Toen de duisternis dreigde...

Part 22

Chapter 223,896 wordsPublic domain

„Knielt! Dan snorren zij over uw hoofden heen! Mikt op het kreupelhout, daar glinstert het van stormkappen en wapens!” beval graaf Frethibold. Het was of hij in zijn borst al de pijlen wilde opvangen, die zijn soudenieren moesten treffen.

Te midden der wilde, vernieuwde worsteling stormde een kleine drom Deensche voetknechten onstuimig op hem in. De beide eersten reed hij omver met zijn paard, doch in het eigen oogenblik suisde een speer: op de voegen van zijn rusting, bij den halsberg was zij gericht. De stoot zou doodelijk zijn geweest, indien Unruochs zwaardhouw de spits niet had gescheiden van de schacht. Hoog wierp hij haar over de rijen der strijders, toen stiet hij den voorsten aanvaller terug en reed diens makkers onder den voet. Verschrikt vluchtten de overigen, graaf Frethibold greep de hand van Unruoch:

„Hoe zal ik u ooit kunnen danken, gij hebt mijn leven gered!”

„Spreek daar niet over! Gij zoudt hetzelfde voor mij hebben gedaan!”

Beider oogen ontmoetten elkaar en de gouwgraaf verbleekte. Moest hij zelfs te midden van het rumoer van den slag worden herinnerd aan zijn verloren geluk? Lang geleden had hij dien zelfden blik gezien -- in de zielvolle oogen zijner vrouw.

Maar thans gonsden opnieuw uit het kreupelhout aan weerszijden van den weg de pijlen in zulk een dichte menigte, dat zij vriend en vijand tegelijk troffen. Onafgebroken klonk het snorren der pezen, het suizen der pijlen. Menige strijder viel, de ruiters met hun paarden, de voetknechten waar zij stonden.

Rondom de banier, die nog steeds boven het hoofd van den bisschop haar breede banen uitsloeg, had zich een uitgelezen groep geschaard. Het werd een zware kamp. Met woord en voorbeeld moedigde Harald Sigvatr zijn Denen aan, zelf stormde hij aan hun hoofd los op de ijzeren haag van schilden en speren. De levenlooze lichamen der neergehouwen helden van beide zijden lagen dooreen in groot aantal. Het bracht niemand aan het wankelen. De dooden hadden hun plicht gedaan. Vol mannenmoed volgden de levenden hun voorbeeld. Het zwaard van Harald deed opnieuw een bloedstroom vloeien, zijn oog en doel bleef de verachte bisschop der christenen, en de banier met het kruis. Tot nu toe was zijn aanval op dit symbool der christenheid tevergeefs geweest, het zou niet langer zijn. Zijn hand greep de gewijde vaan, een krakende slag spleet reeds de schacht, toen een luid geschreeuw op den heirweg hem het hoofd deed omwenden. Die beweging, vluchtig als een ademtocht, besliste den strijd. Met beide handen zijn geweldig zwaard opheffend, scheidde de gouwgraaf met een enkelen dreunenden slag hem het hoofd van den romp en terwijl de Denen, in verbijstering over den dood van hun aanvoerder, de wapens neerwierpen, greep Unruoch het paard van den bisschop in den teugel en voerde hem weg uit het woest tumult naar veiliger, vrediger oord: den Hohorst. Op den heirweg vertrapten in wilde vlucht de Denen elkander in hun waanzinnige haast om op de schepen hun leven te redden. Want de achterste gelederen keerden zich tegen de voorste en versperden dezen den doortocht. Als een verward kluwen betwistten de Denen elkander iedere schrede, het dreigend geroep herhaalde zich: een kleine bende landbewoners uit den omtrek, door Henno aangevoerd, stormde onder luide verwenschingen in op de achterste gelederen. Sommigen van hen waren tegenwoordig geweest bij het offer, door Rolfr Jarl gebracht. Zij herinnerden zich de woorden, door hem bij den grafheuvel van Roruk gesproken -- dat was dan de uitkomst van zijn voorzeggingen en beloften! Een nieuwe inval der moordende en plunderende Deensche benden!.... Haat en woede maakte van geringe vrijen, van de meest verachte eigenhoorigen helden. Zij volgden Henno, die zich aan hun hoofd stelde zonder beraad. Zwervend door het veld, beroofd van hun ellendige woning of geringe have, hadden zij, zonder aanvoerder zelf geen aanvallers durven zijn. Blootshoofds, barrevoets volgden zij hem, gewapend met kodde en herdersstaf, met woesten wrok in het hart. En hun aanval bracht de verwarring te weeg -- die hier de aanvang werd van de volkomen nederlaag der Denen: beroofd van hun dapperen aanvoerder kozen zij de vlucht als eenige uitkomst.

