Toen de duisternis dreigde...

Part 20

Chapter 203,910 wordsPublic domain

Verder zeilde de trotsche vloot, versierd om den hoogtijd der zegepraal te vieren. Reeds kwamen de torentransen van den Ravenhorst in het gezicht, waar boogschutters en dienstmannen, hun wapen in de vuist, gereed stonden, om, als het bevel klonk uit den mond van hun Jarl, met hem de vloot tegemoet te gaan. Den soudenieren, die in een der beide houten torens op den muur naast de poort de wacht hielden, was gelast het sein te geven.

„Zouden de schepen hier alle voor anker komen?” vroeg een der beide schildwachten zijn makker. Deze haalde de schouders op:

„Dan zal, in ieder geval, het oponthoud hier niet lang duren, wij zullen wel gauw gezamenlijk naar Utrecht oprukken.”

„Als er nog meer krijgers noodig zijn! Ieder verdek wemelt van helmen en harnassen.”

„En van pracht en praal! ’t Is, uit de verte gezien of de schepen in vlam staan! De kleurengloed overtreft nog het geflikker der blanke wapens, van gouden beeldwerk op den voorsteven en van zilver op het achterdek der schepen.[19] Als de Denen het onderspit delven doen de onzen een goede vangst.”

Verachtelijk zag de andere -- een woeste Wend -- hem aan:

„Hoe durf je zoo iets alleen maar dènken! Wie zou die verschrikkelijke, van goud schitterende leeuwen, die metalen menschenbeelden met hun dreigende houding, die draken van zuiver goud, kunnen, zelfs durven weerstaan!”

„Om van de stieren met gouden hoornen en bliksemende oogen, niet eens te spreken! Hoort, hoe ze brullen!”[20] viel een derde in.

„Laat je niet verblinden door den schijn! Als die je reeds zooveel schrik aanjaagt wat moet dan de werkelijkheid zijn. Die ziet gij dáár!”

De oude speerknecht wees naar een kleine groep aanvoerders, in ernstig gesprek op de voorplecht van het grootste schip. Hun wapens schoten vonken in het helle ochtendlicht, breed uitgespreide vleugels van den zilvergier vormden hun helmtooi. De scharlaken mantels waren als een vlam, boven hun door den zonneglans als met vurige vonken overstrooide ringkragen.

„En gij denkt, dat zulke reuzen door het landvolk hier overwonnen zullen worden, diè!”....

De ongeveinsde verbazing van den schildwacht evenaarde zijn verontwaardiging en weer hingen zijn oogen als geboeid aan het schitterend schouwspel.

Hij was de eenige niet. Geheel in ’t rinkelend harnas, gewapend tot de tanden, stond Rolfr Jarl voor het middelvenster der hal en fronste ongeduldig de wenkbrauwen:

„Waar blijft Olaf?” -- Over den kronkelenden stroom gleed zijn blik. -- „De vloot ankert, eer gindsche waskaars is opgebrand, wij moeten haar tegemoet. Het is hoog tijd.”

Hij zette zijn zilveren fluitje aan de lippen, voor zijn lijfdienaar een welbekend teeken, maar eer hij het sein kon geven stond de met zooveel ongeduld verwachte voor hem. Onhoorbaar was de deur open gegaan, ook Olafs blik zocht de brandende kaars, waarmee de tijd werd afgemeten.

„Hebben wij nog eenige oogenblikken tijd?” Dof klonk zijn stem, bleek waren zijn trekken.

„Wat scheelt je, Olaf?”

Wrevelig klonk het antwoord van den Jarl.

„Verbleek je op het gezicht der drakenschepen? Mag zoo een aanvoerder den strijd tegengaan, waarin hij mòet zegevieren?”

Olaf tastte met de hand naar zijn voorhoofd.

„Dat kleurgewemel schrijnt, het is of die wapens mij alle in het hart treffen.”

„Olaf!”....

Deze streek zich met de hand over de oogen.

