Toen de duisternis dreigde...

Part 11

Chapter 113,876 wordsPublic domain

Met een warm gevoel, waarin liefde zich aan eerbied paarde, dacht dit de jongeling, die kloek, rechtop stond achter den knielenden vorst. Een ontbloot slagzwaard blonk in zijn hand, onbeweeglijk hield hij het uitgestrekt boven het hoofd van den in het gebed verzonken heerscher. Want nog schuifelde de adder onder de bloemen van het weelderige Italië, nog dreigde een bliksemschicht uit de effen blauwe lucht. De adder van het verraad, de bliksems van den haat, zij zochten hem, die was geroepen om den keizersschepter te voeren. Daar werd gemompeld van een samenzwering, die het verijdelen der kroning beoogde, daar werd gefluisterd, dat „de koning der Duitschers” het gebed niet ten einde zou brengen aan Petrus’ graf. In navolging van Karel den Groote was hij verplicht, dat te verrichten in de kerk der Apostelen, wilde hij zich als diens opvolger zien erkend.

De groote Karolinger gold nog steeds als de heros van de roemrijkste historie zijner volken. Iedere belofte van geluk, die het leven voor de toekomst schenken kon, vlocht zich bij de toenmalige menschheid ineen met deze herinnering aan het groot verleden. Daar waren er nog zeer velen, die geloofden aan de wederkomst van „keizer Karel”, dien sage en legende reeds omvlochten met hun nimbus. Een nieuw rijk zou hij stichten, waarin vrede en gerechtigheid zouden heerschen, eer de ure aanbrak, welke het einde zou zien van al wat behoorde tot de aarde. Want het gerucht deed de rondte, reeds toen, hier aangehoord met heftigen angst, daar ontvangen met ongeloovig schouderophalen, dat de groote wereldbrand, de ondergang van al wat ademde zou plaats hebben in het eerste jaar der komende eeuw.

Maakte die gedachte het gebed van heer Otto zoo ernstig, zoo langdurig?

Gevoelde hij geheel den omvang der zware plichten die hem wachtten: tot het keizerlijk purper geroepen in zijn tijd?

In schemerschijn gehuld lagen de diepe gewelven; al het licht scheen zich samen te trekken boven het gebogen hoofd van den knielenden vorst, boven de zwaardspits van den jongeling, die stond en voor hem waakte. Deed Ansfried dit inderdaad? Of dwaalden een oogenblik zijn gedachten ver weg naar den groenen Rijnzoom, naar de woudbeschaduwde landkapel dicht bij het grijze Keulen? Hij had haar teruggezien, de slanke Hereswit van Strijen, meermalen, tot hij eindelijk, weinige dagen voor hij optrok met het leger, zich wendde tot haar vader: „Uw dochter is mijn levensgeluk, weiger haar mij niet!”

In spanning wachtte hij, de beslissing vreezend. Maar een welgevallige glimlach krulde de trotsche lippen van den graaf Van Strijen:

„Toon u het vertrouwen waardig, dat heer Otto in u stelt, en, na het einde van zijn tocht naar Italië, wacht u mijn dochter als bruid!”

Dacht hij aan die belofte, aan de zon van het leven, die zou opgaan voor hem, waarvan hij reeds de stralen zag rijzen? Vergat hij daarom het heden met zijn strengen plicht?

Niemand scheen aanwezig in het eenzaam gewelf, nog waren de deuren niet geopend, nog was het uur niet daar voor den plechtigen dienst, die geheel de bevolking van Rome zou zien toestroomen.

Niemand bewoog zich. Heer Otto bad, zijn zwaarddrager droomde....

Toch: er ritselde iets tusschen de pijlers, een voetstap sloop nader met langzamen, schuifelenden tred, in blauwen staalgloed glinsterde een hooggeheven dolk....

„Sterf!” Het snijdend uitgesproken woord was gericht tot den koning, de dolk werd gezwaaid boven zijn hoofd, twee oogen waarin het gloeide van een verterend vuur zochten de plek, bestemd voor den doodelijken stoot. Met een rauwen kreet ontwaakte Ansfried uit zijn droom.

