Toen de duisternis dreigde...

Part 12

Chapter 124,023 wordsPublic domain

„God geeft ons zooveel en wij doen zoo weinig om Hem onze dankbaarheid te toonen. Soms vraag ik mij af:

„Leefden wij ook te veel voor ons zelven, voor ons geluk en werd daarom”....

Haar stem brak, zij kòn den naam niet uiten van het kind, dat haar was ontroofd.

„God alleen geeft mij kracht om het vreeselijke te dragen. Hij heeft gegeven, Hij heeft genomen, geloofd zij Zijn naam. Maar o, laat mij de levensjaren, die mij nog geschonken zullen worden, geheel wijden aan Zijn dienst, evenals ik eens Hem de uren offerde van mijn nachtelijke rust. Laat mij mogen bidden voor mijn arm kind. Waar moet ik het zoeken, bij de levenden, bij de dooden?.... Ik weet het niet. Hem alleen is het bekend, Die beslist over der menschen leven en lot.”

Haar denkbeelden waren geheel volgens den geest van den tijd, die het geestelijke leven stelde ver boven het wereldsche. Zijn hart, zijn moedig krijgsmanshart, brak van deernis bij haar klacht, brak in medeleed. Opnieuw zag hij het perkament in. Het behelsde de schenkingsoorkonde aan het klooster van Thorn, waar Benedicta de gelofte had afgelegd, der uitgestrekte bezittingen van Hereswit van Strijen.

* * * * *

Rondom was stilte, ook in het vertrek, vele, vele oogenblikken. Ten laatste hernam hij:

„Over uw bezittingen kunt gij niet beter beschikken dan ter uitbreiding van Gods kerk op aarde. Maar gij zelve wilt u afscheiden van de wereld, mij verlaten voor de dood ons scheidt? Dat pijnt.”

Haar stem klonk dof van overstelpend leed:

„Christus gaf Zijn leven voor ons, mogen wij Hem dan niet offeren ons levensgeluk? Volg mijn voorbeeld, scheid van de wereld, wijd uw verder leven aan den dienst van God. Wie beslist of de ure niet spoedig zal daar zijn, waarin Hij ons roept voor Zijn gericht? Nadert niet het jaar duizend?”

Hij begreep haar zinspeling. Reeds nu stroomde het volk naar de kerken en namen met den dag de schenkingen toe, die aanvingen: „Voor de rust mijner ziel, bij het aanstaande vergaan der wereld....” En velen zagen in de verwoestende invallen der Denen een teeken der nadering van den Antichrist....

Maar langzaam vloeiden de tranen door de half geloken oogleden der beroofde moeder, toen zij stil hernam:

„Geloof niet, dat ik mij wil wijden aan den dienst van God uit angst voor Zijn naderend oordeel. Het is ook niet, omdat mijn hart ziek is van leed of omdat ik u niet meer liefheb als uw vrouw. Dat is het niet, maar de aarde en de hemel hebben met elkander gestreden in mijn hart en de hemel heeft overwonnen.”

Hij zweeg een wijle:

„Geef mij tijd om na te denken, ik zeg u dan later mijn besluit.”

Toen legde zij haar handen in de zijne, vertrouwend, vol overgave, maar uit den kus dien zij elkander gaven, eer zij hem verliet, was iedere hartstocht geweken, alleen de liefde was er in over gebleven, die niet zich zelve zoekt, die, diep en onpeilbaar als de zee, geen woorden bezit om zich te uiten.

Doch, toen na vele dagen van strijd en zelfonderzoek, haar zijn besluit tegenklonk:

„Wij zullen elkander niet terugzien in deze wereld. Mogen wij elkander eens hervinden in hooger bestaan;” toen zweefde de doodsengel over zijn drempel en diens aanraking was hier de heelende balsem voor een gebroken moederhart.

