Part 18
Andere tonen dan het gekweel der vogelen mengden zich thans in den warrelstroom zijner overleggingen. Gedragen door het morgenkoeltje drong een plechtige zang tot hem door. „Gloria in excelsis!” Eere zij God in de hoogste hemelen! Een klein koor van goed geschoolde stemmen, helder klinkend als de snaren eener zuiver gestemde harp, droeg de ochtendwind tot hem over. Het was of de tonen hoog, uit den hemel zelf tot hem neerdaalden. Hij ging af op de heldere klanken. In de kerkdeur stond hij en zag de broeders, die door het land waren gegaan het Evangelie predikend, zieken troostend en helpend, ongelukkigen steunend met woord en daad. Hij zag den grijzen bisschop wiens geheele bestaan zelfverloochening was. Als gevangenen zag hij ze van zijn woesten bondgenoot en kalm als de rots te midden der schuimende branding hoorde hij hen een lofzang aanheffen, den God ter eere, in Wien zij geloofden.
Wie was toch de God, Die zijn volgelingen bedeelde met zoo groot een geloofsvertrouwen, met een gerustheid te midden der grootste rampen, wortelend in de gewisheid, dat Hij alles wel zou maken, op Zijn tijd?
Olaf zag menig tooneel verrijzen voor zijn geest, vroeger onverschillig aanschouwd, als, bij een woesten plundertocht, kerken opgingen in vlammen en christenen de trouw aan hun geloof bezegelden met den dood.
En weer klonk het plechtig loflied, als een opwelling van zalig verlangen naar den tijd, waarin hun geloof zou overgaan in aanschouwen. Het geloof, dat de zangers voor al de macht, die de aarde hen bieden kon niet zouden willen derven. Olaf bleef als gekluisterd aan zijn plaats in de schaduw van het kerkportaal en terwijl hij zich herinnerde hoe hij menigmaal met eigen hand de brandfakkel had geslingerd in een bedehuis der christenen, maakte een weemoedig verlangen zich meester van zijn ziel om meer te weten van hun leer, meer van hun godsdienst. Voor het eerst, sinds hij had leeren nadenken over zijn daden, werd zijn borst beklemd bij de vraag:
„Heb ik goed gehandeld met hen te vervolgen?”
„Ik zal den bisschop vragen, mij alles te verhalen van zijn geloof. Ik wil het weten en”....
Hij voleindde den zin niet, maar zijn oogen werden vochtig en een gevoel van verademing welde op in zijn hart gelijk de koele dauw het veld verkwikt na laaienden zonnebrand.
Hij zag, dat de kerkdienst ten einde liep, hij verliet zijn plaats, maar nog omzweefde hem de zang: „Eere zij God in den hooge!” en weerklank vonden die woorden in zijn ziel.
Over het water speelde de ochtendkoelte en de zonnestralen weerspiegelden zich in de speren van Rolfr Jarls wapenknechten, die zorgvuldig iederen toegang tot den Hohorst bleven bewaken -- onwillig wendde hij zich af....
En het uur kwam, waarin hij bisschop Ansfried alleen vond gebogen over zijn psalter en schier bitter klonk zijn vraag:
„Indien de Gekruisigde God, waarin gij gelooft, zoo goed is en rechtvaardig en vol van macht, gelijk gij zegt, waarom laat Hij dan toe, dat gij hier zijt ingesloten om den hongerdood te sterven of om dien te vinden in de kerkers van den Ravenhorst?”
Ernstig zag de bisschop hem aan en het was Olaf alsof zijn gelaat blonk van licht, toen hij antwoordde:
„Indien onze God dit einde voor ons heeft bepaald, dan zullen wij het aannemen uit Zijn hand. Want wij weten dat Hij ons niet zal verlaten, zelfs in het dal der schaduwen des doods en, dat het sterven ons tot gewin zal worden, omdat het ons uit dit moeitevol leven voert in Zijn eeuwig huis.”