Voort joegen zij, voort, naar de schepen, thans hun redding; vergetend, dat hun nederlaag in zegepraal zou kunnen eindigen, als zij Utrecht, het nu geheel van verdedigers ontbloote Utrecht konden bereiken. Voort renden zij, voort, hun laatsten pijl afschietend, zich met de vuisten een weg banend, elkander iederen duimbreed gronds betwistend. Dwars over de velden stormden zij, vluchtend door het rietgras, dat menigmaal met zijn sierlijk wuivende pluimen het verraderlijk moeras bedekte, waardoor ieder, die waagde zijn vrijen grond te drukken, werd meegesleurd naar de diepte. Geduchter ketenen voor den vermetele dan boeien van ijzer ooit konden zijn. Het moeras voerde de vluchtenden in den dood en die achter hen waren snelden over hen heen of zonken, om een gelijk lot te vinden, in de taaie modder, waar hun de genadeslag wachtte der mannen van Utrecht.

Anderen, gelukkiger, slaagden er in over den heirweg naar de schepen te ontkomen. Zij waadden door den stroom, riemen werden hun toegestoken, zij werkten zich aan boord... „Gered!” klonk de schorre juichkreet honderdwerf herhaald. Zij grepen roer en touwen, spanden de zeilen, nieuwe vluchtelingen kwamen... „Naar Utrecht!” luidde de algemeene kreet, door een nieuwen pijlenzwerm gevolgd, nu afgeschoten van het veilige dek.

Graaf Frethibold zag het rustig aan, de pijlen troffen geen doel en de wind blies niet in de zeilen in de gewenschte richting. Zwaar zou het den afgematten strijders vallen alleen met behulp der riemen eerst het Almere en dan, door de Vecht, Utrecht te bereiken; àls zij dit bereikten. Want reeds moest Gerlach, op zijn last teruggekeerd, daar over den heirweg zijn aangekomen. En de weinige achtergebleven wachters hadden thans gewis zijn bevel reeds volvoerd om alle beschikbare schuiten en koggen dwars in de rivier te laten zinken. Dit zou de nadering onmogelijk maken voor iederen vijand.

Een woest gehuil, opklinkend van een der grootste schepen, voerde zijn gedachten terug, een kreet van ontzetting ontsnapte ook zijn lippen. Rolfr Jarl, ontwaakt uit zijn bezwijming, stond bij het roer van het bevelhebbersschip. Zijn eigenaar, de gevallen Viking, verbloedde verlaten op het veld. Vertrapt was zijn lichaam door vluchtende menschen en steigerende paarden. In ongeregelde drommen, met opgeheven armen, de wapens wegwerpend, vluchtten nog altijd de Denen verder landwaarts in of bestormden zij de schepen, over lijken of met bloed doorweekt slijk, achtervolgd door een schier razende menigte. Tusschen de angstkreten der vluchtenden en het gekerm der gewonden rezen de juichkreten der overwinnaars.

Rolfr ving beide op. Sloeg de gewisheid, dat alles verloren was voor zijn volk, voor hem, ook zijn geregeld denken in boeien?