„Het is alles uitgekomen, zooals ik voorgevoelde, toen ik dit vredige landschap zag -- voor de eerste maal. Herinnert gij u nog wat ik zei?”

„Ja, en ik hoop, dat gij mijn antwoord niet zijt vergeten!”

Hoe bijtend klonk het!

„Voorheen, Olaf, waart gij altijd de eerste, die op den vijand instormde, zonder te vragen wat zijn lot worden zou.”

Met snelle schreden mat de jonge Viking het vertrek. Zwaar legde een hand zich op zijn arm, een forsche hand.

„Olaf, laat ons gaan! Voor de eer van Alvader en van alle Asen trekken wij het zwaard!”

„Neen!” klonk het in hevige gemoedsbeweging terug. „Het is tegen Zijn wil en leer. God is liefde. Vrede gebiedt Hij. Vrede op aarde.”

„God!” -- Rolfr Jarl herhaalde dat woord en dof gaf de holle zaal den klank terug. Het klonk als een waarschuwing. Een oogenblik zagen beiden elkander aan, als wilde de een de gedachten peilen van den andere. Toen barstte Rolfr los:

„Ha! Nu begrijp ik! Gij waart op den Hohorst!.... Vervloekt zij”....

„Gezegend moge de geest zijn, die van daar uitgaat. Daar klinkt het: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!”

Is dat geloof niet bergen hoog verheven boven Odins leer? Zijn zonen strijden om macht en goud, en brengen verschrikking, verwoesting en dood waar zij verschijnen. Ik weet niet of de geweldige dag, waarin ieder zal geoordeeld worden naar zijn werken, aanstaande is, maar dit weet ik: dat ieder zijn onsterfelijke ziel moet redden en, dat dit nooit kan geschieden langs den weg van bloed en moord.”

„Gij, een christen! Gij!”

Kort en beslist klonk het bevestigend antwoord van twee lippen, die beefden -- niet van vrees.

Toen weergalmde een dreunend gekraak. Met een slag had Rolfr zijn vuist laten neerkomen op de tafel -- het blad was gespleten. Woeste haat flikkerde Olaf tegen onder de borstelige wenkbrauwen. Grauw werd de kleur van zijn gezicht. Met van toorn half verstikte stem barstte hij los:

„Dan vloek ik de hand, die eens de uwe drukte als bloedsbroeder, dan roep ik Odins vergelding in over uw hoofd! Verlamme uw kracht, verwarre uw brein, vergeten zij uw leven en uw dood! Odin is rechtvaardig, hij zal uw afval richten. Ga dan naar uw nieuwe vrienden, laat mij alleen, laat mij alleen! Overwinnen zal ik toch, mij de zege, u de verachting voor uw meineed en verraad! Als de bazuinen schallen mij ter eer dan verslinde u de diepte van Hel!”...

Olaf had hem zijn woede laten uitrazen. Te midden van den overstelpenden woordenvloed trok, als in een visioen, het geweld van den slag, de macht der aarde hem voorbij. Banieren wapperden, klaroenen werden gestoken, paarden trappelden en brieschten bij den woesten wedloop hunner ruiters om het eerst hun doel te bereiken: de gouden kroon, het symbool der macht, opgeheven door de hand der schoonste vrouw, die den overwinnaar zou toebehooren met het schier tot de wolken rijzende burchtslot, waaruit hij zou beheerschen het aan zijn wil en wet onderworpen land.

Over dooden en gewonden ging hun weg, gruwelen, de ellende van duizenden waren hun trawanten, niemand sloeg er acht op. Aller oog hing in deemoedigen eerbied aan hem, die de macht had veroverd voor zich alleen. Voor hem bogen de heerschers en knielden de volken.

