Toen de duisternis dreigde...

Part 15

Chapter 153,954 wordsPublic domain

Graaf Ansfried leerde dien dag opnieuw, hoe zwaar het valt, volksoverleveringen uit te roeien, die eenmaal wortelden in volksgeloof. Voorwaar, Rolfr Jarl had ditmaal geen zware taak! Hoe dikwijls was hij -- gedurende de korte jaren zijner kerkelijke waardigheid -- niet genoodzaakt geweest krachtig op te treden tegen heidensche gebruiken, ingeslopen in den christelijken eeredienst, of gehandhaafd ondanks verbod en bevel. Het land was gekerstend sinds meer dan twee eeuwen, maar velen zijner bewoners waren daarom nog geen christenen.

Gespannen zag de bisschop naar den landweg. Het was hoog tijd om te vertrekken. Er zou te Utrecht veel te doen zijn. De stad moest versterkt en in staat van tegenweer worden gebracht, de heirban worden opgeroepen, boden gezonden door het land om het volk aan te manen zich te wapenen. Scherp wacht moest worden gehouden op den toren van ieder landkasteel, zoowel als op de heidehoogten, terwijl op de duinen roodgloeiende wachtvuren hoog opvlammend, elkander het teeken moesten geven van de landing der gevreesde vijanden.

Of de gravin-weduwe van Kennemerland reeds was gewaarschuwd of op haar hoede? De graven van die landstreek waren door den keizer belast met de kustwacht en de kustverdediging tegen de invallen der Noormannen. Maar de krachtige graaf Aernout was enkele jaren geleden gesneuveld op de made van Winckel in een zijner veelvuldige veeten met de woeste West-Friezen; zijn zoon Dirc nog een kind. En het berokkende zijner weduwe, de schoone Luitgarde, reeds zooveel zorgen, om het van alle zijden aangevochten erfdeel van haar zoon te beschermen, dat reeds nu diepe lijnen zich hadden gegroefd in haar blank voorhoofd, dat zich welfde onder den sluierkroon en den weelderigen diadeem harer golvende haren.

Neen, van die zijde was niet op hulp te rekenen. Had de bedrukte regentes nog niet kort geleden de tusschenkomst verzocht zijner gewapenden om het burggraafschap van Gent terug te verwerven, dat voor goed verloren dreigde te gaan van haar zoon, evenals dit reeds zijn vader was ontroofd?

Bisschop Ansfried wist zich aangewezen op eigen krachtsontwikkeling. Hij moest handelen, terstond naar Utrecht vertrekken en -- nog kwam Unruoch niet.

De avond viel snel en bij dit schemerlicht volbracht de bisschop zijn plicht van het oogenblik. Hij zocht eerst naar een kussen voor oude Lisa om haar den tocht wat gemakkelijker te maken in den zadel van een muildier op den weg vol kuilen en gaten en borg toen de kwartijnen, die de werken van Augustinus, de Topica van Aristoteles, de Aphorismen van Hippocrates en de godgeleerde beschouwingen van Athanasius bevatten in een leeren tasch.

Dichter werd de schemering, vale schaduwen wierpen de boomen, tot loodkleur verdofte het watervlak. Plotseling klonk het gedruisch van vele paardenhoeven door de suizende stilte. Zij kwamen! De bisschop greep zijn mantel. De eerste sterren glinsterden, avondrust was rondom. Nu kon de tocht aanvangen. Zij kwamen.... Maar, als overwinnaars niet.

Snel als de wind renden de bisschoppelijke ruiters over de bruine heide, Unruoch aan het hoofd, maar als een huilende Novemberstorm volgde hen Rolfr Jarl met zijn Denen. Pijlen snorden van den boog -- met lossen teugel reden de Denen -- wonden bijtende speren zochten hun wit. Reeds meer dan een angstig hinnikend paard zonder ruiter toonde, dat zij doel hadden getroffen. Nu bereikten de bisschoppelijke ruiters den waterkant. Slechts op een tiental schreden afstands waren de vervolgers. Hoog richtte Unruoch zich op in den zadel. Ver in ’t rond klonk zijn stem tot de ruiters:

„Redt u! Hier is het water ons behoud. Werpt u in den stroom, op den Hohorst zijt gij veilig!”