Met een brandende toorts rende hij langs het scheepsboord, de helm was hem ontvallen, wild zwierden de dichte haren hem langs het woest gelaat.

„Lafaards! Vluchtende gezellen, gaat! Van hier! Vlucht ook van hier! Ik wil het! Laat mij alleen, ook in den dood alleen!”

Als een razende zwaaide hij de brandende pijnhoutspaan. De spattende vonken vielen overal, weldra dansten vurige vlammentongen om het droge touwwerk en over de opgetaste waarderobe op het dek. Tevergeefs trachtten de schepelingen hem de brandende fakkel te ontrukken, of de vlammen, die de opstekende wind aanwakkerde, te dooven. Met de reuzenkracht van den waanzinnige sloeg hij de helpende handen van zich, zengde hij met de gloeiende toorts zijn redders haren en gelaat. Zij moesten het allen opgeven tegen dien eene, die niets menschelijks meer bezat, die hen vervolgde, voortdreef over het schip in stormende vaart, onder het uitstooten van rauwe kreten, een roofdier der wouden gelijk.

De in den krijg geharde mannen zwichtten voor deze overmacht, zij sprongen over boord, om zwemmend een der overige schepen te bereiken of bij hun vernieuwde vlucht te vallen onder de pijlen der Utrechtsche burgensen.

Nog eenmaal klonk Rolfrs honende schaterlach. Hij stond op de voorplecht alleen, om hem sloegen reeds de vlammen, die hoog opkringelden om den mast.

„Lafaards, gij allen! Weest vervloekt! Ik blijf en ga onder in den vuurdood. Dan stijg ik op tot de goden, doch gij, nietswaardige vluchtelingen, daalt af in den nacht! In hel zinkt gij, in hel!”

Weer zwaaide hij in krankzinnige woede zijn toorts, hooger verhieven zich de rosse vlammen, vleugels van vuur geleken de strakgespannen zeilen. De wind wakkerde aan; met scherpen ademtocht blies en huilde hij, driftige storm wolken met een eigenaardigen rooden gloed, joegen donker langs het zwerk. Voort, op de vleugelen van den wind dreef het drakenschip, voort.... Onbeweeglijk met door bloed beloopen oogen zag Rolfr het aan. De gouden dolfijnen werden tot een vormloozen klomp, de blinkende schilden langs het scheepsboord zwart van den rook, de zeilen van zeehondenvel een hoogslaande vuurzuil, de geroofde schatten verbrandden tot asch.

Hij lachte, als het huilen van een demon klonk het. Want de vonkenregen spatte over op de andere schepen, en de strijders van daareven met hun bloedende handen, hun gewonde, van vermoeidheid bevende armen haastten zich te blusschen, te redden wat nog te redden scheen.

Rolfr Jarl lachte, zegevierend. Hij alleen stond in de vlammen, hij vreesde noch bluschte ze. Nog eenmaal, toen de wind het gordijn van vuur en rook terugsloeg, werd zijn forsche gestalte zichtbaar. Weggeworpen had hij de vonkenspattende toorts, zijn geweldigen hamer met de zegerunen zwaaide hij boven zijn hoofd als daagde hij een geheele vijandige wereld uit ten kamp en strijd -- nog een oogenblik, toen viel krakend de brandende mast neer met dof gedreun. De Noorman wankelde en plofte voorover in den gloed, de vlammende zeilen bedekten hem geheel.... Op de vleugelen van den wind vloog de vurige scheepsromp verder, altijd verder naar de zijde van den Ravenhorst.

Het landvolk uit den omtrek, wier ingrijpen de zege had beslist, die terstond verder waren getrokken naar den gehaten dwangburcht en nu de breede, gesloten poort rameiden van het schijnbaar verlaten slot, snelden toe. Met haken en kodden gelukte het hun, na menige vergeefsche poging, het gloeiende, half uitgedoofde wrak aan land te trekken en den brand geheel te blusschen. Zij riepen en vroegen, maar aan boord gaf niemand antwoord.

