Toen de duisternis dreigde...

Part 21

Chapter 213,854 wordsPublic domain

„Heer, al mijn pleiten, mijn aandringen op hulp bleef tevergeefs. De jonge keizer gelooft vast, dat weldra de wereld in vlammen zal opgaan. Zijn hofgezin gelijkt een schare boetelingen, hijzelf, de eigen kleinzoon van Otto den Groote, geeselt zich driemaal daags ten bloede toe en bidt aan het graf van keizer Karel te Aken.

Kluizenaars en pelgrims uit Italië, waaruit hij sinds enkele weken terugkeerde, wisten tot hem door te dringen, nadat zij op de straten van Rome en Parijs de onheilsmare hadden verkondigd. Mannen, vrouwen en kinderen volgen in onafzienbare rijen, met gescheurde kleederen, de hoofden met asch bestrooid, huilend, kermend of biddend. Iedereen denkt, vol angst, alleen aan de naaste toekomst; het heden heeft voor allen zijn beteekenis verloren.

„Hulp vraagt gij mij tegen de Denen? Weet gij dan niet, hoe in mijn Duitsche gouwen boeren en hoorigen roovend en moordend het land afloopen, zonder dat ik mijn krijgsbenden tegen hen uitzend? Waarvoor zou het baten? Over enkele dagen is alles voorbij.... Red daarom uw ziel, graaf Frethibold! Schud van u de wereld en haar zorgen!

Gij wilt tegen de Denen optrekken? Ik zeg u, dat het de duivel met zijn booze geesten zelf is, die zich vermommen in hun gedaante! Weersta hen niet, vlied hen en doe boete!.... Red uw ziel!”.... Zijn oogen, de schitterende blauwe oogen, die ook Otto de Groote bezat, gloeiden mij tegen als twee vurige kolen, diep lagen zij gezonken in de kassen. Geeselslagen striemden onafgebroken zijn rug, in stroomen vloeide zijn bloed, tot zijn brandende oogleden zich sloten en hij nog eenmaal fluisterde met bezwijkende, klanklooze stem:

„Het oordeel komt, graaf Frethibold! Doe boete!”... Terwijl de artsen kwamen om den keizer bij te brengen werd ik naar buiten gevoerd. Ook daar klonken slechts geween en jammerkreten; de Dom en de kruisgangen waren overvol door een saamgedrongen, wanhopige menigte.

De zendeling Athanasius predikte: uit Italië is hij te voet alle Duitsche gouwen, waardoor zijn weg voerde, doorgetrokken om het naderend oordeel te verkondigen. Vele honderden zijn hem gevolgd, biddend, kermend, honger en dorst verdurend, zware ketenen achter zich aan sleepend bij dag, psalmen zingend in den donkeren nacht. Sommigen kruipen op de knieën langs den weg, barrevoets, bloothoofds zijn allen. Zij gaan tot hun voeten hen niet meer kunnen dragen, zij zingen tot de stem hun den dienst weigert, zij staren biddend omhoog tot hun slapen bonzen en het hun duizelt voor de oogen.

„Boet uw zonden! Bekeert u! Het laatste oordeel naakt!” luidt de kreet duizendmaal herhaald, voortgeplant langs de wegen door alle boetelingen, wier stemmen smoren in krampachtig snikken. En hoe verder men komt in Duitschland, hoe dieper men in Frankrijk doordringt, hoe grooter ook de tooneelen van angst en wanhoop worden, naar men mij verhaalde. In Italië stijgt de vrees schier tot razernij, evenals bij den jongen keizer. In onze landstreken is het betrekkelijk rustig vergeleken bij de radeloosheid, die in de zuidelijke landen allen heeft bevangen. Sinds daar de schrikmare werd verspreid, hebben de volken zich op het einde voorbereid en gebeden bij dag en bij nacht. Elders trekken troepen gewapende boeren en weggeloopen hoorigen rond. Zij rooven en plunderen wat zij begeeren en geven zich aan de meest uitgelaten brooddronkenheid over.

