Part 19
Een verren weg had deze daartoe niet af te leggen. Utrecht was nog klein van omvang, al had bisschop Balderic gedaan wat in zijn vermogen was, om de stad eenigszins te herstellen van de verwoesting der Denen. Een met keien geplaveide steenweg leidde door het benedengedeelte naar de bovenstad, over de brug der Oude gracht. Daar verhief zich het statige gebouw, waarvan de grondslagen reeds waren gelegd door de Friesche vorsten, die eenmaal „Trecht” hadden beheerscht en er een koninklijken burcht stichtten.
Thans waren -- naar luid der kroniek -- „deselfs muren niet min cierlyck als constigh en sterck.” Het Friesche koningsslot was een keizerlijk paleis geworden, dat keizer Otto „ter handhaving van zijn staat en recht” den trouwen vriend van zijn huis, bisschop Ansfried, tot verblijf had geschonken.
Statig verhieven zich gevel en torentransen van het hechte gebouw. Hun breede schaduw werd opgevangen door de kroongewelven der zware boomen in den hof; ter zijde rees de Sint Maarten, de dom bij uitnemendheid, niet ver van de kerk van Sint Salvator, die het stof bewaarde van dezen grooten geloofsheld. Want alle eer van menschen, alle macht verbonden aan zijn rang, wierp hij van zich. Naar Friesland trok hij langs onherbergzame paden, omringd door een vijandige bevolking, om ieder, die daar den god Stavo eerde met menschenoffers, de leer der liefde te prediken: het Evangelie. Hij ging en won de gloriekroon van den martelaar: onder de knotsslagen der Friezen viel hij, stervend zijn God nog lovend. Naast den vromen Gregorius, die, toen zijn doodsstrijd aanving, met zijn laatste kracht fluisterde, hem te brengen naar des Heeren huis om daar te sterven, werd hij ter ruste gelegd. De tombe van bisschop Frederic, getroffen terwijl hij bad, door het staal van een Deenschen sluipmoordenaar, rees niet ver van de zijne...
Uit het bloed der martelaren was ook hier de bloem van het geloof ontsproten. Want geweld noch machtsvertoon der Noorsche vijanden bleken ooit meer in staat het volk, dat zulke voorbeelden bezat, tot afval te brengen van het christendom.
En thans hoopte Rolfr Jarl, dat hem zou gelukken wat zijn voorgangers in een vroegere eeuw tevergeefs hadden gewenscht, als hij de oorlogsfakkel slingerde in de met stroo gedekte woningen van Utrecht. Want de houten of met rieten daken voorziene huizen der stad hadden nog geheel den bouwvorm behouden van vroegere eeuwen.
De ringmuur en bolwerken mochten hecht zijn en hoog, de Tolsteegpoort reeds van verre schitteren door haar roode kleur, de huizen zonder dakgoten of waterafleidingen vormden nog even zelden straten, als zij zich rondden tot een plein. Gelijk de hoeven buiten de poort, hadden zij een laagafhangend dak en werd ieder erf door een boomgaard of akkers omringd, op hun beurt door stevig paalwerk ingesloten. Slechts enkele der voornaamste huizingen bezaten een steenen onderbouw en eenige traptreden van blauwe zerken, die naar de hoog aangebrachte voordeur voerden. In den hof wroetten ongehinderd de varkens, daar kakelden kippen en snaterden ganzen.
Naast de hooischelf strekte een kleine hoogte, vereerd met den naam van „’t land verbeteren”, niet zeer tot verfraaiing van het geheel.
Doch dezen ochtend, terwijl de dagwacht zich grommig gereed maakte voor zijn taak en de nachtwacht ongeduldig werd, omdat hij nog niet was afgelost, liet de horenblazer het niet bij een enkel sein. Korte stooten wisselden de langschetterende tonen af. De wachter op den Baldericstoren begreep het eerst, dat er iets buitengewoons plaats vond. Spiedend, de hand boven de oogen, zag hij den Rijn af en den weg, die kronkelde met den stroom. Toen klonk een kreet van vreugde, weldra voortgeplant van wacht tot wacht. Als op den adem van den storm vloog het bericht door de stad, dat ginds, op den heirweg, het vaandel van Sint Maarten wapperde, dat zij kwamen, de mannen van Utrecht met den bisschop, in het midden, met Unruoch, zijn pleegzoon, met de broeders van den Hohorst, allen gered uit den ijzeren greep van Rolfr, den -- Antichrist.