In de verte zagen zij het overschot der ontredderde vloot. De gedunde bemanning roeiend met al de kracht, die haar restte om het land te ontvluchten, dat zij hadden willen maken tot hun roof en buit, tot een vernederd wingewest.

[24]

Ons leven is, op aard ten deel slechts leven, Wij zien den dood gestadig ons omgeven, Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart, Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart? Heilig God!”

HOOFDSTUK XXVI.

De avond daalde over de heide, scherp teekenden zich de bruine lijnen van het landschap af tegen het koepelgewelf der lucht. Het laatste, gloeiend purper was reeds lang uitgewischt, thans werden de wolken gekleurd door een vreemden, rossen gloed. Het was alsof het uitspansel plotseling zou worden verduisterd, bloedig scheen de hemel door een opkomenden lichten nevel.

Niemand der bestormers van den Ravenhorst sloeg er acht op. De breede voorpoort van de buitenste gracht werd, na veel inspanning, opengerammeid, neergelaten de onverdedigde brug. Thans was het zegevierende landvolk de tweede gracht overgetrokken en dreunde onder zijn bijlslagen de zware haldeur, waarachter de geringe bezetting bescherming had gezocht, die met een flauwe poging tot verweer, haar geringen voorraad pijlen afschoot door de smalle muuropeningen, meer schietgaten dan vensters.

De bestormers waren aanmerkelijk versterkt. Graaf Balderik van Hamalant, de bewindvoerder van Drenthe, had zich met een gedeelte zijner wapenknechten bij hen gevoegd, de overigen vervolgden op koggen en schuiten het overschot der Denenvloot, dat door de Eem het Almere trachtte te bereiken.

Vrouw Sigrid zag het eene aan en het andere -- krampachtig waren haar handen saamgewrongen, haar scherpe tanden knersten op elkaar. Zij stond op den toren van het landkasteel, dat zoo menige bange klacht had gesmoord achter zijn zware kerkermuren. Den wachter had zij weggedreven met een snerpend:

„Ga naar beneden! Verdedig je lijf, als je niet even laf bent als die daar!”

Haar hand wees naar de ontredderde, vluchtende Denenvloot. Met een woeste beweging streek zij zich de grijze haren uit het gezicht, zij zag de golven van de Eem, wonderlijk rood in de weerkaatsing der vreemd gekleurde lucht.

„Ik wou, dat ze allen verbrandden!” Haar stem werd verstikt door machtelooze woede, zij zag, dat alles verloren was.

Langzaam ging zij de steenen trap af, naar beneden, duizelend, tastend naar een steun, zij, de vrouw, wier geestkracht steeds die van menigen man had overtroffen. Zij had alles verwacht van de aarde en nu de aardsche macht haar ontzonk, blikte zij in de leege ruimte, zocht zij tevergeefs naar een staf om op te steunen.

Zij begreep, dat het volk algemeen in opstand was gekomen tegen de vermetele indringers. Plotseling zag zij allen, op wier bijstand zij vast had gerekend, tegen zich gekant. Van een gravinnekroon had zij gedroomd, als de regentes Luitgarde van Kennemerland sierde en de werkelijkheid zou haar aanschouwen als gevangene of vervolgde vluchtelinge....

Het was haar eensklaps of zij door vlammen werd omringd, een verterend vuur, dat zij zelf had ontstoken. Een donkere gloed trok bij dit denkbeeld over haar strenge trekken -- wees het haar een uitweg?

Zij trad in de hal, waar zij de verdedigers vond van haar huis, moedeloos, tot onderhandelen met de bestormers bereid -- hun laatste pijlen waren verschoten.