„Genieten, eer wij vergaan!” luidt hun leus en de ergerlijkste tooneelen verdringen elkander.

Dat zijn de berichten en ervaringen die ik meebreng van mijn reis. Treurig zijn zij gewis.” Peinzend zag hij voor zich: „Een keizer, die zijn kracht verteert in boetedoeningen, een radelooze menigte, die zijn voorbeeld volgt, kluizenaars schier waanzinnig van dweepzucht, brooddronken plunderaars, aan alle uitspattingen overgegeven -- daaruit bestaat thans de wereld, die haar plichten vergeet en haar schuld vergroot. O, was ik slechts in staat die verblinden de oogen te openen! Mijn leven zou ik er voor willen geven!”

Opmerkzaam zag bisschop Ansfried hem aan. Zijn gelaat was gebruind door wind en weer, kloek hield hij het hoofd opgeheven, een heldere blik tintelde in zijn oogen.

De bisschop trad op hem toe en legde de hand op zijn arm:

„Frethibold, vruchteloos schijnt uw reis en toch was zij een gezegende. Gij hebt bij het zien der ellende van anderen uw eigen leed leeren vergeten. Omgord met nieuwe kracht heeft u dit gevoel. Dank God daarvoor. Wie zijn leven zal willen verliezen zal het behouden, wie zich zelven kan verloochenen wordt door God gezocht. Gij zijt als gewekt tot nieuw leven. Dank den Heer!”

Bewogen drukte graaf Frethibold den spreker de hand:

„Gij hebt gelijk, God is goed. Hij heeft mij het beste gegeven: zelfvergetelheid. Nu kan ik Hem danken als het einde daar is.”

„En tot die ure komt, waarvan niemand weet dan de Vader alleen” -- hoe beteekenisvol werd het opnieuw gezegd -- „zullen wij allen volharden zoowel in onze kleine, dagelijksche plichten als in de groote, die het leven van ons eischt. Wie waagt te beslissen wat bij God groot is of klein?

Niet uit waken en bidden alleen bestaat het leven. God vraagt onze daden zoolang Hij ons hier op aarde laat. En wie zijn bestaan wil geven voor de vrijheid van het volk waartoe hij behoort, wie bereid is te vallen voor zijn aardsch vaderland, vervult een hoogen plicht.

„Volhardt ten einde toe!” luidt de eisch van den Heer. Laat ons dit woord opvolgen met Zijn hulp, alsof ons nog vele jaren wachten op aarde, zonder echter Hem te vergeten, Die ons wellicht oproept uit den strijd nog voor het einde komt voor alle levens. Zijn wij te midden van het leven niet altijd in den dood? Waartoe dan die onrust: geheel ons lot is in Zijn hand.” Hij voerde Frethibold naar het venster: een donkerroode gloed kleurde aan den horizon den avondhemel.

„Ginds rooven en moorden de Denen. Bij Leithen zijn zij Kennemerland binnengevallen, Aemstelland en Amuda werden door hen gebrandschat, daarna zijn zij door het Almeri langs de kust van Nardengerland de Eem opgezeild naar den Ravenhorst, waar Rolfr Jarl zich met zijn soudenieren bij hen heeft aangesloten.

Vurig had ik gehoopt hen met voldoende heirkracht te kunnen tegentrekken -- het was tevergeefs. Misschien hechtte ik te veel aan hulp van menschen. Moge thans God ons schild zijn, ons wapen ons goed recht.

Morgen bij het rijzen der zon dagen wij hen in het open veld uit tot den strijd. Ik heb mijn ridderzwaard neergelegd op het altaar, toen ik tot den dienst der kerk werd gewijd, thans echter in dezen grooten nood gevoel ik, dat God mij terugroept in het leger. Maak dus uw toebereidselen; op u rust de plicht de krijgsbenden aan te voeren.

„Heer bisschop, u behoort die eer!”