Ver in de meerderheid waren de Noorsche ruiters. Langer verzet was de dood. De mannen van St. Maarten begrepen het. Een sprong, een plons, de paarden voelden het water opspatten boven hun manen. Zwemmend poogden zij den tegenovergestelden oever te bereiken. Maar ondiep was de stroom. De modder van den bodem kleefde en trok omlaag. Het was een hachelijk oogenblik. Met stem en teugel vuurden de ruiters hun paarden aan. Vruchteloos arbeidden de vermoeide dieren, en de bende door Rolfr Jarl zelf aangevoerd, had hen bereikt. Thans trof iedere pijl zijn doel. Op den heuvel stonden de kloosterbroeders met den bisschop, hun eigen leven niet vreezend voor de snorrende pijlen, toch tot helpen machteloos.

Unruoch zag het. Hij stond nog alleen aan den oever, met zijn zwaard den overtocht der zijnen dekkend. De pijlen kletterden tegen zijn schild; als ijzeren veeren bleven zij er trillend in steken. Met smeekend gebaar wendde hij zich tot den bisschop:

„Blijf daar niet! Het bestaan van dit volk hangt af van uw leven. Met u staat en valt zijn vrijheid! De Denen!”.... Hij kon niet verder. Een pijl drong door de voegen van zijn helmkap. Bloed druppelde op zijn pantser. Het zwaard ontglipte zijn vuist.

„Grijpt hem! Grijpt hem levend!” dreunde de stem van Rolfr Jarl. „Dan”....

De belooning door hem toegezegd ging verloren in rumoer en geschreeuw, -- het antwoord op zijn bevel. Als honden op een gewond hert wierpen zich de Denen op Unruoch. Zij trachtten hem van het paard te rukken, hij verweerde zich als een wanhopige, de heirbijl in de ongewonde hand. Maar zijn krachten begaven hem, hij voelde het. Nog éen oogenblik en zij zouden hem op den grond werpen, hem sleuren over heide en boomstronken naar hun heer, die hem ten tweeden male niet zou vrijgeven -- door overmacht gedwongen. Krampachtig omknelden hem de gespierde armen in de harde lederen kolders, nog éen oogenblik.... Toen gaf hij zijn paard een slag met de heirbijl, die doordrong diep in de flank van het moedige dier. Een scherp, snijdend geluid, hoog steigerde het paard op zijn achterbeenen, in den wind fladderden de lange manen, met een ruk van getergde kracht, uit felle pijn ontstaan, wierp hij het verwarde menschelijke kluwen van zich, trappend, bijtend in schier razende woestheid. Toen nogmaals een sprong en neer ploften ruiter en ros in den stroom. Geen eigen gevaar meer achtend, waadden de enkele nog ongewond gebleven ruiters -- het was hun eindelijk gelukt den wal te bereiken -- terug. Na eenige oogenblikken zag Rolfr Jarl, met trekken donker van woede en drift zijn prooi ontsnapt. Tevergeefs dreigde hij met gebalde hand de ruiters; vruchteloos vergat hij den afstand, die hem van hen scheidde, door zijn teleurstelling te uiten in een woordenvloed, die hem tot gelijke stempelde zijner ruwste eigenhoorigen. Ten laatste zweeg hij met droge keel, naar adem snakkend. Met een ruk wendde hij zijn paard. Een pijl suisde hem voorbij, een tweede trof zijn hand, toen keerde hij zich opnieuw naar den Hohorst met een plotselingen inval:

„Des te beter! Ik rook den beer uit zijn hol!”