Want zoo was, niet zonder schroom, Rolfr Jarl fluisterend genoemd in Utrecht, toen Henno ademloos den vorigen dag het bericht bracht wat deze had gewaagd.
Geen der drie jaarmarkten -- het recht der stad -- was aangekondigd, het roode kruis niet aangeslagen bij de brug aan de Tolsteegpoort tot een bewijs, dat iedere reiziger vrijgeleide had om te komen en te gaan. Alzoo was het geen vreemdeling veroorloofd zijn nachtverblijf binnen de omwalling der stad te houden, zonder dat hij twee borgen stelde -- niemand dacht hier ditmaal aan. Ademloos werd Henno omringd en aangehoord, tot een dichte menigte hem voerde naar den proost van Sint Maarten. Het bleeke kind en de verweerde wapentuur, die bij hem waren -- om strijd boden de burgensen aan, zonder te vragen vanwaar zij kwamen, hen te herbergen.
De bisschop was in gevaar en nood. Hij, de goede, edele, vader Ansfried... Wie behalve de Antichrist zou durven wagen de hand aan den gezalfde des Heeren te slaan?... Werd hiermee opnieuw niet de profetie vervuld uit het boek der Openbaring:
„Het duizend-jarig rijk -- de Antichrist omgaande als een brullende leeuw, vervuld met plannen van schuld en misdaad -- dan het bazuingeschal der engelen en de Heer komend op de wolken om te richten de levenden en de dooden!”....
Een plotselinge angst, angst reeds zoo menigwerf gewekt, dikwerf slechts met geweld onderdrukt, overviel allen. Als schapen zonder herder voelden zij zich... Gegrepen werd speer en boog, schild en scharmsax -- de geduchte knots met ijzeren spits. Nauwelijks bleef een voldoende bezetting achter ter bewaking van brug en poort. Voort stormden Utrechts weerbare mannen -- voort. En thans, na een nacht van vrees en onzekerheid, zagen zij hem keeren, gered, ongedeerd.... Als zilver glinsterden in de morgenzon de langgolvende lokken, die het eerwaardige gelaat omlijstten van den grijsaard. En toen ratelend de brug omlaag ging en hij reed door de breede poort en de oogen op hen rustten, wier blik onvergeetlijk bleef voor ieder, die hem eenmaal zag, toen losten vrees en vreugde zich op in een snik, die een zegenbede insloot.
Zij omringden hem met jubelende woorden. In triomf omgaven de dichte drommen zijn draagstoel, voerden zij hem naar het bisschopshof:
Zonder vragen of verlof waren vele burgensen de groote zaal mee binnengegaan -- in oogenblikken van diepe ontroering verliezen wereldsche vormen hun kracht. Nu verdrongen de inwoners zich in de meer lange dan hooge zaal met haar Romaansche rondbogen en de dubbele rij houten, kleurrijk beschilderde pilaren. Op zijn hoogzetel, door een kunstig besneden, door zuilen gesteunden baldakijn overwelfd, had de bisschop plaats genomen.
Thans drong Petrus, de proost van Sint Maarten, naar voren uit de zacht fluisterende groepen.
„Hoogeerwaarde, voor deze grove beleediging u aangedaan geldt slechts een woord: wraak!”
De diep beleedigde grijsaard schudde het hoofd:
„Laat de wraak aan God over en aan den keizer, dien Hij heeft gesteld op zijn hooge plaats om het wereldrijk recht te beschermen met de scherpte van het zwaard. Mij voegt alleen te waken voor rust en recht door de kracht van woord en gebed.”
„Wat baten die tegenover Rolfr, den Deen?” De scherpe oogen van den proost flikkerden. „Heer, was hij niet te allen tijde uw bitterste vijand?”
De ernstige blik van bisschop Ansfried rustte op hem waarschuwend, vermanend:
„Gij weet, dat die man veel leed over mij bracht en wilt mij thans wraak als plicht voorstellen, door den hartstocht te prikkelen, die vergelding heet en sluimert in iedere door onrecht getroffen ziel. Maar zwaar zou ik zondigen, indien ik hier vergelding zocht, mijn vergelding.”
„Maar uw ambtsplicht, heer! Werd de handhaving van het recht in het bisdom u niet toevertrouwd?”
„Waar plicht en lust samen strijdvoeren, is het plicht te doen wat ons het minst behaagt. En daar het mij zwaar valt hier werkeloos af te wachten, zoo beschouw ik dit als wereldsche zin, als strijdlust, die ik boet door te wachten.”
