is een hevig vijand der christenen. Gij weet, dat hij Ethelred van Engeland, laf als een christenvorst moet zijn door zijn godsdienst, van den troon heeft gestooten en nu in Engeland onbeperkt gebiedt. De rijksgrooten dienen liever den Noorschen held dan hun flauwhartigen koning. Sven heeft gezworen, dat Odins tempels weldra zullen rijzen aan de Theems. Volgen wij zijn voorbeeld in dit land. Weg met alle aarzeling. In bloed werd steeds Odins rijk gesticht. Voer gij ons, in leven en dood, naar Walhalla of naar Hel en steeds zal mijn speer flikkeren waar uw schild schittert.”
De trekken van den Jarl verzachtten zich. „Heb dank! Gij brengt dit volk de ware vrijheid; hoog zullen eens allen u houden als hun held en hun heer.”
In vervoering sprak Rolfr met de stafrijmen van zijn volk, waarvan niet de eindlettergreep doch de aanvangsletter van een of meer op elkander volgende woorden dezelfde was.
Olaf hernam ernstig: „Hoe zou ik anders kunnen? Het geldt Odins eer, zijn eeredienst is de hoogste, omdat zij wortelt in kracht en moed, en tegenover u drijft mij de plicht der dankbaarheid. Gij hebt mij uit de macht van heerschzuchtige verwanten gered, door uw toedoen heb ik mijn erfdeel terug ontvangen. Gij hebt mij de oogen geopend voor de dwaalleer der christenen, toen ik als jongeling wankelde, bedwelmd door den wapenroem der ridders aan het hof van keizer Otto, waar men mij als gijzelaar hield. U dank ik meer dan het leven: mijn onsterfelijke eer. Onbevlekt bleef mijn schild, dat ik eens hoog zal kunnen houden in Odins hal: ik werd geen afvallige.”
Rolfr Jarl scheen voldaan. Zooveel eerlijkheid las hij op dat hooge voorhoofd, in die heldere, dwepende oogen, die nog vol vertrouwen in het leven blikten, zoekend naar de vervulling hunner droomen.
„Wanneer denkt gij, dat de vloot hier zal kunnen zijn?” hernam de Jarl.
„Over een week gewis. Zij had de laatste dagen met tegenwind te kampen, die houdt haar af van de kust. Anders had ik u wellicht reeds heden te gast genood aan boord van mijn drakenschip.”
„Over een week alzoo zal het luiden: strijd en zege!” Diep haalde hij adem, zijn borst zwol, zijn uitroep dreunde door de holle hal, het was als antwoordden de muren met een echo van ontzetting.
De beide menschen wier levensbaan elkaar kruiste, duizenden tot ramp en rouw, wisselden nogmaals een langen blik. Onwillekeurig huiverde Olaf, de oogen van Rolfr Jarl gloeiden van een vuur, dat, als de bliksem, doodt wat het aanraakt. En beiden wisten, dat zij niet hetzelfde doel beoogden, al schenen zij te trachten naar hetzelfde wit.
Olaf begreep, dat heerschzucht zich mengde in de plannen van zijn gastheer; deze, dat zijn jonge gast zou strijden, sterven, als dit moest, voor zijn droombeeld, dat hem een hindernis zou zijn, voor de verwezenlijking van plannen, die een wijd verschiet zagen van macht, eigen macht. Hernam Rolfr Jarl daarom haastig -- het zwijgen wordt pijnlijk als men luistert naar onuitgesproken gedachten: --
„Zeshonderd helmen zijn bereid om zich te voegen bij uw strijders. Eigenhoorigen en vrijen zal ik wapenen op mijn bezittingen, velen der steeds onderling verdeelde Friezen, meer dan een ontevreden onderdaan van den jongen graaf Dirc van Kennemerland heeft mij door een geheimen bode bericht:
„Mijn zwaard heeft geen roestvlek, mijn schild draagt geen smet. Beide zijn gereed, voor het oogenblik, dat het oorlogsvuur wenkt op de hoogte van den Ravenhorst: „Hierheen!”....
Doch Olaf, ook het gerucht van uw komst bleef geen geheim voor mijn getrouwen en door mijn woorden weten zij, dat gij meer zijt dan een jonge Viking, begeerig naar roem en buit, gelijk zij reeds dikwerf zagen. Zij zien in u mijn erfgenaam en ik neem mijn gelofte niet terug, mits nà de zege.”
Een hooge blos vlamde op Olafs voorhoofd. Tot nu toe had hij nooit meer gedacht aan die belofte van den Jarl.