En toen, kort na dien dag, die hem het liefste ontnam wat hij bezat, de graaf van Teisterbant zich gereed maakte zelf afstand te doen van de wereld, van aardsche macht en aanzien, toen stonden daar de afgevaardigden van den keizer en riepen hem tot het hoogste kerkelijk ambt in zijn vaderland, tot plichten zwaarder dan eenig wereldlijk gezag kon insluiten. Geroepen werd hij om den ledigstaanden zetel te bekleeden van den bisschop van Utrecht.

Niet in stille afzondering, bij bespiegeling en gebed, tusschen zwijgende kloostermuren; te midden van het volle leven eischte God zijn toewijding, zijn kracht.

Hij aanvaardde de gewichtige taak hem toevertrouwd door Hooger hand.

En thans voerde in zijn nieuwen werkkring het leven hem nogmaals tegenover zijn ouden tegenstander: Rolfr, den Deen....

HOOFDSTUK XII.

Dien avond, toen Rolfr Jarl de landbewoners uit den omtrek had bevolen bij den grafheuvel van Roruk, bleef Yglo’s moeder alleen achter in het woonvertrek harer hoeve.

Zij rilde, de koorts steeg met den nacht; een benauwde hoest deed haar kreunen van pijn. Haar man, haar zoon had zij zien heengaan op bevel van den gevreesden Jarl. Nu was de eenzaamheid om haar heen. Zij kroop naar het vuur, klappertandend.

„Och Heer, help! Geef uitkomst! Doe het nu!”

Haar stem smoorde in een rauwen hoest, zij zweeg en wachtte, -- wachtte.

Maar de tijd ging voort, hij duurde zoo lang. Klamme druppels parelden de kranke op het koude voorhoofd:

„Als ik nu eens stierf, alleen... en zij bij het offervuur van een heidenschen afgod! Och, lieve Heer, help!”

Een voetstap kraakte op het zand. In de deur stond een gebogen gedaante. Een doffe stem vroeg:

„Hoe gaat het, moeder Anna? ’k Had een gevoel of ik hier noodig was. Ik wist er al van. Rolfr Jarl... vloek over hem en de Denen. Sinds zij in ’t land kwamen is mijn woning gelijk aan het hol van een beer of vos, wordt het voedsel, dat ik zelf verdiende of opgaarde, mij nog betwist.”

„Lisa, o, Lisa, denk toch niet het meest om de tijdelijke dingen! Dezen nacht wordt er geofferd aan Wodan! Henno is er bij en Yglo en de bisschop zegt, dat de Heer gebiedt: „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. O, Lisa!”

Met bevende hand streek de bleeke vrouw zich het grijze haar uit het koude gelaat. De hoest verscheurde opnieuw haar borst. Tusschen hijgend ademhalen klonk het:

„Ik sterf en zij zijn dààr... bij het vuur”....

O, de wanhoop van die uitgemergelde trekken! Oude Lisa’s hart, zoolang versteend in eigen leed, brak van medelijden.

Zij zag naar buiten: de nevel hing als een zilveren wade over het veld. Hoog door de lucht trok een vogelzwerm met vreemde klaagklanken.

Vogels aan den linkerkant! Angstig sloeg zij een kruis... Toen zag zij nog eens naar het veld en de kronkelende paden.

De weg zou lang zijn en zwaar voor iemand als zij met zulk een strompelenden gang, maar die radelooze vrouw voor haar met het gelaat van een stervende... „Ik zal gaan en hen halen! Houd je goed, buurvrouw, houd moed!”

Zij greep haar stok, maar de kranke trachtte zich op te richten met haar laatste kracht:

„Laat me niet alleen sterven, geheel alleen!... Bid; God zal helpen!”...

En beiden fluisterden, de eene het schier verleerde, de andere het nooit vergeten gebed:

„Onze vader, die in de hemelen zijt”... Maar toen Yglo’s moeder sprak met bezwijkende kracht: „Uw wil geschiede!” toen haperde haar stem en boog zij het hoofd op de borst en wachtte af wat die wil zijn zou.

