Part 24
Bisschop Ansfrieds woorden zwegen, maar het was allen of het plechtig psalmgezang voortduurde, hymne van zielevrede en geloof, stammend uit beter, heiliger oord, die het woest geweld der aarde breidelde, vredig als de zilverschijn van het maanlicht, wanneer dit valt door voortgezweepte stormwolken.
Een groote kalmte daalde in de harten der fel geschokte menschen.
„Heilige woorden, ruischend van den Heiligen berg,” fluisterde Swanwitha’s zachte stem en het diep bewogen woord repte zich als gevleugeld door het gansche kerkgebouw. Stil werd het binnen, waar allen zich voelden beschermd en bewaard door de tegenwoordigheid van een enkele die -- als eenmaal Henoch -- wandelde met God, die voor hen bad. Stil werd het buiten, waar de storm zich legde en het gerommel van het onweer nog slechts uit de verte werd gehoord.
Geruime tijd ging onder dezelfde ademlooze stilte voorbij... Was het duivelenheir overwonnen door de engelen, die zouden komen en de menschheid voeren ten gericht?
Maar geen bazuingeschal weerklonk, geen geruisch van blanke serafwieken werd vernomen...
Stil bleef het, ademloos stil. Bisschop Ansfried zag neer op een in gebed verzonken gemeente...
Niemand waagde zich te verroeren, maar toen eindelijk, eindelijk Olaf moedig de deur openstiet, waarbij hij zoolang had geknield op den grond, ontdekte ieders verbaasde blik de zon, die langzaam en statig zich losmaakte uit de nevelen, welke haar glans onderschepten. Zij zagen den bodem vast, onbewogen -- zij zagen, dat de aarde nog bestond.
Naar buiten snelden allen, wankelend, -- als in een droom. Zij zagen de verwoesting aangericht door den storm, de gevallen boomen, de doode vogels, vleermuizen met uitgespreide vlerken, katuilen met ronde, starende oogen, zij zagen een wolf, gewond, soms nog flauw jankend en blazend, waarschijnlijk vluchtend voor het weer, getroffen door een vallenden boomstam, op den grond liggen met gebroken poot... Dat waren de krijschende geluiden geweest, die zij hadden toegeschreven aan helsche geesten, voortgebracht hadden hen de dieren van het woud, en de uit angst voor het noodweer opgejaagde vogels. En toen gleed de door dankbare tranen gesluierde blik der geredden over het glanzend golvenvlak van de Eem en zij zagen het overschot der voor weinige dagen zoo machtige Denenvloot teruggeslagen door den storm, ontredderd drijven -- iedere bodem thans een wrak. Waren nog enkele schepen ontkomen? Zij wisten het niet, zij vroegen het niet, zij zagen eigen leven gered, maar meer dan dit, bevrijd hun volk en vaderland. Toen zocht menig oog de plek, van waar zooveel onheil was uitgegaan, waar de eerste schakel gesmeed was van den keten, die hen moest omknellen voor altijd -- en zij zagen den Ravenhorst, zwart verbrand, een vormlooze steenklomp.
Had de bliksem zijn hooge transen neergeslagen, was het vuur op last van vrouw Sigrid ontstoken, opnieuw aangewakkerd door den vliegenden storm en had dit zijn werk verricht?
Niemand vroeg het. Met lippen, die een dankgebed stamelden, zagen vrijen en hoorigen den dwangburcht vernietigd, die een schaduw des doods had geworpen op geheel het omliggende land.
In het oosten kleurde een roode gloed den hemel en deed zijn koepelgewelf opvlammen en stralen van licht.
Gezegend, heilig licht! Het gloeide op de kroongewelven der eiken, het straalde tusschen de donkere takken der dennen, het glansde over weide en veld. De schaduwplekken baadden in gloed, de wolken werden omzoomd met een gouden glorie, en de golven der rivier weerkaatsten het vlekkeloos blauw van den hemel. Licht was alles, enkel licht...
