Toen de duisternis dreigde...

Part 25

Chapter 251,733 wordsPublic domain

„Ziedaar Olaf, de beste gids, dien ik u geven kan voor het leven, nu gij, als mijn eerste zendeling, mijn zendingshuis verlaat. Neem het, lees dit boek zoodra gij het kunt en heb het lief, iederen dag meer en meer. Heilig zij u het rein en verheven woord, opgeteekend onder de ingeving van den Heiligen Geest door den Apostel dien Jezus liefhad.”

Hand in hand herhaalden beiden nog eenmaal hun afscheidsgroet -- thans niet meer een „vaarwel!”....

Buiten straalde de aarde in den luister van zonlicht en zomerglans. Olaf wendde zijn paard. Een moeilijke leerschool wachtte hem, eer hij terug ging naar het land der trotsche bergen, wier duizelingwekkende rotstoppen, wier onbegaanbare sneeuwkloven zich omhullen met grijze wolken, met nevelen dicht en zwaar.

Vele jaren moesten verloopen in den vreemde eer hij weer zou keeren naar de schitterende koningshal, waar hij voorheen als bloedsbroeder en schildgenoot werd welkom geheeten, bij het plengen van den Bragibeker, bij zwaardslag en harpslag, waar hij dan als vijand zou worden gehouden, al de tegenkanting zou ondervinden, ingegeven door het wantrouwen en den haat tegen het christendom, die geheel zijn volk beheerschten.

Zijn volk, even krachtig, onoverwinnelijk en woest als de trotsche natuur van zijn land.

Zou hij slagen in zijn levenstaak?

* * * * *

De geschiedrollen, die de wereld richten, die blijven tot een onwrikbare getuigenis, zelfs als het erts vergruist en het hechtste arduin in puin valt, zouden het antwoord geven op die vraag.

Zij zouden eenmaal den jongen opperkoning van Upsala den naam schenken van „Olaf, de Heilige.”

Zij zouden vermelden, dat hij de eerste heerscher was van het ruwe Noorden, die koning van Zweden heette, die orde en recht wist te scheppen in de verwilderde Staten, welke hij vereende onder zijn gezag. Hij zou het heldenras, waarover hij den schepter hield geheven, vormen tot een christenvolk, dat hij door zijn heerschersgaven binnen voerde in de gewijde rijken der historie, door zijn voorbeeld en woorden bracht tot het geloof in het eeuwige land der onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die leven in dit geloof, dat eens zal worden tot zalig aanschouwen.

* * * * *

Nog eenmaal wendde Olaf het hoofd om, voor de laatste maal, want voorwaarts ligt de weg door het leven. Hij wist, hij gevoelde het, gelijk ieder, die zijn roeping begrijpt, de taak hem door God op aarde toevertrouwd.

Het klare, levenwekkende zonlicht stroomde over het landschap en tintte het water om den Hohorst met zijn schitterenden gloed. Het was of gewijde stemmen zegeningen fluisterden, of de gouden stralenbundels een lichtweg wilden vormen, die rechtstreeks voerde van de donkere aarde naar den hoogen hemel. Het scheen alsof al het licht, dat aan dien wijden hemel glansde, ineenvloeide boven den „Heiligen berg.”

AANTEEKENINGEN.

Van Ansfried, graaf van Teisterbant, getuigt zijn levensbeschrijver:

„dat hij vijf en twintig jaar stond aan het hoofd van zijn graafschap, wijd en zijd beroemd als een uitstekend regent, een dienaar der hoogste gerechtigheid, die zich noch door groote giften noch door gunsten van den weg des rechts liet afbrengen, een oprecht en wijs raadsman zijner vorsten en een moedig verdediger van de belangen zijner onderdanen.”

ALPERTUS en PERTZ VI.

* * * * *

„Wij meenen hem (Ansfried) zeker een plaats te moeten toekennen, onder de broeders en zusters, die wij met Paulus vrijmoediglijk geheiligden in Christus Jezus heeten.”

Prof. MOLL, in den Kalender voor Protestanten in Nederland. 1856.

* * * * *

Van den oprechten godsdienstzin zijner vrouw, Hereswit, gravin van Strijen, worden door Giesebrecht en Thietmar in hun kronieken verscheidene mededelingen gedaan. Ook de hierboven vermelde gebeurtenis in de kapel bij Casallum is geheel historisch.