Slechts een enkele vrouw niet, een enkele, stille, fiere vrouw. Verlaten stond zij aan een hoek van den heirweg, droevig rustten haar oogen op de weegschaal in haar hand: „Gewogen en te licht bevonden,” sprak haar ernstige stem. Maar in Olafs hart klonk het: „Ik wil u dienen, u: het Recht, vertrapt zoo dikwerf en veracht. Nimmermeer buig ik mij voor het geweld, al wordt dit door de macht gekroond met de overwinningslauweren der aarde.”

En weer dacht hij aan dien gloeienden zomerdag, toen hij op een zijner zwerftochten in het Italiaansche land het beeld der vrouw, met de weegschaal van het recht, in steen gehouwen had aanschouwd in den trotschen Romaburg. Een waarschuwing scheen het hem, dat zij thans voorbij zijn geestesoog trok -- als in een visioen. Hij dacht aan den christen-bisschop, wiens woorden vol ontzagwekkenden ernst van zoo grooten invloed waren geweest op zijn zieleleven -- hij wist nu waar hij het recht zou vinden, door wien het werd gediend.

Dreef die wetenschap hem tot het antwoord: meer een antwoord op zijn eigen gedachten dan op de woorden van Rolfr Jarl:

„Verwacht niet te veel, roem niet te vroeg. Gij kent uw tegenstander. De hand van den graaf van Teisterbant voerde steeds een wapen van ijzer al is zijn hart van goud. Hij zal strijden voor geloof en recht tot zijn laatsten ademtocht.”

„De strijd dien gij, meineedige, weigert. Ook wij kampen voor ons geloof!”

„Maar wat wij beoogen is ongerecht en laag. Ik weiger daarom echter niet uw leven te beschermen met het mijne. Uw schilddrager wil ik zijn, iederen slag zal ik opvangen, die op u is gemunt. Zoo volbreng ik de gelofte eens aan u als bloedsbroeder afgelegd en schiet ik niet te kort waar het mijn hoogsten plicht geldt. Geen zwaardslag sla ik, maar ook geen helm behoede mijn hoofd, geen harnas mijn hart.”

Toen klonk weer die harde lach:

„Dichterlijk en schoon, mijn jonge Skald, alleen -- onuitvoerbaar, gelijk alles wat tot dat gebied behoort. De eene aanvoerder is nooit de schilddrager van den anderen. Ook zou uw strijdbende wanen, dat ik u blootstelde aan de pijlen om niet met u macht en buit te moeten deelen.”

„Op een andere voorwaarde weiger ik u te vergezellen!”

„Dat is weer zijn werk! Vervloekt! Ansfried, altijd Ansfried! Het is zijn invloed!”

Hij drukte de handen tegen het hoofd en mompelde, alleen voor zich zelven verstaanbaar: „Ha! Ik hoor ze lachen, de wraakgodinnen! Die hoon geldt mij! Ik waande hem te treffen en het wapen wondde de hand, die het voerde.”

De toorn, die in hem woelde en bruiste, maakte plaats voor een ander gevoel; een smart ongeneeslijk en brandend, na zoovele jaren nog, schrijnde en dreef hem tot den uitroep:

„Gij vraagt of ik zijn hand ken? Ja, reeds lang voor gij geboren werdt greep die storend in mijn leven en verwoestte wat in waarheid dien naam verdiende. O, noch het dreunend geraas van den slag, noch het bruisen der zee te midden van den orkaan konden voor mij de gelofte van trouw verdooven, die Hereswit van Strijen aflegde voor het altaar met haar zachte, zilveren stem aan de zijde van graaf Ansfried van Teisterbant. Hoor, hoe ik mij wreekte! Of ik hem ken? Jà, en hij mij!”

Toen verdrongen zich de woorden op zijn lippen, een gloeiende vuurstroom geleken zij, waaruit de vlammen opstegen van den haat.

Olaf luisterde zwijgend, maar in zijn hart klonk het:

„Vergeef uw vijand zeventig maal zevenmaal”....

Het was hem of engelenhanden gouden harpen sloegen, of hun gestalten hem omzweefden, blinkend wit, terwijl hun lippen fluisterend herhaalden dat ééne woord:

„Zeventig maal zevenmaal!”....

