Toen de duisternis dreigde...

Part 13

Chapter 134,009 wordsPublic domain

Roerloos als gesmolten metaal lag het water, schitterend in den zonnegloed, waar het riet geen donkere schaduwplekken wierp op zijn effen vlak. Bisschop Ansfried, weer alleen in zijn werkkamer, zag de moeitevolle pogingen der visschers en hoorde hun zang. Een flauwe glimlach speelde om zijn ernstigen mond.

„Nog vóór de dam gemaakt is, die mijn Hohorst verbindt met het land, zal ik toonen, dat ik nog niet geheel den tijd ben vergeten, toen ik mij het zwaard aangordde. Ditmaal echter zal het een heiligen strijd gelden, een zwaren tevens.”

Zijn doordringende blik zocht nogmaals het ontrolde perkament, dat voor hem lag. Hij las:

„In den naam der Heilige en onverdeelbare drie-eenigheid, Otto III door Gods verzoenende goedertierenheid Koning. Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen zoo tegenwoordige als toekomende, dat wij alle grondgebied, dat Poppo, zoon van Walger voorheen bezat, ook dat in het graafschap Teisterbant en de heerlijkheid Arclo in eeuwig eigendom afstaan aan het bisdom Utrecht”....[11]

De bisschop las niet verder: tol en muntrecht te Arclo, het jachtrecht in geheel Drenthe werden hem tevens verleend. Zij liet hem niet onverschillig, die nieuwe, onverwachte keizerlijke gunst, maar geen bevordering van eigen belangen zocht hij.

In het vertrekje naast het zijne bevond Unruoch zich. Hij riep hem. Hij zag hem binnenkomen werktuiglijk, het gelaat strak, recht voor zich uitstarend de oogen:

„Unruoch, weet ge wat er heden nacht is gebeurd?”

„Ik heb niets gehoord.” Gedempt klonk zijn steeds zoo klankvolle stem, lusteloos bleef zijn houding.

„Rolfr van den Ravenhorst, heeft, gebruik makend van den angst voor den ondergang der wereld, die in ieder hart bijna stijgt met den dag, het landvolk van den geheelen omtrek bijeen geroepen bij den grafheuvel van Roruk. Daar heeft hij geofferd aan de oude goden en allen gedrongen terug te keeren tot het heidensche wangeloof.

Unruoch, die grafheuvel moet met den grond worden gelijk gemaakt.

Die taak draag ik u op. Laat uw paard zadelen en rijd zoo snel mogelijk naar den Stuthenborch, mijn sterkte bij de Hoeve Lake. Doe de helft der speerruiters, die haar bewaken, opzitten en draag zorg, dat het werk volbracht wordt eer de dag is gedaald.

De grafheuvel behoort nu tot mijn gebied. Alzoo bezit ik het recht hier handelend op te treden om de verdere verspreiding van bijgeloof te beletten. Draag echter zorg de urnen mee te voeren, wij zullen ze in stilte teruggeven aan het stof der aarde.”

Een verbaasde blik trof hem. Bezorgd klonk Unruochs stem:

„Ik vrees, dat geen enkele speerknecht te bewegen zal zijn naar een hunnebed te gaan. Liever zullen zij zich in ketenen laten klinken. Het algemeene geloof is immers, dat in die grafheuvels de duivel huist.

Met welke strenge straffen bedreigde voorheen bisschop Radboud niet ieder, die waagde er te offeren. Thans durft zelfs bijna niemand er voorbijgaan.”[12]

Bisschop Ansfried glimlachte met zijn fijnen, weemoedigen glimlach:

„Zoo gaat het, mijn zoon! Toen ik mijn kerkelijk ambt ontving, hoopte ik in mijn geliefd Utrecht een kerkgebouw te stichten, waarin plaats zou zijn voor allen, die in mijn bisdom den Heer zochten met een geloovig hart. Thans bezit ik niet eens genoeg macht om een zandhoop te doen verdwijnen, die toch terecht een rots der ergernis en een steen des aanstoots mag heeten.”