De grijze bisschop hief beide handen op, zegenend. Ook zijn gelaat straalde als verheerlijkt, toen hij omgolfd door het licht, dat neergleed van omhoog uitriep:
„De donkere nacht van vrees en verschrikkingen is voorbij, het is of de aarde werd herboren. Mijne kinderen, houdt de gelofte afgelegd in het geweldig uur, toen gij dacht weldra te zullen staan voor uw eeuwigen Rechter, toen de buitenste duisternis dreigde en gij Zijn genade hebt ingeroepen om Jezus Christus’ wil. Hecht nimmermeer geloof aan menschenwoord, zoekt steeds uw rust in dat van God: „Deze dag en deze ure weet niemand.”
En thans, dankt allen met mij onzen God, Die ons als een nieuw leven schenkt op een nieuwe aarde.” Op de knieën zonken allen overweldigd door wonderbare aandoening. Met een huivering van ontzag gevoelde ieder de wijding van het oogenblik, niemand waagde bijna zich te bewegen. Weer was het een oogenblik ademloos stil als dien eigen nacht. Toen echter heerschte het zwijgen van den doodsangst, nu een onbeschrijfelijk gevoel van verlossing en redding.
Aangezichten bleek van aandoening zochten den hemel, waaraan de zon opging, eerst wemelend in teere ochtendtinten van opaal en rozerood, dan opgloeiend in glanzend lila, in stralenbundels van vlammend karmozijn. Het was alsof het rijzend licht in waarheid een nieuwen hemel deed baden in gloed, of zijn goudglans viel op een nieuwe aarde.
En onder dien hemel, schitterend blauw met zacht verder drijvende zilverwolken boog zich de gansche saamgestroomde menigte met tranen van een geluk, dat de woorden miste om zich te uiten. Maar in vervoering hief bisschop Ansfried de rechterhand op, omhoog wees hij, omhóóg.
„Ziet daarheen! Aanschouwt het licht! Geloofd hebt gij allen, dat de aarde ten ondergang was gedoemd, een rilling van ontzetting, die de voorbode scheen des doods, ging door uw leden en -- nu!.... Ziet daarheen!
Thans is ieder hart een tempel des gebeds, en de hemelen schijnen geopend. Het is of de wolken als zilveren booten zeilen langs de stralende lucht. Engelen omzweven ons, hoort hun wiekslag! Neer dalen zij terwille van allen, die bereid zijn hun goeden strijd te strijden ten einde toe, wier namen zijn geschreven in het boek des levens.
Mijn verloste kinderen, toen de duisternis dreigde, hebt gij God gezocht; vergeet Hem niet, vergeet Hem nimmermeer, nu het licht voor u werd en gij Zijn eindelooze liefde ervaart met zijn grenzenlooze erbarming. Houdt Hem vast, houdt Hem vast in leven en dood, Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen. Dan dragen u eenmaal de engelen in Zijn eeuwig huis, waar de onsterfelijkheid uw deel, de oneindigheid uw woning en de eindelooze gelukzaligheid uw toekomst zal zijn!”
Slechts tranen gaven hem het antwoord, zwijgende gelofte afgelegd in het onvergeetlijk levensuur van allen, die de heilige woorden van geloof en liefde en hope opvingen, ruischend als met engelenstem van den Heiligen berg.
Tot die zwijgende gelofte overging in stil gebed, zich oploste in den als bij ingeving door allen, die de woorden machtig waren, aangeheven jubelzang:
„Te Deum laudamus: te Dominum confitemur Te aeternum Patrem omnis terra veneratur. Tibi omnes Angeli, tibi coeli et universae potestates: Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant: Sanctus, Sanctus, Sanctus!”....[25]
[25] Gezang 3 vers 1.
HOOFDSTUK XXVIII.
