Part 16
Hij vroeg zich niet af met welk recht hij was gedrongen in haar leven, hij, de onbekende, wien zij gedwongen was geweest haar hand te reiken op bevel. Hij wilde alleen bezitten zijn eigen, zelfzuchtig geluk, evenals hij nu zocht zijn eigen zelfzuchtige wraak...
De heldere dag met den blauwen hemel, waaraan witte wolken dreven, waar leeuweriken opstegen zingend, jubelend, was voorbij. Nieuwen moed, dubbele kracht had de frissche wind getracht te wekken in de harten; het was alsof hij de menschen wilde opnemen, ze voort dragen, ver weg op vleugelen van zonnegoud en bloesemgeur.
Nu viel de avond en eentonig, grijs lagen de velden en lusteloos stroomde het water.
Ach, frissche wind noch leeuwerikenzang hadden een echo kunnen wekken in de borst van dienstman of hoorige, die scherp wacht hielden en waakten om den Hohorst, nu vele dagen reeds. Alle uitgangen en wegen, in heide en woud, waren afgezet op bevel van Rolfr Jarl; door schuiten was de rivier versperd. Elke reiziger of koopman, die onbewust van wat plaats greep zich vertoonde in den omtrek, werd als gevangene naar den Ravenhorst gebracht.
Hoe menige bittere klacht, hoe veler gloeiende wraakgelofte vingen de kille muren op van het trotsche landkasteel!
Zijn eigenaar glimlachte. Geen boogschot mocht worden gedaan, geen pijl geslingerd naar een der ingeslotenen op den Hohorst. Door honger uitgeput wilde hij den voormaligen graaf van Teisterbant, nu bisschop van Utrecht, zien voor zich buigen als vernederde, machtelooze gevangene. En dan zou de Deensche vloot daar zijn om zijn zegepraal volkomen te maken, ook op het weerlooze Utrecht, dat geheel onbewust bleef van den naderenden ramp; waar hij zou ontbreken als de Denen storm liepen, die door zijn bezielend woord steeds de harten nieuwen moed wist te schenken, de handen aanvuurde tot daden van zelfopoffering en kracht.
De duisternis nam toe met ieder oogenblik. Met hellen schijn gloeiden de wachtvuren om den Hohorst.
Twee hofhoorigen van den Ravenhorst spraken fluisterend met elkander. Hun blik zocht de kleine kerk en het half voltooide houten woonhuis. Een flauw licht gleed door een der smalle vensters, over den zilveren avonddauw.
„Het is een vreeselijk middel,” mompelde de eene. „Hoe durft onze heer het wagen! En wij -- „gehoorzamen of de dood” -- luidde zijn woord, maar zullen wij den toorn niet uitlokken van God? En wat dan? Het einde is nabij. Dat zegt iedereen.”
Dof klonk de stem van den andere:
„Bisschop Ansfried heeft nooit gezegd, dat hoorigen geen ziel bezitten en gedoemd zijn na hun dood tot het eeuwig niet. „Komt tot Mij allen die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven,” dat was de troost, dien hij mij eens gaf toen ik neerlag, bloedend en krimpend, nadat honderd geeselslagen waren neergestriemd op mijn rug. Te rotten lag het koren op het veld in den regenachtigen zomer. Den geheelen dag had ik gewerkt om den oogst binnen te halen voor onzen heer. „Dat moest het eerst geschieden,” beval de meier. Maar ’s nachts dacht ik hoe mijn vrouw en kinderen in den naderenden winter misschien zouden omkomen van gebrek. Ik stond op en sloeg den sikkel in het graan op mijn eigen hoekje grond. Dat hoorde de Jarl. Als ik voor mij zelf werkte had ik geen kracht om voor hem te arbeiden, zei hij. En toen.... o, de woorden van den bisschop waren als balsem voor mijn ziel, meer dan de geneeskruiden waarmee hij mijn wonden zalfde. En nu vergelden wij hem dit zóó.”
Beiden zwegen en zagen naar het licht, dat blonk in de duisternis.