Het was op een Vikingertocht, den eersten, dien het hem vergund was mee te maken als volwassen man.
Toen had hij het leven gered van den onbekenden Skald, die in ’t heetst van den slag allen moed zong in het hart, kracht in de vuist, door zijn vlammende strijdzangen.
Maar de Skald greep, weer tot zich zelven komend, na den houw, die zijn helm had gekloofd, de hand van zijn jongen, vermetelen redder.
„Wie zijt gij? Ik zal u loonen wat gij deedt.”
„Behoud wat gij hebt. Mijn goed zwaard zal mij wel geven wat ik behoef.”
Het trotsche antwoord van den jongeling behaagde den man, die steeds zooveel zelfzucht, zooveel hebzucht had gevonden, bij zijn omzwervingen te zee en te land. Hij deed onderzoek naar Olafs levenslot, door zijn tusschenkomst redde hij diens erfdeel -- het was slechts gering -- uit de macht van hebzuchtige verwanten.
„Gij zult eenmaal mijn erfgenaam zijn,” sprak hij toen met een plotseling besluit. Want Olafs dankbaarheid was zoo ongeveinsd en Rolfr Jarl dacht aan anderen, die hij veel gewichtiger diensten had bewezen, en wier eenige erkentelijkheid had bestaan in het feit, dat zij hem vergaten.
„Wie erkentelijk kan zijn is een goed mensch, wie dankbaarheid durft toonen is groot,” dacht de Jarl.
Hij, die zoo woest kon haten, zoo hevig toornen, wanneer hij werd getroffen in zijn trots, besefte welk een offer die fiere, jonge lippen hem brachten, toen zij zich plooiden tot een dankwoord. Want hemzelf zou het hebben beleedigd, wanneer een ander had gezorgd voor zijn belangen.
„Ik ben mijzelven genoeg.” Dat was de levensspreuk waarnaar hij zich richtte. Maar niet aan anderen gunde hij datzelfde recht. Het was de gewone fout der blinde heerschzucht. Ditmaal echter dreef ook de noodzaak hem. Olafs vloot, diens gewapenden behoefde hij, om zijn plannen te verwezenlijken, en waar de landzaten, een vreemde Vikinger vloot vijandig, gewapend zouden tegenstormen, zou haar krijgsmacht vertrouwen wekken, zoodra bekend werd, dat de aanvoerder zijn toekomstige erfgenaam was en de bruidegom zijner kleindochter. Hij besloot daarom hem nog heden -- volgens de voor jaren gemaakte overeenkomst -- plechtig aan Swanwitha te verloven.
[3] Het tegenwoordige Amersfoort.
HOOFDSTUK V.
Swanwitha werd dien ganschen dag alleen gelaten. Haar wangen brandden en een woeste angst gloeide in haar oogen. Zij had den geharnasten vreemdeling zien komen met zijn kleinen stoet van speerruiters en door Siva’s woorden geheel begrepen wat zij reeds ten deele wist.
Hoelang was het reeds geleden, dàt zij het wist? Vijf jaren? Ja, dat zou het zijn. Toen was het -- naar haar voedster zei -- de dertiende maal, dat zij de St. Jans vuren zag vlammen op de heidehoogten om den Ravenhorst. Zij dacht, dat die glooiende heuvels op altaren geleken, waar de offers werden ontstoken Jehovah ter eere, gelijk eenmaal in Jerusalems heiligen tempel. Haar moeder had haar dit verhaald, haar moeder, die een christin was geweest, wier droeve oogen nu voor goed waren geloken in den stillen slaap des doods. En toen, weinige weken na haar scheiden van deze wereld, haar vader even roerloos werd thuisgebracht -- een ongeluk had hem getroffen op de jacht, de jachtspriet stak nog in zijn zijde, -- naar werd gefluisterd afgeschoten door een verraderlijke hand -- toen werd zij uit de verlaten hallen van het huis harer kindsheid gevoerd naar den Ravenhorst. Hier heerschte haar grootmoeder. Met gebogen hoofd, als in elkaar gedoken, stond het burchtgezin, wanneer zij ging door hal en hof in haar langslepend kleed, met haar statigen tred en bevelenden oogopslag. Op Swanwitha viel nauwelijks een vluchtige blik, bij de eerste ontmoeting. Maar aan Siva beval haar strenge stem:
„Doe haar dat kruis af en als zij soms een boek heeft, zooals de christenen gebruiken bij hun afgoderijen, verbrand dat.”
„Geef mij nu dat kruisje, hartje, de Groote Vrouw heeft het bevolen,” had Siva ’s avonds gezegd.