Het was de avond van dienzelfden dag. Het volk verspreidde zich, de koortsachtige opgewondenheid week met de geweldige spanning, maar nog lang zou blijven nagloeien in de harten het gevoel van redding en overstelpend geluk, waarvoor ieders mond vruchteloos woorden zocht.
Stilte daalde over de velden. Van de linde, die haar zoeten bloesemgeur zond in bisschop Ansfrieds vertrek, ritselde geen blad, geen vogel zong in de twijgen. Het was of geheel de schepping nog steeds zwijgend aanbad, bij het wonder dat zij aanschouwd had: het licht van den dageraad opgaande over de als herboren aarde....
Groote dankbaarheid, heilige vrede, heerschten in menig hart, beheerschte geheel dat van graaf Frethibold, wiens geluksgevoel thans zijn vroegere radeloosheid evenaarde, haar zelfs volkomen in de schaduw stelde.
Gerlach had gesproken, op ’s bisschops bevel. Hij wist nu, dat zijn zoon leefde, dien hij als dood had betreurd, den nooit vergeten oogopslag zijner vrouw vond hij thans terug bij zijn kind -- bisschop Ansfrieds dappersten ridder -- zijn redder uit doodsgevaar te midden van het wilde slaggedruisch....
„Frethibold, heeft God het nu wèlgemaakt, ook met u?”
De stem van den bisschop was zacht en vriendelijk als die van een vader, wanneer hij een dwaasheid vergeeft aan zijn kind.
De krachtige man drukte de handen voor de oogen, zij waren vochtig van ongeschreide tranen, tranen van geluk.
„O, heer, heer! Nimmer zal ik meer klagen, nooit meer! God vergeve mijn morren en wanhoop; ik heb Hem verlaten en Hij heeft mij gezocht en overstelpt met Zijn grootste zegening. Wat zal ik Hem ooit kunnen vergelden voor zulk een weldaad! God is goed, Hem looft mijn ziel!”....
„God is altijd dezelfde, Frethibold, in vreugde en in rouw, bij dag en bij nacht, in voorspoed en leed. Alleen de menschen vergeten Hem vaak te midden van hun geluk, dan trekt Hij hen tot zich met liefdekoorden gevlochten uit ramp en tegenspoed. Dàn klagen zij en Hij vergeeft en zegent.”
„Ja, zoo is het! Ach, had ik dit toch vroeger begrepen, vroeger. Hij geeft mij zooveel!”
Zijn blik zocht de vensternis aan de tegenovergestelde zijde van het vertrek, hij bleef rusten op twee jonge, bloeiende gestalten, die stonden hand in hand, alles om zich heen vergetend, alleen elkander ziende en hun geluk.
„Mijn, voor altijd mijn!” fluisterden Unruochs lippen.
Swanwitha, zijn jonge bruid nu, zag hem aan met een blik vol glans:
„Toen de duisternis mijn leven bedreigde, de ijzige koude van een bestaan zonder liefde, een verbintenis gesloten uit dwang, toen heb ik tot God gebeden en Hij heeft mij verhoord. Hij was het die Olaf zijn edelmoedige woorden op de lippen legde, die mij vrij maakten van mijn afgedwongen gelofte. Nu is uw God ook de mijne. ’t Is zoo heerlijk, alles is licht!”
Zij stond daar zoo kalm en vredig in haar wit kleed, met zulk een gelukkigen glimlach op het liefelijk gelaat, het avondrood tintte met zijn glorie haar lang golvend haar, ook in haar oogen welden groote tranen van onuitsprekelijk geluk.
Was het wonder, dat graaf Frethibold plotseling de armen uitbreidde met een teer:
„Mijn lieve dochter, door mijn zoon nu ook mijn kind!”....
„Neen, het uwe niet, niet het uwe!” Een stem snerpte het, schor van machtelooze woede, nog genietend tot het laatste oogenblik van haar macht om geluk te kunnen verkeeren in leed, vreugde in rouw.