O, hoe hoog stond de godsdienst der christenen boven dien zijner vaderen! Zeventig maal zevenmaal... Wreekt u zelven niet.”....

En, was hier gezondigd? Bestond de schuld, die Rolfr Jarl vervolgd had en gewroken gedurende zijn gansche bestaan, niet in zijn verbeelding, in zijn gekwetste eigenliefde en teleurgestelde wenschen?

Die gedachte deed Olaf vragen:

„En áls het oordeel daar is, gelijk zoovelen gelooven met den aanstaanden zonnestilstand en de eeuwige Rechter, dien gij Alvader noemt, verschijnt op de wolken, durft gij dan voor hem bestaan, bezwaard met den last van zulk een schuld, met zooveel haat in uw hart? Want, was het recht wat gij deedt? Kan Alvader uw daden goedkeuren, of Balder de liefelijke, zachtzinnige, en Thor, de vreeselijke maar rechtvaardige god? De Edda verbiedt alle onrecht. Gij hebt het bedreven, uw gansche leven en waar een rechter verschijnt oefent hij recht.”

De aderen aan Rolfrs slapen zwollen.

„Dat wil wijsheid opdisschen! Wel zeker! Wij schenden den bloedseed, wij vertreden eer en trouw en janken met christenhonden over het vergaan der wereld op den avond van den langsten dag! Nu, gij zult uw langsten dag gezien hebben!”

Hij rukte een verborgen deur open en stiet Olaf, voor deze er op verdacht was, in de diepte. „Hier ongeluksprofeet, haal je profetenloon!”

De deur dreunde dicht. Een horensein schalde.

„De vloot is daar! Thans voorwaarts ten strijd en ten zege!”

Hij gordde zich het zwaard dichter en toen was het hem eensklaps als werd het vuurvlammend heden, de in gouden glorie gehulde toekomst bedekt door een grijzen sluier -- dien van het verleden. Veertig jaren weken terug, hij zag zich weer, als jongeling zonder macht of aanzien in de Schola Palatina te Keulen. De ernstige stem van aartsbisschop Bruno waarschuwde:

„Den dwaze brengt de toorn om en de ijver doodt den slechte.”[21]

Waarom kwamen die woorden thans terug in zijn geheugen, na zooveel jaren van vergetelheid, waarom?

Vrouw Sigrid stond voor hem. Op den toren had zij gewacht en gestaard in de verte, vele uren sinds vele dagen.

De raven hadden gezweefd boven haar hoofd, hun krijschende kreten uitstootend, de wind haar de grijze lokken losgewoeld, de regen haar geslagen in het onbewogen gelaat; zij had het eene bemerkt noch het andere. Thans echter kwam een zegevierende trek om de dunne lippen, bijna het eenige wat van haar gelaat te zien was; een zwarte mantel hing haar van den hals tot de voeten, somber als de nachtzwarte vlerken der raven; de kap verborg haar hoofd.

„De vloot nadert. Laat thans de vergelding de schuld evenaren. Triomfeer en leef. Van de zwakke eischt Odin den dood, in uw hand legt hij de wraak. Grijp den bisschop levend, hij sterve op het toppunt zijner macht aan den Noorderboom als een ellendige slaaf.”

Zij hief de armen omhoog en sloeg de kap terug, de grijze haren zwierden haar om hals en schouders, in de holle oogen gloeide het als een verterend vuur.

Rolfr Jarl, die nooit had gevreesd, huiverde. Het was hem als werd hij voortgedreven door de geduchte schikgodinnen van zijn volk -- waarheen, waarheen?

[18] Wat hierboven gaat, is een nauwkeurige beschrijving der Denenvloot waarmee Canut van Denemarken in 1017 koers zette naar Engeland.

[19] Vloot van Canut.

[20] Idem (Bolhuis).

[21] Job, K. 5.

