Part 17
„Bisschop van Utrecht, indien gij Olaf Erikson hier houdt als gijzelaar, zal onze wraak grooter zijn dan uw onrecht. Wees voorzichtig!”
„Ik houd hier niemand tegen zijn wil, vrouw Sigrid. Olaf Erikson is vrij zoodra hij vervoerd kan worden, nu echter eischt zijn wond zorg en verpleging. Werd hij thans weggebracht, het werd misschien zijn dood en ik zou het betreuren indien ik een misdadiger -- scheen.”
Zij wendde zich af met een verwoeden blik.
„Swanwitha, volg mij!”
Zwijgend werd zij ook ditmaal gehoorzaamd, weldra kliefde de boot, die beide vrouwen droeg, den stroom.
„In memoria aeterna erit justus....”
Dat waren de woorden, sierlijk afgewerkt, meer geteekend dan geschreven met purperinkt op zilverkleurig francyn, die Rolfr las bij het binnentreden van bisschop Ansfrieds vertrek. Als met magisch geweld trok hem die aan den wand opgehangen spreuk. Hij herinnerde zich uit zijn leertijd in de Schola Palatina nog genoeg latijn om de beteekenis te vatten:
„De rechtvaardige zal in eeuwige herinnering blijven....”
Geërgerd wendde hij zich af. Waarom? Voelde hij, dat hij zijn oordeel in zich zelven droeg?
„Dat was een der eerste lessen, die wij van aartsbisschop Bruno ontvingen. Weet gij nog hoe hij zei: „Laat uw daden, uw leven voor u spreken. Dat is de maatstaf, waarmee het nageslacht hen meet die het voorgingen. En om uw levenstaak goed te verrichten, wil daartoe nooit uw eigen weg kiezen, maar tracht Gods wegen te gaan.”
Zoo eindigde hij. Herinnert gij het u nog? Als hij sprak werd het vrede en zwegen de klachten door afgunst of wrok aangeheven. Dan was iedere veete vergeten en trachtte elk zijn naaste recht te doen”....
„Waarom betracht gij, die alles zoo goed hebt onthouden, zelf die levensles niet?”
Rolfr sprak op bitteren toon, maar gejaagder dan hij vermoedde: hij zag de roode vlammen in den donkeren nacht.....
„Van welk onrecht beschuldigt gij mij?”
Bisschop Ansfrieds stem ging door merg en been en Rolfr hóórde nu ook de vlammen knetteren. Viel hij daarom hevig uit:
„Het leen van Walger is mij wederrechtelijk door u ontroofd. Het grenst aan, het behoort tot mijn bezittingen.”
Zwijgend op dien uitval opende de bisschop een donker houten, met zilver en ivoor ingelegd kistje.
„Lees dit,” sprak hij toen bedaard, Rolfr een perkament, waarvan het groote rijkszegel afhing, overreikend. En deze deed, wat hij in vele jaren niet had gedaan -- lezen.
„In den naam der Heylige en onverdeelbare Drie-eenigheyd, Otto door Gods verzoenende goedertierenheyd Koning.
Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen, zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij, thans, in den wensch van onzen achtbaren en beminden bisschop Balderic bewilligende eenige goederen van ons recht aan de kerk van Sint-Maarten, die gesticht is in de plaats Trecht genaamd, en alwaar kennelijk is, dat de voorgemelde bisschop Balderic het opperbestier heeft, in eygendom vergund hebben; te weten al hetgene wij hadden in het dorp Amude, als ook den tol die aan het zelve gerechtelijk dorp toebehoort, welke wij voorheen te leen aan Walger gegeven hadden, aan de voornoemde kerk eeuwiglijk in eygendom geschonken hebben....”
Rolfr liet den giftbrief zinken:
„Welnu, wat zou dat?” vroeg hij scherp.
„Lees verder, Rolfr van den Ravenhorst, lees verder.”