Norsch wendde hij zich tot zijn ruiters. Zij verwachtten zijn bevelen, sidderend, deemoedig. Hij wees naar de loodsen, den stal en het boothuis:

„Steekt die kotten in brand, maar bewaar de boot en houdt scherp wacht. Ieder die tracht over te steken zingt gij de lansenmis. Wij zullen ze uithongeren of van de aardsche jammeren verlossen, die verheven christenen! Vlammende pekkransen op het dak en geen teerkost binnenshuis! Past op, dat gij niemand doorlaat! Gij boet het met uw leven!”

Rolfr Jarl reed heen, de ruiters bleven. Van voldoening hamerde zijn hart met versnelden slag. Bisschop Ansfried zijn gevangene op den Hohorst en de Denen tot den inval gereed!

* * * * *

Oude Lisa strompelde dien avond door de velden. De sterren verlichtten haar pad, ook de ster met de gevreesde vurige roede. Zij klopte aan de huisdeuren -- van binnen versperd door een balk als waren er vijanden in ’t gezicht; op een kier werden zij geopend om haar in te laten. En dan zag zij:

In het eene gezin alle huisgenooten knielen voor de alruinen.

„Boer, boer! sta op! De bisschop is gevangen als een muis in de val!” klonk haar bevende stem. En zij verstond het antwoord:

„Is dat mijn schuld? Hij heeft ons die willen afnemen” -- met een gebaar naar de alruinen -- „en gij weet, wie een alruin uit den grond trekt moet sterven.[16] Zij waren de machtigsten, lang voordat keizer Karel leefde of nu de bisschop. Had hij de alruinen maar met rust gelaten, maar hij ging rond door het land om alle overblijfselen uit te roeien van het heidendom. Nu hebben zij hun wraak!”

De deur sloeg toe, de wachthond blafte, oude Lisa stond weer alleen buiten, onder den sterrenhemel. Zij ging met moeite het erf af, het vonder over, als een groet uit het Paradijs drong de lindengeur tot haar door. Doch geen paradijsvrede heerschte in de volgende woning waar zij aanklopte. Geknield lagen ook hier allen, maar doodsangst sprak uit den starren blik der oogen, radelooze wanhoop uit de saamgewrongen, omhoog geheven handen:

„Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons! Het is aanstaande, het oordeel komt! Heer, erbarm u onzer!”

„Menschen, komt tot je zelven! Let op het heden: onze bisschop!”....

„Vrouw, wat hebben wij met je noodig? Houd ons niet op: Het einde is nabij. Op Midzomer -- ik meen met St.-Jan is de groote, geweldige dag daar. En wij verbranden mee! Heer, erbarm u! Erbarm u!”....

Zwijgend ging Lisa. Allen dachten alleen aan eigen behoud, niemand scheen zich meer te herinneren, wat de grijze kerkvorst was geweest voor hen; hij, die zoo hoog in aanzien en macht, hier rondging als de minste der broeders om te raden, te helpen, te redden bij iederen nood. Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen....

Lisa’s voetstappen stierven weg.

Henno kruiste haar pad. Hij zag haar niet voor zij hem staande hield. Toen trof haar een blik vol doodsangst uit oogen, door droefheid verduisterd:

„Weet ge ’t al, Lisa? Mijn Yglo ligt in den slangenkelder van den Ravenhorst en verdronken is Trutha! Mijn vrouw dood, gevangen om te sterven mijn zoon! O, dat het einde ook voor mij kwam! nu, nù! Ik ben weggegeeseld van den Ravenhorst. Hadden zij mij maar dood geslagen! Waarom duurt het nog zoo lang, dat de wereld vergaat! Zoolang!”

Het was of de gebogen gestalte voor hem, rees. Beschikte inderdaad die oude, doffe stem over zooveel kracht?

„Omdat er nog veel te doen is in die wereld, ook voor jou visscher, ook voor jou!”