Hij drukte de hand tegen de borst, hoe heftig klopte nog het hart van den ridder onder de breede plooien van zijn geestelijk kleed!
„Nog is de oude mensch niet dood, éen woord en hij wordt gewekt in mijn binnenste. Heer, vergeef!” klonk het in zijn hart.
Het was of de storm, ontketend in zijn ziel, hem schudde. Hij trad aan een venster en zag naar buiten met dwalenden blik. Niet lang. Een man stormde over de brug, ademloos, het stof van den heirweg bedekte zijn versleten kolder. Zijn paard struikelde bij iederen tred, toch dreef hij het voort, voort. Hij was reeds de zaal binnen gedrongen, eer nog het gemurmel van teleurstelling zweeg, uitgelokt door de beslissing van den bisschop.
„Dat is de vreemde wapentuur, die gisteren met den visscher van den Ravenhorst hier kwam. Hij is straks niet teruggekeerd van den Hohorst met onze mannen,” mompelden verscheidene stemmen. Barrevoets, blootshoofds, hijgend naar adem viel de onbekende den bisschop te voet:
„Heer, heer! Wapen u! Laat uw dienstmannen zich gorden ten strijde! Odins bloedroode vaan wappert van den Ravenhorst als welkomstgroet aan de Vikingervloot, die de rivier opzeilt, reeds nu met buit beladen!”
Toen hief de bisschop beide handen op, gevouwen:
„Heer, nu ken ik Uw wil! Dat is Uw vingerwijzing! Wie zijn aardschen vorst niet bijstaat in nood en dood, pleegt félonie, wie niet pal staat als een rots, waar het geldt het geloof aan U, den Heer van hemel en aarde, en de eer Uwer kerk te verdedigen, is een afvallige gelijk!” Zijn oogen vlamden als in vroegere jaren toen hij zich tot de burgensen wendde:
„Mijne kinderen, gordt u het zwaard aan! Op Gods bevel ten strijd! Het is voor Zijn kerk, voor de vrijheid van dit land! Het zij zege of ondergang ons deel wordt, weerstaat de Deensche roovers, die het heiligste vertreden in grimmigen haat. Deze strijd is zondig noch misdadig, hij geldt ons hoogste goed, geldt vrijheid, geloof en recht! Te wapen!”
Een doffe stem brak zijn woorden af, een stem met sidderenden klank. Een bejaard man trad naar voren, een der invloedrijkste inwoners der stad. Sneeuwwit was zijn kruin, moede van het staren op véél onrecht zijn oogen:
„Hoogeerwaarde, waartoe thans nog bloed en strijd? Over eenige weken, dagen wellicht -- wie beslist het -- is het immers met alles voorbij. Ach, laat ons biddend ondergaan, niet bloedvergietend!”
De bisschop maakte een afwerend gebaar. De oude moed van den held, die eenmaal gansche legerscharen bezielde door zijn voorbeeld, lichtte uit zijn oogen. In zijn volle lengte richtte hij zich op:
„Zwijg over deze geruchten en wacht af, wat God over ons beslist, niet alleen biddend, maar ook wakend, hetzij, dat de groote, geweldige dag komt, of dat de Heer in Zijn oneindige goedheid de wereld nog laat voortbestaan. Geschiedt het eerste, zorgt dan, dat uw laatste daad op aarde niets met lafhartigheid gemeen heeft. Beschermt de kerken, opdat God u vinden moge biddend in Zijn huis. Doch, drijven deze dagen van angst en onzekerheid voorbij gelijk stormwolken en wordt de aarde als gewekt tot nieuw leven, bewaart dan u zelven voor de wroeging, dat gij niet hebt volhard ten einde toe tegen de Deensche heiligschenners, dat ook door uw toedoen de asch werd verstrooid van geloofshelden en martelaren en vrees ketenen klonk voor ons vrije volk!
Ten strijde alzoo! De Heer trekt ons voor! God wil het!”
Met honderdvoudige echo werd dit woord herhaald. Haastig verspreidde zich de menigte. Allen wilden het eerst gereed zijn om tegen de Denen op te trekken. Terwijl de bisschop, op Unruoch leunend, terugkeerde naar zijn bijzonder vertrek en eenigen der voornaamste burgers hem op zijn verzoek volgden, -- plannen moesten worden gemaakt voor de verdediging der stad -- rustte de blik van den „vreemden wapentuur” lang op beiden.
