Toen de duisternis dreigde...

Part 23

Chapter 233,847 wordsPublic domain

„Zij is razend!” mompelden de speerknechten, die haar in hun midden namen en trachtten weg te brengen op Unruochs last.

Niemand sloeg langer acht op haar woorden of bevelen! Dit deed den beker overloopen voor de trotsche vrouw, bewusteloos sloeg zij neer.

Unruoch had intusschen bevel gegeven de kerkers te openen. Onder de bevrijden was ook Yglo. -- Nu wendde hij zich tot de droevige groep, waarvan Swanwitha en Olaf het middelpunt vormden. Ook in zijn borst streden plichten en wenschen om den voorrang. De eerste verwonnen.

„Ik zal voor hem doen wat ik kan bij den bisschop. Gaat nu beiden mee, mijn boogschutters zullen hem dragen,” sprak hij tot Swanwitha.

Hij wilde haar met geen enkel woord herinneren aan de eens in een wonderzalig uur afgelegde gelofte. Was voor haar slechts kinderlijk spel geweest, wat voor hem hooge levensernst was geworden? Hij wist het niet, hij vroeg het niet, hij voelde de hand van den plicht, die hem voerde op zijn levensweg....

De sombere stoet van menschen met gezengde haren, bloedend uit meer dan één wond, of afgemat door kamp en strijd, trok over de brug van den Ravenhorst. Aan het hoofd reed Unruoch; op zijn bevel was ook voor Swanwitha een paard gebracht, zwijgend ging zij voort aan zijn zijde. Op een baar, gevormd door gekruiste speren, met een wijden mantel bedekt, rustte Olaf. Een ruiter had vrouw Sigrid, nog steeds bewusteloos, voor zich op het paard gelegd. Diep haalde menige vrouw van het burchtgezin adem, toen zij zich bevrijd zag uit het verschrikkelijk verblijf, waar soms nog kleine vlammen opflikkerden als zooveel vurige tongen.

„Hij alleen heeft ons gered van den vuurdood!” fluisterde er een op Unruoch wijzend.

„Maar hij wilde het ook doen,” hernam een ander en dankbare blikken gleden over Olafs kleurloos gelaat.

Ja, gered waren zij, gered!

Zij stonden en zagen het welbekende landschap, zoo rustig nu en vredig: de heidehoogten met donkere dennen begroeid, het zilveren water van de Eem. Een overweldigend gevoel van verlossing en bevrijding rees in aller hart. Slechts enkele vluchtige oogenblikken.

Eensklaps begon het te druppelen uit de wolken met hun vreemden rossen gloed. Ruischend viel plotseling de regen neer, een regen rood als bloed. De doodsverf der ontzetting streek zelfs over de aangezichten der ruwste krijgers, een steunend geluid drong uit menige dappere borst, het vreeselijk wonder deed het bloed stollen in ieders aderen.

De ondergang der wereld! Zij hadden de steeds met zooveel angst aangehoorde voorspelling vergeten in de hitte van het gevecht, bij de woede der vervolging.

Doch zoo was het dan waar, wààr! Zoo was thans het uur aangebroken, juist als werd voorspeld, met den langsten dag, die ten einde neigde. Als middernacht aanbrak dan.... Doodsangst vereende zich in één enkelen, door merg en been dringenden kreet. Het was of een schot vloog uit ieders keel. En de regen ruischte, ruischte aldoor.... de bloedregen! Steeds grooter werden de druppels, rood verfden zij heide en struikgewas, rood de sidderende aangezichten en angstvol opgeheven handen der menschen. Op de knieën zonken allen, snikkend, kermend, rillend van vrees meer dan ooit te voren. Wanhoopskreten met tranen en afgebroken gebeden vermengd stegen op naar de wolken:

„O, Heer, wees ons genadig! Erbarm u onzer, o, Heer!”

Een gedaante, als uit den grond opgerezen, stond eensklaps tusschen de knielende, in radeloozen angst saamgedrongen menigte.

Niemand herkende in het eerste oogenblik de oude Lisa, die altijd zoo gebogen en droevig rondsloop. Zij droeg een schoonen hoofddoek en stond rechtop vol kalmen ernst. Haar oogen, anders meestal neergeslagen, zochten nu de door doodsangst verwrongen trekken van het knielende volk. Een ongewoon zachte uitdrukking lag op haar gerimpeld gezicht, toen zij sprak -- sommigen meenden, dat zij tranen in de oogen had:

„Ik ben gekomen om u allen te zeggen, dat gij niet bang behoeft te zijn, want de Heer Jezus leeft en Hij zal over ons waken. Hij zal in het verschrikkelijke oogenblik zijn engelen zenden om ons te voeren naar een betere wereld. Komt, gaat allen mee, dáárheen! Daar bidden zij en wie bidt heeft niets te vreezen, want onze God is de hoorder der gebeden!”