„Is er nog een boot hier?”
Een bevelende stem vroeg het. Bij den glans van het wachtvuur -- een licht van verwoesting en dood -- zagen zij den jongen vreemdeling die eens hun heer zou zijn door zijn huwelijk met de kleindochter van hun meester. Menigeen had toen hij dit vernam gedacht met een gevoel van verlichting, dat zijn kinderen betere tijden tegemoet gingen dan hij zelf had doorleefd. Swanwitha was geliefd en haar bruidegom boezemde geen angst in, maar thans --
Was hij dat werkelijk? Wat beteekende die sombere gloed in zijn oog, die dreigende uitdrukking op zijn trekken?
„De boot is nog gaaf, edele Olaf. De Jarl beval haar niet te verbranden; zij moest bewaard blijven om er de gevangenen mee af te halen, na de overgave.”
„Zet mij dan over, terstond.”
„Alleen? Edele Olaf, de jonge Unruoch is daar en nog enkele speerruiters van den Stuthenborch. Zij hebben allen wapens.”
„Zet mij over!” Zijn stem knarste bij dat woord! Nauw verkropte haat gloeide er in.
Hij werd gehoorzaamd, onhoorbaar stiet het bootje af -- -- --
Wapentrofeeën glinsterden noch heirbijlen blonken in den eenvoudigen refter van den Hohorst, waarin hij nu den blik wierp. Geen wachter had hem tegengehouden met lans of zwaard. Slechts een klein aantal mannen was daar bijeen, sommigen reeds bejaard, in de kracht van het leven de meesten; de eenige, die een pantser droeg, was Unruoch. Met groote schreden mat hij het vertrek. Zijn gelaat zag nog bleek, maar strijdlust fonkelde uit zijn oogen toen hij bitter uitriep:
„De aarde moest zich openen om Rolfr van den Ravenhorst te verslinden met het duivelsgebroed, dat hem dient. Hier zijn wij machteloos tot eenig verzet, aangewezen op den hongerdood en intusschen gaat het heiligste wat wij bezitten verloren: vrijheid en geloof!”
Hij rukte zijn zwaard uit de scheede: „O, laat mij gaan en u allen een doortocht banen! Nog blijft ons een zestal ruiters, hun wonden zullen niet beletten, dat zij overzwemmen en u den weg vrij maken met hun wapens om”....
„Te vallen zooals bij den grafheuvel hun strijdmakkers, die Rolfr neerstiet met drievoudige overmacht. Unruoch, deze menschenlevens wegen zwaar op mijn ziel. Waarom verliet gij met zulk een klein aantal den Stuthenborch? Gij weet, wat ik u had gezegd.”
„Er waren geen ruiters meer te vinden. De angst voor den wereldbrand breekt alle tucht. Zonder verlof waren de meesten naar Utrecht. Daar stroomt alles naar de kerken. Verlaten zijn woningen en werkplaatsen. Zelfs bij de poorten houdt niemand de wacht meer, naar men zei.”
De trek van overgevende berusting, die steeds het gelaat van bisschop Ansfried stempelde, week bij dit antwoord. Zielsverdriet wierp donkere schaduwen over zijn voorhoofd; een zucht ontsnapte hem:
„O, mijn arm, aan uw doodvijanden overgeleverd volk, kon ik u slechts redden met mijn leven! Wie moedeloos neerzinkt is reeds half verloren. „Volhardt ten einde toe!”.... Waarom begrijpt schier niemand, dat dit een eisch is ook aan het leven gesteld met al zijn moeite en leed? Kon ik slechts iets doen, maar deze machteloosheid!”....
Hij zweeg, op de borst, die hijgde naar daden, zonk het hoofd, dat steeds dacht voor anderen, dat altijd een uitweg vond waar ieder versaagde. Niet lang.
„God zal helpen en uitkomst geven als Zijn tijd daar is. Hij wijst den weg, dien wij gaan moeten. Dat daarom ramp noch tegenspoed ons het vertrouwen op Hem ontneme, Die alle dingen doet medewerken ten goede!”