Maar hartstochtelijk had zij gesmeekt: „Laat het me houden! Laat het me houden! Een paar dagen nog maar!”
Zij drukte de handen op het kleine, gouden kruis en ’t was haar als hoorde zij opnieuw de zachte stem harer moeder: „Denk als ge het ziet, steeds aan het kruis van den Zaligmaker, mijn kind, en neem uw kruis op, gelijk Hij dit eenmaal het Zijne deed. Volg Hem!” En terwijl zij die woorden meende te verstaan, hernam Siva:
„Laat mij nu eerst het kruis maar naar vrouw Sigrid brengen, misschien mag je het boek dan nog een paar dagen houden.”
Zij wees op eenige perkamentbladen door een rood koord verbonden. Met regelmatig, fraai schrift waren de bladen beschreven, de purperen en gouden aanvangsletters geleken schitterende sterren en roode rozen.
Witha schudde de perkamenten uit elkaar en behield er een, waarop een herder stond afgebeeld, die een klein lam in zijn armen droeg.
„Neem de anderen dan maar mee, dit houd ik. Mijn moeder vond het zoo mooi en haar kruis geef ik nooit, nòoit!” Haar stem klonk dof en haar jong lichaam trilde van krampachtige schokken. Daar werd het donkere gordijn, dat den ingang bedekte, teruggeschoven. Haar grootmoeder stond voor haar met opgeheven hoofd en vasten mond, den gouden band op de zilveren haren. De zoom van haar kleed was doorweven met roode runen, ook op den gordel prijkten die geheimvolle teekens.
Zonder een woord te zeggen greep zij het kruis, maar Swanwitha ontrukte het haar en slingerde haar arm weg.
De lippen van de trotsche vrouw werden wit, haar gezicht vertrok zich.
„Honger en kerkerlucht zullen je dwingen,” sprak zij ijzig.
Swanwitha haalde diep adem en bewoog zich niet.
„Hoor je dat, kind?” Twee dreigende oogen zagen haar strak aan.
„Misschien wel, maar dan doet gij onrecht. Mijn moeder heeft mij op haar sterfbed dat kruis en het boek gegeven en wat ik gekregen heb, behoort mij toe. Neemt gij het mij af, dan begaat gij diefstal.”
Haar stem beefde niet, maar Siva wrong de handen, achter de strenge gebiedster. Deze echter trad terug. In haar trotsche borst klonk het:
„Dat kind heeft mij een les gegeven: Ik heb nog nooit iets genomen wat mij niet behoort en doe het ook nu niet, zelfs niet uit haat tegen de christenen.”
Maar van dien dag koesterde zij meer weerzin tegen Swanwitha dan ooit: zij had reeds lang te voren de geboorte verwenscht van de kleindochter, waarmee haar hoog geslacht zou uitsterven.
Toen kwam Rolfr Jarl terug van een zijner veelvuldige zwerftochten. Onderzoekend zag hij zijn onbekende kleindochter aan, een uitdrukking, die naar voldoening zweemde, gleed hierbij over zijn harde trekken.
„Gij zult mij eenmaal mijn doel helpen bereiken,” prevelde hij voor zich heen. Hij scheen het gemis van een kleinzoon niet zoo sterk te gevoelen als zijn vrouw.
De jaren gingen voorbij. Swanwitha spon in het vrouwenvertrek en leerde wandtapijten vervaardigen voor de naakte muren der hal, zij wist artsenij en kruiden te mengen en zong bij haar driehoekige harp. Maar het waren de heldenliederen der mannen van de „grimma hjerna”, die zij leerde tot eens de gedachte aan een zang harer kinderjaren in haar opwelde en zij aanhief:
„Einen Kuning weiz ich, Heisset Herr Hludwig, Der gerne Gott dienet, Weil er ihms lohnet.
O das warth al geendist, Koron wolda sin Gott iz. Ob her herbeidi So lang tholon mahti.
Liess der heidine mann Obar sie lidan, Thiot Vrancono Mannon sin diono.
Thoh erbarmed es Gott, Wiss er alla thia nod Hiess Herr Hludwigan Tharot sar ritan....[4]
Verschrikt echter snelde Siva toe: „Kind, kind! wat doet gij! Als dat de Groote Vrouw hoorde!... Weet ge dan niet meer, dat dit het Lodewijkslied is, de zegezang van dien koning der West-Franken?” Haar stem daalde tot geheimzinnig gefluister. „Hij leefde voor meer dan een eeuw, die groote vorst, en de roem van zijn overwinning vervult nog de wereld, maar hij overwon de Noormannen. Zwijg daarom, als uw vrijheid u lief is.”