Swanwitha zag zij er bleek, gelaten tusschen de jammerende vrouwen. Olaf, ernstig en kalm, bevond zich aan haar zijde. Hij had de kortstondige verdediging bestuurd, nadat de aanval, op last van vrouw Sigrid zelf, zijn kerker had ontsloten. Nu beraadslaagde hij zacht met Lars, den ouden slotvoogd.

Zij zag hem aan zooals een jager dat een gewonden wolf zou doen. Moet hij den genadestoot nog hebben of heeft hij dien al beet?....

Maar geen radeloosheid, wel berusting las zij op zijn trekken. Het zou dus aan haar zijn, hem dien stoot te geven.

Zij wenkte hem met den slotvoogd haar te volgen, Swanwitha nam zij bij de hand. Naar het kleine torenvertrek ging zij hen voor. Het eenige venster gaf het uitzicht op het voorplein, zij aanschouwden den dichten drom der bestormers. Weldra zou de poort bezwijken.

„Ik heb heden een brandend schip gezien” -- ving zij aan. „Ik benijdde allen, die zich er op bevonden. Zij vallen niet in de handen van dàt gespuis.”

Verachtelijk wees haar hand naar beneden. Zij wist niet wie zich had bevonden op dat brandende schip! Bitter ging zij voort:

„Ik kon hun dood niet deelen, maar ik wensch voor mijzelve een gelijk einde. Ik zal nooit als gevangene staan voor dien christen-bisschop. Er zijn pekkransen en teertonnen en ontvlambare stoffen genoeg in de kelders.”

Zij wendde zich tot Lars, gebogen door de jaren, door den druk der dienstbaarheid.

„Hoop ze op en steek ze aan. Gelast allen hier bijeen te komen. De christenen mogen ervaren, dat niet slechts Odins zonen dapper en onversaagd weten te sterven, maar, dat ook de vrouwen der Noormannen de kracht bezitten om kloekmoedig hun lot tot het hare te maken.”

Zij was altijd een onverschrokken vrouw geweest, zij bleef zichzelve gelijk tot het bitter einde. Olaf voelde de bewondering, die moed altijd verwekt, maar met meewarigheid vermengd -- het was een wanhoopsdaad uit trots en zelfzucht geboren. Ernstig zag hij haar aan:

„Wat gij van plan zijt is misdadig. Gij hebt u zelve het leven niet gegeven, het behoort u niet toe. Zegt de stem van uw geweten u dan nooit, dat het leven u werd toevertrouwd als een gift van omhoog, als een ernstige plicht, die vervuld moet worden tot den laatsten ademtocht, die u wordt geschonken! Geleend goed is ons aardsch bestaan, wie heeft recht het te beschouwen als zijn eigendom? De Almachtige, die den mensch het leven gaf snijdt het af, als Hij de ure gekomen acht, en Hij, die de ziel terugeischt voor hooger bestaan, zal ook eenmaal zijn schepselen oordeelen naar hun daden.”

Sprakeloos had zij hem aangestaard, hem laten uitspreken, als verstond zij de woorden niet, die in haar oor drongen. Met een schier waanzinnigen blik zag zij op tot de hooge gestalte van den jongen Viking. Op Olafs edel gevormd voorhoofd las zij met den moed om pal te staan voor zijn overtuiging, onwrikbare wilskracht. Hier zou bedreiging baten noch bede, zij begreep het. Woede over het mislukken van haar plan met den eigenzinnigen trots, die nadenkt noch denkt aan toegeven, namen bezit van haar geheel.

Minachtend zag zij Olaf aan:

„U veracht ik, want gij zijt een christen. Eerder had ik verwacht, dat Muspelheims vuurvonken zouden neervallen om ons allen in vlammen te doen opgaan, dan, stoute Viking van weleer, dit te vernemen van u! Gij een slaaf van den witten Christus, gij!”

Zij slingerde hem haar woorden tegen, als wilde zij hem geeselen met het scherpste wapen, dat bestaat: de tong.