Als een belofte uit beter, heiliger oord klonken zijn woorden allen tegen. Zij stortten nieuwe kracht in harten, gebogen door een ramp, even onverwacht als onoverkomelijk, zooals altijd waar geweld optreedt als heerscher. Maar nu werd de deur met een ruk opengeslagen. Een vaste stem sprak:
„Ik bied u een uitweg, hoort mij.” Op den drempel stond Olaf, het getrokken zwaard glinsterde in zijn vuist, in zijn oogen blonk een vreemde glans. Met een hoofdbuiging groette hij de aanwezigen, maar aan Unruoch hechtte zich zijn blik, tot hem waren zijn woorden gericht:
„Unruoch van Teisterbant, ik daag u uit tot een kampstrijd op leven en dood. Overwint gij, dan ben ik in uw handen en door mij kunt gij van Rolfr Jarl uw aller vrijheid eischen. Dit zal de prijs zijn van mijn nederlaag. Zegevier ik, dan zult ook gij allen” -- nu wierp hij een vluchtigen blik in het rond -- „moeten toestemmen, dat de goden hebben geoordeeld.”
„Dat het een godsoordeel was,” sprak de bisschop vermanend.
Olaf haalde de schouders op:
„Ik kan mij geen God denken, die zich, als een weerloos slachtoffer, laat nagelen aan het kruis, terwijl de macht der aarde en van den hemel Hem behoorden, volgens de leer der christenen. Indien iemand waagde Thor aan te randen, zou hij zijn vijand verpletteren met één slag van zijn donderkeil. Dat is godenwraak!”
„Zoo denkt gij. En toch zal de godsdienst van den Gekruisigde eenmaal de wereld overwinnen en heerschen als uw goden reeds eeuwenlang zijn vergeten, omdat Zijn leer liefde en zelfverloochening tot grondvesten heeft en uw godendienst zich verheft op den hoeksteen van zelfzucht en geweld.”
Olaf was niet in staat den grijzen dienaar van het Evangelie te antwoorden. In zijn oogen flikkerde het opnieuw met verterenden gloed. -- In zijn glinsterend ringpantser, met zijn hooge gestalte en fraai gevormd gelaat, de rosblonde lokken vrij vallend over het voorhoofd, geleek hij inderdaad een der fiere godengestalten van zijn volk, hartstochtelijk, onverschrokken, tot ieder middel bereid waar het gold zijn doel te bereiken, dat hem zou schenken -- vergelding.
„Ik neem uw uitdaging aan.”
De stem van Unruoch klonk hard en vast, ook in zijn blik gloeide het.
„Unruoch, uw wond is nog niet geheeld!” Bisschop Ansfried riep het bezorgd.
„Dat zal mij niet beletten, mijn zwaard te kruisen met het zijne. Mag ik als een eerlooze handelen? Eisch geen woordbreuk. Ik heb de uitdaging aangenomen. Moge het hier gelden:
„Wee den overwonnene!”
Hoog richtte hij zich op, nu ook zijn tegenstander groetend:
„Tref goed, edele Olaf, bepaal het uur van den strijd en buig u voor het godsoordeel!”
Met instemming werden zijn woorden aangehoord. Overwinnaar noch verwonnene zou ooit wagen zich te kanten tegen de uitspraak van het godsoordeel, dat zoo menigwerf besliste, waar de meening der rechters verschilde of de beschuldigde zijn onschuld betuigen bleef. Mocht hij -- de bisschop vroeg het zich in stilte af, -- hier tegenwerpingen maken, waar een uitweg werd geboden aan allen, die met hem waren? Want verlossing zou het hun schenken uit een toestand, die met ieder uur noodlottig dreigde te worden voor het gansche volk.
Het godsoordeel zou ook hier richten; zonder vrees konden zij het afwachten.