Zijn eene hand greep den uitgestrekten arm van den sluipmoordenaar, zijn zwaard wondde hem in het gelaat....

„Vervloekt!” Schor klonk het; maar ondanks den sluier, die de trekken van den aanvaller onzichtbaar maakte, het geluid dempte, meende Ansfried de stem te herkennen....

„Rolfr!” stiet hij uit. Twee gloeiende oogen boorden in de zijne door de openingen in het sluierdoek. Een worsteling volgde, slechts enkele oogenblikken, toen ontrukte zich de aanvaller met de kracht der vertwijfeling aan zijn greep, toen werden de deuren geopend en begonnen de klokken te luiden. De bevolking van Rome stroomde binnen voor den plechtigen dienst en in de verwarring liet men den moordenaar ontsnappen. Waren tijd en uur van aanval te voren bepaald? Daar liep zoo menig gerucht....

Maar nu juichte het volk den redder toe van den nieuwen keizer en deze dankte hem met blik en woord....

Het eerste morgenlicht deed den glans der sterren verbleeken, de rijzende zon bescheen een stad, badend in luister en glans; de kroningsstoet werd opgesteld in feestelijke praal.

Maar in de tent van heer Otto knielde een jongeling, wien de bitterste tranen in de oogen gloeiden, tranen van smart, van schaamte over zich zelven.

„Heer, gij hebt mij lof gebracht, maar uw vonnis verdien ik. Ver af dwaalden mijn gedachten, terwijl gij uw leven hadt toevertrouwd aan mijn waakzaamheid. Niet de daad alleen maakt schuldig. Leg mij de boete op, die ik verdien en dan.... dat God mij genadig zij!”....

In een gesmoorden snik eindigden zijn woorden. Hij zag in den geheelen omvang de gevolgen, die zijn verzuim na zich had kunnen sleepen voor het leven van den vorst, voor het bestaan zijner volken.

De groote schuld en het vluchtig verzuim, de gevolgen afgewend door Hooger hand, doch de schuld gebleven....

Maar heer Otto hief de in het stof gebogen gestalte op, een milde glans lichtte over zijn heerscherstrekken:

„Deze schuldbekentenis delgt uw schuld. Wie zijn vergrijp durft bekennen is een held, wie geen vrees voor de gevolgen doet afwijken van de waarheid, werd door God begenadigd. Sta op! Voortaan zal uw tent tegenover de mijne worden geplaatst in het legerkamp, want zelfs wanneer allen mij mochten begeven zult gij trouw blijven, omdat gij waar zijt.”....

* * * * *

Weer een ander beeld:

Reusachtig rees, niet ver van Roermond, boven het laag golvende heideland de burcht Casallum. Hecht en hoog verhieven zich zijn torentransen. Ver zagen zijn vensters, als trouwe wachters, over het omliggende land. Een landstreek, waarin rust en veiligheid heerschten, bij al het krijgstumult en de verdeeldheid van rijken en staten onderling, die de wereld in vlam dreigden te zetten.

Graaf Ansfried van Teisterbant gebood hier als heer, doch geen symbool van heerschzucht was zijn slot met den versterkten toren en de breede, dubbele gracht. Wijd werd de voorpoort geopend voor ieder, die hulp behoefde; de harnasschoen der speerknechten dreunde slechts op de brug, wanneer de grenzen werden bedreigd van het uitgestrekte graafschap.