„Wie is die jonge ridder?” vroeg hij broeder Johannes. Het was of hij in Unruochs regelmatige trekken een gelijkenis zocht en die ook vond.
„Hij heet Unruoch van Teisterbant. Door bisschop Ansfried werd hij aangenomen als zoon, maar hij is hem niet verwant, naar men zegt. Vrouwe Benedicta, de dochter van den bisschop, heeft hem opgenomen als vondeling.”
De andere schudde het hoofd:
„Een vondeling? Neen, dat is hij niet. Mijn vrouw heeft stervend het kind toevertrouwd aan de abdis van Thorn. Dat heb ik veel jaren later gehoord”....
De proost van Sint Maarten liet hem niet uitspreken. Hij had verstaan.... „Volg mij!” beval hij kort.
HOOFDSTUK XXI.
De zon was ondergegaan, de eerste sterren zouden weldra schijnen uit een donkere wolkenlijst, de avondwind begroette ruischend de slotbron, toen Olaf Swanwitha vond in den hof. Het was slechts een klein plekje, haar afgestaan binnen de omheining van den Ravenhorst, maar zorgvuldig was iedere voet gronds gebruikt om den kruidtuin te vormen, waaruit de geneeskunst de middelen trok om kwalen en ziekten te bestrijden. De witte lelies -- waarvan vrouw Sigrid de bladeren in azijn bewaarde om wonden te genezen of van de bloemen een zalf kookte als een onschatbaar middel bij kneuzingen, bloeiden er naast de verwarmende venkel en de donkergroene rosmarijn. Haar lichtblauwe bloemen werden gebruikt om het verstand te verhelderen en de zinnen scherp te maken. De ruite vormde een onschatbaar middel tegen besmetting en heette, met zout vermengd, onfeilbaar tegen vergif. De purperen gladiolen-wortel werd met wijn gezoden voor pijlwonden gebezigd en de bladeren der rozen dienden niet slechts om hart en leven te versterken, maar waren ook een uitstekend middel tegen de koorts. Zij bloeiden in een groot aantal, iedere struik prijkte met zijn mantel van groen en een bedwelmend zoete geur steeg op uit de wijdgeopende knoppen. Op de doornige twijgen wiegelde zich de kleine, bruine nachtegaal, door de Noren hun god Balder toegewijd, den zachtzinnigen god van lente en licht. Zijn zilveren zang vervulde trillend de lucht. Of Swanwitha dacht aan een anderen avond, toen ook de nachtegaal zong?
Langzaam ging Olaf voort. Het zachte mos dempte zijn tred. Hij zag haar, die zijn bruid heette, op een kunstmatig aangelegd, met rozen begroeid heuveltje. Weer dacht hij, dat zij zelve een witte bloem geleek tusschen de rozen, weer omgolfden haar de gouden haren als een glinsterende mantel, juist als op den morgen toen hij haar voor het eerst zag.
Hij streek zich met de hand over de oogen -- alles was gelijk het geweest was, alleen hij zelf was een andere geworden. Toen hij Swanwitha in het liefelijk gelaat zag, had hij met onstuimigen hartslag begeerd haar de zijne te noemen, zonder daarbij te onderzoeken of zijn wenschen de hare ontmoetten -- alleen aan zijn eigen geluk had hij gedacht. En thans had een machtige stem geklonken, die doordrong tot zijn ziel:
„Zelfverloochening eischt de godsdienst der Christenen. Wie eigen wenschen het zwijgen weet op te leggen, waar het geldt het geluk te bevorderen van anderen, die alleen is een held.”
Van dat oogenblik wist hij, dat het Christendom stond boven zijn geloof aan de goden, even hoog als de zon schitterde boven de grijze zee.
„Wraak, vergelding, zoek de vervulling uwer eigen wenschen”....
Dit waren de levenslessen, tot nu toe door hem opgedolven uit de spreuken en sagen der Edda.... Gelijk ieder hooggestemd karakter voelde Olaf diepen eerbied voor alles wat verheven was en groot. Met ontzag begon hij, denkend, steeds denkend over alles wat de bisschop hem had gezegd, op te zien tot een leer, die zulke hooge eischen stelde, eer hij nog geleerd had Hem aan te hangen, in Wiens leven van liefde en erbarming, in Wiens kruisdood van lijden en overwinning, de zelfverloochening zich had belichaamd, den Christus, Die de verschrikkingen der hel had te niet gedaan, gezegepraald op een lauwe of vijandige wereld en de hemelen geopend, voor wie trachtten Hem na te volgen met oprecht gemoed.