„In berusting draagt gij dus ieder onheil, dat u treft. Vanwaar die wondere kracht? Het is mij een raadsel. Gij vreest zelfs den stroodood niet. Onze helden vervloeken hun lot, wanneer zij niet mogen vallen in ’t gevecht bij zwaardhouw of hamerslag, want dan wacht hen, na den verachten stroodood, het sombere Nevelheim of het slangenhol van Hel, met de duisternis en de koude waaraan geen einde meer is. En onze vrouwen? Ook zij gaan naar Nevelheim. In Walhalla is voor hen geen plaats en een andere uitweg bestaat niet. Vaak heb ik gedacht waarom de goden zoo machtig, zoo wijs, dulden dat zooveel leed weerlooze wezens treft. „Indien er geen goden waren, zou dan het lot der menschen anders zijn, minder zwaar?” Meer dan eens heb ik mij zelven die vraag gedaan, als ik stond onder de heilige eiken, de vlammen van het offervuur zag opstijgen en de rook opwolken tegen het donkerblauwe gewelf, waaraan de vuurvonken schitterden van Muspelheim, dat voor ons gezicht bedekt Alvaders gouden zaal. En dan was het mij of de adem der godheid mij tegenwoei, zooals die mij tegenklinkt uit de zangen en sagen van mijn volk. Geheimzinnig ruischte het in mijn ziel: „de goden bestaan!” Maar zijn zij zoo wijs en goed, zoo machtig en edel als onze Skalden zingen bij harpslag en loflied, de priesters getuigen met zangen en offers? En indien de goden leven, zijn dan de goeden in Walhalla en Loki, de leugengeest, geketend in Hel?”
Hij zweeg en staarde peinzend voor zich en een groot verlangen lag in zijn glanzenden blik, een smachten naar waarheid.
Maar nu wendde het indrukwekkend gelaat zich tot hem, dat niemand meer vergat, die ooit het aanschouwde, en de stem van bisschop Ansfried, doordringend en zacht tegelijk, klonk ten antwoord:
„De goden bestaan niet Olaf Erikson, maar er is één God, de Almachtige Schepper van hemel en aarde, gebonden aan ruimte, plaats noch tijd.”
„Ruimte? Wat verstaat gij daaronder?”
„Daarmee bedoel ik de oneindigheid. Was zij dit niet, dan moest de ruimte een grens bezitten, die op zich zelve weer een zelfstandig lichaam vormde of uit ledige ruimte bestond. Alzoo weer ruimte of een andere wereld. En even eindeloos als de ruimte is God. Ware dit niet het geval dan zou Hij een begin of een einde hebben en niet de Eeuwige kunnen worden genoemd, voor Wien de tijd, zooals de menschen zich dien hebben gedacht als verleden, heden en toekomst, niet bestaat. Wat is, was en wat was, zal worden.”
„God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en in waarheid,” leert ons het Evangelie, dat is: Zijn heilig woord.”
„Mijn volk heeft de Edda, die leert van de goden en hun eeredienst. Met offers en reizangen bewijzen de priesters hun eer,” viel Olaf in.
„Ook met menschenoffers.”
„Zij strekken ten zoen voor bedreven kwaad: Hebt gij dan geen vergeving noodig?”
„Neen, want onze zonden zijn vergeven door het lijden en sterven van Christus, den Heer, indien wij slechts in Hem gelooven.”
„Ik begrijp u niet!”
Hoe verwonderd klonk die uitroep en hoe vol verlangen!
Toen verhaalde de grijze dienaar van het Evangelie hem op zijn eenvoudige wijze, -- die zooveel indruk maakte omdat zij waar was en voortsproot uit een hart, dat geloofde -- van het leven van den Christus. Van Zijn geboorte te Bethlehem, toen de engelenzang ruischte: „Eere zij God in de hoogste hemelen!” Van zijn dood te Jeruzalem, toen de menschen riepen: „Kruist Hem!”.... Van Zijn opstanding en hemelvaart, de kroon van Hem, die stervend overwon....