Het was vrouw Sigrid, die alleen de laatste woorden had opgevangen, terwijl zij binnensnelde, op den voet gevolgd door haar beide wachters. Te vergeefs hadden zij beproefd haar in bedwang te houden en te doen blijven in het vertrek, haar aangewezen als voorloopige kerker. Zij had de deur weten open te rukken terwijl de bewaker haar het avondbrood bracht, toen was zij de wacht voorbijgestormd en nu stond zij hier. Een flauw gerucht was tot haar doorgedrongen, dat graaf Frethibold zijn kind had hervonden, wie dat was wist zij niet. Maar nu ving zij enkele zijner woorden op, zag zij hem Swanwitha liefkoozen.... Zij zou hem doen ontwaken uit zijn geluksdroom. Weer voelde zij haar macht, zij hield het heft in handen.... En dit gevoel dreef haar een geheim van de lippen, dat zij anders met zich zou hebben genomen in het graf.
„Uw dochter, zegt gij? Ha, ha! Waart gij dan gehuwd met Gisela van Teisterbant? Die was haar moeder, haar vader -- mijn zoon.”
Een dubbele kreet weerklonk. Bisschop Ansfried drukte Swanwitha aan zijn hart, hij snikte als een kind:
„Heb ik het niet altijd geweten, altijd! Dochter mijner dochter, wees gezegend, wees tot zegen! Hoe zal ik den Heer loven Die mij u deed hervinden!”
Hij wendde zich tot vrouw Sigrid:
„Wèl mag ik hier de woorden herhalen eenmaal in Egypteland door Jozef gesproken tot zijn broeders:
„Gij hebt kwaad tegen mij gedacht doch God heeft dat ten goede gedacht!” Hij wees op Unruoch: „Daar staat de zoon van den gouwgraaf, de toekomstige graaf van Teisterbant en zijn bruid -- het is mijn eigen kleindochter, mijn lieve Swanwitha!”
Zijn lippen liefkoosden den naam, zijn hand het gouden haar. Die gelukkige in elkaar als verzonken groep.... Het gezicht maakte vrouw Sigrid bijna razend. Met een verwensching trok zij haar langen, zwarten mantel om zich heen; als een visioen van den nacht, die rouw en jammer opriep, was zij verschenen, als een schaduw wilde zij verdwijnen uit het vertrek, uit de herinnering dezer menschen.
Maar de bisschop trad haar in den weg:
„Vrouw Sigrid, waarheen wilt gij? Gij zijt een gevangene, vergeet gij dat?”
Zij barstte uit in een tergenden lach:
„Gevangen, ik? Misschien zoolang ik dit zelf wil, maar ook geen oogenblik langer. Als ik het verkies verlaat ik uw kerker evenals ik het nu deed, dwars door de wachten heen.”
„Gij zult slechts weinig dagen een gevangene blijven, op deze wijze. In een stil, afgelegen vrouwenklooster zal u tijd worden gegeven tot boete en nadenken, die, God geve het, eenmaal ook bij u mogen worden gevolgd door bekeering en berouw.”
Weer die verachtelijke lach, die tartende blik:
„Berouw, ik? Ha, ha! Ik zie de tuchtroede reeds geheven boven mijn hoofd! Nu, deze handen zullen nog krachtig genoeg blijken om haar te breken.
Hoor, wat ik u zeg: Als gij mij opsluit, zal ik ontsnappen, als gij mij opnieuw weet te vinden weiger ik alle voedsel, dan sterf ik den hongerdood door uw toedoen, vrome bisschop, door ùw schuld! Voor mij bestaat er altijd een uitweg. Gezworen heb ik terug te keeren naar mijn Noorsch vaderland, en ik houd dien eed. Daar tusschen de zwijgende bosschen, in wier schors de eeuwen hun runen schreven, zal ik mijn leven voortsleepen in herinnering, die mij ten vloek zal zijn, door uw toedoen. Want de ongerepte sneeuw, die daar zwaar ligt en dicht, die de takken der dennen doet breken onder haar last, zal nooit in staat wezen den hellebrand te blusschen, die gloeit in mijn hart aan een verterend vuur gelijk, nu ik u heb zien zegevieren, terwijl mijn grootsche plannen faalden -- alle!”