Een zacht gedruisch. In de deuropening stond Trutha, omgolfd door het zilveren licht der maan, dat den nevel had doen wijken. Aan haar oogen was het te zien, dat zij had geschreid, maar groote zielevrede rustte op haar jong gezichtje. Nog voor zij een woord kon zeggen, omknelde oude Lisa haar hand:

„Trutha! Trutha! goed dat je komt! Roep Henno en Yglo! Zij zijn bij den grafheuvel op bevel van den Jarl!” Haar hand wees naar de half bezwijmde vrouw. Trutha begreep en snelde heen.

„Zij zal er eerder komen dan ik, rap als een hinde gaat zij over den weg,” prevelde Lisa. Toen zonk zij op de knieën:

„Ik zal nooit meer twijfelen aan uw goedheid, Heer! Gij zelf hebt haar gezonden!”

Bewusteloos lag Yglo’s moeder, het vredige, witte licht omzweefde haar.

* * * * *

Door de velden snelde Trutha. Tusschen de dichte bladerengewelven der boomen hing de lucht donker en zwaar. Groote schaduwplekken wierpen de eikenkruinen tot ver over den woudzoom. Behoedzaam verliet zij het veldpad, dat zich slingerde in het licht als een zilveren lint; voorzichtig zocht zij de schaduw der boomen. Indien de Jarl eens wachten had uitgezet en die haar zagen of als zij trapte op een der kringen door de gevreesde zwartalven achtergelaten op het grazige pad!.... Zij wist immers, dat men elvenblad mocht afsnijden, noch vee in de weide laten, na zonsondergang. Want het nachtkruid behoorde aan de alven en wie het plukte moest sterven.[9] Evenmin als een der overige landbewoners zou zij daarom ooit hebben gewaagd in een weide te slapen. Wanne Thekla, de alvenkoningin zou uit haar luchtschip -- de drijvende wolken -- een onzichtbaren pijl hebben afgeschoten op den vermetele, die den alven belette hun rijen te dansen bij helderen nacht. Lokken zouden zij hem in het moeras met hun dwalende lichten.

Bevreesd voor de geheimzinnige wezens, die haar ook nu gewis omgaven, ging Trutha verder. De eene angstige gedachte verdrong de andere, tot zij eensklaps werden vervangen door een herinnering, die met zich voerde een wonder gevoel van vrede en rust; het was of het suizen van een zachte koelte haar omgaf na het branden van den gloeienden middaggloed. Klonk inderdaad de stem van bisschop Ansfried of rees een vervlogen, nooit vergeten uur op voor haar geest: „De Heer is mijn herder”....

Zoo had hij eens gezegd.

De Heer! De Schepper van het eindeloos heelal, Die zonnen en sterren hun banen voorschreef, die werelden te voorschijn riep uit het niet, Hij was haar herder, Hij vergat ook haar, Zijn arm kind niet, dat dwaalde door nacht en nevel, alleen. Hij was haar nabij. Mocht zij dan nog vreezen voor nachtgeesten en zwartalven?

Diep ademhalend, herademend verhaastte zij haar tred. In de schaduw door de forsche stammen geworpen slingerde nu de weg, dien zij gaan moest, dien zij ging zonder vrees of aarzeling. En toch hoe donker was het nu weer. Zij kon op kringen trappen.... Nu glimlachte zij er bijna om: als de alven die hadden achtergelaten, waren zij toch niet dè machtigsten. Eén”....

Plotseling stond zij stil, met een uitroep van schrik. Wat lag daar voor haar, dwars op den weg? Een mensch, een boomstam.... beiden? Zij boog zich voorover om te zien en haar ademhaling ging gejaagd en krampachtig klemde zij de handen ineen. In de nabijheid ruischt een beekje met zacht geklater, de trillers van den nachtegaal klinken wonderzoet, het licht rijst hooger, dat de duisternis verdrijft en in haar hart is het nacht. Want daar ligt hij voor haar, Yglo, bloedend, bewusteloos, dood misschien, klaarblijkelijk gestruikeld over den boomstam, dien de storm had geworpen op het pad, slechts weinige dagen te voren.