„Wat meen je, moeder Lisa? Wat meen je?” Zij verhaalde hem wat er op den Hohorst was gebeurd:

„Ik stond en zag het uit de verte. Een onderkomen was mij daar beloofd door onzen bisschop. Nu moet ik zwerven door ’t land, naar mijn hutje durf ik niet meer. Henno, hij was goed voor ieder van ons; niemand, die hulp behoefde, werd ooit door hem afgewezen en nu laten allen hem alleen. Allen, Henno!” De visscher verborg het hoofd in de handen.

„Ik deed het ook. God vergeve mij en rekene het mij niet toe! Ook ik vergat hem en nu is de straf gekomen! Ik was bij het offervuur, in vlammen ging mijn hoeve op. Den bisschop werd door Rolfr Jarl de dood gezworen en nu.... mijn vrouw, mijn kind!”....

„Maak het goed, Henno, maak het goed!”

„Hoe zou ik, arme man, dat kunnen?”

Toen ontwikkelde Lisa haar plan. Wat maakte die oude, onwetende vrouw zoo vindingrijk?

Een blik in het verleden:

Door de velden rende Rolfr Jarl met zijn stoet. De middagzon brandde; naar verademing hijgde geheel de natuur. Onvoordeelig was de jacht geweest; een zijner beste brakken had een jachtspriet in ’t lijf gekregen door de schuld van een drijver -- hij was op last van zijn heer dadelijk opgehangen. Nu reed Rolfr huiswaarts; wie de uitdrukking van zijn gezicht zag, sidderde.

Dietmer, den koeherder, zag hij van verre. Het vel eener koe met kop en horens er nog aan, slingerde hem over den rug. Rolfr spande den boog, terwijl de herder naderkwam. Grauwend klonk het:

„Wat waag je nu weer, aartsdief! Een van mijn koeien heb je dood gestoken om”....

Drift belette hem verder te spreken. Het gaf Dietmer gelegenheid smeekend uit te roepen:

„Heer, spaar mij! Het dier is zijn natuurlijken dood gestorven! Huid en kop lever ik u immers onbeschadigd, dan is de herder vrij van schuld.[17] Met zijn boog sloeg Rolfr den herder in het gezicht. Dat was zijn antwoord. Toen wees hij de Denen van zijn gevolg op een groepje hoorigen, dat het noenmaal verorberde: boonen, een stuk grof, zwart brood, na de zware morgentaak.

„Wij hebben heden een slechte jacht gehad. Jaagt op dat vee! Ik zal ze leeren, te luieren en te stelen!”

Met wilde bijvalskreten volgden de woeste Denen het bevel. Jacht werd gemaakt op de hoorigen als op de hazen en konijnen der heide. Gewond lagen zij weldra. De herder stierf door een boogschot van den Jarl. Lisa kwam van den molen. Ook haar trof een pijl in den arm.

„En ik ben vrijgeboren! Niet mijns heeren eigendom, met lijf en huid, als de hoorigen!”

Als de stervenskreet van het gehoonde recht klonk haar uitroep den geestelijke in de ooren, die de ongelukkigen vond in het veld, gekwetsten en dooden, nadat de jachtstoet onder hoorngeschal en lustig hondgebas verder was gerend.

Zij kenden hem geen van allen, dien man met het ernstig, denkend gelaat en het zilveren haar, de arme hoorigen. Hij droeg het eenvoudige, zwarte kleed der Benedictijner kloosterbroeders. Maar hij had de dooden begraven en gebeden bij hun lijk. Hij had de gewonden verpleegd met eigen hand, ze gebracht naar den Hohorst en gelijk eerst voor de dooden bad hij nu met de levenden. En terwijl hij hen tot lijdzaamheid aanspoorde in hun lot en hen wees op den Gekruisigden Heer, Wiens last den hunnen had overtroffen tien- en honderdvoud, daalde berusting in menig tot weerwraak getergde borst en werden klachten en verwenschingen omgeschapen in gebeden tot God, Die eenmaal alle tranen zou afwisschen van de vermoeide oogen.

„Niet Hooge Horst, Heilige berg, moest deze plek heeten!”....