Verbaasd luisterde Olaf, met gloeiend voorhoofd: Was dàt de bleeke Christus, waarop de Noormannen steeds met zulk een diepe verachting neerzagen?
„Hij was een held,” mompelde hij voor zich heen en een groote bewondering welde op in zijn hart.
En de bisschop sprak verder en verhaalde van het leven en werken der Apostelen, van de eerste christengemeenten, waarvan schier alle leden de martelaren werden van hun geloof, door den wil van de machtige keizers van Rome, die waanden de wereld te beheerschen, doch machteloos bleken tegenover een geloofsmoed uit de kracht eener overtuiging geboren, welke geheel een vijandige wereld overwon. En Olaf vroeg zich af wat voor een God het zijn moest, die zijn volgelingen wist te bezielen met zulk een heldenmoed en doodsverachting, standvastig bij de zwaarste rampen, volhardend ondanks vervolging en dood, omdat zij gloeiden van liefde voor Hem en geloofden in de waarheid van Zijn woord. Door bisschop Ansfrieds eenvoudige voordracht trad geen dogma, geen ingewikkeld leerstelsel op den voorgrond, waaraan reeds toen de kerk zoo rijk was en die zoo menigwerf aanleiding gaf tot twist en verdeeldheid. Zijn zachtzinnige beschouwingen ontnamen aan zelfkwellingen en boetedoening hun afschrikwekkend voorkomen, aan de mystiek haar dweepzucht. Hij verhaalde van den Heer, Die zalig spreekt de reinen van hart, Die eenmaal in Zijn eeuwig huis allen zal vereenen, welke hier op aarde Hem volgden en geduldig hun kruis droegen evenals Hij.
„Op welke wijze kunnen zij dat?”
„Door eigen wenschen en begeerten op te geven voor het geluk van anderen, doordat zij niet meer hun eigen weg zoeken te gaan, maar alleen begeeren te volbrengen wat God van hen eischt, door geheelen afstand te doen van eigen ik. Zelfverloochening, dat is de grondtoon, de hoogste eisch van het christendom.”
„Maar dat is een onmogelijke eisch. Hoe kan iemand leven, die nooit mag denken aan zich zelven of aan eigen geluk?”
„Dat wordt niet van den mensch geëischt, wel, dat hij niet het meest en het eerst denkt aan zich zelf en wie gevoelt, dat dit aardsche leven slechts een voorbereiding is voor hooger bestaan, vindt dit geen te zwaren plicht. Uit rechtvaardigheid, liefde en opoffering is zelfverloochening gevormd. Wie rechtvaardig is grijpt niet storend in anderer bestaan, noch doet iemand onrecht. Doch vaak heeft deze rechtvaardigheid geen zedelijke waarde, omdat zij zelfzucht ten grondslag hebben kan, die geen misdrijf wil bedrijven om niet zelf als misdadiger te worden gebrandmerkt.”
„Hoe kan zij dan met zelfverloochening gemeenschap bezitten?”
„Er is nog een andere rechtvaardigheid, die uit hooger beginsel ontstaat en ontspruit uit het medelijden, dat mede-gevoelt met anderer leed. Wie deze rechtvaardigheid bezit, tracht het geluk te bevorderen zijner medemenschen. Uit deze bron ontwelt de ware rechtvaardigheid, die beschouwd mag worden als de eerste schrede op den weg der zelfverloochening, welke voert tot heiligmaking. Doch hoog daarboven staat de liefde tot den naaste, die eigen rust en vreugde opoffert om het levensheil van anderen te vergrooten. De rechtvaardige veroorzaakt niemand leed, de liefdevolle handelt jegens zijn medemenschen als ware het voor zich zelven, geeft hem die zijn rok eischt ook den mantel, zet zelfs zijn leven voor zijn vrienden. Op deze wijze moet de liefde tot den naaste overgaan in geheele verloochening van eigen ik om den hoogsten trap van zelfopoffering te kunnen bereiken, die de volmaking is der rechtvaardigheid en der liefde in haar hooge beteekenis, gelijk de Apostel Paulus zegt:
„En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen nuttigheid geven”....