HOOFDSTUK XXIII.

Op de muren en wallen van Utrecht stonden de bisschoppelijke boogschutters en hielden scherp wacht. Op het plein voor den Dom oefenden zich de burgensen met schild en speer. De tijding van de nadering der Denen had nieuwe, hevige onrust gewekt in de gemoederen, waarin reeds zooveel angst heerschte. Een renbode bracht het bericht, dat reeds meer dan één kustplaats door hen was geplunderd en het platte land bij Leithen afgestroopt. Niemand bood tegenstand, rillend van vrees vluchtte het landvolk reeds op het eerste gezicht der drakenschepen. Duchtten allen, dat de riemen met ijzeren roeipennen zouden worden omgevormd tot doodelijke wapens, gericht op hun hart? Waanden zij, dat de schilden, opgehangen langs het scheepsboord, de vijanden zouden beschermen voor iederen aanval, dat de geheimzinnige runen gegrift in elken boeg zooveel tooverteekenen zouden blijken?....

Verwenschingen golden de regentes van Kennemerland, die steeds in veete met West-Friezen of Vlamingen onbeschermd de kusten en vaste plaatsen liet van eigen gebied. Wat baatte het? De Denen waren gelijk aan de zee bij stormvloed, wie kon hun macht keeren? Heeren, vrije boeren en eigenhoorigen uit den wijden omtrek vluchtten naar Utrecht om achter de stevige wallen het lijf te bergen, om -- de heerschende onrust en verwarring nog tienvoud te vergrooten.

Maar daar waren nog anderen dan radelooze vluchtelingen of in boete en gebed verzonken vrouwen, die zelfs boven de Denen den wereldbrand vreesden. Krachtige mannen, uit wier mond een kreet van woede en wraak opging, toen zij hoorden van een nieuwen inval der gehate Noormannen. Want de lijdenskelk sinds twee eeuwen den landzaten door dit volk gereikt, was boordevol. De oogen der mannen gloeiden van toorn, de gebalde hand omklemde een wapen. Een oproeping tot den strijd weerklonk en werd alom herhaald. Boden renden door het land, van stad tot stad, over velden en door wouden. Van de hoogten der Kennemerduinen klonk die krijgskreet, voort rolde hij over de bosschen en weiden van Masaland. Over de Drenthsche heidevelden dreunde hij, in kracht aan den stormwind gelijk. Te wapen riep hij de stoere Friezen aan gene zij van het Almere, dat even rusteloos knaagde aan hun land, als de Denen aan zijn welvaart.

Pas negen jaren vroeger had koning Sven van Denemarken al hun kustplaatsen geplunderd zonder onderscheid, en Staverun, de bloeiende stad, gelijk gemaakt met den grond. Ongewroken bleef, tot nu toe, die inval. Waren de nakomelingen verbasterd van het heldenras, dat een eeuw te voren den geesel der christenen, den geduchten Bioern, „met de ijzeren rib” neersloeg en zijn ontembare legerdrommen verwon?

Van Bioern, die altijd ongeharnast ten strijde trok, ging de mare, dat hij door de toovermiddelen zijner moeder onkwetsbaar was, behalve aan de rechterzijde, daarom bedekt met een ijzeren plaat. Toch hadden zij die plek weten te treffen, toen hij uit Italië keerend, Friesland trachtte uit te plunderen. De Friezen herinnerden zich dien dag van zegepraal, zij grepen schild en speer en verlieten hun ontoegankelijke moerassen om den vijand op te zoeken eer hij hen vond, om zich op Sven te wreken gelijk zij dit eenmaal deden op Bioern.[22]