„Ongelukkige, misdadige vrouw, ik laat u niet gaan, nooit! Ook uw ziel is kostbaar in het oog van God, Die alleen haar kan redden van het eeuwige verderf.”
„Red u zelven van het verderf! Daar, dáár! Zie of gij er toe in staat zijt! Dáár!”
Als een furie gilde, krijschte zij. Zij hief den arm op. De manshooge luchter, die reeds was ontstoken in de nis voor het kleine huisaltaar, kantelde, viel om met een slag. Vuur vatten de drooge biezen op den vloer, weldra zou de vlam zich verspreiden....
„Redt! Helpt!” klonk het uit ieders mond.
„Onzalige vrouw! Gij, die steeds speelt met vuur, in vlammen zult gij eenmaal vergaan!”
Graaf Frethibolds stem klonk bitter van rechtmatigen toorn, een even bittere lach gaf hem het antwoord, daartusschen siste reeds het brandend stroo.
Terwijl allen zich beijverden om den brand te blusschen, sloeg de deur toe. Zij hoorden er den grendel voorschuiven aan de buitenzijde, zij moesten de vluchtende overlaten aan zich zelve om eigen leven, om het bedreigde kerkgebouw en het kleine gedeelte, dat nog over was van het zendingshuis te redden.
Toen die zware arbeid eindelijk was volbracht en door een toesnellenden speerknecht de deur ontgrendeld, lagen de vale schaduwen van den nacht over het land, waarin vrouw Sigrid nimmermeer zou worden gezien.
Over haar verder leven, over haar dood bleef de sluier rusten der vergetelheid.
Daar waren geen werken verricht door haar hand, die haar konden volgen. Zij behoorden tot den nacht en gingen onder in den nacht, beladen met smaad en verachting.
Of de trotsche vrouw nooit gevoelde, dat zij de straf harer schuld droeg in zich zelve? Haar verder leven zou zijn verlatenheid en wroeging. Verteerd door vruchtelooze wenschen naar voormalige macht, zou haar deel zijn de te late erkenning, dat ieder verantwoordelijk is voor eigen daden en, dat die daden hem het antwoord geven in de vergelding, welke zijn leven treft.
HOOFDSTUK XXIX.
„Vaarwel, God zegene u! Schenk mij uw zegen, mijn vader! Vaarwel, vaarwel!”...
Olaf Erikson stond voor den bisschop -- het was de laatste maal. Buiten, aan de overzij van het water, hinnikte zijn paard reeds ongeduldig de thuisreis tegen -- het was voor de laatste maal.
Als geboeid hing zijn oog aan het gelaat van den grijsaard, dat zoo kalm en verheven neerzag op het woelen en drijven der menschen, dat zoo zacht en geduldig bleef bij smaad en hoon, waarvan de lippen een gebed fluisterden voor zijn vijanden -- met woorden wellend uit het hart.
„Vaarwel!” stamelde Olaf nog eens, „vaarwel, voor altijd!”
Het scheen of hij geen ander woord wist te vinden.
Doch bisschop Ansfried had een beteren afscheidsgroet:
„Geen vaarwel voor altijd, Olaf! Dit leven is slechts kort van duur. Pelgrims zijn wij allen, op weg naar huis. Dáár, in het eeuwige land der onsterfelijkheid zullen eenmaal allen elkander hervinden, die God liefhadden, al werden zij hier beneden gescheiden door het aardsche leven en de wisselende lotgevallen der menschen.”
Het zachte suizen van den ochtendwind begeleidde zijn woorden, het klonk als een liefelijk gezang, dat aanzweefde uit de wijde verte.