Aldus leeft wie de ware liefde bezit voor het geluk zijner medemenschen, zooals hij dit voorheen deed voor zich zelven. Het is de zwaarste taak voor den mensch, die tracht „volmaakt te zijn, gelijk ook zijn Vader in de hemelen volmaakt is”, want het zondig beginsel blijft en werkt, zoolang hij hier op aarde leeft en brengt hem in onafgebroken strijd. „Indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven,” zegt wederom de Apostel. Want, Olaf, al vormt het menschelijk lichaam met zijn verschillende onderdeden éen geheel, en lijden, als een lid pijn heeft, al de leden, toch kan men het splitsen in twee deelen: ziel en lijf. Het laatste behoort aan dit leven, aan de onsterfelijkheid de eerste. Het is het inwendige bewustzijn, dat onzichtbaar toch de handelingen van het zichtbare lichaam bestuurt, handelingen wier beteekenis ver over het graf heenreikt. Aan de vruchten kent men den boom, den mensch aan zijn daden, waarvan eenmaal de eeuwigheid de vrucht schenkt in onvergankelijk geluk of in eindelooze smart. Want de mensch bewijst wie hij is, uit zijn werken en evenals het geloof zonder de werken slechts een luid klinkende schel is, toonen werken, die niet uit het geloof, niet uit liefde tot God hun oorsprong nemen, dat zij ontwellen aan onzuivere bron, die der zelfzucht, niet achtend Christus’ woord:
„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op!”....
De bisschop zweeg, en Olaf verborg het hoofd in de handen. Hij wilde niet zien wat om hem was, maar den blik slaan in zijn binnenste, tot ernstig zelfonderzoek, en nadenken, voor de eerste maal. Het warrelde in zijn hoofd. De nieuwe gedachten, die ongekende voorstellingen wekten, lieten zich niet in enkele oogenblikken verwerken. Welk een volkomen tegenstelling vormde de godsdienst der christenen, waarop hij tot nu toe met zooveel geringschatting had neergezien -- met het geloof aan de goden, waarin hij was opgevoed! Een schare van kloeke helden vormden dezen, tuk op eer en roem en macht. Uit vreemde, verre streken heetten zij eenmaal te zijn aangekomen in het hooge Noorden. Hun stamboomen bezaten zij evenals aardsche vorsten. Een strijdros, dat een naam droeg, was hun eigendom. Verschillende dieren en vogels waren hun gewijd. En het Walhalla -- was het niet gelijk aan een strijdperk van ruwe krijgers, krijgers vol ontembare kracht, vervuld met woeste doodsverachting?
Wel moest een veroveraar, begeerig een aardsche wereld te winnen, het eerst den volken het bestaan dezer goden hebben geleerd, om hen te lokken tot krijgstochten, die de geheime voorbereiding waren van zijn eerzuchtige heerschersdroomen.
En de leer der christenen!....
Eer, noch macht, noch roem begeerden zijn aanhangers. Zelfverloochening! luidde de eisch van hun Heer, den eenigen Almachtigen Schepper van hemel en aarde. Zalig sprak Hij niet hen die groote, roemvolle, maar die goede, edele daden verrichtten, uit liefde tot Hem en hun medemenschen. En wanneer hun aardsche loopbaan was geloopen, dan nam Hij allen, die Hem liefhadden en Zijn geboden hadden volbracht, zoover hun zwakke kracht dit toeliet, op in Zijn eeuwig huis. Geen woest strijdperk van een tot god verheven verdelger, als Odin, maar een hemel badend in heilig licht waar liefde en vrede heerschten en de zegepalmen werden gereikt, ieder die hier op aarde zijn goeden strijd had gestreden ten einde toe....