„Mij zult gij vinden waar het gevaar het grootst is. Laat mij thans echter alleen: straks moet ik de gemeente voorgaan in den Dom; ik hoop ook u daar niet te missen.”

Terwijl Frethibold ging zag de bisschop hem ernstig na:

„Is het mijn plicht het hem nu te zeggen?” Zware tweestrijd deed hem weifelen, vele oogenblikken, toen was zijn besluit genomen: „Neen, thans niet. Na den strijd. Het zou hem nu aftrekken van zijn plicht.”

[22]

Var Bier sen volt returner E vers Danemarche sigler Kar oies aveit noveles De le qui mult li erent beles Un mult gros vent e une bise Le rameine tut dreit en Frise La ariva la pristrent proz Là dit l’estorie quil fu morz.

(Chronique M. S. de Normandie de Benoit de Saint Maur.)

HOOFDSTUK XXIV.

De nacht was voorbijgekropen onder angstig bidden en berouwvolle klachten of doorgebracht met lofzangen van vast vertrouwen en geloof. Vergeten was alles wat behoorde tot de aarde. De overtalrijke bevolking, die Utrecht thans omsloot met haar paalwal en poorten, was opnieuw saamgestroomd in de verschillende kerken der stad, de Dom kon niet allen bevatten. Thans rees de nieuwe morgen -- de laatste welke de oude aarde zou aanschouwen.

Want de langste dag was aangebroken!

„Ik zal heden ingaan in Gods heerlijkheid! Geprezen zij Zijn naam!” prevelde oude Lisa. Zij lag geknield in het voorportaal van den Dom. Trutha bevond zich naast haar.

„Lisa, o, Lisa.... Zal de Heer ook Yglo verlossen uit den kerker?”

„Zeker doet Hij dat, kind! Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen.”

„Dan” -- fluisterde de bleeke Trutha, „ben ik blij, dat het einde komt!” Een weinig verder hief Henno de gevouwen handen op:

„Laat mij niet zoo sterven, Heer! gescheiden van mijn kind! Wees barmhartig, laat mij hem mogen verlossen uit dat donkere burchtverlies.... Hand in hand wachten wij dan uw komst af bij het bazuingeschal der engelen”....

Weerklonk dat reeds nu? Luid schetterende tonen deden de knielende menigte ontsteld overeind rijzen, in de grootst mogelijke spanning, in verbijsterende verwarring. Het snikken der vrouwen en kinderen vermengde zich met de gebeden van geestelijken en leeken. Maar in de geopende kerkdeur klonk een vaste stem:

„Mannen van Utrecht, te wapen! De bisschop beveelt het! Grijpt schild en speer! Op! De Denen tegemoet!”

Verbaasd richtten zich aller blikken op den spreker: Unruoch van Teisterbant. Zijn oogen schitterden hun tegen onder den glanzenden helm, zijn ijzeren rusting rinkelde, het breede slagzwaard blonk in zijn vuist als het wapen van het recht.

„Op, wakkere mannen! De soudenieren van het Sticht scharen zich reeds in slagorde, de bisschop zelf stelt zich aan hun hoofd. Komt, om de vijanden van ons geloof, de belagers van ons volksbestaan te helpen verdrijven uit ons land!”

Zij zagen zijn bezielden, van strijdlust gloeienden blik en -- ontstelden schier.

„Jonker Unruoch!” riep een oud man, -- „strijden op den laatsten dag! Laat ons in vrede bidden, eer wij sterven!....”

Tot eenig antwoord hief Unruoch zijn zwaard op, helle vonken schoot het in het morgenlicht.

„Bidden wilt gij? Waarvoor? Om vergeving af te smeeken voor uw lauwheid en plichtverzuim? Ginds” -- met zijn zwaard wees hij de richting aan -- „plunderen en stroopen de Denen. Indien zij het platte land niet hadden afgeloopen en verwoest, lagen zij reeds voor de poort. Voorwaarts alzoo! Hun macht vernietigd eer zij hier de kerken in een vuurgloed doen verteren en ons de lansenmis zingen! God ziet u! En, wanneer gij de Denen verslaat, wie zegt, dat gij dan niet den Antichrist velt met zijn heir van booze geesten?”