En Rolfr las hoe de visscherij in het Almeere „als onze kroon toebehoord hebbende,” de goederen, die Hatto, graaf te Loene had bezeten, de landstreek bespoeld door de Vecht en het land „dat Hatto hadde, liggende op den boord des Rijns,” en „dat om deszelfs misdrijf naar rechtswege onder onze koninklijke macht aangeslagen was, aan de meergemelde kerk was gegeven”....
„Wat bedoelt gij met mij dit voor te leggen?” vroeg Rolfr weer.
Langzaam las, tot antwoord, bisschop Ansfried den slotzin:
„En opdat het gezag van deze onze gunst vaster en zekerder in Gods naam onder onze getrouwen blijve, hebben wij deezen met onze eijgen hand onder bevestigd en met onzen ring bevoolen te zegelen.
Gedaan te Quedlinburg in den Heer gelukkig. Amen.
Teken van den heer Otto onoverwinnelijksten Koning”....
Toen hief hij het hoofd op en zag den Noorman recht in de oogen:
„Durft gij nu nog beweren, dat het leen van Walger u wederrechtelijk werd onthouden?
Reeds ten tijde van bisschop Balderic werd het aan de kerk gegeven. En wèl behoefde zij toen die schenking, want braak lagen de velden, verwoest waren steden en sterkten, hoeve en heem. Toen bestond er geen volkswelvaart meer, er was slechts volksellende. Landbouw en veeteelt waren verdwenen, nijverheid en handel dood. Dat hadden de Noormannen gedaan. Inval op inval deden zij en de gieren volgden het spoor hunner krijgsbenden. Schuw verborg zich het uitgeschudde landvolk in moeras en veen bij hun nadering, want de vrees volgde de verwoesting op den voet.
Thiel, Wiedelham, Dorestad en Utrecht gingen op in vlammen, Daventre lag in puin, het bloeiende Friesland was bedolven onder zwarte sintels en grauwe asch, met doodsbeenderen als bezaaid en de golven van het Almeri waren rood gekleurd, wanneer zij vloeiden over de vlakke kust.
In Niumage, in keizer Karels hooge burcht, stalden zij hun paarden, tot zij dien, bij hun aftocht, in brand staken toen zij zagen, dat een vliegende storm den vuurgloed zou overdragen naar de stad.
En als de lente, vol toekomstbeloften streek over de velden, werden zij niet bezaaid, en als de oogsttijd daar was lagen zij braak.
Hoog schoot het gras op, maar geen sikkel werd er in geslagen om voorraad te vergaren voor den komenden winter. Slechts enkele jagers en visschers zwierven door het woud of langs poelen en plassen. Wie dacht aan zaaien? De Denen maaiden of verbrandden immers den oogst? De Denen, Rolfr, altijd de Denen. Er moest orde en gezag worden hersteld onder het verwilderde volk, in het uitgeplunderde land. Steden en sterkten waren verwoest, heeren en vrijen streden in het leger. Wie kon hier beter handelend optreden dan zij die genoodzaakt waren thuis te blijven, omdat de zorg voor de zielen hun was toevertrouwd en zij het volk wezen op het eeuwige, zonder dat zij daarom het tijdelijke vergaten? Waren toen deze schenkingen aan de kerk niet noodig? Wie zelf niets bezit kan hij anderen helpen? Het volk moest terug worden gebracht tot den arbeid van weleer, uit zijn midden moest de kracht voortkomen die in eigen land het geweld der Denen breidelde. En, Rolfr, werd door bisschop Balderic en zijn opvolgers hun zware taak niet begrepen en tot een goed einde gebracht? Zie thans de bloeiende steden, het van de felle schokken herstelde volk en land. Als nu de Denen kwamen, zouden zij met goed gevolg worden weerstaan. Zij mogen daarom op hun hoede zijn, Rolfr, op hun hoede.”
Vol argwaan, met geheime vrees vervuld, trachtte Rolfr zich te beheerschen. Was het reeds bekend? Als de vloot nog langer uitbleef, als het gerucht harer nadering zich verspreidde en het volk had tijd zich te wapenen.... De stem van den bisschop brak zijn wilden gedachtenstroom af.