Hier gold het woord, dat de reiziger, die zijn goud verloor, het een jaar daarna op dezelfde plaats onaangeroerd kon terugvinden; dat geen koopman het geweld der roofridders had te duchten: onbezorgd kon hij zijn handelswaren verzenden langs heirweg of stroom. Graaf Ansfried heerschte door recht; zijn schoone vrouw, gravin Hereswit, deed het door liefde. Voor haar waren de menschen niet verdeeld in heeren en slaven, zij beschouwde hen als pelgrims reizend naar één Vaderhuis. Het beeld der eerste christengemeente, waarvan de leden kwamen en wat zij bezaten legden aan de voeten der Apostelen, werd haar ideaal. In haar huis waar geloof en liefde de richtsnoeren waren van gedachten en daden, heerschte de vrede, welken de wereld niet kent, doch dien zij te midden van haar zorg en onrust voor wat vergankelijk is, benijdt en -- vruchteloos zoekt.

„Kon zooveel geluk, steeds beschenen door de voorspoedszon, van langen duur zijn?” Soms vroeg „de heer van vijftien graafschappen” -- gelijk graaf Ansfried werd genoemd, -- zich dit af, wanneer hij zijn levenslot vergeleek met dat van veel, zéér veel anderen. Vooral bij vroegere studiegenooten wijlden vaak zijn gedachten, bij dien eenen niet het minst, dien hij voor het laatst had gezien in de schemering van een kerkgebouw, den opgeheven moorddolk in de vuist. Met een huivering herinnerde hij zich steeds dat vreeselijk oogenblik, tot de onbeantwoorde vraag rees: Wat werd van Rolfr, „den Deen”? Behelsde het gerucht waarheid, dat hij was gezien op een Vikingervloot, dat hij opnieuw Thor den beker plengde en zwoer bij Odins speer, in vlammen deed opgaan de kerken, waarin hij vroeger had gebeden?

Het werd verhaald op een rijksdag, waar de keizer, gekroond met roem en eer, omstraald door geheel zijn vorstelijken luister, door de keurvorsten omstuwd, zat op zijn troon; waar de vrije ridders kwamen, evenals de rijksgraven, aan het hoofd van hun stoet, waar harnassen schitterden en de hooge geestelijkheid verscheen in statig plechtgewaad. En daar was het, dat allen luisterden naar het woord, van den heer der „vijftien graafschappen”, naar zijn raadgevingen, hoe het best een nieuwen inval der Noormannen, in de Rijnstreek, te weerstaan, beraamd -- naar werd gemompeld -- door den geduchten Viking, Rolfr, wiens naam slechts werd geuit met een rilling van afschuw of een verwensching. En toen, na het zegevierend einde van den geduchten krijgstocht tegen de vermetele zeeschuimers, graaf Ansfried oorlof vroeg van den keizer, meer zijn vriend dan zijn heer, en terugkeerde naar zijn bezittingen, die hij terugvond aangevallen, verarmd, doch geheel uitgeplunderd, uitgemoord niet, en hij zijn vrouw zag, bloeiend als hij haar verliet, terwijl zijn dochtertje hem tegentrippelde met rozige wangen en zonnige oogen, vond hij zich toen niet opnieuw gezegend boven duizenden? Niet over een pas gedolven graf, het stof bevattend, van een hem dierbaarder dan eigen leven, voerde zijn weg naar huis.

Stoffelijke verliezen had hij geleden door den inval der Denen, zijn vrienden wendden zich tot hem met deelnemend woord.... Waarom? Het kostbaarste was hem immers gebleven. Daar was geen leege plaats in zijn hart....

Met purperen rozen was zijn pad bestrooid, zijn levensbeker schuimde van kristalheldere druppels; maar onder bloemen schuifelt de adder en in den doorzichtig klaren drank schuilt vaak gif -- niet onder den stralend blauwen Italiaanschen hemel alleen.

Eenige weken waren voorbijgegaan. De avondwind klaagde om de hoektorens van het kasteel; alleen, in zijn bijzonder vertrek, bevond zich de burchtheer.

Een perkament met roode koorden omstrikt, voorzien van het groote, afhangende keizerlijk zegel, lag ontrold voor hem op den eikenhouten disch. Een woord van hulde, hem gebracht door heer Otto, met den dank van het rijk voor zijn krijgsbeleid, zijn moed in de zware dagen, nog zoo nabij voor ieders ontstelde herinnering,... een nieuwe schenking van land en goed....