Als een schok doortintelde ieder dit laatste woord. De Antichrist zou verschijnen eer het einde kwam, zoo was het voorspeld.... Door hem te weerstaan werd zonde en schuld geboet. God wilde het! Was niet reeds door menigeen de woeste Rolfr Jarl vereenzelvigd met den Antichrist? Vastberaden, als gewekt uit een verdooving, stormden de mannen naar buiten. Het zou een ontembare schaar zijn, die Unruoch in het veld voerde. Graaf Frethibold zag hem zijn manschappen opstellen voor het Bisschopshof. Het was een zonderlinge strijdbende: ieder voerde het wapen, dat hij bezat, zonder eenige regelmaat of orde, maar dezelfde moed en strijdlust blonk uit aller oog.

Hij zag den slanken jongeling vol gloeienden ijver, allen bezielend door voorbeeld en woord....

„Zoo als hij zou thans mijn zoon zijn geweest! Ach, waarom word ik steeds opnieuw herinnerd aan mijn verlies!” Een gesmoorde zucht ontsnapte zijn lippen, toen richtte hij het gebogen hoofd op:

„Het was Gods wil. Ik had mij moeten buigen en ik liet mij breken door het lot, dat mij door Hem werd opgelegd. Heer, vergeef, en laat mij weldra mijn lieve vrouw, mijn dierbaar kind hervinden bij U!”....

Hij wendde zich af en gaf den boogschutters zijn bevelen.

Aan de spits der ridders en ruiters van het bisdom verscheen de bisschop zelf. Niet als een held die heenrijdt naar het slagveld. Harnas noch pantser omgordde zijn leden, uit geen blinkenden helm golfden de zilveren haren van den grijsaard, die fier en ongebogen zijn ros in toom hield met vaste hand. In breede plooien viel het violetkleurig opperkleed van satijndamast met goud passement geboord hem over de schouders, zijn rechterhand hield den kromstaf, zijn vinger droeg den gewijden ring. Langzaam reed hij langs de opgestelde gelederen.

„Mijne kinderen, ik groet en zegen u in des Heeren naam! Denkt aan het woord van Joab: Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods!”[23] Volbrengt uw plicht tot uw laatsten ademtocht, maar koestert haat noch oefent wraak! Gerechtigheid zij uw wapen, het geloof in Gods albestuur uw schild. Voorwaarts thans! Ik voer u niet aan in den strijd, maar ga u voor in den slag!”

„Heer bisschop, zonder wapen! U treffen de Denen het eerst!”

„Wie door God wordt beschermd is welbewaard. Bekommert u niet om mij. Laat God zorgen en doet uw plicht. Voorwaarts kinderen! Te hulp hen, die vergaan! Wyc staat in brand, bewaart Utrecht voor hetzelfde lot! God bescherme onzen tocht!”

„God bescherme ons!” herhaalden allen. Over de ratelend neergelaten brug volgden soudenieren en burgensen bisschop Ansfried in het vrije veld. Wonderbare kracht, die uitging van een enkel man, welke zijn plicht hooger stelde dan het leven! Terneer gebogenen richtte hij op, van vreesachtigen vormde hij helden, zij, die daareven sidderden voor den dood, deed hij thans den dood in het aangezicht zien, onverschrokken, vast besloten stand te houden tot het uiterste voor de heiligdommen en voor huis en haard.

[23] 2 Samuel 10 vers 12.

HOOFDSTUK XXV.

Ondanks het heftig verzet van Rolfr Jarl was het gansche platte land om Wyc en ten laatste die stad zelf, door de Denen geplunderd en gebrandschat. Tevergeefs had hij geraden, gedrongen om terstond naar Utrecht op te rukken, had hij gewaarschuwd voor de voortvarendheid van bisschop Ansfried. Niemand der strijders, brooddronken van roof en gemakkelijk vergaarden buit, sloeg acht op zijn woorden. Zelfs de voor dezen tocht door hen gekozen „zeekoning”, Viking Harald Sigvatr, haalde de forsche schouders op.