Toch kon bisschop Ansfried een beklemmend gevoel niet onderdrukken, maar alle aanwezigen slaakten een zucht van verlichting, toen zij hem zijn toestemming hoorden geven tot het tweegevecht. Rechtvaardig was hun zaak....
Olaf wendde zich tot Unruoch: „Keurt gij goed, dat morgen, bij het rijzen der zon, de kampstrijd zal worden gestreden volgens recht en rede en oude zede? Tot dat uur geef ik mij over aan uw beschikking. Ongevraagd ben ik gekomen, zonder oorlof zal ik niet heengaan. Ben ik uw gevangene?”
De bisschop strekte de hand uit: „Vrij zijt gij gekomen, ga als een vrij man. Als de ochtend aanlicht boven de toppen der boomen, keer dan en gij zult het perk vinden afgepaald, vijf ellen in het vierkant, op de vier hoeken de palen. Geen der toeschouwers mag beweren dat den beiden kampioenen geen paal werd gezet, wanneer een van hen het perk overschrijdt. Ga alzoo en zorg ook van uw zijde voor bijzitters en kamprechters.”
Olaf dacht aan de wijze, waarop Unruoch eenmaal werd verlost uit Rolfr Jarls geweld en den kerker van den Ravenhorst. Een gevoel van vernedering kwam over hem: hij kon vrij komen en gaan -- zoo handelden de verachte christenen!
Toch had hij geen deel aan Rolfrs verraderlijke handelwijze; maar wie edel denkt, lijdt onder onrecht, dat hij anderen bedrijven ziet, als beging hij het zelf.
Olaf kon heftig zijn, vol bruisenden hartstocht, laag nooit.
De boot -- geroepen op zijn horensein -- kliefde het donkere water. Hij ging en boog zich voor den christenbisschop, dieper boog hij voor hem dan ooit te voren voor den zegevierenden aanvoerder bij een stouten Vikingertocht.
Het zou voor de bewoners van den Hohorst gemakkelijk zijn geweest zich meester te maken van roeier en boot. Vrij waren zij dan, vrij!
Maar zij bleven. Trouw bleven zij het aan Olaf gegeven woord, afwachtend het godsoordeel.
De morgen rees, een stille ochtend; geen windvlaag schudde de boomen, alleen door de oude eikenkruinen ruischte het zacht, alsof geheimzinnige stemmen fluisterden. En daar, op dien „Hoogen horst” werd het strijdperk afgepaald, ver zichtbaar in den omtrek. De landbevolking was toegestroomd, op het door de speerknechten verspreid gerucht, schuw ter zijde wijkend, toen Rolfr Jarl verscheen aan het hoofd zijner gewapenden.
Vrouw Sigrid reed naast hem aan de spits van den tot de tanden gewapenden stoet. Haar oogen staken als twee dolken toen zij zich tot Swanwitha wendde met het kort bevel: „Hef uw sluier op!” Zwijgend werd zij gehoorzaamd.
Een stil, droevig gezichtje werd nu zichtbaar, omplooid door de glinsterende vouwen van het doorzichtig sindaal.
Voor wiens leven vreesde zij het meest?
Het duurde vele oogenblikken, eer allen den overkant bereikten.
Harald, de Skald, vergezelde Olaf met Sven Persen, den aanvoerder van Rolfr Jarls ruiters, als kamprechters. Samen stapten zij in de boot. Aan wal gekomen haastte Sven Persen zich de pennen met glinsterende koppen, de „tjösnur”, in de palen te slaan, volgens Noorsch gebruik. Langzaam, het formulier prevelend, dat ook den priesters was voorgeschreven als zij offerden, ging hij van paal tot paal op de voorgeschreven wijze: het gelaat opwaarts, de handen rustend op de ooren. Toen begaf hij zich naar zijn plaats, terwijl Erik Rafnrson, een van Olafs volgelingen, als bijzitter de wetten herhaalde van het godsgericht.