„Waartoe zooveel zegen? Mijn God, wie ben ik, dat ik dit verdien? Deden niet allen hun plicht van den geringste tot den hoogste? Wat verrichtte ik meer?”

Deemoed overmeesterde hem terwijl de menschen hem verhieven, de levensrozen voor hem geurden.... Toen schuifelde de slang....

„Edele heer, vergunt gij ook uw nederigen dienaar een gelukwensch?”

Een vleiende stem lispelde het woord. Met den avonddronk kwam Diederik, sinds enkele jaren zijn hofmeester. Het gezicht van dien man stond hem tegen, maar Hereswit had hem aanbevolen. Arm, uitgeschud, gebroken door het leven, had hij eens haar bescherming ingeroepen en bekwaam bleek hij voor de taak, die hem werd toevertrouwd. Ook ditmaal stond hij in nederige, bescheiden houding -- afwachtend. Zijn heer nam den beker, met welwillend woord, om er terstond op te laten volgen:

„Waar is de gravin?”

Hereswit was altijd de eerste, die hem tegemoet trad bij vreugde of rouw. Zij was, zij bleef de eerste voor hem; thans miste hij haar gelukwensch.

Een geheimzinnige uitdrukking gleed over Diederiks trekken:

„Mevrouwe bidt in de kapel bij de rivier, zij bidt daar dikwijls heer, in den laatsten tijd. Zeer dikwijls.”

Een sluwe blik begeleidde zijn woorden, een ernstige het antwoord:

„Voegt het u zoo te spreken van de gravin, die uw redster is geweest?”

„Ik ben mevrouwe dankbaar, maar, mag ik daarom der waarheid te kort doen?”

Twee oogen zagen hem aan, waarschuwend, doordringend:

„Wat wilt gij zeggen? Er ligt een bedoeling in uw woorden? Spreek!”

In zijn hart klonk het:

„Wat kan Hereswit bewegen zoo laat en in ’t geheim haar huis te verlaten? Heeft zij verdriet, dat zij verbergt?”

Hij dacht er aan, dat geen zoon hun was geboren, zij leden er door, maar zij leden samen.

Maar de oogen van zijn dienaar kregen weer dien zonderlingen blik. En plotseling kwam een vreemde gewaarwording over hem, gelijk hij eens had gevoeld in Italië, toen de bodem onder hem wankelde. Het was of een nevel voor zijn oogen kwam of iets hem werd ontrukt, dat hem dierbaarder was geweest dan eigen leven. Donker werd die nevel -- nacht. En te midden der duisternis, verstikkend, beklemmend, drongen woorden tot hem door zonder samenhang, vol ontzettende beteekenis toch. Woorden, die behoorden tot den nacht.

Maar hij beheerschte zich, wees den dienaar terug met een gebiedend: „Zwijg! Ga!”

Zoo straf had tot dusver nooit een woord geklonken van zijn lippen. En Diederik ging onderdanig, sluipend, maar hij glimlachte toen zich de gesloten deur bevond tusschen zijn heer en hem.

Deze was alleen achtergebleven, alleen. Verbijsterd zag hij om zich, als wezenloos. Een rilling liep door zijn leden, het was of hij van zich schudde wat hij had gehoord, wat hij niet gelooven wilde, nu niet, nòoit. Hereswit zoo open, zoo waar....

Gaan mocht zij waar zij wilde, hij zou haar laten bespieden noch volgen. De kleine zijpoort zou nu evenmin worden afgesloten als te voren, -- evenmin. De ridder met gesloten vizier, gezien door de landlieden, door het burchtgezin, toen hij streed ver van huis, hij zou vragen naar zijn naam noch blazoen, eer deze dit zelf bekend maakte. Ongehinderd zou hij de kapel kunnen binnentreden als te voren, ook wanneer zijn vrouw daar bad -- alleen, in den nacht.