„Hoe goed zal het daar de verlosten zijn, Olaf, in het heilige land van vrede en rust. Daar vloeien geen tranen meer, daar kent het hart, dat moedig volhardde in den levensstrijd, zijn goeden strijd streed ten einde toe, smart noch rouw. Olaf, is deze eindelooze vrede, dit geluk, dat ons wacht in het land onzer toekomst, niet waard, dat men er hier op aarde voor lijdt en draagt, dat men strijdt om in te gaan?
Laat het daarom niet langer uw wensch zijn het christendom te belijden, omdat gij het verhevene voelt van zijn leerstellingen, maar omdat het een godsdienst is, die de menschen edel maakt en rein en goed, omdat het de openbaring is van Gods Woord en wil, allen tot zaligheid gegeven.
Treur daarom niet langer zoo bang, zoo zwaar om wat het leven u ontneemt. Ik weet welke onvervulde wenschen gij hier achterlaat, ik weet, dat het hard is alleen door het leven te gaan, zonder liefde, zonder geluk. Maar draag het, moedig en sterk, omdat het God is, die ieder zijn kruis geeft. Voorwaar, het is geen lichte taak een christen te zijn. Het is een heldenleven, dat geduld eischt onder de zwaarste slagen, levensmoed bij het bitterste zieleleed, een onwrikbaar vertrouwen op de liefde en wijsheid van God, wanneer de zon van ons bestaan ondergaat in nacht. Wie een christen wil wezen, moet geheel zijn eigen ik loslaten, met al zijn wenschen, droomen en plannen voor dit leven. Hij moet alleen willen wat God wil en met Paulus getuigen: „Het leven is mij Christus, het sterven gewin.”
Want, wat hier ons kruis was, wordt dáár onze kroon. Omstraald door het licht der eeuwigheid zullen wij Gods wondere leidingen leeren begrijpen, die wij hier slechts aanschouwen in een duisteren spiegel. Hoop slechts, Olaf, geloof en vertrouw.”
Olaf sloot de oogen.
Het was bijna te schoon, te heerlijk om te kunnen gelooven, toch voelde hij de hoop van den christen en het geloof, „den vasten grond der dingen die men niet ziet,” rijzen in zijn hart en een groot vertrouwen nam bezit van hem geheel.
Mocht dan donker de zee zijn waarop zijn levensboot zou drijven in zwarten, sterrenloozen nacht, terwijl al de baren over hem heengingen en de wateren klotsten tegen de kiel, toch zou hij wankelen noch vertwijfelen. Want héél ver in het verschiet, aan het einde der reis lichtte het met blinkenden glans tegen de donkere wolken, dáár aan de grens der levenszee, waar het eeuwige land der toekomst den zwerver wachtte....
Helderder en schooner wordt het licht, het rijst, het verheft zich, neemt toe in kracht, het doet de donkere golven baden in gloed, en omstraald door die gouden glorie zweven lichtende gestalten nader, hun gelaat blinkt, hun serafwieken schitteren wonderschoon. Hun stemmen vereenen zich tot een koor met klanken, die niet meer behooren tot deze aarde, die zich aaneensnoeren tot een hemelschen zang. Welkom heeten zij de bevrijde ziel, die nadert om de palmen te ontvangen der overwinning, om hun gelukzaligheid te deelen, in eeuwig, onvergankelijk heil. De donkere zee -- thans baadt zij in licht; de ontredderde kiel -- hij rust in veilige haven.
Kon het vluchtige, aardsche leven, hoe vol moeiten en ontgoochelingen, ooit meer een beeld der verschrikking worden met zulk een toekomst in het verschiet?
Olaf hief de hand op als ten plechtigen eed:
„Gij hebt over mij gezegevierd geheel, over de laatste wenschen van mijn hart, die nog riepen om levensgeluk. Voortaan zal ik alleen vragen en zoeken naar een levensdoel. Dat God mij de kracht verleene het te vinden en te besteden tot Zijn eer, opdat wij eenmaal elkander mogen terugzien in het eeuwig licht.”