Voorzichtig boog Olaf de takken der „gelukbrengende” berken en de twijgen van den „heiligen” vlier, uit elkaar. Hij glimlachte nu om dit geloof van zijn volk. Een boom of heester door menschen den goden gewijd, en daarna de stichter van hun geluk!.... En als de oude wereld was voorbijgegaan zou Odin een nieuw menschengeslacht scheppen op de nieuwe aarde, de man uit den esch, de vrouw uit elzenhout!
Een donkere blos steeg in zijn gelaat. Dàt had hij geloofd! Was hij tot nu toe een kind gelijk geweest in zijn denken en droomen? Indien Gods toorn den ondergang beval eener in zonden verzonken wereld, dan was alleen de eindelooze liefde van den gekruisigden Christus in staat, de menschheid veilig te voeren door de loeiende vlammenzee naar de nieuwe aarde van zegepralend geloof, dat werd tot zalig aanschouwen, waar het witte kleed zou bekleeden het verheerlijkte lichaam en de van iedere smet gereinigde ziel....
Hij vergat opnieuw bijna, meegesleept door zijn gloeiende gedachten, waarvoor hij was gekomen. Doch nu wendde Swanwitha het hoofd om en in den glans van het zinkend avondrood zag hij haar oogen vochtig. Hij gevoelde, dat het geen lenigende tranen waren, verkwikkend als de zilveren dauw voor de velden, na den zonnebrand van den dag. Brandend, een verterenden gloed gelijk, moesten zij voor haar zijn, want met een plotselinge beweging van schrik stond zij op, krampachtig trokken haar lippen -- zij zag hèm.
Hij stak haar beide handen toe en toen zij aarzelde er de hare in te leggen, greep hij ze. De angstige blik, waarmee zij hem aanzag, zonk tot in zijn ziel. Welke kluisters hij haar had aangelegd begreep hij in zijn geheelen omvang, thans, voor de eerste maal, nu hij niet aan zich zelven dacht.
„Schrik niet voor mij terug, Swanwitha! Ik kom niet meer om u Freya’s minne toe te drinken uit den zilveren hoorn. Neem uw ring weer” -- hij gaf haar den smallen, glinsterenden band. -- „Ik weet nu, dat liefde niet door dwang wordt verkregen, dat de ring niet het onderpand van verkoop is, maar die der trouw behoort te zijn.
Wie liefde dwingen wil zoekt de zon bij nacht, dat heb ik ingezien, gelukkig nog niet te laat. Niet wie alleen is op aarde, maar wie werd gescheiden van wat hij liefhad, is eenzaam en verlaten. Vergeef daarom wat ik u aandeed. Ik zal u niet scheiden van hem naar wien uw hart verlangt. Vind eenmaal het geluk, dat”....
Hij wendde zich af, haperend. Zijn kloeke gestalte beefde.
Wèl stelde de „witte Christus”, op Wien Odins zonen met zooveel minachting neerzagen, hóoge eischen aan Zijn volgelingen. Zich zelven overwinnen in ernstigen, stillen strijd met eigen wenschen of den vijand tegenstormen met heirbijl en speer te midden van het opwindend strijdgewoel -- hij wist nu wat het zwaarst viel. Maar hij hoorde een snik van verlossing, schier van bevrijding....
„Vaarwel!” mompelde hij nog eens, „vaarwel!”
Nu omklemde zij zijn hand, met haar gloeiende vingers.
„Olaf, dank, o dank! Wat ben ik u dankbaar! Vrij!”.... Als een jubelkreet klonk het. Toen vervolgde zij aarzelend:
„Maar, weet mijn grootvader”....
„Ik zal hem alles zeggen, wees niet bang. Niemand heeft het recht u te verkoopen naar ziel en lichaam. Ik begrijp het nu. ’t Is of mij een blinddoek is ontvallen, of ik van een last, die mijn denken benevelde, ben bevrijd. Zie, Witha, op den Hohorst was ik gevangen en daar werd ik waarlijk vrij! Wel mag die plaats de „Heilige berg” heeten, sinds bisschop Ansfried daar heerscht, niet door het geweld van den sterkste maar door de macht der hoogste liefde, die niet zich zelve zoekt.”
Welk een ongeveinsde verbazing las hij op haar trekken!