* * * * *

Stichtingsoorkonde van de abdij van Thorn, 992.

In den naam der Heilige en onverdeelde Drievuldigheid.

Ik Hereswit van Strijen, wensch den bruidegom der Maagden te volgen en heb daarom in overleg met Ansfried, mijn heer, een kerk gesticht op mijn bezittingen te Thorn, waar ik en mijn dochter Benedicta dit sterfelijk leven zullen slijten onder den regel der heilige gehoorzaamheid, opdat wij verdienen in de toekomstige eeuw, met witte kleederen aangedaan onder de engelen te verschijnen voor den rechtvaardigen rechter.

Ik bezweer mijn erfgenamen, de heeren van Strijen, bij Hem, die was en komen zal, dat zij deze schenking niet bemoeilijken, maar mijne dochter en hare communauteit in rechtvaardigheid verdedigen.

Zie Diploma bij HABERTS.

* * * * *

Hereswit stichtte met goedvinden van Ansfried de kerk en het klooster van Thorn, bij Maaseik. Zij werd er begraven. Hun dochter Benedicta was er abdis.

Vergrijsd en vermoeid van de vele wisselingen zijns levens werd Ansfried in 994 gekozen tot bisschop van Utrecht. Het Sticht, dat zooveel had geleden van de invallen der Noormannen, behoefde een verstandigen regent. Toen Otto III hem tot die hooge waardigheid riep, trad graaf Ansfried in diepe verslagenheid voor den keizer en gebruikte hij al zijn welsprekendheid, om den landsheer te overtuigen dat zulk een eer voor hem te groot en zulk een ambt voor hem, den veldheer, ongepast was. Toen niets baatte verzocht hij tijd om zich te beraden en te bidden.

Prof. MOLL, Kerkgeschiedenis.

* * * * *

Ook als bisschop blonk hij uit door wijsheid en godsvrucht. Hij gebruikte al zijn inkomsten ten behoeve der kerk en was zoo sober in zijn leefwijze, dat zijn tegenstanders hem er om bespotten.

ALPERTUS.

* * * * *

Zijn gesprekken kruidde hij met het bijbrengen van voorbeelden uit den bijbel. Hij predikte, deed visitatie-reizen, sprak verstandig op de rijksdagen, zocht de overblijfselen van het heidendom uit te roeien en schonk zijn bezittingen „ad restaurandum ib idem Dei servitium.”

De schenkingsacte vindt men in zijn geheel bij HEDA.

* * * * *

Het voorbeeld van Ansfried werd gevolgd door zijn vriend, graaf Frethibold. Deze gaf aanzienlijke bezittingen aan den Dom van St. Maarten.

ROYAARDS vermeldt, dat bisschop Ansfried in persoon tegen de Noormannen optrok.

Zelf wijdde hij de door hem gestichte kerk op den Hohorst bij Amersfoort, dat toen nog alleen bestond uit het slot Bachevorth en eenige omliggende hutten. De Hohorst was destijds een heuvel, die tusschen een breeden stroom (de Eem) en een moerassigen poel lag en alleen met een boot kon worden genaderd.

Zie THIERMAR en HEDA.

* * * * *

Sinds bisschop Ansfried er verblijf hield, heet de Hohorst „de Heilige berg.” In gezelschap van eenige vrome monniken wenschte hij daar van tijd tot tijd uit te rusten van zijn zware plichten en zich voor te bereiden op zijn naderenden sterfdag. Zoo dikwijls het hem mogelijk was trok hij er heen en dan was de machtige kerkvoogd, die als jongeling de banier droeg en de zwaarddrager was der Ottonen en nu nog dikwerf nevens den keizer zijn plaats innam, een eenvoudige monnik, in niets van de broeders onderscheiden, dan door hoogeren ijver voor den godsdienst en door dieperen ootmoed. Alle dagen kwamen twee en zeventig armen uit den omtrek tot hem en hij spijsde ze met eigen hand, en als er kranken waren werden zij door hem verzorgd en opgenomen.

MOLL. Kerkgeschiedenis.

* * * * *

Het was een algemeen verbreid geloof, dat in het jaar 1000 de wereld zou vergaan.

Met angst en beving had men het aanbreken van die eeuw afgewacht, want tal van sombere voorspellingen schenen het jaar duizend als het einde der wereld aan te duiden.

DE ROEVER: Het leven onzer voorouders.