Vaster drukte Olaf de handen tegen het gloeiend gelaat. Hij voelde tranen branden achter zijn gesloten oogleden -- de eerste, sinds zijn kinderjaren. Het was of een geheele omkeer plaats greep in zijn voelen, wenschen, denken, plotseling met een schok, als of hij werd vervoerd door een wonderbare macht, die alles deed verzinken waar hij tot nu toe tegen op had gezien, dat hij gewijd had geloofd en waar. Een macht, die hem dwong zich in eerbied te buigen voor denkbeelden, te voren slechts met een verachtelijk schouderophalen begroet.
„Wat is waarheid?” Niet langer beefde die vraag op zijn lippen; hij wist waar zij werd gevonden en --
En toen rees hij op, verwilderd. Zacht was de deur geopend en gesloten, terwijl hij neerzat en met zich zelven worstelde en streed. Hij had het niet opgemerkt, evenmin als hij zich thans alleen wist. Zijn blik staarde in het verleden, in het zijne. Hij zag een bloedig slagveld. Hoog wapperde Odins zegevierend vaandel tegen het blauw der lucht, luid schetterden de horens, juichend werden als overwinnaars gehuldigd door hun strijdgezellen, allen even dapper als woest, Rolfr Jarl en Olaf Erikson...
Rolfr Jarl en hij! Een rilling liep door zijn leden. Want hij zag een strook lang wuivend gras, hooggehouden op de spits van glinsterende speren en daaronder traden de overwinnaars der christenen: Rolfr Jarl en hij. En toen reten beiden den rechterarm open en zij vermengden hun bloed, dat afdruppelde op de groene zode, gespreid voor hun voet. De legerdrommen juichten... Bloedsbroeders waren thans de beide aanvoerders, de een zette zijn leven voor den andere, trouw tot in den dood, zelfs tegenover eigen verwanten en vrienden. Want wie zijn bloedsbroeder verliet in voor- of in tegenspoed, gaf zich zelven den goden der benedenwereld prijs in de toekomst, die werd geschuwd als eerloos, als meineedig veracht door strijder en Skald, bij hamerworp en harpslag te zee en te land. En thans: De Denen kwamen, om te verwoesten en te verkeeren der christenen land, om te dooden wie de leer beleed van den Gekruisigde. En trouw tot in, tot over het graf, dat eischte de bloedsbroeders-eed!...
Plotseling rees hij op, met een kreet. Want, daar buiten glinsterden speren, daar sloeg een banier haar banen uit, hoog tegen ’s hemels blauw, maar niet van de drakenschepen flikkerden de doodelijke wapens, niet Odins bloedroode vaan zag hij.
Hij zag een banier wapperen, met het beeld van den held, die eenmaal zijn mantel deelde met een armen voetknecht.
De mannen van Sint Maarten kwamen, in rechtmatigen toorn ontstoken, nu hun bisschop en heer de gevangene was van een tuchteloozen vasal. De overgang was zoo plotseling, zoo snel, dat hij Olaf als bedwelmde, vele oogenblikken.
Wie hen had gewaarschuwd, wakker geschud uit hun doffen angst voor eigen lot, wie allen had gewezen op hun plicht, behoefde hij evenwel niet te vragen.
Aan de spits der kloeke schaar reed een boer, blootshoofds, gekleed in grof wadmer, met oogen donker van zorg en angst -- Henno.
„Te hulp! Onzen heer te hulp!” riep hij luid. Van alle zijden werd die kreet herhaald. Hij klonk uit den mond der mannen van Utrecht, het landvolk ving hem op en droeg hem van hoeve tot hoeve, hij werd teruggekaatst door de gevels van het slot Bacheforth, tegen de half verbrande muren van den Stuthenborch, verder golfde hij met den breeden stroom langs weide en woud.