„Laat hen! Wij zijn sterk genoeg om over eenige dagen ook Utrecht in te nemen en plat te branden. Nu Wyc in puin ligt kunnen wij het immers gemakkelijk bereiken, zegt gij. Gun hun dus dit tijdverdrijf, zij hebben een zware zeereis doorgemaakt.”

Rolfr Jarl was genoodzaakt toe te geven. Het kostte hem reeds moeite genoeg den Viking te doen gelooven, dat Olaf door ongesteldheid werd weerhouden zich bij het leger te voegen.

„Een Noorman is niet ziek, maar strijdt tot hij sterft om door Walküren te worden gevoerd in Alvaders hal.”

Met verstoord wenkbrauwfronsen had Harald Sigvatr zich afgewend, terwijl hij dit antwoord gaf en ten tweeden male was Rolfr verplicht te zwijgen.

Zoo waren drie dagen voorbijgegaan. Thans verrees de zon omgolfd door breede stralenbundels van purper en goud, een wonderschoone dag was verrezen. De Noormannen juichten. Midzomer was daar. Nog dien eigen avond zouden ruiters en rossen den sprong wagen over het hoogvlammende vuur. Gelukte die sprong, een jaar van heil wachtte den voorspoedigen ruiter. Bij harpslag en bekerklank werd hij gehuldigd, heil hem toegedronken bij het schallen der horens. Maar eerst zou de rijzende dag allen voeren ten bloedigen wapendans....

De laatste hoeven gingen in vlammen op, nog een enkel uur was allen toegestaan om de waarderobe te vergrooten, die reeds in het scheepsruim was geborgen, dan gold voor het leger Utrecht als eerste doel van den verderen tocht, terwijl de vloot verder zou opzeilen. Reeds werden de ankers gelicht, ongeduldig wachtte de man aan het roer op het sein van vertrek.... „De wind, die den wil der goden weet, wijst den weg, welgevallig blaast hij bollend de zeilen”.... zong bij zijn harp Rolfrs grijze Skald...

Eenige uren waren voorbijgegaan, weldra zou de zon haar hoogste punt bereiken, gloeiend als een gouden brand waren haar stralen, zij verzengden het gras, en bedwelmden de menschen. Keerde daarom een kleine bende, die had gezwermd door het veld, zoo overhaast terug? Zocht zij de schaduw der boomen bij den middaggloed, of was daar een andere reden?

Onder de groene bladerzee van een breeden eik ging Rolfr Jarl ongeduldig op en neer. Ademloos berichtte hem de aanvoerder der bende:

„Jarl, een talrijke krijgsmacht rukt aan op den heirweg. Zij komt van de zijde waar Utrecht ligt. Een grijsaard rijdt aan de spits naast een gepantserden ridder, boven hun hoofd wordt de banier van Sint Maarten geheven, violetkleurig is de mantel van den grijsaard”....

Een met moeite bedwongen kreet ontsnapte Rolfr.

„Hij of ik! Lang geleden heb ik het gezworen, nu is het uur aangebroken!”

Het was of hij voor het laatst zijn woest, teugelloos leven langs zich zag voorbij trekken, met de eenige taak, die hij zich ooit had gesteld. Medelijden met den man, dien hij reeds zooveel leed had berokkend, kende hij niet. De schande die hij, bij nederlaag, over zijn eigen hoofd bracht deerde hem evenmin, de verachting der menschen was hem onverschillig. Wraak riep hem en voor die roepstem was hij nooit doof geweest of had hij geaarzeld met zijn antwoord.