Thiel, de rijke koopstad sloot haar poorten en hield scherp wacht, maar de geringe bevolking, die te Wyc leefde op de puinhoopen van het eens zoo machtige Dorestad, vluchtte weeklagend naar Utrecht. Heeren waakten op hun burcht en spijker en lieten de pekpannen -- waarschuwend sein -- vlammen bij dag en bij nacht; velen beloofden hun eigenhoorigen de vrijheid, indien zij moedig stand hielden in den komenden strijd. En de hoop op vrijheid, met den wensch om de gehate indringers te verdrijven, vormde zelfs die verachte door hun meesters met voeten getreden eigenhoorigen tot helden, die onverschrokken zouden standhouden, gevaren schuwend noch den dood vreezend. Maar uit iedere landstreek rende bode op bode naar Utrecht, naar den bisschop, die, nu graaf Frethibold afwezig was, de zorgen van den staat droeg met die der kerk.

Het was bijna of de vrees voor het eene gevaar de gedachte aan het andere op den achtergrond drong. Bisschop Ansfried zag het met voldoening. Boven iedere uitlegging van het Evangelie gold bij hem steeds het woord van Christus: „Deze dag en deze ure weet niemand.” En, waar hij zich niet geheel kon losmaken van het ontroerende denkbeeld, dat zijn tijd beheerschte, bleef hij het echter veroordeelen: Gods woord was hem meer dan de meening der menschen.

Nauwkeurig zag hij toe, dat ieder de plichten vervulde, die zijn hand vond om te doen. Zelf gaf hij het voorbeeld om, schier zonder zich bij dag of nacht rust te gunnen, alle maatregelen te nemen, die noodig waren om de geduchte vijanden te weerstaan. En de verweermiddelen waren even beperkt als de tijd kort: indien de Denen niet door nieuwe strooptochten den tijd lieten voorbijgaan, konden er nauwelijks drie dagen verloopen tusschen het eerste bericht hunner nadering en hun komst voor Utrechts poorten. Iederen ochtend predikte hij intusschen in den Dom, voor een elkander verdringende menigte, allen vermanend te vertrouwen op Gods liefde en erbarming, Die uitkomst kan geven uit elk gevaar en nooit verlaat wie op Hem vertrouwen. Waar hij hoofden van bleeke boetelingen zag met asch bestrooid, sidderend voor het jongste gericht, vermaande hij tot werken zoolang het dag was, moedig het kruis te dragen tot het einde toe; waar hij krachtige mannen aanschouwde met van wrok verwrongen gelaatstrekken, die den naderenden vijand gold, drong hij hun het gewijde woord niet te vergeten: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden,” ook als zij hun leven waagden voor het hoogste aardsche goed: vrijheid van volk en land.

En dan, als te midden der zorgen van den dag: onderhandelingen met den stadstimmerman of den wapensmid over het versterken der poorten of de levering van stormkappen -- angstige gestalten het Bisschopshof binnenwankelden en smeekende stemmen fluisterden:

„Vraag voor mij een oogenblik gehoor! Ik wenschte mijn goederen en eigenhoorigen aan de kerk te schenken tot rust mijner ziel, nu het einde nadert,” dan vergat hij alle aardsche zorgen om met gloeiende welsprekendheid de milde gevers te wijzen op hun dwaalbegrippen:

„Gelooft gij uw Schepper te kunnen omkoopen, door Hem aan te bieden, wat Hij u hier op aarde leende? Denkt gij door zoogenaamde goede werken den hemel te verdienen, vergetend, dat geschreven staat:

„Wij worden uit genade zalig, opdat niemand roeme.” Ik zeg u, dat het geloof zonder de werken dood is en de werken zonder waar geloof met zonde zijn besmet. Of ontspruit uw vroomheid uit zuivere bron? Angst voor het komend oordeel maakt u mild, geen zelfverloochenende liefde, die wil ontberen om het geluk van anderen te verhoogen. Gaat en onderzoekt u zelven, voor gij hier terugkeert!”

Menigeen ging met gebogen hoofd, beschaamd door de woorden van hem, die de menschen kende en de roerselen peilde hunner daden, maar broeder Johannes mompelde meer dan eens voor zich heen:

„Goed, dat volgens de kerkelijke wet de bisschop geen schenkingen mag weigeren. Het schijnt of hij besmet is met ketterij. Mogen wij dan heilige stichtingen geen goed en goud geven, om daardoor de voorspraak der heiligen te verwerven bij den Hemelheer?”