Trutha weende noch wrong de handen. Zij deed wat haar hand vond om te doen. En het verband, dat zij legde om het voorhoofd van den gewonde, dat zij verkreeg door een stuk af te scheuren van haar eigen kleed; het water, dat zij voor hem schepte uit de beek, koel, reddend water, brachten hem bij, na vele oogenblikken, waarin de levende meer leed dan hij die schijnbaar neerlag als een doode.

Langzaam opende Yglo de oogen. Voor de spanning van Trutha’s zielsangst scheen het, dat uren voorbij waren gegaan, sinds zij hem vond.

Nog altijd drong geen geluid over zijn lippen, weer verdubbelde zij haar pogingen, ook toen hij opnieuw neerlag, strak en roerloos. En de frissche waterdruppels brachten ook hier redding aan, nog een korte poos, toen zag hij met bewustzijn om zich heen, zocht zijn blik zijn redster, met klaar begrip.

Trutha’s oogen lichtten, haar stem had den diepen klank van een dankbaarheid, die moeite heeft om woorden te vinden, toen zij snikte:

„O, God hoe zal ik U danken, hoe kan ik het ooit!”

Zij stond rechtop, de handen gevouwen, haar blik zag omhoog. Toen doortrilde haar een schok; in de wazige verte begon het te kleuren van rosachtig licht en lichtend rood, de blanke nevel vlamde. Nu hief Rolfr Jarl gewis de van bloed druipende handen op bij het onheilig offervuur. De roode schijn in de verte wees Yglo den weg en herinnerde haar waarom zij hier was gekomen. Zij hielp hem zich oprichten in haar krachtige, jonge armen.

„Yglo, kom mee, je moeder roept je! Zij is erg ziek.”

Hij schudde het hoofd, zijn hand hief zich op naar den weerschijn van den vuurgloed in de verte.

„Ik moet dáárheen. Je weet het, Trutha. Anders blijven wij gescheiden, ons gansche leven.”

Zij zag hem aan, ernstig, droevig, met de rust van een groot besluit in haar schuchtere oogen. Toen verhaalde zij hem alles wat de bisschop had gezegd. Diep bedroefd had hij geluisterd:

„Rolfr Jarl vergeeft nooit iets. Vader is daar en Walger en al de vrijen uit den omtrek. Als ik ontbreek dan”....

Zij vouwde de handen om zijn arm met hartstochtelijk smeekgebaar:

„Laat alles komen zoo als het moet. Doe wat God wil, denk niet langer om wat wij zelf wenschen. Dan zal alles goed wezen, misschien niet hier, maar zeker toch in het andere leven. God alleen weet wat best is. Doe nooit -- al denkt gij er ook alles bij te verliezen -- wat gij weet, dat Hij afkeurt. Dat heeft de bisschop mij gezegd.”

Het was hem of een engel tot hem sprak door haar mond:

„Denk je, dat het toeval was, die boomstam op den weg, waardoor je bent gestruikeld?

Kom mee naar huis, uw moeder is erg ziek, heel erg. Zij roept om je”....

Met een schok leunde Yglo op haar arm. Zijn oogen brandden van angst. Nu begreep hij -- een vaste trek kwam op zijn jong gezicht. Zij vingen den terugweg aan. Rondom was stilte en het suizen van het woud. De roode schijn van het offervuur verglom in de verte....

* * * * *

Een nieuwe morgen lichtte. Rozeroode wolkjes dreven langs de lucht. De velden ontvingen glans en kleur. Maar uit de hoeve van Henno klonken droeve klaagzangen. In den donkersten hoek van het woonvertrek lichtte iets, schemerwit: een laken gespreid over een strooleger, over een roerlooze gestalte. Twee kaarsen ontstoken aan het hoofdeinde, dienden om de booze geesten te verjagen. Aan het voeteneinde zaten de klaagvrouwen. Met oogen overwolkt van droefheid knielden Trutha en Yglo naast de doode. Zij had beiden gezegend met haar laatste kracht en tot haar zoon gefluisterd:

„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op”.... om te vervolgen met schier onhoorbare stem:

„Mijne kinderen, gij behoeft uw kruisweg niet alleen te gaan. Een Machtige leidt u en gaat u voor. Volgt den Heer, dan komt gij waarheen ik nu ga, in Zijn eeuwig huis.”