Hij bracht in herinnering, dat ieder der kampioenen verplicht was drie schilden met zich te voeren. Wanneer die waren „doorhouen en gheen slagen meer conden ontfaen” hadden zij het recht zich te verdedigen met zwaard en heirbijl. „De uitgedaagde doet den eersten slag. Wanneer het bloed van een der beide kampioenen vloeit en den bodem kleurt met roode druppels, is de strijd beslecht, -- doch indien een van hen buiten het afgepaalde perk treedt, wordt hij beschouwd als vluchteling en heeft hij de nederlaag geleden. Elk der beide kampvechters bezit het recht zich door een weerbaar man van wapenen te doen begeleiden, die hem gedurende het gevecht dekt met zijn schild”....
Met schellen klank dreunden de horens boven de hoofden der ademlooze menigte, toen de bijzitter zweeg. Bisschop Ansfried strekte zegenend de handen uit over Unruochs hoofd:
„Strijd als een dapper held! Het is van groote beteekenis als kampioen in het perk te treden bij een godsoordeel. Het recht zal zegevieren en Hooger hand uw zwaard voeren en tot beukelaar strekken.”
Meer bewogen dan hij wilde laten blijken zonk hij terug in zijn eenvoudigen, tegen den kerkmuur geplaatsten zetel.
Gold die ontroering voor een deel de tegenwoordigheid van Rolfr Jarl? De wetten van het godsoordeel gaven hem vrijgeleide om te komen en te gaan. Hij maakte er gebruik van. Maar wat den bisschop de oogen deed afwenden, deed hem staren in de verte. En dan zag hij in den donkeren nacht, waarin de vlammen laaiend knetterden. Hij zag een hechten toren aan een vuurzuil gelijk. Hij zag bij dien gloed twee vrouwenoogen, wier blik hem de zijne deed neerslaan, een blik dien hij heden, na zooveel jaren terug vond in de oogen zijner kleindochter.
Maar hij werd teruggevoerd tot het heden, uit het verleden van verschrikking en schuld, waarheen zijn gedachten hem dreven, ondanks zelfbeheersching en verzet.
Luid en vast klonk Unruochs uitdaging tot den strijd. Olaf liet niet op zich wachten. Met forsche schreden betraden beiden het perk. Terwijl opnieuw de horens schetterden en de klaroenen werden gestoken, hief Unruoch het zwaard op in afwachting van den eersten stoot dien hij moest toebrengen. Ook Olaf stond onbeweeglijk, als uit erts gehouwen, alleen zijn arm trok krampachtig, de arm die het wapen ophief. Met overspanning zijner kracht beheerschte hij het noodlottige beven, dat door geen vrees veroorzaakt werd. Onzichtbaar waren zijn trekken onder den ijzeren helm en, dat was goed, want hartstocht en brandende smart trokken hun groeven en wischten de edele lijnen van zijn bewolkt voorhoofd en om de vastgesloten lippen. Geen enkele maal wendde hij het hoofd naar Swanwitha’s zijde. Wilde hij haar niet zien, die hem onbewust had gedreven tot de beslissing, waarvan hij nu den uitslag duchtte? Daar is een geheime stem in ieders borst, die richt, onverbiddelijk en waar, die soms fluistert van nederlaag wanneer een juichende menigte den overwinnaar lauwert. Olaf hoorde die stem en het deed hem, den onversaagden held, sidderen.
En nog een ander hart dan het zijne beefde. Het was Swanwitha als zag zij door een vochtigen sluier, diep boog zij het hoofd. Welken uitslag gold die vrees?
„Gij hadt uw verloofde het zwaard behooren aan te gorden, in plaats daarvan trilt gij als een espenblad, zijt gij een Vikingerbruid?”
Smadelijk, bevelend als altijd, klonk de stem van vrouw Sigrid. Zij vergat dat macht en geweld veel vermogen, maar geen liefde kunnen dwingen.
Het antwoord bleef Swanwitha bespaard. Het vreeselijk geluid: het kletteren van staal tegen staal, klonk haar tegen. De kampstrijd was aangevangen. In ademloos zwijgen werd hij gevolgd, niet slechts door kamprechters en bijzitters, maar bovenal door bisschop Ansfried en de zijnen, door Rolfr Jarl en zijn stoet wellicht het meest.