Het was het laatste woord van een stervende, die het eeuwige leven had gevonden op de plaats waar hij het aardsche liet, maar het ging van mond tot mond en het werd nooit meer vergeten in geheel den omtrek -- nimmermeer. Ook door oude Lisa niet. En daarom wist zij heden een uitweg, nu allen versaagden....

Mistroostig zaten Walger en zijn vrouw op den grond voor hun half verwoeste woning. Nu was er vuur noch visch, gejoel noch bruin bier. In wanhoop had hij eindelijk zich zelven verlost uit den schandkorf, met het touw door te snijden. Met veel moeite, doornat aan wal gekropen, na zijn plons in het water, was hij terstond gegrepen en op den „blauwen steen” voor het gehate heerenhuis te pronk gesteld, tot de avond viel. Toen werd hij den Ravenhorst afgejaagd en thuiskomend had hij zijn vrouw gevonden als een waanzinnige gillend in zijn bijna geheel omgetrokken woning. De kinderen waren weggeloopen, waarheen wist niemand. Nu zaten zij en staarden in den nacht.

„Vloek over Rolfr Jarl!”....

„Voltrek dien! Hij houdt onzen bisschop opgesloten op den Hohorst. Dàt doet hij nu!”

Lisa’s stem drong aan, maar Walger kroop weg van angst onder een wilgenstruik.

„Ik een geringe, arme man? Hoe zou ik de hand durven opheffen tegen den Jarl, die machtig is en groot?”

„Zijt gij niet evenzeer vrij geboren als hij?”

Uit den wilgenstruik klonk geen antwoord, maar de vrouw mompelde -- op welk een anderen toon dan de vorige maal! -- „De dagen zijn geteld, waarin de wereld nog bestaat. Wat zullen menschen elkander richten? Het oordeel komt!”....

Zij zweeg en Lisa met haar. Hier was geen hulp te wachten. Angst en moedeloosheid voerden deze menschen tot radeloos afwachten. Zij hieven hen niet op tot zelfvergetelheid door mede-lijden met anderen, even zwaar of meer nog getroffen dan zij zelven.

[16] Van den Bergh: Ned. volksoverleveringen.

[17] Noordewier: Ned. rechtsoudh.

HOOFDSTUK XVII.

Olaf Erikson had zijn zending niet behoeven te volbrengen. Het zwerven door het land en langs de kust, gevaarvolle taak, waarbij zijn leven op het spel stond, indien iemand den Noorman in hem herkende, was hem bespaard. Nog had hij het Goye niet verlaten toen hem, bij het oversteken der Vecht, zijn oude schilddrager Holger, dien hij op de vloot had achtergelaten, begroette met handslag en vreugdewoord. Want, goede tijding bracht hij:

Een kleine bende was, begunstigd door den nacht, met eenige booten geland niet ver van Noortic. De weinige kustwachters waren door hen overrompeld en de seinvuren gedoofd. Holger zelf had deel genomen aan dit eerste heldenfeit.

„Gestoken in de plunje der kustwachters nemen nu de onzen hun plaats in. Geen seinvuren zullen dus vlammen op de toppen der duinen. Ongehinderd kan de vloot bij Leithen landen om zoo door te dringen in het hart van het land. In Kennemerland en in Masaland heerscht evenwel reeds de grootste verdeeldheid, naar mij werd verhaald. De heeren strijden tegen elkander, de gravin voor het erfland van haar zoon en het volk loopt de slagen op van beide zijden. Dáár zullen wij geen tegenstand ontmoeten; ieder is vervuld met zijn eigen belangen en verschanst zich in burcht of toren of kiest het hazenpad.”

„Maar het algemeen gevaar kon de bijzondere veeten doen vergeten. Dat zou niet voor de eerste maal zijn. Keer daarom terug, zoo snel gij kunt en vraag Harald Sigvatr uit mijn naam de vloot bijeen te houden en er voor te waken, dat het volk zich niet verspreidt en in de kustplaatsen aan het plunderen raakt om onze macht te verbrokkelen. Spoedt u allen naar Utrecht. Daar ontvangen wij versterking en vinden een bondgenoot in Rolfr Jarl.”