Tranen hadden beider stem verstikt, maar een glimlach, verhalend van een vrede, die niet behoorde tot dèze wereld, speelde over het gelaat der doode. Kende zij de stille gelofte, afgelegd in twee diep bewogen jonge harten? Snelle voetstappen knarsten op het zand, een vaalbleek gelaat verscheen in de deuropening. Radeloos wrong Henno de handen op het gezicht der doode, op dat der levenden.

„O, vrouw! o, kinderen! o, vrouw!”.... Hopeloos herhaalde hij aldoor hetzelfde, toen sprong hij toe op de deur om den grendel er voor te schuiven, om den schutbalk in de opening van de haag te leggen, als wilde hij een dreigend gevaar buiten sluiten. Maar met een schreeuw deinsde hij terug:

„Daar is het al! Daar komt het! Genade, o, genade!”

Verbaasd zag Swanwitha, die nu binnentrad, naar den man, die zich in ’t stof wrong aan haar voet. Waarom deed haar komst hem zoo ontstellen?

„Henno, bedaar toch! Ik kwam nog eens naar moeder Anna zien, ik wist niet dat zij reeds”....

Haar zachte blik, rustend op het witte leger in den donkeren hoek, vulde haar woorden aan, haar gelaat scheen bijna even kleurloos als dat der ontslapene. Henno kermde:

„Komt gij dan niet op last van den Jarl? Yglo was niet bij het offer, dezen nacht. Toen heeft de Jarl gezworen hem levend te zullen spietsen. O, Yglo, mijn zoon, mijn zoon! Eerst mijn vrouw, mijn kind nu.... mijn eenige.... o, Yglo, Yglo!”

Die hartbrekende jammer op dat van smart verteerde gezicht! Tranen druppelden door Swanwitha’s oogleden.

„Henno, zeg mij alles; misschien weet ik nog een middel,” sprak zij zacht. In korte, afgebroken woorden werd haar alles meegedeeld. Eentonig zongen daar tusschen de klaagvrouwen haar refrein, zacht flikkerden de kaarsen, wit was het gelaat der doode. Maar toen Henno zweeg, sloeg Swanwitha de oogen naar hem op en haar blik glansde door haar tranen heen. Beslist sprak zij:

„Yglo en Trutha, gij moet terstond vluchten. Mijn heer grootvader heeft mij vier eigenhoorige maagden afgestaan om mij te volgen, na mijn huwelijk” -- hoe aarzelend klonk dit laatste woord -- „waar ik ga. Gij, Trutha behoort er toe. Ik schenk u de vrijheid. Ga waar de weg en de zon u voeren, als vrije vrouw.

Laat lang groeien uw lokken, ten teeken, dat niemand het recht heeft de hand op u te leggen, om u te verklaren voor belmundig of eigenhoorig.”

Maar terwijl Yglo zijn verbaasden dank stamelde, en Trutha zich neerwierp om den zoom te kussen van het gewaad der jonkvrouw, ging Henno’s ademhaling hijgend. Zijn oogen waren op zijn zoon gericht, vol angst:

„Jonkvrouw, wij weten het allen hier in den omtrek, hoe velen gij hebt bijgestaan in dagen van ziekte en tegenspoed. Zij leven op aarde om u te zegenen of zullen u eens welkom heeten in -- het andere land.” -- Aarzelend werden de laatste woorden geuit. Dien nacht had hij verloochend, waarin hij eens had geloofd. -- Maar weer waren zijn oogen op zijn zoon, en hij hernam:

„Thans doet gij meer dan een van ons zou kunnen hopen of wenschen. Trutha geeft gij de vrijheid, hooger gift dan het leven, maar o, bloedbloemen vlecht gij haar als bruidskrans door het haar!”