* * * * *

„Het jaar 1000, dat bange tijdstip, waarop onkunde en bijgeloof samenspanden om den menschelijken geest te doen sidderen voor de gevreesde ure van den met zekerheid in dat jaar geprofeteerden oordeelsdag.”

HOFDIJK, Het Ned. volk.

* * * * *

Het Concilie in Rome gehouden in 998 houdt er zich echter evenmin mee bezig als dat van Poitiers in 999.

* * * * *

Koning Robert van Frankrijk, vroeg bisschop Fulbert van Chartres naar een verklaring van den bloedregen, die toen op de aarde was gevallen. Fulbert antwoordde: „dat het geen voorspelling van ramp of onheil kon zijn.”

VICTOR DURAY; Hist. de France.

„Robert begon zijn regeering te midden eener alom heerschende vrees.” (Idem.)

* * * * *

Toen in 909 het Concilie van Trosby werd gehouden eindigde Heriveüs, aartsbisschop van Reims, zijn klacht over het verval van den godsdienst bij geestelijken en leeken met de woorden:

„Het herderlijk ambt wordt een onduldbare last, wanneer het oogenblik nadert om rekenschap af te leggen van de taak, die ons is toevertrouwd, want hij nadert in zijn verschrikkelijke majesteit, die dag, waarop alle herders met hun kudden voor den Opperheer zullen staan.”

De abt Abbo van Fleury meldt daarentegen in 990:

In mijn jeugd heb ik te Parijs een prediking gehoord, dat zoodra het jaar 1000 daar zou zijn, de wereld zou vergaan, dat eerst de Antichrist zou verschijnen en niet lang daarna het oordeel zou volgen. Met een beroep op de Evangeliën heb ik deze prediking met al de kracht, die ik bezat weersproken.”

* * * * *

Ontelbare charters, stukken en schenkingen aan de kerk vangen in dien tijd -- volgens Plaine reeds sinds de 7^{de} en 8^{ste} eeuw -- aan met de woorden:

„Waar alles voor onze voeten ten ondergang neigt, waar de verschrikkelijke dag, het einde der wereld nadert” enz.

Tegen het einde der 10^{de} eeuw komt die aanhef niet meer voor.

* * * * *

„Der Glaube dass mit der Sommersonnenwende des Jahres 1000 die Welt untergehen und das jüngste Gericht hereinbrechen werde, galt während jenes Jahres im Abendland als unfehlbare Wahrheit.”

FELIX DAHN.

* * * * *

„In het jaar 1003 werden over de geheele christenheid maar vooral in Italië en Gallië, de hoofdkerken vernieuwd, ofschoon de meesten het volstrekt niet noodig hadden. Alle volken wedijverden met elkander. Het was alsof de wereld zich zelve uitschudde en haar lompen wegwierp om een nieuw, blinkend wit gewaad aan te trekken.

GABLER, de kroniekschrijver van Cluny.

Het is niet met juistheid op te geven in welk jaar de gouwgraven van het Sticht plaats maakten voor de castellani (burggraven) van Utrecht.

De eerste castellano komt voor in 1105 tijdens bisschop Burchard. Tot 1156 waren de castellani dienstmannen, van 1164-1178 edelen. De bisschoppen bezaten zelf wereldlijke rechten in de gouw Nifterlake en Fleheti, die het Neder Sticht vormden. De gouwgraaf stond onder den bisschop.

* * * * *

Volgens Bondam is Bacheforth en Stuthenborch beide de naam van het tegenwoordige Amersfoort. Anderen zoeken den Stuthenborch bij Hoevelaken. (Stoutenburg).

Wie recht heeft valt moeilijk te beslissen. Want ook hier -- en nog voor meerdere bijzonderheden in dit boek, o. a. over den hier beschreven inval der Noormannen, dien sommige kronieken eenigen tijd vóór, andere nà het jaar duizend vermelden -- geldt het woord van den ouden kroniekschrijver, Claas Kolyn:

„Ik moet u rond uyt zeggen Dat ons de schiedenissen ontbreeken Om duydelyker te spreeken.”

Opmerkingen van de bewerker.

Enkele duidelijke (zet)fouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd.

Overbodige, ontbrekende en inconsistent geplaatste aanhalingstekens zijn niet gecorrigeerd.

Inconsistente spellingen, woordafbrekingen e.d. zijn niet genormaliseerd.