„Te hulp tegen Rolfr Jarl! Te hulp!” Het was of plotseling de vrees verdween, die den geduchten Jarl zijn kracht schonk. De mannen van Sint Maarten waren gekomen, in de schaduw der banier van hem, dapper en edelmoedig krijgsoverste -- eer hij zich wijdde aan den dienst der kerk -- waren zij veilig.
„Te hulp! Redt onzen bisschop!” Want, was ook deze niet aan Sint-Maarten gelijk, deelde hij niet evenzóó met de armen en lijdenden wat hij bezat?
„Redding voor bisschop Ansfried!”
Oorverdoovend werd de kreet, kodde en herdersstaf, sikkel en dorschvlegel werden gegrepen door gespierde, bruine handen, dreigend werden zij opgeheven naast de flikkerende speren der wapenknechten.
Als een springvloed door dijken noch dammen te stuiten viel het landvolk -- nu sterk, omdat het werd gesteund, aan op de boogschutters van den Ravenhorst. Overrompeld werden de ruiters, die de wacht hielden op de kruiswegen, doorschoten de voorbeenen der paarden van aanvallers of vluchtelingen, met pijlen even scherp als wel gericht.
Een vreeselijk treffen ving aan, niet reusachtig door het getal der strijders, doch moorddadig in zijn woestheid en ontzettenden ernst.
Toen, reeds bijna een uur duurde de kamp, drong een man hoog te paard door den warrelklomp der strijders, een geheel geharnaste forsche gestalte:
„Hier, laffe wapenknechten! Uw heer beveelt! Graaf Ansfried vrij!.... Dat nooit! De dood hale hem! Slaat u door of ik vel u met eigen hand!”
Rolfr Jarl brulde het meer dan hij sprak in razenden toorn. Hij streed vol woeste doodsverachting als nimmer te voren, zijn bijlslag suisde, in zijn vuist blonk het zwaard, zijn werpspies trof wien hij koos tot zijn wit. Verdubbelen deed zijn komst het geroep en gedruisch, de wilde strijdkreten, de doodelijke slagen. Tot waanzin schier steeg de woede aan beide zijden. Henno stiet terwijl hij trachtte den Jarl te bereiken op Sven Persen. Als roofdieren stortten zij op elkander en vielen, na een moorddadig tweegevecht, bloedend, kreunend naast elkaar, de een zijn verwenschingen slingerend naar den andere met bezwijmende kracht.
„Sterf, hond!” brulde in het eigen oogenblik Walger, zijn dorschvlegel zwaaiend. De doodelijke stoot, die hem trof als antwoord, kwam van Harald, den Skald; met bloedig schuim op de lippen zonk hij neer om niet meer op te staan.
„Een boot! Een plank slechts om den stroom over te zwemmen!” riep Unruoch. Als voortgezweept ging hij op en neer op den Hohorst, hij wierp zijn rusting af om zonder wapen of verweermiddel zich van de hoogte in de golven te storten. De weinige ruiters, die waren ontkomen aan het bloedbad bij den grafheuvel, wilden hem volgen. Slechts door een streng bevel kon de bisschop allen terughouden: want diep was de stroom, hun dood gewis, indien zij er zich in wierpen.
„De Heer kastijdt ons met een zeer zware beproeving!” jammerde broeder Johannes met opgeheven handen. Toen, ze als een roeper aan den mond brengend, gillend tot de mannen van Sint Maarten:
„Slaat dood! Slaat dood! Vraagt niet naar heiden of christen! De Heer beschermt de zijnen, slaat toe!”
„Broeder, zwijg!” Bevelend klonk bisschop Ansfrieds ernstige stem. „Dit is godslastering. Het zijn menschen! Bid voor de dwalenden, die Wodan aanroepen en zijn heir van booze geesten. Vervloek ze niet!”