„Bloedbloemen?” -- De jongelieden herhaalden het verschrikt, schuw fluisterden de klaagvrouwen, die nog steeds de wacht hielden bij het lijk.

„Zal Rolfr Jarl hen verschoonen, haar en hem? Nooit zal hij uw besluit goedkeuren, beweren zal hij, dat Yglo zijn bruid heeft ontvoerd en dan”.... Zijn doffe blik week niet van zijns zoons gezicht, al de verschrikkingen, die de folterkelder van den Ravenhorst verborg in zijn donkere diepte, zag hij voor zich. Koude druppels gleden langs zijn grijze haren af langs zijn slapen.

„Vader, kom tot u zelven! De Jarl zal ons niets doen, als gij hem tot erfgenaam maakt uwer vrije, vererfbare hoeve.” Liefkoozend streek Yglo hem het vochtige haar van het voorhoofd, ook zijn krachtige hand beefde.

„Ons huis, onze eigen vrije woning! Mijn moeder stierf er in, zooals nu de uwe en gij werdt hier geboren.”

O, die wanhoop op dat dierbare, oude gelaat! Het was meer dan Yglo kon dragen! Toch was het de eenige uitweg. Vastbesloten nam hij een stroohalm van den vloer en wierp dien ver van zich.

„Hier doe ik afstand van mijns vaders huis en goed, volgens de zede der vaderen,” sprak hij overluid. Zijn oogen volgden den kring, dien de stroohalm beschreef, ver van hem verwijderd viel hij neer. Hij had zich losgemaakt van zijn erfdeel. Henno zag het, nu was het beslist. Hij hief de hand op:

„Zoo zijt gij vrij van huis en hof, van vliet en veld. Ga waar de wind u voert en de weg u leidt.”

„Houdt u schuil te Utrecht een jaar en een dag. Dan kan geen enkele rechtsvordering meer tegen u gelden. Stadrecht breekt landrecht.[10] De bisschop zal u beschermen.”

In de stilte, die volgde op Swanwitha’s woorden, die vooraf gingen aan het bitter vaarwel, mengde zich het gedruisch van vele paardenhoeven, het zwol aan, kwam nader...

„De speerruiters van den Ravenhorst rijden! Yglo, zij zoeken u! De Jarl heeft het gedreigd, dezen nacht: Hij zag te vergeefs naar u uit!”

Bijna zinneloos van schrik, kwamen Henno hortend en stootend de woorden over de lippen.

Luid jammerend wierp hij zich op den grond.

„Vlucht naar den Hohorst, door kreupelbosch en moeras. Daar kunnen zij u niet volgen. Het altaar is een vrijplaats. Haast u! Verlaat de hoeve aan de achterzijde, daar staan de boomen dicht!”

De beide vluchtelingen konden slechts snikken tot Swanwitha:

„O, onze redster, onze redster! Wees gezegend met den zegen dien gij verspreidt!”... Toen omarmden zij krampachtig den levende en de doode en gingen het onbekende tegen.

Slechts weinige uren later brandde het dak boven Henno’s hoofd. En, toen hij zich naar buiten sleepte, in de armen het levenloos overschot zijner vrouw, toen stonden daar de speerruiters als een ijzeren haag en wierpen haar terug in de vlammen en voerden hem mee naar den Ravenhorst. Gesnoerd met koorden, die scherp sneden in zijn lichaam, werd hij aan „de kaeck” gesteld op den blauwen steen. Hoelang zou deze eerste foltering duren? „Tot regen en zon uw gebeente verbleeken,” had Rolfr Jarl gezegd, met zijn wreeden lach en verschrikkelijk was zijn gelaat geweest om aan te zien bij dat woord. Hij was niet de eenige, die werd getuchtigd. De vrouw van Walger werd, tot straf, dat zij zich had verzet tegen den gang van haar man naar het offervuur, achterwaarts op een ezel gebonden, geleid van hoeve tot hoeve. De smadelijkste tocht, die bestond voor een vrijgeboren vrouw. Eigenhoorigen van den Ravenhorst braken de helft van het dak af harer woning; de straf voor een tweedrachtig echtpaar.