„En die geslecht zal worden, heden nog. Wanneer bevel noch overreding baten, zal ik het alleen doen.”

„Ik zal u een bevelschrift meegeven. Ik wil gehoorzaamd worden. Het is een zaak van gering belang, maar die in deze dagen beteekenis heeft.”

„Gij bedoelt nu Rolfr Jarl”....

„Rolfr Jarl is slechts een schakel in den keten, die ons dreigt te omspannen: er is weer een Deensche vloot gezien bij Lammersvliet.”

Het bleek der ontzetting streek over Unruochs trekken. Maar bedaard ging de bisschop voort:

„Daarom moet ik handelen. Wie vrees toont is reeds half verloren. Zwijg er echter tegen ieder over. Morgen vertrekken wij allen van hier naar Utrecht. De stad moet in staat van tegenweer worden gesteld.

Neem dezen brief mede aan den kastelein van den Stuthenborch. Nog heden moet gij hier terug zijn. Wij zullen werken zoolang het dag is en niet steunen op eigen kracht alleen. Moge God ons volk behoeden voor een herhaling der jammertooneelen, waarvan bisschop Balderic in den aanvang dezer eeuw getuige was.”

Beiden kenden de deerniswaardige schets, gegeven door Balderic van Cleve in het jaar negen honderd zeventien. Naar Daventre had hij de wijk moeten nemen voor het geweld der Denen, en toen zij eindelijk waren weggezeild, beladen met roof onder hun buit gekromd, toen schreef bisschop Balderic, bij zijn terugkeer uit zijn ballingschap in zijn geliefd Utrecht:

„Toen ik die stad voor het eerst binnentrad, en haar door de Denen vernield en geheel verwoest aanschouwde; de kerken van St. Martinus en St. Salvator vernield en verbrand, heb ik, door den diepsten weemoed des harten geroerd, mijn tranen op geenerlei wijze kunnen weerhouden; en, de hulp des Hemels afgesmeekt hebbende, heb ik onder een vloed van tranen gebeden, dat Hij, die Zijn heilige kerk op een hechten rotssteen, welke Christus is, gebouwd heeft, tot den wederopbouw en het herstel der kerk, mij aanbevolen, zich mocht verwaardigen mede te werken.

Met Zijn hulp heb ik dan ook de brug over de gracht, de stad met haar poorten, den muur met zijn bolwerken, tegen vijandelijke aanvallen gebouwd en opgericht; en de Gode gewijde plaats van vrede, de kerken namelijk, door de heidenen verwoest en verbrand, heb ik -- niet zooals ik het behoorde te doen, maar zoo goed ik het kon -- eenigszins hersteld”....[13]

Beider onuitgesproken gedachten hadden elkander gevonden, toen bisschop Ansfried voortging:

„Balderic van Cleve liet het niet bij woorden en klachten. Nehemia was zijn voorbeeld, als deze riep hij uit: „Hoe zoude mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der grafstede mijner vaderen, woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn?” Maar evenals de profeet greep hij naar hamer en houweel om het puin weg te ruimen, gebruikte hij passer en troffel, hout en metselsteen om te vernieuwen wat nog herstelbaar, om te herstellen wat verwoest was. Het was als Nehemia schrijft: „De eene hand was bezig aan het werk, de andere hield de spies,” want weer liepen geruchten eener nieuwe landing door de Denen beraamd, maar ondanks den nood der tijden werd de stad herbouwd. De stevige muren, die thans Utrecht omringen, bewijzen evenals de Baldericstoren[14] dat de arbeid met evenveel kracht werd voortgezet als aangevangen. De kerken verrezen uit hun asch, hersteld werd de Rijnbrug. Wij zullen dit voorbeeld volgen: als de Denen ook ònze brug mochten afbreken, dan heffen wij op de slappe handen en bouwen een nieuwe.”

Veelbeteekenend zag hij den jongen man aan. „Verstaat gij mij, mijn zoon? Menigeen bouwt zich een brug en waant, dat zij voor hem de afgronden van leed en tegenspoed zal overwelven en hem regelrecht voeren in het geluksland. Maar dan komen er houtwormen, die het paalwerk doorknagen, een orkaan werpt de bogen neer, of de geheele bouw gaat op in vlammen en rook -- in rook Unruoch -- door de hand van een vijand. En dan buigt de mensch, die reeds de overwinning voor zich zag en het geluksland waande binnen te treden, het hoofd. De hoop ontvlucht zijn hart en daarin is het zoo vol van knagend, radeloos leed. Dan wijkt de glimlach van zijn gelaat, hij noemt zijn leven mislukt, gebroken. Waarom? Omdat de heldere vlammen zijner verwachtingen opgingen in rook, omdat hij leefde voor zijn eigen geluk, vertrouwde op eigen kracht, op den weg die leidde naar zijn doel. Hij dacht zijn leven vol heil en hij wist niet hoe leeg het was, omdat hij bij al zijn plannen God vergeten had, Die ieders levensbeker mengt, ieders levenslot bestuurt. Indien de menschen in Hem geloofden, zou hun nederlaag in zegepraal verkeeren, want dan zouden zij zich een nieuwe brug bouwen en haar schragen met de onwankelbare pijlers van plicht en geloof. Menschelijk geweld noch eenige aardsche macht zouden in staat blijken haar te vergruizen, en die brug zou haar bouwer voeren in het eeuwige land van zalig aanschouwen, bereid voor ieder, die hier moedig zijn kruis heeft getorst en de lessen van ervaring en zelfkennis hem door zijn levensleed geleerd, gebruikte om de wereld beter te maken en om het levensgeluk van anderen te vermeerderen.

Vaarwel, Unruoch, hier is mijn schrijven. Ik hoop, dat uw levensbrug u zal voeren in het land, waaruit eenmaal uw ziel haar oorsprong nam!”

Unruoch ging zwijgend, getroffen. Hij had zijn brug gebouwd, en -- aan zijn geluksdroomen dacht hij nu en aan hun uitkomst. Swanwitha voor hem verloren, een vreemde noemde haar zijn bruid. Met zijn groote liefde had hij haar willen omringen, de weg naar hun geluksland leidde immers over een met bloemen bedekt pad en thans... Ruw en met steenen bezaaid was het veld van zijn werken en strijden, dat hij voor zich zag en zijn moed en hoop waren van hem geweken, zijn voetstap voorheen zoo vast, sleepte, wankelde....

Niet meer. De woorden van den grijzen bisschop, wien zijn levenservaringen wijsheid hadden geleerd en gevormd tot denker, wien ’s levens rouw en ontgoochelingen dichter hadden gebracht bij God, toonden hem zijn beeld in onmiskenbaar scherpe lijnen.

„Wie zijn leven zal willen behouden, zal het verliezen.” Wie fluisterde hem dit toe, nu, juist nu? Had hij niet het eerst, het meest zijn eigen leven gezocht -- zijn geluk? En daar was een wereld om hem die leed en streed, fel en zwaar, aldoor, aldoor. Had hij ooit gepoogd den last van anderen te verlichten? Jonge vriendschap, jonge liefde, waren gevolgd op zijn leerjaren in de kapittelschool, samengevloeid met de jacht van hair met hair en veer met veer. Soms had de gedachte hem bedroefd, dat hij niet wist wie zijn ouders waren: uit de rookende puinhoopen van het ten tweeden male door de Denen verwoeste Wiedelham was hij gered, door arme lieden wier eenige woning, sinds dien inval der gevreesde zeeschuimers, bestond in hun krakenden ossenwagen. In die armelijke omgeving had hij zijn eerste levensjaren gesleten, met zijn pleegouders zwervend door het verwoeste land. Toen -- zeven jaren na den brand van Wiedelham -- klopte een bijna stervende vrouw aan het klooster te Thorn, waar Benedicta, graaf Ansfried van Teisterbant’s dochter, de wijding had ontvangen tot abdis.

„Mevrouwe, ach, zorg voor dit kind. Ik sterf van gebrek en in een gevecht met de Denen is mijn man gevallen. Dit kind, het is van edelen stam.... het is”....

In onverstaanbaar fluisteren stierf haar stem weg, heen ging zij naar het eeuwige land voor zij den naam had geuit van het kind, dat zich schreiend aan haar vast klemde, als gevoelde het welk een schat van liefde het verloor met die verlaten, nooddruftige vrouw.

Maar vol medelijden had de jeugdige abdis zich het lot aangetrokken van den kleinen wees. Zij beval hem haar vader aan en deze -- voor zoo menigen ouderloozen knaap zorgde hij -- kreeg zijn schranderen pupil lief; aan het schuldelooze kind, met zijn warmvoelend hartje hechtte zich de sterke, eenzame man. Thans was hij zijn verklaarde lieveling, thans wees de hand van den vergrijsden bisschop hem den weg, dien hij gaan moest, hem, die een steun behoefde in zijn volle, jeugdige kracht.

Een gevoel van beschaming sloop het hart binnen van den jongeling:

„Ik zal mijn best doen, met Gods hulp,” prevelde hij voor zich heen. „Niet meer zal ik het eerst mijn eigen geluk zoeken, maar beproeven anderen tot heil te zijn.”

Er kwam weer glans in zijn oogen. Hij voelde nu, dat de steenen geworpen op zijn weg, als zooveel hindernissen, hem zouden helpen om hooger te stijgen, om zich te zien met ruimer blik op het heden, naar de toekomst het meest.

Toen hij uit de boot stapte, die hem wegvoerde van den Hohorst en hij zijn paard besteeg, dat hem reeds tegenhinnikte uit den, op den anderen oever gebouwden stal, volgde de bisschop ieder zijner bewegingen en nog stond hij hem voor het venster na te staren, terwijl reeds een stofwolk hem onttrok aan zijn blik.

„De weg zal moeilijk voor hem zijn. Het is hard levensheil en levenshoop reeds in zijn jeugd te moeten opgeven. Toch wanhoop ik niet voor hem. Ieder vindt den weg, die zich zelven leert vergeten voor de menschheid en haar weedom, voor haar lijden en strijden, haar inspanning en denken, die in zich voelt gloren een sprank van het Hoogere door God in ieder hart gelegd, dat lichtend opvoert tot Hem. Zelfvergetelheid, dat is geluk. Alleen door te arbeiden voor anderen rusteloos, ingespannen, vol liefde, wordt deze levensles geleerd.”

Hij verliet zijn vertrek: nog een anderen, moeden zwerveling had hij den weg te wijzen.

[11] Diploma bij Heda.

[12] Picardt: Vergetene en verborgene antiquiteiten van ’t oude Vrieslant.

[13] Het geheele schrijven is te vinden bij Heda: „Balderico.”

[14] De latere Bollaerts-toren tusschen de Waard en Catharynepoort.

HOOFDSTUK XIV.

Troostend en verkwikkend ruischte de linde voor het geopende venster, waaraan graaf Frethibold stond. Hij zelf staarde roerloos in de verte, zonder iets te zien. De bisschop had hem een onderhoud verzocht, nu wachtte hij -- droomend. De zomerwind speelde ritselend met de perkamentbladen, die op de tafel lagen. Het was een afschrift van Cesars Gallische oorlogen. Hij had er in gelezen, nu maakte hij een beweging, als wilde hij een lans grijpen, als wenkte hem een zwaard.

Hij bemerkte het binnenkomen van den bisschop niet, zwijgend bleef deze hem eenige oogenblikken aanstaren.

„Frethibold!” sprak hij ten laatste met zijn klankvolle stem.

„Heer bisschop!” Met een hoofdbuiging begroette hij opstaande zijn bezoeker.

„Wat deert je? Je ziet zoo bedrukt.”

„Wat mij altijd vervolgt: mijn verdriet.”

Hij wees op de perkamenten. „Ik zat straks te lezen en vond opnieuw nood en ellende, jammer en gebrek de grondslag van het menschelijk bestaan, zoowel nu als in Cesars tijd. Hongersnood en pest, slagvelden, gevangenschap, dooden en verminkten, verdrukte volken, macht boven recht, ontevredenheid, verdeeldheid, afgunst, zoo was het toen, zoo is het nu, en zal het wel blijven, zoolang de wereld bestaat. Ik moest mij eigenlijk gelukkig prijzen, dat ik nu gouwgraaf ben van het Bovensticht. ’t Is als een klein, groen eiland te midden eener bulderende zee. Hier tenminste heerscht vrede. Maar wat baat zelfs dit, als men steeds in de leegte ziet, in den nacht!”...

Hij zweeg, maar een bittere glimlach vulde zijn woorden aan.

Zijn bezoeker schudde het hoofd. Welk een tegenstelling vormde beider gelaat: Het eene aangeraakt door den engel van den vrede, het andere donker als sprak de demon der vertwijfeling uit iedere lijn. Frethibold ging voort:

„Er lag een blad met vertaalde aanhalingen tusschen de perkamenten. Een was er bij met een klein vers van Sophokles. Zie, hier is het. Ik heb nooit een meer waar woord gelezen.”

De bisschop nam het blad, overluid las hij: „Niet geboren te zijn is voor alles het beste, ten tweede is verreweg het beste, terstond als men geboren is, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, van waar men kwam.”

Langzaam legde bisschop Ansfried het blad neer, het had gebeefd in zijn hand. Toen stond hij vele oogenblikken zwijgend, den blik gericht op het hopelooze gelaat voor hem:

„Frethibold!” sprak hij eindelijk ernstig, „weet gij wel, dat gij met zoo te spreken uw Schepper hoont, Die u in het leven riep om dit te besteden tot Zijn eer?”

De andere haalde de schouders op en ging voort, als had hij niet verstaan, als dacht hij overluid:

„Ik vraag mij zelven af: wat is mannelijker, waardiger, steeds te dulden, te dragen al de giftige pijlen, die het lot ons toezendt of ze te doen eindigen door een beslissenden dolkstoot, in eigen hart!”

Ontzet legde de bisschop hem de hand op den arm, het was als wilde hij hem wakker schudden: „Frethibold! kom tot u zelven! Gij zijt ziek, uw hoofd en uw hart zijn het beide!”

„Neen, neen! Alleen ellendig, rampzalig ben ik!”

„En gij noemt u een volgeling van den Heer, Die heeft gezegd:

„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.” Gij klaagt over den last, die Zijn wijsheid u oplegt. Hij woog niemands kruis ooit te zwaar, buig uw wil voor den Zijne en gij zult in staat zijn ùw kruis te dragen.”

„Geheel alleen! Verlaten door alles wat ik liefhad, alles weg, dood!”....

„Die gij liefhadt zijn u alleen voorgegaan naar het eeuwige land, uw wegbereiders zijn zij, uw goede gidsen. Aan de aarde kluisterde u het aardsche geluk en God wil, dat wij menschen ons hier voelen als vreemdelingen, op weg naar Zijn vaderhuis. Ik geloof, dat God velen de eenzaamheid zendt, die Hem misschien zouden vergeten te midden van het geluk, doch nu door hun leed tot Hem worden gebracht.

„Die is Mijns niet waardig.” Herinnert gij u welk tekstwoord hiermee eindigt, Frethibold?”

„Wie anderen lief heeft boven Mij”....

In een zucht klonk het:

„En dat deedt gij!”

„Ja, dat deed ik! Mijn lieve vrouw met de zachte oogen en het gouden haar, mijn lachend kind!.... Ik had ze lief, boven alles en ieder en nu zijn zij dood, verbrand.... Zelfs hun verkoold overschot mocht ik niet begraven!”

Welk een droefheid beefde in die woorden, een leed, diep en onmetelijk als de zee! Het hart van den grijzen bisschop brak van medelijden. Rezen ook in zijn borst herinneringen aan het weleer?

„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd! Frethibold, zeg dat den zwaar beproefde na van het Oude Verbond, zeg het met uw hart, niet met uw lippen, beproef het biddend, mèt uw hart!”

„O, als ik kon, als ik kòn! Maar onmogelijk is het mij, onmogelijk!”....

„Niets is onmogelijk voor wie bidt met een oprecht hart. God beproeft niet zonder reden of noodzaak. God is liefde en met Zijn liefde vormen Zijn grootheid en almacht éen geheel. Kunt gij inderdaad gelooven, dat Hij klein kan zijn in straf en toorn, Hij de Schepper van het heelal? Hier zien wij in een duisteren spiegel, eenmaal zullen wij helder zien in het eeuwig licht, indien wij slechts op Hem vertrouwen, niet vragen, niet vertwijfelen, maar volgen, volgen Hèm na.”

„O, kon ik dat! kon ik!”

„Ik denk aan een ander woord van een denker der grijze oudheid, Plato heette hij. Hij vergeleek de menschheid met gevangenen, vastgeketend in een rotsholte. Zij zagen de voetgangers niet, die achter hen voorbij gingen, zij zagen evenmin de zon. Zij aanschouwden alleen de schaduwen op den muur geworpen door beiden en hun ketenen, die hen dwongen onbeweeglijk te blijven.

Is het zoo niet met velen, met zéér velen? Hun levenslast ketent hen aan de aarde, zij zien slechts schaduwen en verborgen blijft voor hen het licht, omdat zij niet omhoog zien, omhóóg!”

„Ach, dat ik mijn ketenen van mij kon werpen, die mij neerbuigen met hun looden wicht!”

„Gij kunt het, zoodra Gods wil de uwe wordt. Dan zal uw last u licht toeschijnen, berusting uw wanhoop vervangen en overgave u brengen tot den vasten grond der dingen, die men niet ziet -- het geloof.”

„Als dat nog mogelijk kon zijn! God moge mij er toe helpen!”

„Maar gij moet zelf meehelpen. Niet alleen uit bidden en zuchten bestaat het leven, ook uit arbeiden zoolang het dag is. Het mijmeren en peinzen in de eenzaamheid is niet goed voor u. Het verlamt u, het volle leven hebt gij noodig, het leven van inspanning en van de daad.

Verhef u met uw vroegere kracht, Frethibold!

Ik heb een dringende taak voor u en een dringender verzoek. Vertrek nog heden naar den keizer, naar Aken.”

Frethibold wankelde terug.

„Een gebroken man als ik! Pas ik aan het hof van heer Otto!”

„Uw plicht roept u daarheen en, die is te allen tijde de veiligste gids. Ik vertrouw er op, dat gij spoed maakt en zal in uw afzijn uw taak op mij nemen; zelf moet gij heer Otto spreken, op brieven slaat hij geen acht. Haast u, de Denen kruisen aan de kust!”

Een brandende gloed steeg in Frethibolds gelaat, zijn oogen vlamden -- hoog richtte hij zich op, zijn hand balde zich tot een vuist....

„De Denen!”

Donkere golven van haat verrezen bij den klank van dit woord uit een zee van ellende en leed.

„Frethibold! Hoe ver zijt gij nog van Gods koninkrijk. Niet ù komt de wraak toe, gij moet vergeven. Als gij dat niet kunt, niet tracht te doen, zijt gij niet waardig te gaan.

Bericht heer Otto den nood, die opnieuw dit arme volk dreigt, smeek hem in te grijpen met de macht zijner speren, de kracht zijner lansen. Leer ùw levensles, ook op dezen tocht. Zij heet: zelfvergetelheid.”