Maar hij hief de hand op ernstig, waardig:

„Geen slaaf, maar een mensch van eerbied doordrongen voor de hooge, edele leer van den Gekruiste. Wat acht gij meer verheven: het leven te ontvluchten door een lafhartigen zelfmoord of boete te doen voor begaan onrecht en het aardsche bestaan te maken tot voorbereiding voor de onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die God liefhebben boven alles en hun naasten als zich zelven?”

Geen antwoord keurde zij hem waardig, den slotvoogd dreef zij voort met een kort bevel. Olaf trad haar in den weg:

„Het zal niet geschieden! Gij moogt deze menschenlevens, -- de meesten zijn vrouwen en kinderen -- niet opofferen aan uw waanzinnigen trots!”

„Wat deren mij die wezens! Alles heb ik gewaagd om groot te zijn en de heerschappij ontvalt mij nu ik haar gegrepen waande. Men zal mij bespotten, en -- vergeten. En, dàt duld ik niet -- nòòit! -- Ik zal mij gehaat maken in den dood, meer dan ooit in het leven. Zoo zal ik voortbestaan in de herinnering van dit volk. Mijn naam zal slechts met afgrijzen worden geuit, maar hij zal worden meegedeeld aan de geslachten, die thans nog niet zijn. Voortleven zal ik, beladen met een vloek en -- dat is de onuitwischbaarste herinnering.”

Welk een verschrikkelijk gesprek in dit vreeselijk oogenblik! Het was te veel!

Schreiend klemde Swanwitha zich aan haar vast:

„Grootmoeder! Grootmoeder, heb medelijden met ons -- met u zelve!”

Met een ruk stiet vrouw Sigrid haar terug:

„Ga weg! Smoor in de vlammen mijnentwege. Hoe heb ik je altijd gehaat! Je te zien was een onafgebroken marteling, want in iedere lijn van je wit gezicht geleek je háár. Weg, kleindochter van Hereswit van Strijen! Weg!”....

Haar laatste woorden smoorden in een oorverdoovend gekraak.

Een dichte wolk van smook dwarrelde naar boven. In het vertrek werd het tot stikkens toe benauwd, de hitte kwam nader....

„Lars heeft mijn bevel volvoerd! Weldra verbranden wij met dit geheele onzalige ravennest tot asch!”

Een krijschende lach vergezelde haar woorden. Vastbesloten greep Olaf Swanwitha’s hand.

„Kom mee, naar beneden! Ik zal u trachten te redden!”

Toen keerde hij zich nog eens, reeds bijna op den drempel van het vertrek, tot vrouw Sigrid.

„Gij zult geen nieuwe schuld op u laden! Ik zal het voorkomen!”

„Mij belet niemand wat ik wil!”

Zij was hem voor geweest bij de deur, nu werd die met een slag dichtgeworpen.

„Verbrandt dan samen! Voor de Denen is alleen de naam van christen reeds een doodvonnis!”

In een schamperen lach smoorden haar woorden. Haar vaste schreden klonken op de steenen wenteltrap. Zij ging om te zien haar triomf, de zegepraal van een demon.

Ook Swanwitha hoorde het knappen van hout, het knetteren van het vuur, zij wist, dat haar dood nabij was en, dat zij dan zou staan tegenover God. Zij voelde wel de hitte naderkomen, de laaiende hitte maar het verschrikte haar bijna niet, zij dacht alleen aan het einde, dat zoo snel naderde, dacht, dat zij dan haar ziel zou teruggeven aan Hem, Die haar had geroepen in het leven. En zij voelde zich als een slaaf, die zijn ketenen afwerpt, als een vlinder jubelend opstijgend in het zonlicht, na duisternis en winterkou.

„Het scheiden is niet zwaar,” fluisterde zij voor zich heen. „Waarom vreezen wie God liefhebben den dood? Zij gaan toch uit de duisternis naar het licht?”