Zij hief de hand op en aller oog volgde zonder onderscheid, die beweging. Hoog op den heuvel zagen zij den Hohorst met de kleine kerk, geblakerd en zwart geschroeid door een plunderende Denenhorde, maar toch onaangetast door het vuur, dat het woongebouw verteerd had. Helder licht straalde uit de kleine vensters, de klok begon te kleppen met zilveren klank....

„Daarheen! Daarheen!”....

Met hijgend verlangen, als zagen zij een vluchthaven ter redding en veiligheid in den uitersten nood, richtten de in ’t stof gebogenen zich op.

Van enkele op de Denen veroverde schepen was reeds te voren een brug gevormd, dwars in de rivier, op Unruochs bevel, toen hij bisschop Ansfried in veiligheid bracht uit het krijgstumult van het slagveld. Over die wiegelende bodems stroomden thans allen....

HOOFDSTUK XXVII.

De zware strijd was volstreden, de kamp, met zooveel zorg tegemoet gezien, beslecht, maar geen juichtoon werd aangeheven, geen overwinningskreet geslaakt door de kloeke krijgers. En de ouderen van jaren, van wie meer dan een neerzonk van vermoeidheid -- zij dachten aan rust noch sluimering.

De roode regen viel, het begin van het einde, de laatste nacht van het laatste jaar was daar. -- --

Snel had zich door de gansche landstreek het gerucht verspreid van den ondergang der gevreesde Denenvloot. De vrouwen riepen het elkander toe met hijgende stem, zij brachten het verder -- want strijdend waren nog de mannen -- en zoo bereikte de blijmare ook Utrecht. De wachters bij brug en poort vernamen haar het eerst, in overweldigende blijdschap wierpen zij schild en speer van zich: „Daar was immers niets meer te vreezen, niets meer!”....

Ademloos berichtten zij het vrouw en kinderen, die baden in den Dom. Maar dof sprak een der vrouwen:

„Waartoe die vreugde, als de aarde toch vergaat, over enkele uren reeds?” Toen liep opnieuw een rilling ieder, die het verstond door de leden. Zij zagen om zich als misten zij iets. De diepe Romaansche gewelven, waarin het flikkerde van wemelend kaarslicht, schenen eensklaps duister.

„Onze bisschop!.... Wij moeten zijn waar hij is, als het bazuingeschal der engelen weerklinkt! Hij zal ons voorgaan in het gebed en genade voor ons afsmeeken van den Heer!”

„En hij zal Gods barmhartige liefde over ons inroepen, door Wiens hulp heden ook de Denen werden verslagen”....

„En de Antichrist.” Onhoorbaar bijna was het gefluisterd, maar het werd herhaald en geloofd.

Toen was het eensklaps of een schok voer door de geheele schare.

Alles verhief zich, mannen, vrouwen en kinderen en in plechtigen optocht trokken allen de stadspoort uit om bisschop Ansfried op te zoeken. Hij wist immers steeds een uitweg wanneer allen versaagden, hij had woorden van opbeuring en troost als ieder vertwijfelde, ook nu zou hij kalmte en vertrouwen weten te storten in harten, die sloegen tot berstens toe.

„Naar hem! Naar onzen bisschop!”

Niemand dacht aan den langen weg, die voor hen lag. Naar den Hohorst stroomden Utrechts inwoners te paard, op wagens of te voet om daar het einde af te wachten. Voelden zij instinctmatig, dat de man bij wien zij schuts zochten en steun voor de vreeselijke ontknooping, die naderde onverbiddelijk en snel, zoo hoog boven hen stond, omdat het leed der wereld hem niet meer kon deren, nadat hij zijn zwaarste leed geleden had en de woorden uit de Bekentenissen van Augustinus gemaakt tot de zijne:

„De mensch keert zich naar alle zijden, naar hier en daar, en alle dingen zijn hard en bitter voor hem. Want alleen in U o, God, is ruste. Waarheen de ziel des menschen zich wendt, overal vindt zij smart dan bij U alleen”....