Walger zelf hing onderwijl in een mand boven de gracht van den Ravenhorst. Hij zou de touwen van die mand zelf moeten afsnijden en, na zijn val in het water -- als hij nog levend den oever bereikte -- vernemen welke straf hem verder wachtte.

Op Yglo’s hoofd was een bloedprijs gesteld, veroordeeld tot de put werd Trutha...

Rolfrs lippen krulden zich zegevierend, terwijl hij op en neer ging in zijn hooge hal. Hij zag zijn slachtoffers en was voldaan.

„Kort recht, goed recht! Ik heb er nu den schrik in, allen doen wat ik wil! De geheele streek is als was in mijn hand.”

Hij dacht aan de berichten hem door den aanvoerder zijner ruiters gebracht, hoe vrijen en onvrijen sidderend bogen voor zijn bevelen, indien slechts hun ellendig leven, en hun schamel eigendom bleven gespaard.

Rolfr kneep zijn oogen half toe, als een op de loer liggend roofdier.

„Als Yglo en die deern naar den Hohorst zijn gevlucht, komt het mij goed te stade. Dan heb ik het recht haar op te eischen en de bisschop zal haar willen beschermen. Uitstekend!”

Swanwitha kwam. Zij was zeer bleek, van droefheid vertrokken waren haar lippen.

„Grootvader, wees barmhartig voor”.... Zij zag in een aschgrauw, verwrongen gezicht. Een zweepslag striemde haar.

„Ga weg! Ik wil niets meer met je te doen hebben!” Zijn razende drift overmeesterde hem, rood wolkte het voor zijn oogen, het benam hem schier de bezinning, zijn geregeld denken stond stil.

„Weg! Weg!”

De zweep zwiepte opnieuw door de lucht, voort dreef hij zijn kleindochter door hal en hof, de poort sloeg achter haar toe....

In haar torenvertrek wierp vrouw Sigrid de runen. Wat las zij? Haar trekken werden vaal.

Op den heirweg reed Olaf met zijn gewapenden stoet. Hij ging de vloot zoeken -- zij moest nu reeds zijn geankerd -- om de bemanning te voeren in het hart van het land.

Bewusteloos lag Swanwitha op den drempel van haar huis. Zij wist niet, dat oude Lisa haar hoofd ophief, dat de klaagvrouwen, die met haar Henno’s brandende woning waren ontvlucht, haar behoedzaam voortdroegen.

De avondwind huiverde over het land, rood ging de zon onder.

[9] Wolf: Niederländische Sagen.

[10] Noordewier Ned. rechtsoudheden.

HOOFDSTUK XIII.

„Gelukkig Utrecht, uitverkoren moeder der steden, gij bezit nu een heer, die aller lofspraak verdient, Ansfried is door zijn verdienste uw sieraad, uw bisschop, hij is de aan deugden rijke belijder des Heeren.

Voorheen beschermde hij met zijn zwaard het land en zijne bewoners nu is hij de wachter der kerk, de heilige priester -- De drager des zwaards bestuurt nu de harten des volks; de fiere soldaat is verkeerd in een man des gebeds.

Zoo is het gewoel des krijgs in beter veranderd, Van geduchten krijger werd hij minnaar des vredes, van aanvoerder der strijdmacht, leider der zielen.”

Twee jonge leekebroeders zongen met heldere stem de Leonische strofen, een beeld der vreugde waarmee eenmaal de benoeming door den keizer van graaf Ansfried van Teisterbant tot bisschop van Utrecht was begroet. Met moeite -- zij kwamen terug van de vischvangst -- stuurden de zangers hun bootje door belemmerende rietbosschen en lischstruiken, naar de landingsplaats van den Hohorst.