Door haar gedachtenstroom drongen de verwarde strijdkreten, het kletteren der wapens, vermengd met triomfgeroep en wraakgeschreeuw -- de droevige klanken der aarde. Het was haar of al dat tumult ineenvloeide en zich vormde tot een enkelen kreet: die der gehoonde menschheid en zij dacht, dat het leven veel zwaarder was dan het sterven. Waarom was dit zoo, waarom?

Dichtbij, héél dicht, hoorde zij nu al het woeste gedruisch, dat gevecht en dood vergezelde, maar daartusschen klonk iets anders.

Het was of een plechtige stem tot haar sprak, langzaam, duidelijk, of zij het verstond boven het geraas van den strijd:

„Wat het leven zoo zwaar en bitter maakt is, dat de menschen elkander haten in plaats van liefhebben. En wanneer iemand sterft, dan wordt alle haat uitgewischt; daarom is de dood minder hard dan het leven, daarom is de liefde sterker dan de dood, want zij alleen is het die hem heeft overwonnen.”

Toen zij dat zachte woord had verstaan, werd een plank der deur ingetrapt, splinters en spaanders stoven rond, een bijlslag vergrootte de gemaakte opening, gepantserde gestalten drongen binnen, Unruoch bevond zich aan hun hoofd. Met een snelle beweging nam hij Swanwitha in zijn sterke armen en droeg haar de nog veilige steenen trap af naar beneden, waar zijn strijdbende trachtte de vlammen te dooven.

Naar buiten bracht hij haar. Onder zijn bijlslagen was de voor poort bezweken -- zij was gered.

Unruoch zag om zich heen, de weinige verdedigers van den burcht, allen gewond, drongen op elkaar, de vrouwen klemden hun schreiende kinderen vaster in de armen.

Uit de groep trad Olaf naar voren, recht toe op den aanvoerder:

„Schenk jonkvrouw Swanwitha goed geleide en de vrijheid om te gaan waar zij wil. Zij is onschuldig aan al deze gruwelen. Wat mij betreft: ik geef mij aan u over. Het is niet mannelijk, maar lafhartig menschenlevens of zich zelven noodeloos op te offeren voor een verloren zaak. Wie beslist welke taak mij nog is bereid in het leven? Ik zal het afwachten.”

Een stem schor van haat en woede brak zijn woorden af.

„Ontvang je loon nog voor je taak aanvangt. Daar, dáár!”

Vrouw Sigrid had een weggeworpen mes gegrepen; wit van drift slingerde zij het Olaf naar het hoofd. Het trof zijn hals, zijn bloed vloeide. Swanwitha strekte de armen naar hem uit, vrijwillig voor de eerste maal.

„Mijn lieve zuster, heb dank.” Fluisterend klonk het, en het was Olaf bij die woorden, alsof hij nu in waarheid geheelen afstand van haar had gedaan. Maar in de droefheid, die opnieuw bezit van hem nam, mengde zich nog een ander gevoel. Hij wist nu, dat de godsdienst der christenen niet alleen groot, maar ook dat hij goed was. Want wie, die zich zelven zocht, was dit ooit? En deze godsdienst eischte geheelen afstand van eigen ik, van alle aardsche verwachtingen en wenschen. „De liefde zoekt zichzelve niet.” Eens had hij die woorden gehoord, nú begreep hij ze geheel.

Maar de opschudding door vrouw Sigrids woeste daad ontstaan, voerde hem terug tot de bittere werkelijkheid.

Met een vasten greep had Unruoch haar hand omklemd. Want weer had zij het mes opgeraapt van den grond.

„Bind haar!” klonk nu zijn kort bevel; zij verweerde zich met vuisten en tanden, wit schuim beefde op haar vertrokken lippen.

„Geef mij een mes, een zwaard! Doorsteek mij, laat mij het mij zelve doen! Ik wil niet als gevangene naar.... Ik wíl niet!”...