Maar de gespannen aandacht van den heer van den Ravenhorst veranderde ras in een ontevreden wenkbrauwfronsen. Hij zag, dat Unruoch de stooten wist af te slaan, door uit te wijken of ze voorzichtig af te weren. Hij bleef bedaard en Olaf stiet in ’t wilde toe of gaf zich onvoorzichtig bloot. Soms scheen het of hij zijn tegenstander wilde dooden, maar meer nog of hij zelf den dood zocht.
En voortgezet werd onafgebroken de strijd; het eerste doorboorde schild was -- door de schilddragers -- reeds verwisseld voor het tweede, weldra zou ook dit geen slagen meer „connen ontfaen”.
De zwaardspitsen stieten de maliën van de pantsers, vol deuken en blutsen waren de helmen. De zwaardhouwen dreunden; met doffen weerklank gaven de schilden het geluid terug.
En steeds duidelijker werd het ieder, dat Unruoch als overwinnaar uit het krijt zou treden, maar ook, dat hij wilde zegevieren over een levenden tegenstander.
Met een flikkering van haat gloeide Olafs blik hem tegen.
Krampachtig balde hij de linkerhand tot een vuist, want hij bespeurde, dat Unruoch ditmaal zijn zwaardslag een weinig op zijde had gericht, om hem geen doodelijken stoot toe te brengen.
„Unruoch, tref mij, raak mij goed! Of zijt gij bang om bloed te zien? Het is gelukkig, dat gij geen Viking zijt! Onder de Noormannen vindt men geen lafaards!”
Het heftige bloed steeg Unruoch heet in het gelaat, nu beefde ook zijn hand van drift. Zijn blik sprak, waar zijn mond zweeg. Olaf zag het met een gevoel van verlichting, uit wanhoop en ijverzucht geboren.
Hij had gezien, een oogwenk slechts, die een tijdperk van knagende smart voor hem insloot, wiens bewegingen Swanwitha volgde met stijgenden angst, dat zij -- indien mogelijk -- nog bleeker werd bij iederen slag, die tegen Unruoch gericht werd.
Olaf wenschte te vallen: en de vrouw, die hij liefhad, vreesde niet voor zijn leven...
„Ondervind of dit de stoot is van een lafaard!” Heesch klonk Unruochs stem. Het smadelijk woord had doel getroffen, het schrijnde.
Met een houw sloeg hij Olaf het zwaard uit de vuist, hoog boven de hoofden der kamprechters viel het ver buiten perk en paal. Maar in hetzelfde oogenblik voelde ook Unruoch zijn bloed vloeien. Het matte hem niet af. Met kracht uit overspanning geboren, prikkelde het hem schier tot razernij.
„Unruoch, tref beter! Kunt gij dan niet raken?” beet Olaf hem opnieuw toe.
Reeds vele oogenblikken vroeger had Unruoch ook zijn eigen zwaard weggeslingerd, toen hij dat van Olaf wegsloeg. Thans streden beiden met den heirbijl, thans trof -- getergd tot het uiterste door Olafs uitval -- Unruoch diens schedel tot zijn helmkap spleet en hij met een slag neerstortte.
Het scheen alsof de grond dreunde van zijn val.
„Houdt op! Staakt den strijd! Hij is beslist!” beval Harald, de oudste kamprechter. Want Olaf had zich weer opgericht, wankelend, struikelend, om zich tastend naar een steun, dien hij vond in een der hoekpalen van het perk. Hij hief de armen op, wild; het scheen alsof hij zich op Unruoch zou werpen in razende drift, maar duizelend, om zich grijpend struikelde hij opnieuw en klemde zich vast aan het struikgewas, dat groeide op den rand der hoogte, waar die tamelijk steil afliep naar den stroom. Het bood Olaf geen steun, nog éen oogenblik en hij zou naar beneden zijn geslagen, toen Unruoch het gevaar ziende, toesprong en hem wegdroeg in zijn armen. Behoedzaam legde hij den nu bijna geheel bezwijmde neer binnen het perk. Hij zag zijn bloed den grond kleuren. Een schetterend hoorngeschal klonk. Van zijn zetel verhief zich Harald, plechtig de hand uitstrekkend riep hij Unruoch als overwinnaar uit in den kampstrijd.