Welke verkeerde voorstellingen hij zich vormde en welk een ergerlijke zedenleer hij voorstond, begreep broeder Johannes evenmin als zijn tijd, die deze denkbeelden huldigde.

Intusschen zag de bisschop vol ongeduld uit naar den terugkeer van graaf Frethibold. Waarom bleef hij zoo lang uit? Reeds was hem een renbode tegemoet gezonden. Hulp van den keizer moèst komen, kón immers niet uitblijven. Dan zouden de mannen van Sint Maarten zelf aanvallend kunnen optreden tegen de Denen, die hij nu genoodzaakt was af te wachten achter de muren van Utrecht, dat, werd het bestormd, misschien opnieuw zou worden verwoest. Zijn macht was te zwak om de stoute aanvallers met eenige hoop op goeden uitslag te kunnen weerstaan.

En terwijl zoo vele leden zijner gemeente zich in de kerken verdrongen, kermend, biddend, gelaten afwachtend wat komen zou of in doodsangst de handen wringend bij de gedachte aan het snel naderend einde, deed de bisschop zijn plicht. Niet alleen zorgde hij voor de geestelijke zaken van zijn ambt, ook de wereldsche kwam hij nauwgezet na.

„Wie trouw blijft ook in het kleine, alledaagsche, is Gode meer welgevallig dan hij die vast en zich op de borst slaat, zonder te doen wat hij moet verrichten,” luidde steeds zijn woord.

En zijn voorbeeld gaf velen de beradenheid en kalmte van geest terug, die zoo noodig waren in deze dagen van angst en spanning. Zijn vast vertrouwen op Gods vergevende liefde hergaf de rust aan fel geschokte gemoederen, zijn onvermoeide ijver wekte in de harten van allen, die zijn gloedvolle predikingen hoorden in den Dom, het vurig verlangen om te helpen, te redden, de hand aan den ploeg te slaan als hij.

Zoo herstelde het voorbeeld van een enkele de rust in een door de meest tegenovergestelde gevoelens geslingerde menigte, die thans de overvolle stad herbergde.

Maar de tijd drong. Nieuwe vluchtelingen brachten nieuwe onheilstijdingen. Roovend en plunderend trokken de Denen door het land. Tevergeefs had Rolfr Jarl, zoodra hij zich aan hun hoofd stelde, aangedrongen in den krijgsraad om terstond naar Utrecht op te rukken.

Over den ganschen omtrek scheen de adem des doods te zijn heengestreken: platgebrande velden, het gezaaide en bloeiende vertreden, de woningen verwoest, de menschen verjaagd of gedood.... Het deed den bisschop met stijgend verlangen uitzien naar den terugkeer van graaf Frethibold. Hij moest immers komen aan het hoofd van een welgewapend heir....

De toppen van beuk en linde in den tuin van het Bisschopshof werden rood gekleurd door het licht der scheidende zon, toen de vurig verwachte eindelijk keerde -- slechts door zijn lijfwacht vergezeld. In hevige gemoedsbeweging zag bisschop Ansfried hem komen, met uitgestrekte hand ging hij hem tegemoet. Men zag het noch aan zijn uiterlijk noch aan zijn bewegingen, dat hij de laatste dagen zelfs bij nacht geen rust had gekend.

„Frethibold, gij zijt alleen? Welke tijding brengt gij? Volgt u een leger? Het is hoog tijd, zal dit land niet geheel verwoest en deze stad behouden blijven.”

Frethibold schudde het hoofd. Nieuwe kracht rustte op zijn gelaat. Blijkbaar had de afwisseling der reis hem gestaald. De blik zijner oogen echter werd grenzeloos weemoedig bij ’s bisschops vraag.