En zoo, biddend, psalmzingend, de kracht overspannend uit vrees van te laat te komen, soms rustend als de angst sterker bleek dan zelfs die opgeschroefde kracht, bereikten zij de hoogte door de Eem bespoeld, schier ter zelfder tijd, dat van de andere zijde de zegevierende overwinnaars in den slag naderstormden als sidderende vluchtelingen. Vluchtelingen voor den rooden regen, waarvan de eerste neervallende druppels ook de naderende burgensen het bloed hadden doen stollen in de aderen.

Het was een verwarde, van ontzetting verbijsterde menigte, die de kleine kerk bereikte, die elkander verdrong om daarbinnen een plaats te bemachtigen, waarin slechts het geringste gedeelte slaagde. Toen schoolden de overigen samen tusschen de geblakerde ten deele daklooze muren van het woongebouw, allen trachtend om door de deuropening, verwijd door het vuur, een blik, slechts één enkelen op te vangen van den bisschop. Maar velen, zeer velen moesten buiten blijven, waar de duisternis zonk op de aarde en de roode regen teekende hen als met bloed.

Dachten zij toen aan hen die geworpen zouden worden in de buitenste duisternis, omdat zij Gods wil hadden veracht in het leven, dat hun was geschonken als een voorbereiding tot hooger bestaan?

Het waren zeer bleeke aangezichten, die het gelaat van bisschop Ansfried zochten, want hij bezat het geloof, dat velen nu begeerden, die vroeger, bij de beslommeringen van het dagelijksche leven, geen tijd hadden gevonden om te trachten het te verwerven.

„Zoekt den Heer terwijl Hij te vinden is!”.... Klonk dit ernstig woord hun waarschuwend tegen uit den ruischenden waterstroom?

Het dichte wolkendak had zich opgestapeld tot reuzenhooge berggevaarten -- nu scheurden zij vaneen, plotseling. Het was of vlammende lemmetten elkander kruisten, een schorre donderslag, hol nadreunend met dof geluid, volgde op het oogverblindend licht. De aangewakkerde wind verhief zich tot een storm, huilend, bulderend.... In stijgenden angst werden de handen opgeheven naar den dreigenden hemel. Waanden de gespitste ooren reeds het schallen te vernemen der bazuinen van het jongste gericht? Maar alles werd weer stil toen de geweldige slag was weggestorven, alleen de stemmen der menschen klonken, samensmeltend in denzelfden zielskreet:

„Heer, ontferm U onzer! Erbarm U onzer, o, Heer!”

Vrouwen schreiden, mannen sloegen zich op de borst, vreemden bekenden elkander zonden, steeds verborgen gehouden als een streng geheim. Hun ringen van rood goud -- het kostbaarste wat zij bezaten -- beloofden de vrouwen van welvarende hoevenaars aan de kerk op den Hohorst, de mannen voegden er al hun landbezit bij.... Wat baatte het? Wat kòn het nog baten? De boeken zouden immers worden geopend? Wenschte thans menigeen, dat zijn levensboek een anderen inhoud mocht bezitten?

Maar niet bij allen had de vertwijfeling den boventoon. Enkelen knielden, de oogen omhoog geslagen, de bleeke aangezichten rustig, in groot vertrouwen, in vast geloof.

Onder dezen bevonden zich Trutha en Yglo, hand in hand knielden zij.

„God is goed,” fluisterde het meisje. „Hij zal ons niet scheiden in Zijn eeuwig huis, nu Hij ons hier vereenigd heeft, in ons laatste levensuur.”

Yglo drukte haar hand zonder te kunnen spreken. Hij voelde zich zwak en duizelig, de kerker van den Ravenhorst was hard en diep geweest, maar te midden der duisternis, die hem omringde, was het licht geworden voor zijn ziel. Hij vreesde den dood minder dan het leven. Zijn vader en oude Lisa baden, geknield naast hem, en de kleine, bruine hand van Trutha hield hij in de zijne. Hij gevoelde den grooten zegen, die hem werd geschonken: niet alleen en verlaten behoefde hij te sterven. Door liefde omringd zou hij gaan naar de plaats van eeuwige liefde en eindelooze zaligheid.