[Afbeelding]
Luid gejuich overstemde zijn woorden. Swanwitha hief den krans van eikenloof op, haar gegeven door vrouw Sigrid voor hem, die de zegepraal wegdroeg, thans sloeg zij haar de ruischende bladerenkroon uit de hand.
„Weg er mee! Niet dezen uitslag had ik verwacht!”
Zij vertrapte de saamgestrengelde groene twijgen: „Dat is niet voor hem”....
„Hij behoeft uw krans niet, zijn daden kronen hem.”
Wanhoop en vreugde streden om den voorrang in den klank van Swanwitha’s woorden.
„Zwijg!” Vrouw Sigrids stem dreigde nog meer dan de rijzweep in haar toegeknepen hand.
Maar boven hoorngeschal en juichkreten klonk thans de stem van den Jarl, hoorbaar ver in ’t rond. Hij had zijn paard voortgedreven tot vlak aan den waterkant. Nu hief hij de hand op waarin een wapen glinsterde. Het was of hij zou neerstooten wie hem weerstond.
„Hoort mij, gij allen! Hier op den Hohorst, mijn wettig erf, wederrechtelijk mij ontroofd, verklaar ik de uitspraak der kamprechters voor onrechtvaardig en onwettig. Buiten de tjösnur zette Unruoch van Teisterbant den voet, eer de strijd was beslist. Volgens de wetten van den kampstrijd, zooeven nog in herinnering gebracht, is hij daarom te beschouwen als vluchteling. Geen enkel recht heeft hij zich overwinnaar te noemen, hij is buiten paal en perk gegaan. Onbeslist bleef alzoo de strijd. Ik gelast daarom Olaf Erikson met mij van hier te vertrekken. Ditmaal zal geen slag meer worden geslagen, later misschien, later!”
„Als de Denen komen,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wisselde een snellen blik van begrijpen met haar man. Maar met zijn laatste kracht hief Olaf zich een weinig op, in de armen van broeder Johannes, die hem steunde. Mat sprak hij:
„Ik was overwonnen, eer hij” -- naar Unruoch wees zijn hand met flauw gebaar -- „toeschoot om mij te redden van een misschien doodelijken val. Weigert gij hem den naam van overwinnaar, dan blijf ik hier als gevangene.”
Onhoorbaar stierf zijn stem weg, maar broeder Johannes bracht zijn woorden over aan Rolfr Jarl. Vaalwit werden diens trekken. Hij kende Olaf genoeg om te weten, dat hij woord zou houden en hij had hem noodig, als de Denen kwamen.
Hij zag, hoe op bevel van den bisschop het opnieuw roerlooze lichaam van den gewonde naar binnen werd gedragen. Met een gesmoorde verwensching wendde hij zijn paard en wilde, den Hohorst afrennend, het drijven door de rivier, zonder dat een der speerknechten het voerde bij den teugel, toen de bisschop hem in den weg trad:
„Rolfr van den Ravenhorst, een enkel woord.”
Zij stonden tegenover elkander; Rolfrs oogen rustten op den kerkvoogd met sombere dreiging:
„Gij wilt mij het heengaan beletten?”
„Ik schend gastrecht noch vrijgeleide.”
Rolfr beet zich op de lippen, met toornigen tred ging hij naast den bisschop voort, zijn vrouw trad hen in den weg. Met haar langzame, statige gebaren, omplooid door een dichten, donkeren sluier, haar staf, waarom een kunstig bewerkte bronzen Midgardslang zich kronkelde, in de hand, geleek zij een der sombere Noorsche Schikgodinnen. Wenkbrauwfronsend zag zij den bisschop in het gelaat: