Toen de duisternis dreigde...

Part 14

Chapter 143,977 wordsPublic domain

Een vrouw richtte zich op tusschen het lisch, een ellendig, erbarmelijk wezen, met een schootsvel en sandalen van boombast, nauwelijks voldoende gekleed met een hemd en rok van grof hennipgaren. Met haar doffen blik zocht zij den bisschop, eenige eendeneieren hield zij in de magere hand.

„Die breng ik aan Lisa, zij heeft mij van haar boonen gegeven en jonkvrouw Swanwitha ligt ziek in haar hut, zoo bleek als een geest. -- Geen wonder: haar eigen grootvader, die helhond, heeft haar uit zijn huis gejaagd.”

Zoo snel hij kon ging de bisschop naar oude Lisa’s vervallen hut. Hij zag het bleeke hoofdje rustend op den vloer tegen een kussen van boomschors en dorre bladeren. Ingezonken waren de oogen. Tooverspreuken prevelend wreef Lisa met de palm harer hand Swanwitha de gekneusde leden.

„Is het geen gruwel, heer bisschop?

Op den drempel van den Ravenhorst lag zij als een bloedend lam. O, ’k wou, dat ik hem zelf daar zoo zag liggen, dien duivel”....

„Stil, Lisa! Gij moet uw vijand vergeven, zeventig maal zeven maal, de Heer wil het!”

„Dat kan ik later in den hemel misschien doen, maar hier niet.”

„Gij zult den hemel niet binnengaan, als ge het hier niet leert.”

Zij zweeg en boog zich over Swanwitha.

De flauwe ademhaling werd een weinig dieper. Geduldig wachtte ook de bisschop. Eindelijk sloeg de half bewustelooze de oogen op, die hun glans hadden verloren, evenals haar gelaat zijn blos. Vol nameloozen angst, iederen polsslag trillend van vrees, hief zij het hoofd op. Haar gloeiende vingers grepen de hand van bisschop Ansfried:

„O, help mij! Breng mij ver weg van hier, ver weg! Ik wil nooit meer naar huis, nóóit meer!”....

Onder snikken en tranen vertelde zij alles, om toen, met dubbelen nadruk te herhalen: „Nooit meer!”

Hij had haar zwijgend aangehoord en nu, terwijl haar oogen vol angst, smeekend de zijne zochten, kwam weer die zonderlinge ontroering over hem: geleken twee sterren, twee witte leliën zoo op elkander als dit kind op zijn verloren dochter? En weer dacht hij aan al het leed, dat Rolfr over zijn leven had gebracht.

„Hoe heette uw moeder, mijn kind?” vroeg hij plotseling, zonder eenigen overgang.

„Gisela.” Verwonderd klonk het. Swanwitha had een ander antwoord verwacht op haar droeve klacht, maar het hart van den bisschop hield bijna op te kloppen.

„Zij was gehuwd met den eenigen zoon van.... van”....

Zij knikte. „Ja, en nu heeft hij mij geslagen, zooals vroeger haar. O, toen zij leefde was alles anders. Een boek van den goeden Herder had zij ook. Grootmoeder wou het mij afnemen, maar ik”....

„Waar is het nu?”

Vol belangstelling werd het gevraagd.

Toch verwierp de bisschop als een hersenschim -- wat hij hoopte. Zijn kind de vrouw van Rolfr Jarl’s zoon.... Te ongerijmd was die gedachte. Hij hoorde Swanwitha vervolgen:

„Het boek is th -- daar waar ik niet meer heen wil.”

Zij richtte zich op. Een flauw rood kleurde haar wangen. Het was of haar kracht keerde met haar vast besluit. En dringender klonk haar zachte stem:

„O, neem mij mee! Verberg mij! Ik kán niet meer naar h -- daarheen!”

O, hoe gaarne, hoe gaarne had hij haar beschermd voor de gansche wereld, tegen de ruwheid van dien enkele! Met zijn leven had hij haar geluk willen koopen. Maar beslist klonk zijn stem:

„Neen, mijn kind, dat kan niet!”

Zij liet het hoofdje hangen en barstte uit in tranen, die gloeiden op zijn hart.

„O, waarom niet, waarom niet! ’t Is daar zoo vreeselijk!”

„Omdat Rolfr Jarl uw grootvader is en uw ouders u toevertrouwden aan hem. Volgens de wet en van rechtswege is hij uw voogd en momboir. Alleen als gij andere verwanten bezat u even na bestaande”....

Weer trilde zijn stem en weer zweeg hij; neen, het was onmogelijk. Had hij niet overal gevraagd en gezocht, na het groote onheil zijns levens?....

De zoon van Rolfr was toen zelfs niet gezien in het land en verscheidene jaren daarna nog niet. Hij mocht dit kind niet afbrengen van haar plicht, hoe ook zijn hart hem drong haar te helpen.

„Als het leven u zwaar valt, waarom zoekt gij dan geen steun bij hem, wien gij u hebt toevertrouwd voor het leven?”

Toen zocht zij tevergeefs naar woorden, vele oogenblikken. Eindelijk klonk het nauw verstaanbaar:

„Dat is het ergste! Ik wil zijn vrouw niet worden en ik moet!”

Opnieuw verstikten tranen haar stem. Maar de bisschop legde de hand op haar schouder met ernstig gebaar.

„Als gij hem niet liefhebt, dan moogt gij zijn vrouw niet worden, nooit, wie het u ook gebiedt, wat zich tegen u kant. Gij mòogt niet. Het is doodzonde. Wie om hoogheid en eer bij de menschen, om goud of goed, door dwang of bevel zich laat verbinden voor het leven, zonder diep te dragen in het hart de liefde, „die alles gelooft, hoopt en verdraagt,” de liefde „die nooit wordt verbitterd en nooit zich zelve zoekt,” -- die is een zelfmoordenaar gelijk. Want hij doodt zijn eigen eer met alles wat hoog en edel, en voor de eeuwigheid is geschapen in zijn hart.

Swanwitha, gij moet openlijk spreken en zonder vrees met hem, die u als bruidegom werd opgedrongen, met hen, die u dwongen tot die verloving. Het is uw hoogste plicht. Ik zal met u naar Rolfr Jarl gaan en trachten”....

„Haar nog verder van den rechten weg te brengen. Naar buiten, zeg ik u!”

Een scherpe vrouwenstem sprak het woord, een harde hand schudde Swanwitha bij den schouder.

„Grootmoeder!”

Welk een wanhoop lag in dat eene woord! Streng zag vrouw Sigrid haar aan:

„In het kot van een oude tooverkol vind ik je dus, in gezelschap van een christenpriester, eervergeten wezen! Er uit, zeg ik je, weg! En wat jou betreft” dit tot de bevende Lisa -- „je zult gauw genoeg gerookt worden uit je hol en -- heksen moeten branden, ha, ha!”

Zij dreef Swanwitha naar buiten, zij versperde den bisschop den uitgang. Hij trad haar in den weg, hoog, bevelend.

„Vrouw, zie toe wat gij doet! Gij brengt het oordeel over u zelve!”

Een uitdagende blik trof hem, zij hief haar hand op tot een slag. Lisa kroop naderbij op de knieën.

„Vrouw Sigrid, o, vrouw Si”....

De slag trof haar, het oude, stramme lichaam kromp ineen. Swanwitha schreide.

„Vrouw Sigrid, ik daag u voor mijn gericht. Gij kent de straf door wet en recht voor ieder bepaald, die een vrijgeborene tuchtigt.”

„Ik lach om uw wetten en rechten; bij mij geldt alleen het recht van den sterkste. Wat laat gij u in met de zaken van mijn kleindochter? Zij is niet meerderjarig, ik heb hier te bevelen, niet gij.”

„Gij zult zien, wat ik vermag. Ik zal niet rusten....”

Zij liet hem niet uitspreken, met een zwaai had zij Swanwitha voor zich op het paard geworpen. Nu reed zij met haar weg, zoo snel de ongelijke weg het toeliet.

Machteloos moest de bisschop het aanzien. Zijn hart bloedde. Een flauw kreunen klonk in zijn nabijheid. De slag, die oude Lisa had getroffen, was aangekomen.

Toen zag hij den plicht, die het dichtste bij was. Hij richtte haar op:

„Lisa, ga naar den Hohorst, eer de speerruiters komen. Ge hebt de bedreiging gehoord. Ge zult het daar beter hebben dan hier en ik zal je beschermen.”

Zij kuste zijn hand, een traan rolde over haar gebruinde wang. Sinds vele jaren had niemand zich om haar bekommerd of naar haar omgezien, bij verdriet en rouw. Beschermd, zij.... Een weldadig gevoel sloop haar in leed verstijfd hart binnen.

HOOFDSTUK XV.

Trutha en Yglo vluchtten door het woud. De dienstmannen van den Ravenhorst zochten hen. Zij droegen den leeren kap over een ijzeren kruis gespannen en den ongelooiden kolder. Sommigen hielden hun ijfel vast en hadden gepunte en gevederde bouten aan den gordelriem -- boogschutters alzoo. Anderen waren gewapend met kolf en speer, een drietal slingeraars met wollen kap en overkleed, voerd den stokslinger mee -- het zou een felle jacht worden.

Yglo hield het meisje bij de hand; zoo snel zij konden, liepen zij voort, maar de meesten der jagers op dit menschelijk wild waren te paard, en de overigen drongen tusschen het struikgewas -- de kans van ontkomen was gering. Toch troostte Yglo haar zoo goed mogelijk:

„Houd je maar goed, Trutha! ’t Wordt al gauw avond en dan zullen wij wel uit het bosch weten te raken. Wij moeten ons op den Hohorst maar niet ophouden; recht door naar Utrecht. „Stadrecht breekt landrecht,” zooals de jonkvrouw zei. Als de weg je maar niet te lang valt! Wij zijn geheel zonder teerkost.” Zij trachtte hem op haar beurt te bemoedigen.

„Daarvoor is geen zorg! Iedere reiziger mag immers visschen in het water langs zijn weg, als hij maar terstond zijn vangst braadt aan den oever. Drie rapen is ’t elk vergund in ’t voorbijgaan te roden van den akker, drie vruchten te plukken van elken dragenden boom.[15] Als wij de speerruiters slechts kunnen ontkomen!”

Als!.... Het geluid van snelle schreden kwam dichter bij; vloeken en verwenschingen klonken, wanneer een laag hangende tak een der vervolgers in het gelaat zwiepte. Tusschen het groene scherm der boomen glinsterden wapens....

„Zij komen! Zij zien ons! Gauw! Voort!”

Met haastige, ongelijke schreden trok Yglo zijn gezellin mee. Zijn voet bleef steken in den drassigen grond, aan een doornstruik haakte Trutha’s rok. Yglo liet zijn plompen, houten schoen in den steek, zij een breeden rand van haar kleedje.... Voort snelden zij, voort!....

Niet lang meer:

Na enkele minuten zagen zij, op nauwelijks een boogschot afstands, de speerknechten. Met gestrekte wapens trokken zij om de vluchtelingen een kring; opgewonden hitste een der voorsten met stem en gebaren een bulhond op hen aan:

„Daar, daar! Pak ze, Snel! Daar!” Huilend en blaffend sprong de hond voorwaarts, zijn scherpe tanden blikkerden. „Pak ze, Snel! Pak ze!”....

Radeloos zag Yglo om zich heen. Aan de eene zij waren de vervolgers, aan den anderen kant stuwde de stroom zijn breede golven door het verlaten landschap. Hij bedacht zich geen oogenblik. Met een ruk trok hij Trutha in zijn sterke armen. Met wilde sprongen bereikte hij den oeverkant. Vlak achter hem huilde de hond. Pijlen snorden van den boog boven zijn hoofd. Een sprong, een plons -- hij lag in het water. Krampachtig hield hij Trutha vast met de eene hand, met de andere trachtte hij zwemmende den tegenovergestelden oever te bereiken.

„Pak ze, Snel! Hij wil overzwemmen! Pak ze!”

Jankend en keffend sprong de hond de vluchtelingen achterna. Weer snorde een pijl van den kruisboog. Trutha, half wezenloos van angst, slaakte een gil. Rood werden de zilveren golfjes, die zich om haar sloten als wilden zij haar met hun blanke kracht beschermen tegen het geweld der menschen.

„Vooruit! Snel, na! In het water!” schreeuwde een boogschutter aan den kant. Weer gonsde een pees van den boog. Yglo voelde een stekende pijn in zijn schouder, als verlamd viel de arm neer, die Trutha omknelde. Zij zonk in den stroom, de glanzende sluier van zilveren waterdruppels sloot zich boven haar. Zouden de wateralven haar dragen naar hun zuilenhal van doorzichtig kristal?

Die gedachte deed Yglo een zucht van verlichting slaken; geen menschelijk wezen kon haar dan meer bereiken of leed doen: de wateralven beschermden haar, voerden haar veilig.... Bloeiende struiken, lisch en rozelaren bogen ver over den oeverrand en vlochten hun taaie en doornige twijgen tot een ondoordringbaar net. Yglo had nog even tijd dit te zien, toen grepen ruwe vuisten hem bij de schouders, toen voelde hij den scherpen beet van een hond in zijn ongewonden arm.

„Trutha! Vaarwel!” In een snik klonk het. Een slag op zijn mond smoorde zijn stem. Aan land voelde hij zich gesleurd door vier gespierde vuisten.

„Laat het vrouwspersoon maar liggen! Zij behoort aan de wateralven. Zij zouden hun pijlen op ons afschieten, als wij haar meenamen. ’t Is genoeg, dat wij hem hebben!”

Het waren de laatste woorden, die Yglo verstond; als hij weer bij kwam zou hij met ketenen zijn gekluisterd aan den wand in den kerker van den Ravenhorst....

De golven schuimden over Trutha heen, zacht hieven zij haar roerlooze gestalte op en droegen haar verder in hun witte waterarmen tot zij tegen een met mos bedekten boomstam stieten, die aan de eene zijde den stroom stremde in zijn loop. De golfjes bekommerden zich niet om het beletsel, dat die boomstam gaf aan hun reis naar de zee; klaterend sprongen zij verder een man te gemoet, die de rivier oproeide in zijn plompe boot. Trutha bleef alleen achter, de avondhemel was met een smalle streep nog even zichtbaar boven haar hoofd. De rozelaar bewaakte haar met zijn groene doorntwijgen en het slanke lisch bloeide als een wacht van speren om haar heen. De azuren luchtstreep wierp zijn glans in de groene duisternis en de witte schuimdruppels geleken een snoer van parelen op een koningsmantel van blauw sameet.

[15] Noordewier: Ned. Rechtsoudh.

HOOFDSTUK XVI.

Bisschop Ansfried was teruggekeerd van zijn dagelijkschen tocht. Het geheele verhaal van Rolfr Jarls strafoefeningen en bedreigingen was hem door het ontstelde landvolk meer dan eens gedaan. Allen die den Noorman vreesden, wellicht meer nog dan de macht die hij bezat, had de bisschop een schuilplaats aangeboden op den Hohorst. Gelast had hij hun vrienden en verwanten te zoeken, die nu voor hem vluchtten of den balk legden in de haag. Vol aandrang waren allen door hem vermaand om te blijven bij het geloof, waarin zij waren opgegroeid en, dat zij eens hadden beleden, zich niet uit vrees te laten meesleepen door voorstellingen van heidensche dwalingen.

De zon ging onder, het water vlamde op in purperschijn, alleen tusschen de dennenstammen glinsterde nog het scheidend licht als vloeibaar goud.

De bisschop maakte zijn laatste beschikkingen. Broeder Johannes was bij hem, de eerste, die hem bericht had gegeven van het tooneel bij den grafheuvel. Hij had dien nacht gebeden bij een stervende en werd zoo de onwillekeurige getuige van de komst der Druïde: ondanks het streng verbod had geen der wachten hem den weg versperd. Zoo had hij gestaan achter de haag van eikenhakhout en elzenstruiken, zoo had hij gezien en gehoord. Het zaad, door de bewoners van den Hohorst uitgestrooid met milde hand, was liefde geweest, het was ontloken in de harten. De doornen van machtsvertoon noch bevel konden het verstikken: geen der wachters had hem gegrepen of teruggewezen.

„Broeder Johannes, zorg dat de pakpaarden beladen worden en de muildieren gezadeld. Zoodra jonker Unruoch terugkeert, vertrekken wij, onder bedekking zijner ruiters, allen naar Utrecht. Melden zich nog landbewoners aan, die vluchten voor Rolfr van den Ravenhorst, neem ze op in den trein. ’t Is hier niet veilig meer.”

„Uw Hoogeerwaarde weet dus stellig, dat de Denen”....

Broeder Johannes bleef steken; een rilling liep door zijn tengere leden; doodsangst sprak uit ieder gebaar.

„Helaas, ja! Gisteren zond de kustwachter van Witlam mij een bode. Negentig zeilen waren door hem geteld, maar tegenwind had de vloot het ankeren of het land in te zeilen belet tot nu toe. Tot nu toè. Wie weet hoe het thans reeds is. Het zal een zware strijd worden. En nog is bijna geen enkele sterkte, die ik liet bouwen om de grenzen te verdedigen van het bisdom, gereed, slecht bemand zijn zij alle. Indien de landzaten slechts kodde en dorschvlegel grijpen, zoodra de nood daar is, maar Rolfr Jarl verlamt hun kracht.

Moge de onze echter door het gevaar worden verdubbeld. Voor geloof en geboorteland hoop ik te waken, als droeg ik nog pantser en zwaard. Houd ook gij u kloek en manhaftig, broeder. En als gij geen kracht in u voelt een speer te grijpen, doe dan uw plicht bij de gewonden en stervenden, ook dan wanneer de gevallenen Denen zijn.”

„Bij de Denen! Die duivels, die man, vrouw, noch kind ontzien?”

„Wilt gij een christen heeten en door geen daden toonen, dat gij het zijt?

Zelfverloochening en barmhartige liefde tot vijanden eischt de Heer.”

„En wie beslist hoe spoedig wij allen staan voor Zijn aangezicht! St. Jan is nabij!”

Broeder Johannes verborg het bleek gelaat in de magere handen, zijn tanden klapperden op elkaar:

„Heer, heer, gij wilt niet, dat wij er over spreken of er geloof aan slaan, maar ieder zegt het, iedereen, de geheele wereld, heer! Gij herinnert u toch ook de beide broeders uit Parijs, die te Utrecht in ons klooster kwamen, nog geen maand geleden? Zij keerden terug van een pelgrimstocht naar het graf van den apostel Petrus te Rome, zij verhaalden hoe ieder in Frankrijk en Italië geloofde, dat het einde van alle dingen aanstaande is. Alle bedrijven en zaken staan daar stil, alle schenkingen aan de kerk beginnen met: Appropinquante mundi termine.

Schrik en rouw vervullen ieder gemoed en de godsvrucht neemt toe met de vrees.”

„Is dàt godsvrucht ontweld uit reine bron, broeder Johannes? De liefde sluit de vrees buiten.”

Broeder Johannes zweeg enkele oogenblikken, toen klonk het opnieuw gedempt:

„Ach, heer bisschop, wij zijn allen zondige menschen, tastend en dwalend zoo lang wij leven. Maar is het duizendjarig rijk niet weldra ten einde, en staat er niet uitdrukkelijk in de Openbaring:

„En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit zijne gevangenis ontbonden worden”....

„En zijn bij God niet duizend jaren als éen dag, en éen dag als duizend jaren? Waant gij, dat de Eeuwige rekent met aardsche tijden en uren? Jezus zeide: Die dag en die ure kent niemand, en zich grondend op Zijn woord heeft geen der kerkvaders het ooit gewaagd den dag te bepalen van het jongste gericht. Wat God verborgen houdt in Zijn ondoorgrondelijke wijsheid, mogen menschen daarvan den sluier trachten op te lichten?”

„Gewis niet, maar het geloof aan den aanstaanden ondergang bestaat nu eenmaal bij klein en groot, bij vorsten en dienstmannen, bij vrijen en hoorigen. In de kerken te Parijs wordt openlijk gepredikt, dat de wereldbrand aanstaande is, dat eerst de Antichrist zal verschijnen en, dat daarna het oordeel komt. „Als Maria boodschap en Goede Vrijdag op een dag samentreffen, is het einde daar!”...

Gij kent toch ook die voorspelling heer bisschop, gij toch ook! En is die dit jaar niet in vervulling gekomen?

O, er is geen hoop meer, geen hoop, geen enkele lichtsprank in den nacht!”

Met een gevoel van innig medelijden zag de bisschop neer op den jongen man, wien folterende angst klamme druppels op het gelaat deed parelen. Hij wist, dat duizenden en tienduizenden dachten, geloofden als hij, dat vijanden zich verzoenden en koningen zich verootmoedigden... Ried broeder Johannes zijn gedachten toen hij voortging:

„Koning Robert van Frankrijk is door paus Gregorius, nu juist twee jaar geleden, in den ban gedaan, omdat hij zich niet wilde laten scheiden van zijn vrouw, koningin Bertha, die hem te na in den bloede bestaat. En thans is de koning tot die scheiding besloten, „omdat nu toch de wereld zal vergaan, nù!”

„Maar paus Gregorius heeft den koning in 998 -- wegens zijn weigering -- veroordeeld tot een _zevenjarige boetedoening_. Wijst dit op den ondergang der wereld in dit jaar?”

„Ik weet het niet, ik kàn niet meer! Mijn hoofd, mijn hoofd!”...

Meewarig schudde de bisschop het hoofd. Van hoeveel zielsangst, nachtwaken en vasten verhaalde dat ontvleesde gelaat!

„Broeder Johannes, gij zoekt het op een verkeerden weg. Dien uw God door liefde tot uw naasten, door te vertrouwen op Hem en op de reddende genade van den Zaligmaker, Die ook voor u heeft geleden en is gestorven.”

Hij nam een klein, in francyn gebonden boekdeeltje van het rek aan den wand.

„Lees opmerkzaam, zoodra wij te Utrecht zijn aangekomen, dezen „Libellus de Antichristo.” Het is reeds bijna een halve eeuw oud en geschreven door Adson, den geleerden abt van Mons-Dervense, in Champagne.”

Begeerig strekte broeder Johannes de hand uit.

De bisschop hernam: „Koningin Gerberga was destijds even bekommerd als gij nu. Op haar verzoek -- zij wenschte zoo vurig te weten wat de Bijbel zegt omtrent den Antichrist en zijn gevreesde macht -- werd het boekje geschreven. De laatste regels luiden: „Ik geloof, dat niemand weet, hoeveel tijd er zal voorbijgaan tusschen de komst van den Antichrist en het Laatste Oordeel, maar dit blijft ter beschikking Gods, Die de menschheid zal oordeelen in het uur, dat Hij daartoe voor eeuwen heeft bepaald.” --

„Moge de lezing ook u tot kalmte brengen, broeder, gelijk zij dit eens koningin Gerberga deed en dit geschrift u tevens leeren berusten in Gods wil door te gelooven in Zijn heilig woord. Ga echter nu de plichten volbrengen, die thans op u wachten. Ook het aardsche leven stelt den mensch zijn eischen.”

Zegenend legde de bisschop hem de hand op het hoofd; een groot gevoel van rust kwam in het gefolterde hart van den jongen broeder, toen hij in het opgeheven gelaat zag voor hem, door leed veredeld, door geloof gewijd, rust bezittend en rust gevend.

„Ach, dat allen waren als hij! De wereld zou anders zijn, beter!” fluisterde het in zijn hart, toen hij heenging om een der kleine plichten te volbrengen van het leven, allen schakels van een groot geheel. En hij dacht nogmaals, hoe verklaarbaar het was, dat door zijn volgelingen de grijze kerkvorst zoo hoog werd vereerd. Zijn christendom bestond niet alleen uit bidden, zijn daden toonden zijn geloof.

Bisschop Ansfried zag den jongen broeder zich naar het boothuis begeven langs de kerk.

Onwillekeurig ontsnapte ook hem een zucht. De muren van tufsteen van het kleine kerkgebouw waren nauwelijks opgetrokken. In den eenvoudigen vierkanten toren met een spits tusschen twee brandgevels, hing nog geen maand de klok, die met zilveren klank de omwonenden riep tot het gebed. Hoe had hij gehoopt hier dikwerf eenige dagen van verademende rust te vinden, wanneer de zorgen voor zijn uitgestrekt Bisdom geheel zijn kracht hadden gevraagd en overspannen. Hoe had hij gewenscht zijn verder leven te wijden aan den dienst van God en de uitbreiding van Zijn rijk. En thans -- de klanken der aarde stegen tot hem op met stemmen van bloed en haat.

De Denen aan de kust! Rolfr Jarl hun bondgenoot, het volk opwekkend tot afval van zijn geloof....

Ook hij wist hoe diep de overleveringen van het heidendom nog, vaak onbewust, leefden in menig eenvoudig hart. Want een algemeen verbreid geloof was het onder het volk, toen dit het Christendom aannam, gedwongen meestal, dat de goden waren gevlucht voor den God der christenen, doch dat zij daarom niet waren gestorven: Zij hielden zich slechts schuil in eenzame wouden of in woeste landstreken, om terug te keeren als de nood op het hoogst was geklommen voor het volk, welks voorgeslacht hen had vereerd. Wodan wachtte met zijn Einheriar den laatsten strijd af, diep verborgen in een berg der Duitsche gouwen. Maar als die strijd ontbrandde, zou hij te voorschijn treden, zijn godenmantel van schitterend blauw om de trotsche schouders. Slingeren zou hij zijn geduchte speer naar de afvalligen, maar zijn getrouwen zou hij, de „zegenschenker”, veilig voeren in zijn vernieuwd rijk, dat was verrezen uit den wereldbrand, bloeiend, wonderschoon.

Eens -- hoe goed herinnerde de bisschop het zich! -- had hij op een reis door Duitschland zijn gids gevraagd, op een bergtop wijzend, die statig oprees boven het omliggende land:

„Dat is de Kyffhäuser, nietwaar?”

Maar tersluiks had de gids op zijn voorhoofd een teeken gevormd, dat geen kruis was, terwijl hij schuw mompelde, met een zijblik op het berggevaarte, waarboven de grijze wolken laag dreven en de raven geheimvol krasten:

„Het is de Wodansberg, heer. Zie, zijn raven vliegen om den top, gehoorzaam lettend op zijn bevelen en de wolken wachten of hij, door hen omsluierd ongezien wil rijden over de aarde.

Hij slaapt nu in den berg met zijn getrouwen, heer! In den marmeren disch voor hem groeit zijn baard, maar als de nood dreigt en het einde komt, zal hij ontwaken en dan, en dan”....

Met verbazing zag de spreker zich het zwijgen opgelegd door den onbekende. Waarom? Ieder wist immers, dat het zoo was en eenmaal zoo zijn zou? Zijn grootvader had het hem verhaald, die had het van zijn voorganger gehoord en die....