„Kunt gij nu nog langer ontkennen, dat de Hohorst en het omliggende land reeds sinds heer Otto den Eerste behoorde tot de kerkelijke goederen? Graaf Walger liet een kleinzoon na, die, lang dood gewaand, na veel omzwervens eindelijk moe en vergrijsd terugkeerde in zijn land. Kon hem geheel het voorvaderlijk goed worden onthouden? Maar als het geslacht uitstierf, wie trad dan opnieuw in zijn rechten? Dat is nu gebeurd, Rolfr.”
„En toch zal ik mij verzetten, zij het tegen keizer en kerk en rijk te zamen. Kunt gij beslissen wie de sterkste zal blijken in ’t eind?”
Waarschuwend zag de bisschop hem aan:
„Gij hebt den keizer trouw gezworen, gij hebt dien eed afgelegd „up ten heiligen.”
Wrevelig haalde Rolfr de breede schouders op: „Een afgedwongen eed”...
„Blijft een eed. Gij hadt kunnen weigeren. Denk aan de schuld, die gij op u laadt bij eedbreuk. God laat niet spotten met het heiligste.”
Hevig stampte Rolfr met den voet:
„Ik ben hier niet gekomen om een sermoen aan te hooren, noch om uw spitsvondigheid om oude rechten te ontdekken of nieuwe te scheppen te bewonderen. Eens waart gij de machtigste in den staat, nu wilt gij het in de kerk worden. Het wordt u wèl vergolden, dat gij eenmaal de hechtste steun zijt geweest der schoone keizerin Theophano, wier zoon, de jonge Otto, dien wij nu als keizer moeten eeren, haar werd ontroofd door haar neef, den Beierschen bisschop. Weerloos stond toen de jonge weduwe, dat moet ik erkennen, want vele rijksgrooten in kerk en staat kozen tegen haar partij. Gij hebt het gezag gered voor de regentes en de moeder haar kind hergeven, dat is even waar. Gelooft gij echter niet, dat ik dit ook had kunnen doen? Alleen het grillige lot heeft mij belet als bemiddelaar op te treden.”
„God bestuurt de daden en het leven der menschen, niet het blinde lot. En daarom, Rolfr, kan ik mij buigen voor mijn lot, want ook wat tot ons komt door de menschen, komt van Hem. Dit stelt mij in staat u al het leed, dat gij over mij hebt gebracht te vergeven.”
De vlammen knetterden, en de storm loeide, twee oogen zagen hem aan vol jammer en wee...
Deed de nooit uitgewischte herinnering Rolfr uitroepen, meer verward dan hij zelf wist:
„Wat bedoelt gij?”
„Wat ik niet nauwkeuriger behoef te verklaren. Wat mij bekend werd, is u niet vreemd en -- vrienden waren wij in onze jeugd. „Wie op harten bouwt, wat blijft hem als de stormvloed komt?” heeft een wijze gezegd. Rolfr, waarom bracht gij den stormvloed over mij? Eenmaal zwoeren wij elkander houw en trouw, op den tocht naar Italië, in het schitterende legerkamp van heer Otto den Groote. Ik geloofde aan uw woorden, nu weet ik, dat het een leugen was, waarin ik geloofde.”
Rolfr Jarl trok zijn spieren samen als wilde hij zich werpen op den vermetele, die hem zulk een beschuldiging waagde tegen te slingeren, -- maar hij zweeg en bleef roerloos, beheerscht door zijn blik.
„Laat uw daden voor u spreken. En het leven, waarop gij, Rolfr, terugziet is als een dorre heide, waar geen boom schaduw, geen bron lafenis, geen bloem vreugde biedt”...