„Ik zal het beproeven! Ik zal het beproeven. Dat zal ik waarlijk!”....

„En hij zal slagen,” fluisterde de bisschop, toen hij eenige uren later ook dezen afgezant naoogde. „Wie heeft het recht hem te veroordeelen? Zijn wij niet allen zwak?”

„Homo sum!”....

Aan zijn eigen verleden dacht hij, aan de dagen toen ook de levensreis voor hem bergopwaarts ging, schrede voor schrede, en de weg hem zwaar viel en hij dien zag met steenen bezaaid.

Hij zag bij die gedachte om zich als zocht, als miste hij iets. Een zucht ontsnapte hem; hij wist, dat hij niet zou vinden wat hij zocht. Hij voelde zich als een reiziger, die afgemat van het klimmen op een woesten rotsweg, verlangend opwaarts blikt naar den bergtop, het eind van zijn reis, die vol heimwee uitziet naar een trouwe hand, welke de zijne zal vatten om door haar druk den laatsten, zwaren gang te verzachten.

Ook zijn leven was bergopwaarts gegaan en aan het einde stond hij alleen.

„Het uitnemendste is moeite en verdriet” -- hij wist het bij ervaring. En nu die nieuwe, zware moeilijkheid, terwijl hij zich oud voelde en zwak, terwijl zijn kracht hem ontzonk en hij wist welk een verantwoording op hem rustte bij den inval, die dreigde van het vermetelste volk der wereld, het dapperste en het wreedste.

„Voorwaar, ik heb het recht Frethibold te vermanen! Zelf gevoel ik mij even verlaten als hij,” klonk het in zijn borst. Hij zonk op de knieën; hoelang hij geknield lag wist hij niet, maar toen hij weer oprees fluisterden opnieuw zijn lippen: „Homo Sum,” maar voegde zijn hart er bij: „Fiat voluntas!”

Zijn gelaat glansde. Het ruischen van den luwen wind door de linde voor het venster verkwikte hem met zijn zachte koelte. Hij begaf zich naar buiten. Weldra kliefde het bootje, dat hem overvoerde, den klaren waterspiegel. Aan de overzijde wachtte zijn muildier; slechts door een enkelen leekebroeder vergezeld ving hij zijn dagelijkschen tocht aan naar de kranken in den wijden omtrek, die hulp behoefden en zelf niet tot hem konden komen.

Maar dezen dag klopte hij tevergeefs aan menige deur -- zij waren alle gegrendeld en het landvolk scheen huis en hof te hebben verlaten. Was het uit angst voor Rolfr Jarl of uit vrees voor zijn Denen?

Hij zou het spoedig weten. De vrouw van Walger zag hij op haar smadelijken tocht. Met een vloed van woorden -- niet te weerhouden door de bedreigingen der speerdragers, die haar omringden, riep zij gillend alles wat was geschied, van de straf, die haar man moest ondergaan, van Henno, aan de kaeck gesteld, van Yglo en Trutha....

„Laat die vrouw vrij. Uw heer heeft geen recht haar te straffen. Zij en haar huis staan onder mijn rechtsgebied,” beval de bisschop den speerknechten. Hun aanvoerder haalde de schouders op:

„Edele Ansfried, wij volgen onzen last, het kost ons anders zelf onze huid. Doe uw beklag bij Rolfr Jarl!” Voort dreven zij het grauwtje, krijschend gilde en schold Walgers vrouw....

De bisschop reed zwijgend verder. Hij ging over een grond, hem onvervreemdbaar in leen gegeven. Het welzijn der bewoners hing van hem af, het was hem toevertrouwd en wat vermocht hij tegen de onbeschaamdheid van het ruw geweld, dat gezag verachtte, het recht hoonde?

De middagzon wierp haar gouden glorie over het veld. De beek kabbelde rustig verder. Hoog bloeiden de bloemen op aan den groenen oeverkant. Rust en liefelijken vrede ademde de aarde, overal waar de menschen niet kwamen met hun jammer en tweedracht.