In zijn vertrek wrong Olaf de handen:
„Mijn bloedsbroeder delft het onderspit en ik lijd niet om hem, en geen droefheid is in mijn hart, omdat ik hier machteloos, weerloos sta! Een meineedige -- ik!”
Zijn hoofd zonk op de borst, zijn lippen fluisterden:
„Alvader vergeef!... Wijs mij den weg dien ik gaan moet.... eeuwig God!”...
Op de hoogte verscheen opnieuw de bisschop, voor iederen pijl een weerlooze prooi, niet achtend het gevaar, dat hem dreigde:
„Vrede! Vrede! Staakt dit moorden! Houdt op! Ik wil het!”....
Als een roepende in de woestijn was zijn stem, overstemd door strijdgerucht en wapengekletter, door het wraakgehuil, dat den smaad gold hem aangedaan.
„Berg uw lijf! De pijlen der Denen worden alle op u gericht!”
Heesch stiet Unruoch de woorden uit; tegen diens wil sleepte hij zijn vaderlijken vriend mee. Olaf zag het met een zucht van verlichting.
Maar opnieuw drong een kreet in zijn ooren van smart en van toorn, door merg en been ging de snijdende klank. Hij klemde zich aan het kleine venster, hij zag Rolfr Jarl wegdragen, zag Unruoch zegevierend -- zijn pijl had gemikt en doel getroffen -- over het breede golvenvlak.
Nog eenmaal vlogen links en rechts de pijlen, en sloegen opnieuw de speren hun bijtende wonden. Menige krijger zonk ineen op het veld. Wild door elkaar warrelden, streden de laatst overgebleven Denen tot zij hun Jarl en heer zagen wegdragen. Toen klonk een gehuil aan het brullen van een wouddier gelijk, toen vluchtten „de zonen van Odin” en wapperde zegepralend de banier van Sint Maarten boven de hoofden der overwinnaars, knielend op het veld:
„Heer, U zij de eere! Heil onzen bisschop”.... Hoe ras was de boot bemand, die hem veilig droeg in hun midden, veilig en vrij!
Met jubelenden heilzang, met vochtige oogen begroetten hem de stoere strijders van daareven. In hoog aanzien stond hij bij allen, maar de eerbied en liefde, die hem werden gewijd, overtroffen het ontzag, omdat hij heerschte door goedheid en ieder zijner daden een zegening was.
„Naar Utrecht voeren wij u! Wij brengen u in veilige rust!”
Doch waarschuwend hief hij de hand op: „Staakt dien jubel! Hier voegt de stilte: onze gebeden vragen de dooden, de gewonden onzen bijstand!”....
Een draagstoel werd aangebracht, toen deze eerste plicht was vervuld. De bisschop steeg in.
In ’t zelfde oogenblik sloeg een hand het gordijn terug: „Ik ben uw gevangene. Beschik over mijn lot!”
Bisschop Ansfried schudde het hoofd en zag den spreker meewarig aan: „Ga in vrede, mijn zoon! Gij zijt vrij!”
Twee groote tranen sprongen Olaf uit de oogen. Aan zijn bloedseed gedachtig moest hij terugkeeren, zijn bloedsbroeder te hulp. En hij wist thans wat dat beduidde!
En het werd stil in zijn hart, dat daar even nog jagend geklopt had -- verstijvend stil.
HOOFDSTUK XX.
Het was nog vroeg in den morgen. De hanen begroetten met luid gekraai de zon en de torenwachter van den Sint Maarten wekte de slapers uit hun rust.
Door middel van zijn langen horen verkondigde hij schetterend het aanbreken van den nieuwen dag. Met meer genoegen dan de sluimeraars, hoorden de wachters aan de stadspoorten die schelle tonen. Ongeduldig zagen zij uit naar de morgenwacht, die hen moest komen aflossen.