De schilddrager knikte:

„Ik volbreng uw last, Olaf Erikson.”

„Het is nu niet meer noodig, dat ik verder ga. Twee dienstmannen van Rolfr Jarl zullen de vloot ten gids strekken.”

Zoo betrad Olaf opnieuw den Ravenhorst. Het onstuimig verlangen naar zijn jonge bruid dreef hem voort. Rolfr Jarl was afwezig. Vrouw Sigrid verscheen niet. Onaangediend ging hij de nauwe, kronkelende steenen trap naar de hal. Door de halfronde vensters -- alle in dubbelvorm -- vielen de zonnestralen met gouden tintelgloed. Uit den hof klonk de stem van den Skald; met strofen in eindrijm gedicht:

„Waar Walhalla’s hooge halle, Glinstert in den glans van goud, Daar kiest Wodan iedren morgen Helden zich, ’t zij jong of oud. Wie hier viel zijn naam ter eer Groet bij hem den morgen weer”....

Onwillekeurig zocht Olafs hand het kleine, zilveren godenbeeld, dat aan een gouden snoer op zijn borst hing, onder den met franje omzetten rooden mantel. Hij wenschte vurig te leven; met versnelde slagen joeg zijn hart. Wat kon hem het schitterende Glansheim en Alvaders godenzaal baten als hij geluk en liefde moest achterlaten op aarde?

Uit het afgescheiden gedeelte der zaal trad door het breed neerplooiend gordijn Swanwitha. Zij kwam uit den huistempel, waar zij het dagelijksche offer van brood en vleesch had neergelegd voor Wodans beeld. Ernstig en droevig was haar schoon gelaat. Zij scheen het tegendeel van gelukkig. Hij snelde naar haar toe en omvatte haar in zijn armen. Met een gebaar vol wanhoop weerde zij hem af:

„Laat mij gaan. ’t Is ’t eenige wat ik u vraag.”

„Ge zijt mijn bruid, Swanwitha. Gij draagt mijn ring.”

Zij zag neer op den smallen, gouden band met een blik vol afkeer.

„Door dwang. Zóó zou ik geen bruid begeeren. Wij kenden elkander niet eens. Hoe kunnen wij dan”....

Zij sloeg de handen voor het gelaat en zweeg in een snik.

Getroffen zag hij haar aan. „Ik had je lief in ’t zelfde oogenblik, dat ik je zag,” sprak hij gesmoord. Verstikt in hartstocht beefde zijn stem.

„Maar ik niet! Olaf, geef mij mijn vrijheid weer! Wees barmhartig voor mij! Liever sterf ik dan.... Liefde, dat groote, machtige gevoel kan niet worden gedwongen, dan wordt wat verheffen moest verpletterd door laagheid. Olaf, neem dien ring terug, geef mij vrij!”

Zij sloeg de oogen tot hem op, dringend, radeloos. Spanning en angst joegen haar een blos op het gelaat. Nooit had zij hem zoo schoon toegeschenen als in dit oogenblik. Welke reden had zij? Gesmade liefde deed ijverzucht ontbranden, gloeiend in schrijnende pijn.

„Ge hebt een ander lief!” barstte hij uit. Verward wendde zij zich af, schier vluchtend uit de hal. Toen wist hij zijn vermoeden juist. Een heete gloed steeg hem in ’t gelaat bij de vraag: „Wie, wie!”....