Hevig viel Rolfr hem in ’t woord:
„Mijn leven was steeds een woestenij; kon daaruit voor anderen een paradijs opbloeien? Reeds op de Schola Palatina begon het: achteruitgezet, vergeten. Toen, op den tocht naar Italië, gij waart in het leger als heer Otto’s bevoorrechte zwaardjonker, ik werd onopgemerkt, ongeacht, ingedeeld bij een der huurbenden.”
„Zou het een geluk zijn geweest voor keizer en rijk, als gij het zwaard hadt opgeheven boven het hoofd van heer Otto -- toen hij bad?”
Rolfr wendde onwillekeurig de oogen af.
„Ik zal u niet aanklagen,” ging de bisschop voort, „noch met een beroep op het verleden, noch met betrekking tot dit heden. Ik herinner u niet wat gij tegen het geloof, dat gij eens hebt beleden, wat gij den keizer of mij misdeedt. Ik vraag u niet, waar mijn jongste dochter is, al gelijkt ook geen enkele witte lelie zoo op de andere als uw kleindochter, Swanwitha, op mijn kind toen dit haar leeftijd had. Spot zou uw eenig antwoord zijn en die hoon zou ik op zulk een vraag niet kunnen verdragen.”
O, de felle smart op dat bleeke gelaat, nog bleeker in schijn door de zilveren lokken, die het omlijstten!
Voelde in dit oogenblik Rolfr het wicht zijner schuld?
Hij boog het hoofd. Maar weer dwong de machtige stem van den vriend zijner jeugd hem tot luisteren:
„Ik zal niet langer lijden door u, dan God het toelaat. Dien troost kunt gij mij niet ontrooven, en zij stelt mij in staat het zwaarste te dragen. Doch” -- hoog richtte de spreker zich op -- „hier, waar wij van aangezicht tot aangezicht staan tegenover elkander -- waar niemand ons hoort -- daag ik u voor de vierschaar van uw geweten, tegen u zelven klaag ik u aan. Gaven en talenten waren u geschonken, gij hebt ze in dienst gesteld van het kwade. De kracht van uw arm hebt gij gebruikt om een moordwapen op te heffen, tegen hem die verdiende de hoogste te zijn, omdat hij de edelste was; door de macht van uw geest zijt gij anderen ten vloek geworden. Toen de koning van het Noorden u den gouden hoofdband reikte van den Jarl en u den hertogsmantel om de schouders deed slaan, toen strekte deze slechts om de smetten uwer schande te bedekken, evenals de schitterende diadeem onzichtbaar moest maken het Kaïnsbrandmerk van misdaad en verraad, dat brandt op uw voorhoofd.”
Met een uitroep schor van drift sprong Rolfr toe op zijn aanklager, zijn tot een vuist gebalde hand dreigde boven diens hoofd; bisschop Ansfried greep die vuist en dwong den opgeheven arm neer te zinken. Nog bezat hij zijn oude kracht, hij voelde het, maar ook, dat verontwaardiging haar verdubbelde.
„Rolfr Jarl, ga nu. Ik heb u gezegd wat ik moest. Verlaat vrij dit huis, waar gij mij gevangen houdt, terwijl de Denen in aantocht zijn, geroepen door u, om opnieuw dit volk ten ondergang te brengen, het land te herscheppen in een woestenij.”
Een brullende kreet stiet Rolfr uit, vreemd aan iederen menschelijken klank. Als een roofdier wilde hij zich werpen op den onversaagden spreker, twee sterke armen trokken hem terug met een ruk. Unruoch was binnengetreden.
„Jarl!” riep hij forsch. „Loont gij vrijgeleide met een moord?”
Rolfr deinsde terug, aschgrauw werden zijn trekken.
„Ga!” herhaalde de bisschop, „en weet dat God mij vrij kan maken, wanneer Hij dit wil, al haalt gij de mazen van het net nog tienvoud enger toe. Hij, die de macht bezit om dit arme volk te redden, dat gij prijs geeft aan ellende en ondergang. Ga!”