De roode regen had opgehouden neer te druppelen, maar de storm loeide en de bliksem teekende de duistere wolken met zijn gloeiend schrift. Opnieuw liep een siddering, die zich oploste in dof angstgeschrei, door de neergebogen schare. Daar klonk op eenmaal een stem, de bekende, geliefde stem, in den aanvang zacht als harpgesuis, dan zich verheffend, aanzwellend gelijk plechtig psalmgezang, rust schenkend, vrede brengend ook aan het felst geschokt gemoed. Op het door teer waslicht overgoten altaar stond de bisschop en het was alsof het licht, dat hem omgaf van hemzelf afstraalde, of het blonk van zijn gelaat, waarop zielevrede zetelde, dat door onwrikbaar geloofsvertrouwen werd gestempeld.

En het was allen of zijn stem de ruimte vulde met de gewijde belofte: „Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.”

Vreest niet nu de duisternis dreigt, gelooft alleenlijk!”

Had hij dien ochtend meer geleken op den krijgsaanvoerder van weleer, toen hij in vlammende woorden de burgensen aanvuurde om hun plicht te volbrengen mannelijk, onversaagd, ten einde toe in den naderenden strijd, thans, wachtende op de hemelsche heirscharen, bereidde hij zijn gemeente met waardigen ernst voor om moedig, geloovend den dood tegen te gaan, pleitend op Gods beloften op den zoendood van Christus....

Een zucht van ontspanning ontwelde aan menige borst, van angst verduisterde oogen vulden zich met tranen, handen, eerst krampachtig saamgewrongen, werden zacht gevouwen ten gebede. Buiten scheen het onweer af te nemen, plechtig psalmgezang verhief zich in de kleine kerk na de woorden van den bisschop, die waren geweest als het suizen eener zachte koelte te midden van den storm. Het kaarslicht flikkerde zacht, rooden gloed wierpen de ontstoken toortsen, fluisterend klonken de gebeden der menschen.

Zoo ging meer dan een uur voorbij, middernacht kwam nader, ongedacht snel, nog enkele oogenblikken, dan....

Unruoch boog zich tot Swanwitha en zag haar onderzoekend in het gelaat.

„Zijt ge bang?” vroeg hij zacht.

Zij opende het in perkament gebonden boek, waarom zij de handen vouwde en wees hem een teekening op matgouden grond. Het was die van den Goeden herder. Toen glimlachte zij o, zoo vertrouwend en berustend door haar tranen heen....

Hij klemde haar hand in de zijne, hij zag aan de uitdrukking van haar gelaat, dat zij afstand had gedaan van alle levenshoop en hoop op levensgeluk, maar als een ademtocht gleed het van haar lippen: „God is barmhartig, wij mogen samen sterven. Wat verder komen zal ligt in Zijn hand.”

Een felle bliksemstraal, die de donkere wolken kliefde deed haar zwijgen. De stormwind zwiepte opnieuw de takken der boomen, kletterend stoven de regendruppels tegen de ramen der kerk.

Unruoch had een gevoel of de aarde zich voor zijn voeten zou openen. Met geweld bedwong hij zijn ontroering. Als beschermend sloeg hij den arm om Swanwitha heen, zij leunde haar blond hoofd tegen zijn schouder. Zoo wachtten zij. Zacht bewogen zich beider lippen in stil gebed....

Olaf staarde strak omhoog naar de zwarte wolken, zonder acht te slaan op wat geschiedde om hem heen.

„Heer, ik ben bereid om te sterven, maar laat mij mogen strijden met de booze machten ten einde toe. Een Noorman draagt niet tevergeefs zijn zwaard!”

Het flitste langs de sterrenlooze lucht. Was het een antwoord uit den hooge? In vervoering trok hij zijn wapen.

„Olaf, doorsteek mij! Ik wil naar Nevelheim! Daar is mijn gansche voorgeslacht. Bij de christenen wil ik niet wezen, nooit! In hun hemel noch in hun hel!” mompelde vrouw Sigrid. Zij zag zich, ontwaakt uit haar verdooving, omringd door krijgsknechten. Ontsnappen was onmogelijk. Haar mond verwrong zich van machtelooze woede.

Het antwoord bleef Olaf, in wiens hart afkeer streed met medelijden, bespaard.

Met statigen galm klonk een heldere slag, plechtig, langzaam. Als een mes doorsneed hij de ruimte en de ademlooze stilte waarmee zijn geluid werd aangehoord. De eerste der twaalf slagen van zoo ontzaglijke beteekenis, in schier verstikkend zwijgen verbeid!....

Nog een oogenblik heerschte de looden stilte, toen klonk een tweede slag, een derde, toen blonk een roode gloed door de boomen als een kolom van vlammen. Een zacht suizen verhief zich, dat toenam in kracht, dat naderkwam met snelle vaart, met schier huilend geluid. Schrik en verlammende ontsteltenis teekende ieders aangezicht: de ure was daar!