„Uw levensdoel behoeft gij niet te zoeken. Het werd u reeds geschonken, het ligt voor u bereid.”
Een verwonderde, vragende blik trof den spreker. Deze vervolgde:
„De toekomstige koning van uw groot en machtig vaderland is een kind, opgegroeid te midden van het heidendom, omringd van alle zijden door het geloof aan de woeste, geweldige goden van uw onverschrokken volk.
Hij draagt uw naam, ik weet, dat koning Harald u liefheeft, hem heeft genoemd naar u, wenscht, hoe hij eens u zal gelijken. Tracht daarom het hart van den jongen Olaf, den opperkoning van Upsala, te winnen voor het christendom, toon hem, dat de leer van den Christus machtiger is dan de ruwe kracht der heidensche goden, omdat zij haar oorsprong nam uit de eeuwige liefde.
Wijs hem op het wisselvallige van aardsche macht, op het vluchtige van het leven der menschen, dat wel mag worden vergeleken met de vallende bladeren in den herfst, als in de purperen en goudgele wouden de boomen onbeweeglijk staan en de bladeren neerdwarrelen in den stillen, grijzen najaarsmorgen. Zij worden niet meer gekend, als het gras vallen zij neer of verwelken gelijk de bloem op haar stengel. Dat is het einde. Alleen God blijft tot in eeuwigheid, wèl is het hem, die in dat geloof zijn rust vond: tot nieuw leven zal hij worden gewekt in Zijn eeuwig huis.
Dit, Olaf, is de levensles, die gij den jongen koning eenmaal zult leeren. Eenmaal, zeg ik, nu is de tijd nog niet daar. Gij zelf moet nog leeren in de school van het leven, in die van het christendom, eer gij anderen tot gids kunt zijn. Zelfs Paulus had een tijd van voorbereiding noodig, eer hij waardig werd gekeurd te gaan tot de heidenen.
Ook gij werdt wonderlijk getrokken, maar ook gij behoeft tijd en nadenken en véél gebed om te worden wat gij zijn moet, om de levenstaak te kunnen vervullen, die u wenkt.
Hier kunt gij niet blijven. Het volk weet wie gij waart, met welk doel gij in dit land zijt gekomen. Wantrouwen zou uw deel zijn van allen kant en wantrouwen doodt en verstikt wat goed en edel is in het menschelijk hart. Ga daarom, -- waar ik de lessen leerde, waarvan mijn leven de vrucht werd -- naar Keulen, naar de Schola Palatina, de groote leerschool bij uitnemendheid. Daar zult gij vrienden vinden in leermeesters en denkers, ik zal u aanbevelen en hoewel verwijderd van elkander, zullen wij niet gescheiden zijn. Weldra zult gij de letterteekens weten te ontcijferen, dan zullen onze brieven verhalen wat wij elkander niet kunnen zeggen. Leef en werk, heb vertrouwen in uw toekomst, dat is leven voor de toekomst.
En als gij u bereid voelt voor uw taak, ga dan tot den jongen koning. Erken hoe wonderlijk God u heeft geleid: Gij zijt hier gekomen om dit volk te verderven, gij wordt geroepen om, in hooger kracht, een ander te behouden.”
Een nieuwe glans lichtte in Olafs blik; om zijn mond speelde een glimlach, die de trek van berusting uitwischte, welke er nu sinds zoovele dagen zetelde, die verhaalde wat eens zegepraal wezen zou, als de goede strijd gestreden was en de loop voleindigd.
Bisschop Ansfried zag het, hij was voldaan. Zegenend legde hij Olaf de rechterhand op het hoofd, met de andere reikte hij hem een perkamentrol, beschreven met zijn eigen vast, duidelijk schrift. Het was het Evangelie van Johannes.