Zijn opgeheven arm wees naar de deur en Rolfr ging thans inderdaad, tandenknersend, geslagen. Nooit te voren in zijn van bittere ervaringen en teleurstellingen overvloeiend leven, was hij vernederd als in dit uur, nu bisschop Ansfried hem een blik had doen slaan in den spiegel der zelfkennis en hij daarin zijn verafschuwd beeld had gezien met onmiskenbaar scherpe lijnen, nu deze hem zoo diep verachtte, hem en zijn drijven, dat hij het zelfs versmaadde hem -- in wiens macht hij zich bevond -- te houden als gijzelaar of gevangene.
En heimelijk vroeg de Jarl zich af:
„Vanwaar de wondere kracht van dien bisschop der christenen? Hij kent vrees noch angst waar allen zouden versagen, hij verwacht redding, waar ieder zou vertwijfelen. Zou zijn God dan toch de machtigste zijn en hooren en uitredden wie Hem aanroept, geloovend in zijn sterkte, op Zijn hulp vertrouwend?”
HOOFDSTUK XVIII.
Den avond na dit onderhoud, toen het eentonig geroep van den koekoek zweeg en de wolken verder dreven, goud en karmozijn omzoomd door het avondrood, lag Trutha moe en zwak in een kuil op de heide. Een man had haar gered uit den stroom, een vreemde man met grijzende haren, het gebruind gelaat doorgroefd van naden en rimpels, een versleten kolder om de magere leden. Hij had de drenkelinge in zijn armen genomen als de herder een verdwaald lam, met de dankbare gewaarwording, welke hem bezielt, die door de wereld heeft gezworven vele lange, eenzame jaren, verlaten en alleen en wie nu een warm geluksgevoel doortintelt, omdat hij weer een menschelijk wezen vond om voor te zorgen.
Een kuil in de heide was ras gevonden, een beschuttend dak van dennentakken en zoden dra gereed. Nu waakte hij bij het zwakke kind en bracht haar het karig rantsoen, dat hij op zijn smeeken ontving aan de verspreide hutten.
Zoo vond hen Lisa, terwijl zij voortsukkelde over de heide. In weinige woorden deelde zij hem de gebeurtenissen mee van den laatsten tijd, om te eindigen:
„Vlucht achter de wallen van Utrecht als uw leven u lief is: Gij hebt beschermd wie Rolfr Jarl vervolgt met zijn haat. Neem Trutha mee en verhaal te Utrecht hoe het hier met den bisschop staat, dan zullen de burgensen komen om hem te bevrijden. Zeg toch, dat zij zich haasten.” Plotseling hield zij in, beducht.... „Vreemdeling, wie zijt gij?”
„Een vrije speerknecht, wien het slecht genoeg ging in de wereld. Gerlach heet ik en voor den bisschop en dat kind daar zal ik doen wat ik kan, al was het alleen, omdat zij vervolgd worden door Rolfr, den Deen.”
Over zijn lippen kwam die naam op schorren toon, een toon van wrok, maar er was geen woord meer uit hem te krijgen.
„Gegroet, moeder! Met het eerste morgengrauwen breng ik het kind in veiligheid, en drijf de Utrechtsche poorters tot handelen. Nu moet ik zorgen voor haar avondbrood. De boerin van het Hooge land heeft gezegd, dat ik het dezen avond bij haar mocht halen.”
Weldra werd zijn lange gestalte slechts een stip op de eenzame heide; Trutha, uitgeput, was blijven doorslapen. Moeder Lisa dekte haar zorgvuldig toe met den doek, dien Swanwitha haar eens had gegeven. Toen ging ook zij verder.
Een man stond onder de dennen aan den voet van een heuvel. Moede leunde hij op zijn staf van knoestig eikenhout. Zij slaakte een kreet:
„Henno! Hebt gij gedaan wat ik zei?”
Hij knikte zwijgend, twee groote tranen rolden uit zijn holle oogen.
„Ja! Maar zij durven niet, niemand durft! En mijn kind sterft in den kerker van den Ravenhorst.”
Ongeduldig trok zij hem bij zijn mouw.