Tusschen de boomen nam de vurige gloed toe met ieder oogenblik; was het de naderende wereldbrand? Dichter drong de menigte opeen, vijanden drukten elkander als vrienden de hand, moeders klemden hun kinderen in de armen, allen baden overluid....

Tusschen de snikkend geuite gebeden, mengden zich radeloos hulpgeroep, woeste jammertonen, toen viel plotseling een nieuwe stilte in. Het was of de verstijvende adem des doods reeds ieder beroerde.

„Bidden, laat ons bidden!” hijgde, snakkend naar adem een vrouw. Het was haar laatste woord. Voorover plofte zij, levenloos van schrik.

Maar niemand verroerde zich, zelfs niet bij dit vreeselijk gezicht. Allen zwegen en wachtten met gebogen hoofd, want het huilend geluid werd tot een razenden storm, de boomtakken schudden wild heen en weer, schor rolde de donder. Door de lucht klonken lang aangehouden, snerpende kreten.... Henno mompelde op hollen toon:

„Nù komt het!”

„Stil! Stil!” werd hem toegefluisterd van allen kant. Een man hief de vuist tegen hem op, hem dreigend met een slag. En al het volk zweeg, ademloos. Maar buiten weergalmde opnieuw het jankend gehuil, waartusschen schel blaffen, gillend krijschen zich mengde. Het was alsof het voortstoof door de lucht, in wedstrijd met de jagende wolken, hoog boven de hoofden der in ’t stof gebogen menschen.

„Wodans wilde jacht! Zijn gehelmde helden, de razende reuzen!” schreeuwde een oude boer. Zijn gezicht was vertrokken, zijn oogen staarden, zonder eenig geluid meer te kunnen geven viel hij als een paal op den grond. Maar Lisa riep:

„De overste der duivelen is het met zijn gansche heir!”

Want weer joeg het over hen heen met gillen en fluiten en de menschen trokken de schouders op als kinderen, die een doodelijken slag vreezen en de kinderen zochten een schuilplaats bij hen. Maar plechtig als psalmgezang boven het razen van den storm, klonk de stem van bisschop Ansfried:

„Roept Hem aan in den dag der benauwdheid”....

En opnieuw verdrongen gebeden de angstkreten. En daartusschen dreunde de donder en schoot de bliksem neer in verblindend licht. En geen oogenblik bedaarde het loeien van den orkaan, het gillen der duivels met suizenden vleugelslag in de wolken, het stampen, razen en kermen van het heir der booze geesten. Hun hoeven sloegen tegen het dak der kerk tot zij werden verdrongen door een nieuwe schaar demonen, wier vlerken schier zwiepend klapwiekten tusschen het gebulder van den wind. Het scheen of de lucht dreunde, alsof de kerkmuren wankelden en de aarde beefde....

„Waar blijven de reddende engelen? Opent alleen de hel zijn kaken om ons te verslinden?”

Vraag vol doodsangst, die te lezen stond op van ontzetting schier verstijfde aangezichten. En buiten antwoordden vleermuizen en katuilen met krijschende kreten, met gillend lachen.

Verlamd, verbijsterd, als wezenloos knielden allen op den grond, die onder hen scheen te trillen.

„Nu worden wij verpletterd, nu komt de groote brand, de sulfer en de vuurregen!”

De vrouw van Bachevorth kermde het, haar bevende hand wees naar den rooden gloed in het verschiet, achter de nachtzwarte boomen, heller van gloor met ieder oogenblik. Zij rukte haar gouden ketenen, de schitterende spang, die haar mantel bijeenhield, af en slingerde ze ver van zich:

„Daar, duivels, dáár! God, ik voel Uw gericht! Het rust op mij, zwaar als lood, als lood! Wees mijn arme ziel genadig!” In snikken smoorde haar klacht.

„Ik dacht altijd het meest aan mijn eigen verdriet, omdat Yglo gevangen was!” kreunde Henno met zijn gezicht stijf tegen den bodem. „Als ik verpletterd moet worden, laat het dan niet lang meer duren! Ik sterf, ik sterf van angst!”

„In de hel zal altijd die angst wezen,” mompelde iemand aan zijn oor en Henno wrong de handen en verdubbelde zijn gebeden, terwijl de storm raasde en het weer was alsof het over hen heentrok met gillen en fluiten, paardenhoeven dreunden, zwartalven stoven krijschend voorbij en wolven jankten met schel geblaf.