Ook thans zette hij zijn horen aan den mond, ver in het rond schalde de toon. Hij wist, dat de Denen hun tegenstanders ver in aantal overtroffen, hij voelde zijn macht, dàt was leven.... „Rolfr Jarl geneest heden zijn wonden, al bekoopt hij het met den dood,” mompelde hij voor zich heen. Toen zond hij zijn ruiters weg om plunderaars op te vangen, om anderen, die mondvoorraad roofden, te zoeken. De bewakers der vloot werden gewaarschuwd, de voetknechten in slagorde gesteld. Weldra zetten zij den weg af of lagen verborgen tusschen het kreupelhout, waardoor de heirbaan werd omzoomd. Zoo wachtten de Denen de mannen van Sint Maarten af. Nog enkele oogenblikken en een plechtige zang golfde hun tegen. Door de geestelijken werd hij aangeheven, die de banier hoog hielden boven het hoofd van den bisschop. Voor zoover zij latijn verstonden vielen de leeken mee in:

„Media vita in morte sumus, quem quaerimus adjutorem, nisi te domine, qui pro peccatis nostris juste irasceris Sancte Deus[24]

Terwijl ruiters en voetknechten in dichte gelederen naderkwamen, zagen zij de donkere menschenschaduwen op het groene veld. Wapens flikkerden en daarboven straalde de zon en weerkaatste haar glans in die werktuigen des doods.

„Unruoch, hoe groot schat gij den vijand?” vroeg de bisschop.

Unruoch hief zich op in de stijgbeugels:

„Het kreupelhout glinstert van wapens, de heirweg en de stroom zijn vol helmen en houwers, vele honderden in aantal, gewis. En ginds rent een dicht aaneengesloten bende het veld in en vele schepen der vloot varen met hun bemanning rustig verder. Daar wordt geen boogschot gedaan, geen pees gespannen. Willen de Denen ons omsingelen of den terugweg afsluiten?”

„Dat moet hun worden belet!”

De stem van den bisschop klonk boven gedruisch en wapengekletter als vele jaren vroeger, toen zij haar bevelen gaf in het ruitergevecht. Hij wenkte graaf Frethibold aan zijn zijde. Zacht maar zakelijk klonken zijn woorden. Toen werd Henno, wiens reis naar Aken niet noodig was geweest, met Gerlach, waarmee hij groote vriendschap had gesloten, teruggezonden naar Utrecht.

„Het is hoog tijd, dat wij komen!” riep Unruoch weer. „Ziet dien rooden gloed in de verte! Weer branden er hoeven!”

„Daar ligt, geloof ik de Hohorst; heer bisschop, red uw stichting!” viel graaf Frethibold in.

Bisschop Ansfried schudde het hoofd: „Wij mogen onze geringe strijdmacht niet verbrokkelen. God zelf zal haar beschermen, redden wij de vrouwen en kinderen, die te Utrecht weerloos achterbleven voor het geweld der Denen!

„Ziet, daar rennen reeds de voorste ruiters!” hernam Unruoch. Hij rukte zijn zwaard uit de scheede en zwaaide de kling boven zijn hoofd.

Graaf Frethibold smoorde een bitteren uitroep: in hun aanvoerder had hij Rolfr, „den Deen” herkend.

„Groote God, sta ons bij in den ongelijken strijd!” fluisterde bisschop Ansfried. Want de vijanden overtroffen ver in aantal zijn geringe macht van te voet vechtende soudenieren en den slechts half voltalligen heerban.

„Wij strijden voor vrijheid en recht. Die wetenschap schenkt iederen arm tienvoudige kracht!” riep Unruoch, met gloeiende trekken.

„Steekt de horens, zwaait de banier! Laat een zang van zege en glorie weerklinken!” klonk het bevel van den bisschop.

„Wie weet hoe ras overstemd door de bazuin van het jongste gericht,” mompelde graaf Frethibold zacht. Maar hij gaf het verlangde teeken. Van beide zijden suisden de eerste pijlen, zij troffen geen wit. Als verbijsterd was de kleine ruiterbende, hiermee ook het voetvolk in verwarring brengend, teruggedrongen op het gezicht van de breede gevechtslinie der Denen. Toch zagen zij die niet geheel. De linkervleugel werd verborgen door bosch en kreupelhout, zoodat het gedeelte, door graaf Frethibold als uiterste stelling aangezien, alleen het centrum vormde. Een derde der tegenstanders bleef zijn geringe macht op deze wijze onbekend -- tot haar geluk.