Eenvoudig en eerlijk volgens zijn karakter, hernam hij:
„Ik ben nog geen christen, maar ik hoop het eenmaal te worden, als God mij helpen wil. O, Witha, welk een geluk van Hem kracht te ontvangen, om den Gekruisigden Christus te kunnen navolgen! Alleen kan ik het niet, het is een zware weg.”
„O, Olaf, wat zijt ge toch goed!”
Zij schreide om hem! -- Een gevoel sloop zijn hart binnen, dat geen geluk was, zooals hij dit vroeger had begrepen, maar, dat daar ver boven was verheven.
„De God, die mijn moeder liefhad, zegene u! Hij zal ook ùw God worden!” fluisterde zij opnieuw in een grooten snik.
Toen legde zij nog eenmaal haar hand in de zijne en terwijl zij scheidden voor het leven, wisten zij, dat zij elkander hadden begrepen -- voor het eerst.
HOOFDSTUK XXII.
Een nieuwe dag was verrezen. Gouden pijlen schoten naar de witte nevelen. Rood gloeiend werden zij, als waren zij gewond, in bloed gedoopt, tot zij eindelijk zich oplosten in licht en glans. De dag had gezegepraald. Waarop zouden zijn stralen vallen? Op een lachend tafreel van vrede en geluk, op een gruwzaam tooneel van strijd en verwoesting?
Op een schouwspel van trotsche macht en wemelende kleuren-schittering viel de eerste zonnegloed. De golven van de breede Eem rezen en daalden met goudvonken overstrooid. De Ravenhorst weerspiegelde zijn transen in het effen vlak -- hij niet alleen.
Een welbewapende vloot dreef nader. Ronde schilden blonken langs het scheepsboord en weerkaatsten den gloed der zon; gouden leeuwen met opgeheven klauwen, als gereed tot den beslissenden sprong, prijkten op den achtersteven. Banieren en vaandels wapperden van mast en stengen. Breed spreidde een zilveren adelaar de trotsche vleugels uit op den top van elke groote mast. Door de wendingen hunner wieken waren zij in staat iedere verandering van den wind aan te geven. Met fiere voldoening hing het oog van den vervaardiger aan zijn kunstwerk -- nu droeg hij pijl en boog en berekende, welk deel van het land, dat de dichtbemande vloot ging veroveren, zijn loon zou wezen.
Toch moest de bewondering, welke zijn arbeid vond, wijken voor die welke den draak ten deel viel op het grootste schip. Als een visioen van dreigende macht gleed hij voorbij, vlammend goud blonk het geschubde lijf, hel opgloeiend tegen een bloedrood zeil. De draak -- de groote Midgardslang, die de wereld omkronkelde, waren zij niet één? Was het niet als verrees het verleden -- het geloof aan de goden -- dat den strijd wagen ging met den godsdienst der toekomst -- het Christendom. Vreesaanjagend, zelfs voor die stoere krijgers, was het verschrikkelijke dier, vuur schoot uit zijn muil, dreigend rekten zich door een kunstig, inwendig samenstel zijn klauwen....
Maar een volgend vaartuig vroeg de aandacht. Een stier met blanken zilverglans stond, als levend, op de voorplecht. Een bloedige flikkering gleed lichtuitstralend uit de oogen van karbonkels, opgeheven was de breede kop als ten doodelijken stoot. Zou hij den strijd winnen of zelf zinken in den afgrond van het niets -- dien der vergetelheid.
Als een reuzenbloem uit een ver wonderland dreef ieder schip op de klare golven. Hier verscheen een vurig roode roos, ginds dreef een lelie met donkeren oranjegloed. De kleurschakeeringen waren met zorg gekozen. Tintelend van licht blonk de glans der verf van dek en boord, de tapijten werden er in weerkaatst, waarmee de banken waren belegd langs de verschansing.
Opgehouden door vergulde lansen, saamgesnoerd onder een gouden kroon, rees op ieder achterdek een paviljoen van karmozijnroode zijde. Hier bevond zich de gezaghebber met zijn bloedsbroeders en schildgenooten, hier sloegen de Skalden hun harpen en het was of op het dek in een golvende en dalende zee dolfijnen van electrum de koppen ophieven, luisterend naar den wonderen zang, aangeheven ter eere van goden en helden. Een zee van zijde was het, blauw als de wateren, die de geheimzinnige, altijd groene eilanden omruischten, in het verre Grecaland.[18]
En op het dek schaarden zich de weerbare strijders. Hun schilden glinsterden in den zonneschijn. Ieder harnas omgaf een held, elke zwaardknop kletterde tegen een maliënpantser en een onverschrokken hart.