Gerlach boog het hoofd, hijgend, zijn gezicht was vaal, krampachtig trokken zijn lippen.

„Dat is de dood!”

En weer ruischten als liefelijk harpgesuis te midden van den orkaan, terwijl de kleine kerkvensters in gloed werden gezet door het licht van den bliksem, dat flitste langs het donkere gewelf, de zachte woorden, die toch drongen in ieders hart:

„Mijne kinderen, het sterven is gewin. Wie in God gelooft stijgt op tot Hem, ook al dreigt duisternis en dood. Daar zal geen duivelenheir u meer deren. Wat uw ondergang scheen, kan uw redding worden in Zijn hand.”

De grijze bisschop stond daar zoo kalm, er ging zulk een rust van hem uit, het was of de zielevrede die blonk op zijn gelaat nogmaals de van vertwijfeling verwrongen trekken der aanwezigen effende, er kwam weer een weinig licht in de doffe oogen. Een zucht van verademing ontwelde aller borst, de lucht scheen nu niet meer vervuld met een duivelenheir aan den zwavelpoel ontstegen, dat hun ondergang zocht, om hen te kunnen pijnigen.

En in volle kracht verhief zich nogmaals de stem van bisschop Ansfried en zijn woorden gloeiden thans in hun hart, brandend als het laaiend vuur, waarvan zij den gloed zagen in de verte, te midden der zwijgende duisternis, maar louterend tevens. Hij wees op de verschrikkingen, die ieder wachtten, welke thans berouw toonde alleen uit angst voor wat komen ging, hij toonde het heil weggelegd voor allen, die niet met de lippen maar uit den grond huns harten beleden:

„De Heer is mijn Herder!”....

Het was hun bij die woorden of zij uit het bulderen van den orkaan, uit de zengende hitte der vlammen, die reeds naar hen grepen, kwamen in de liefelijke stilte van het koele woud, waar de lofzang der vogelen trilde en de reukoffers der bloemen omhoog stegen, waar de Gekruiste Christus de armen uitbreidde naar allen, die vermoeid en beladen vluchtten tot Hem, die alleen der gejaagde menschheid veiligheid kon geven en redding uit ieder gevaar, waarmee haar het leven bedreigde of de dood.

Tranen stroomden over de wangen der vrouwen, hooger gloeiden de gelaatstrekken der mannen, stemmen bevend van ontroering zegenden bisschop Ansfried, die allen den rechten weg had gewezen, die ieders leidsman wilde zijn.

„Niet mij! Kiest Christus tot uw Leidsman! „Ik ben de weg, de waarheid en het leven!” Zoo luiden Zijn heilige woorden. Wat zoekt gij dan bij menschen heul?”

Het was of een groote beweging ging door gansch de saamgedrongen schare. Allen schenen gevonden te hebben wat zij zochten, ieder wilde zich bekeeren tot God. Menig roodgeweend oog zocht opnieuw den bisschop.

„Vader Ansfried,”.... fluisterde veler trillende stem. En toen dachten allen aan het verleden; aan het hunne. Hij had hun de leer der liefde gepredikt en zij hadden zoo menigwerf niet geluisterd, hij had hun zachtheid geleerd -- wanneer had die hemelgave hun woorden en daden bestuurd? Barmhartigheid ook jegens vijanden luidde zijn eisch, haat en wrok gaven hem het antwoord. En thans, nu zij ieder oogenblik verwachtten de bazuin te hooren weerklinken van het jongste gericht, nu de boeken zouden worden geopend en elk zich geoordeeld zou zien naar zijn werken, de gloeiende zwavelstroom dreigde en het vuur en sulfer, die de gansche aarde zouden verzwelgen, gelijk eenmaal Sodom en Gomorrha werden weggevaagd, nu de vertwijfeling over hen kwam van het onherroepelijk: „Te laat!”.... klonk zijn stem boven het bulderen van den orkaan en het rollen van den donder als een lied van vrede en hope, een psalm van heilig gelooven te midden van den zwarten nacht:

„Het is niet te laat! Het is nooit te laat! Gods hand rust zwaar op de zondaren, maar opent zich mild voor allen, die Zijn zegen vragen, die in Hem gelooven, en weten, dat wij allen uit genade zalig worden, opdat niemand roeme! Hebt Hem lief, hebt Hem lief, zoekt alleen in Hem uw rust en gij zult haar zeker vinden tot in alle eeuwigheid!”