„Denk niet het eerst aan je zelf. Is Yglo meer dan de bisschop? Henno, wat heb je gedaan?”
„Wat je mij hebt geraden. Gegaan ben ik van hoeve tot hoeve, van heem tot heem om iederen vrije te vragen, te dringen, gewapend op te trekken tegen Rolfr Jarl. Maar zij sloegen de deur dicht met een schamper:
„Eerst was uw zoon bode voor den Jarl, nu gij tègen hem. Henno, wij vertrouwen je niet meer!”
„En o, Lisa, mijn kind sterft, mijn eenig kind!”
Strak zag Henno voor zich en voelde, dat hij gestraft werd in de zonde, die hij beging.
Lisa hernam:
„Dan het laatste middel: naar Aken, naar heer Otto, onzen jongen keizer! Hij moet de Utrechtsche burgensen aanvoeren.”
Henno maakte een verschrikte beweging:
„Ik, een arme visscher!”
„Maar een vrij geboren man. En Henno, „voor God zijn wij allen gelijk,” zegt de bisschop. Vreest gij dan voor een mensch? Help ons allen en red Yglo!”
Henno wischte zich de klamme druppels van het voorhoofd:
„Ik zal het doen; ik zal het! O, mijn kind, mijn kind!”
Zij hief de hand op:
„Ginds, op den heuvel ligt Trutha, zwak en ziek, gered door een vreemden speerknecht, die haar naar Utrecht zal brengen. Verberg u over dag, want Rolfr Jarl laat scherp wacht houden op iederen kruisweg; ga bij nacht over hei en veld en verhaal overal te Utrecht wat hier voorvalt. Dring er toch bij ieder op aan, dat de burgensen uittrekken den bisschop te hulp en als gij ze daartoe bereid weet, zie dan een paard te krijgen en haast je naar Aken. Maar zeg niets van dit plan, omdat het een goed plan is, want dan wordt gij tegengewerkt door menschen, die niet van zins zijn zelf te handelen, maar die toch niet kunnen verdragen, dat een ander verricht waarmee hij misschien de eer zal behalen, die zij voor zich zelven wenschen zonder de inspanning.
Zorg nu echter eerst voor Trutha. Altijd is het best te doen wat het eerst voor de hand ligt.”
Lisa begreep in haar eenvoud niet welke levenslessen zij had verkondigd, maar Henno knikte en beloofde nogmaals haar raad te volgen. -- -- --
En de Hohorst bleef scherp bewaakt en iedere weg, die er heenleidde afgezet. Rolfr Jarl hield zijn volk in strenge tucht en de landbewoners verscholen zich reeds vol angst, als een boogschutter, die de rondte deed met zijn gevreesd wapen, zichtbaar werd. Lang kon die toestand echter niet voortduren. Rolfr Jarl begreep dit zelf het best, maar iedere dag was voordeel: de Denenvloot zou nu niet lang meer uitblijven en den bisschop werd belet maatregelen ter verdediging te nemen. Of nog anderen dan hij wisten van den beraamden inval? Met bezorgdheid vroeg Rolfr zich dit af en opnieuw rees zijn verlangen naar zegepraal niet het meest, doch naar vergelding. Nooit zou hij het uur vergeten toen hij vrij heenging van den Hohorst en bijna wenschte gevangen te worden gehouden om zoo groot een smaad te ontgaan. Het met zooveel onverholen minachting geuite woord: „Ga!” klonk hem in de ooren bij het gewoel van den dag als in de stilte van den nacht. Te verachtelijk zelfs om gevangen te blijven!.... Het denkbeeld prikkelde hem schier tot razernij. Dat Olaf, herstellend van zijn vleeschwond, weigerde den Hohorst te verlaten, wanneer het den bewoners niet werd vergund om te gaan waar zij wilden, maakte zijn stemming slechts meer verbitterd.