„Voorwaarts kinderen! Waarvoor zoudt gij vreezen? Met dien ongeregelden hoop komen wij spoedig klaar!”

Door Unruoch en zijn onmiddellijk gevolg omringd snelde hij zoo onstuimig voorwaarts, dat de aarzelende ruiters, die nu weer stand hielden, zich nauwelijks bij hem konden aansluiten.

Zonder zich te verroeren wachtten de in kamp en strijd vergrijsde Denen -- Harald Sigvatr en Rolfr Jarl bevonden zich aan hun hoofd -- de naderstormenden af. Zonder een speer te werpen of een boog te richten, lieten voetvolk en ruiters -- het waren meest in ’t land geroofde paarden, die de Denen bezaten -- hun tegenstanders naderen.

„Schiet nu! Stoot toe!” beval Harald. En met de snelheid van het weerlicht wierp zich het geheele centrum op ruiters en rossen. De schok was geweldig; de voetknechten sneden de pezen der paarden door, om daarna handgemeen te worden, de ruiters bekampten elkander met het zwaard. Maar kloek hielden de burgensen stand.

„Vooruit kinderen! Houdt u goed! De zege is ons!” riep hun aanvoerder. Zijn blinkend zwaard schoot vonken, allen vooruit drong hij in op den vijand. Met verbazing zag de bisschop het. Was dat de sombere, hopelooze gouwgraaf van weleer? Dicht aaneengesloten volgden hem de soudenieren, als een hagelstorm bij winternacht snorden hun pijlen van den boog. Eensklaps dreef een gepantserde gestalte zijn paard door den warrelklomp van strijders. Het was Rolfr Jarl. Hij had den veel gehate, lang gezochte in het oog gekregen. Trotsch strekte hij zijn hand uit, het was als wilde hij haar leggen niet op den man, voor hem, maar op de macht, die dezen behoorde. Zijn stem klonk hijgend:

„Laat mij door! Een zwaardslag moge eindelijk tusschen ons beslissen! Laat zien of zijn witte afgod hem beschermt!”

Met een forschen sprong van zijn vurig paard brak hij zich baan en bereikte den bisschop, die hem afwachtte ongewapend, onbevreesd.

„Sterf christen!” hoonde de Noorman, en hief met beide handen zijn breed slagzwaard op.

„Maar gij het eerst!” dreigde graaf Frethibold, naderspringend op zijn zwarten hengst. Meteen stiet hij zijn zwaard in de okselholte van Rolfrs pantser, waar dit onbeschermd was door den hoogopgeheven arm, die het zwaard richtte. Het wapen ontviel de geweldige vuist van den Noorman, kermend stortte hij uit den zadel, paardenhoeven gingen over hem heen. Verbijsterd van schrik zagen zijn ruiters hem vallen.

„Rolfr Jarl, de onkwetsbare en reeds nu, bij het eerste treffen!”

In verwarring wendden zij hun paarden, sleepten anderen mee. Het gevecht dreigde te ontaarden in een wilde vlucht.

Harald Sigvatr zag het. Hoog zijn reusachtige gestalte opheffend, trachtte hij de vluchtelingen tot staan te brengen met beloften en dreigende woorden.

„Vernietigt hen of zij doen het u! Op! Den vijand tegen! Hij vlucht reeds op uw gezicht!”

„Zegevader, bij u is de overwinning!” juichten vele stemmen. Terwijl op zijn bevel het beweginglooze lichaam van Rolfr Jarl naar een der schepen werd gedragen, volgden de Denen opnieuw hun onverschrokken Viking. Uit het kreupelhout vloog thans een wolk van pijlen.