Was zij misschien betooverd? De nagelbloemen bloeiden. Had een vijand die misschien in ’t geheim gebakken in het brood, dat zij at? Dan was de betoovering ongeneeslijk. Maar zij droeg immers een gedroogden brandneteltak tusschen de voering van haar mantel. Vrouw Sigrid had hem dit zelf gezegd. Dit bewaarde haar tegen alle tooverij. Hij verwierp daarom zijn eerste denkbeeld. Er was dus iets anders. „Wie -- wat?” Het martelde hem. Hij was gewoon, dat maagdenblikken schuchter zijn gelaat zochten, om zich dan snel weer te verbergen achter de lange wimpers en thans was de schaduw der onverschilligheid tusschen hem en de vrouw, die hij liefhad vol hartstocht en zelfzucht. Wie, wat scheidde hen? Als een warrelende duizeling, éen met den maalstroom der gedachten, die hamerden in zijn hoofd, zwermde een breede vlucht van raven om den toren. Het was hem of zij een zwarte schaduw wierpen over het in licht badend landschap, of hun krijschende schreeuw de echo vormde van zijn wanhoop. Hij knarsetandde en beet zich de lippen tot bloed. Zijn hartstocht begeerde haar, hij wilde haar bezitten, gelukkig zijn.... Gelukkig -- zij ontvluchtte hem, smeekte om haar vrijheid.... Nooit zou hij haar die hergeven, nooit!.... Een zware tred dreunde op de steenen treden, een harnasschoen ratelde. Rolfr Jarl kwam. Hij was uitgereden om den Stuthenborch plat te branden. In weinig woorden deelde Olaf hem mee, dat de vloot in aantocht was. Rolfr lachte, hard en snerpend -- volgens zijn gewoonte. Een zegevierende trek speelde om zijn vastgesloten lippen.

„Als de laatste lansenmis gezongen is voor het christengebroed zal Miölners bruidszang voor u weerklinken, Olaf!”

Hij trok de schouders op, neerslachtig: „Misschien. Swanwitha wil niet.”

„Wat? Dat kind? Zij heeft geen wil, ik wil voor haar.”

„Wanneer een vrouw iets niet wil, wie dwingt haar dan? Swanwitha is in staat zich van den toren te werpen, eerder dan onder mijn zwaard door te treden als mijn bruid. Ik verliet een kind, een vrouw vind ik terug. Wat is er gebeurd?”

Rolfr smoorde een verwensching tusschen de tanden.

„Heeft zij niet gezegd wat zij wil?”

„Neen, alleen wat zij niet wil.”

„Echt vrouwelijk. Gij behoeft u er niet aan te storen. Hij zit als een rat in de val en de klep is dicht.”

„Ik begrijp u evenmin als straks Swanwitha.”

„Zij is de speelbal van Unruoch, maar heb geen zorg: met den bisschop en zijn aanhang zit hij in de klem op den Hohorst.”

Rolfr verhaalde wat gebeurd was gedurende zijn afwezigheid en Olaf luisterde zonder te verstaan. De raven krasten boven zijn hoofd en het scherm hunner zwarte vlerken scheen hem als een rouwsluier, die zich verstikkend zou leggen over al zijn hoop en geluk -- eigen geluk. Hij begreep niet volkomen wat in hem omging, maar hij voelde, hoe woede en jaloerschheid bezit van hem namen, geheel. Zijn wenkbrauwen trokken samen, diep groeven zich zijn tanden in de onderlip; in stilte deed hij zich zelf een gelofte...

Het was waar wat Rolfr Jarl zei, volkomen! Waarom had hij het niet eerder verstaan? Had hij niet meer dan eens een snellen blos zien komen en gaan, wanneer de naam van Unruoch werd uitgesproken in haar bijzijn? En als hij zelf onverwacht binnentrad bleef zij stil, neerslachtig voor zich uitstaren. Hij vond haar dan met de naald in de hand naast haar grootmoeder, die haar bestrafte omdat zij niet werkte. Schuw wendde zij de oogen af als hij haar naderde... Zijn ijverzucht steeg tot brandende physieke pijn. Vergelding zou hij zoeken en ook weten te vinden. Met een slag zette hij den beker, hem door den hofmeester geboden, neer op den bronzen disch. Zijn vingers hadden het fijn bewerkte metaal gedeukt. Van hartstocht trilden zijn lippen toen hij mompelde: „Ik zal mij wreken.”