En verscheidene dagen gingen en kwamen zonder eenige verandering te brengen. De stroom vloeide om den Hohorst, vele visschen droeg hij aan, ook fraaie zilverzalmen, die de glinsterende koppen omhoog staken boven het effen watervlak. Unruoch en broeder Johannes wierpen haken en netten uit, zoodat het den door een sperenhaag omringden niet geheel aan voedsel ontbrak, ofschoon de teerkost steeds schaarscher werd en weldra het gebrek zou nijpen.
„O, om mij te mogen meten met Rolfr Jarl bij het schallen der hoorns, het flikkeren der zwaarden en het stooten der speren!” mompelde Unruoch meer dan eens met een onstuimig verlangen naar een daad, die de beslissing brengen zou.
„Wij zullen misschien hier wel blijven tot de bazuin klinkt van het jongste gericht en dan zijn wij te uitgevast om te strijden tegen den Antichrist en zijn heir van booze geesten,” steunde broeder Johannes.
De overige broeders vielen hem bij, de ruiters kozen Unruoch’s zijde.
De eenige, die kalm bleef bij de naderende of reeds aanwezige gevaren, was de grijze bisschop. Hij leidde zelf de godsdienstoefeningen in de kleine kerk, verpleegde Olaf met eigen hand en las kalm of er niets dreigde, in zijn weer op hun plaats gestelde boeken, op deze wijze opnieuw de spreuk bevestigend, dat een zuiver geweten en een rustig gemoed meer waarde bezitten dan alles wat de wereld kan nemen of geven.
HOOFDSTUK XIX.
De witte en roode hagedoorn op den Hohorst stonden in vollen bloei. Bonte vlinders met den gloed van het zonnegoud op hun teere vleugels zweefden boven de geurige bloesems. Uit de takken klonk het kirren van de woudduif. Zacht wiegelend bewogen linden en zilverkleurige berken, die een klein plantsoen vormden om het kerkje, hun gekruiste twijgen. Bedwelmend zoet was de meidoorngeur, liefelijk de zang der vogels, vredeademend het ruischen van den wind. Olaf Erikson ademde diep de verkwikkende morgenlucht in terwijl hij langzaam op en neer ging in de groene schaduw der boomen. Zijn wond genas snel bij de zorgvuldige verpleging, die hij genoot, maar terwijl lichamelijke schokken zich herstelden, schrijnden zielewonden feller met iederen dag.
Die menschen welke hem verzorgden met opoffering van eigen rust en tijd -- hoe zou hij hun dit vergelden -- als de vloot kwam? Hij wist nu genoeg van Rolfr Jarl, van zijn plannen en daden.
Maar -- waar bleef de vloot? Bijna verwonderd gleed zijn blik over den stroom, zocht hij de torenspits van den Ravenhorst tusschen het groen om te ontdekken of daar Odins ravenvaan nog niet wapperde als welkomstgroet aan de drakenschepen, die naderden, den paardenkop aan den steven, de glinsterende schilden langs het scheepsboord. En dan -- dan zouden strijdgerucht en wapengekletter den heerschenden vrede storen. Wegvluchten zouden de zangvogels, de meidoornbloesems vallen op de graven van helden, op veel nieuwe graven.
Waarom dacht hij daaraan? Alleen de verachte christenen gaven immers hun dooden terug aan het stof? Hoog vlamde de brandstapel, die de lijken ontving van Odins zonen; herrijzen zouden zij als zijn Einheriar om in zijn glanzende zaal te strijden, te vallen en weer terug te worden geroepen in het leven om dan opnieuw te sneuvelen. Strijd en bloed tot het einde. Tot welk einde? Zou inderdaad weldra een nieuwe aarde verrijzen uit de asch der oude en Odin voor eeuwig heerschen met zijn trouwe volgelingen, Odin en -- bloed en strijd.
Olaf streek zich met de hand over het voorhoofd. Waartoe die kwellende gedachten? Sinds wanneer begreep hij, dat de roem behaald bij zwaardslag en strijdleus, niet het hoogste was wat het leven kon bieden?