De duisternis was om hem, de wind loeide. Het scheen hem of zijn keel werd dichtgeknepen. Bleef hij daarom zwijgen, zwijgen ook toen hij meer dan een uur later de witte gestalte zag, zoo rank, zoo schoon, die ging door de kleine zijpoort en stil den voorhof betrad....

Hij verried met geen enkelen klank wat schrijnde in zijn borst met knagende, ondraaglijke pijn, maar het gif van het wantrouwen werkte. Hij begon Hereswit te bespieden, aan ieder woord, elk gebaar schonk hij beteekenis. Hij vond haar anders dan te voren. ’s Nachts stond hij aan het venster, wakend, met bonzende slapen en dan zag hij haar gaan door de kleine zijpoort en dan zag hij haar terugkeeren bij den eersten, bleekrooden schijn van den rijzenden dag. De schroeiende pijn, als van een brandwond, verliet hem geen enkel oogenblik, bij dag noch bij nacht -- maar hij zweeg.

Toen klonk de lispelende stem opnieuw:

„Heer, kort recht, goed recht! Is het ditmaal geen plicht uw eigen rechter te zijn? Behoort gij niet te waken voor de eer van uw naam, als anderen die vergeten?”

Een handbeweging wees den hofmeester terug, maar opnieuw alleen gebleven streek hij zich de klamme druppels van het voorhoofd. Ja, het was zijn plicht, zijn ijzeren tijd wrong hem het wapen in de vuist; zou hij echter ooit kunnen vergelden wat hij zelf had doorgeleden? Feller dan een dolkstoot wondt trouweloosheid.

Hij zag Hereswit gaan, opnieuw gaan en hij volgde haar langzaam, zonder omzien of aarzelen. Langs het eenzame veldpad begaf hij zich naar den boschrand, die zwart scheen in de schaduwen van den nacht.

In de verte schemerden de golven der rivier. Daar waren de schaduwen minder dicht, daar verrees met muren, wit glinsterend in de duisternis, het nederige kerkje, half verborgen onder het breede kroongewelf van een eik, in wiens ruwe schors vervlogen eeuwen hun stempel drukten.

De nachtelijke nevel werd uiteengevaagd; dooreen drijvende wolk viel de zilverschijn der maan. Zij goot haar licht door de geopende kerkdeur, over de witte gestalte, die nu zacht over den drempel trad. De man, die roerloos stond, tusschen het struikgewas, smoorde een kreet, waarin woede, wanhoop en hartstocht samensmolten. Met een ruk trok hij zijn zwaard, zijn oogen zagen in de leegte, toen hij het boschpad afstormde, dat hem scheidde van zijn wraak.

Wild sloeg de deur open, het zwaard zocht zijn doel: het hart van een mensch en -- werd teruggetrokken, de vlijmende spits omlaag.

Voor het altaar knielde een vrouw. Haar gelaat was omhoog geheven. In zacht gebed bewogen zich de lippen. De blanke luister van het maanlicht, dat door het kleine venster viel, scheen terug te stralen van haar voorhoofd.

Zoo als zij had gewis ook eenmaal Hanna gebeden in Jeruzalems tempel...

[Afbeelding]

De man, die kwam met dood en vergelding in het hart, stond bewegingloos, minutenlang. De wolk van bloed, die zoo vele weken had geschemerd voor zijn oogen, werd uitgewischt door het licht, dat neergleed uit den hooge. Het was of zijn eigen ik hem ontzonk. Hij zag alleen de bleeke vrouw, die aan den vluchtenden tijd, aan zich zelve ontvoerd, bad, als aanschouwde zij reeds de zaligheid van het eeuwige land harer onsterfelijke toekomst.

Hij durfde haar bijna niet aanzien; hij waagde niet zich te bewegen. De haat, het wantrouwen, de ijverzucht, zoo lang door hem gekoesterd, hoe verdwenen zij nu voor de werkelijkheid, als de nachtelijke nevelen voor het licht, dat thans blonk door de donkere wolken, ze omzoomde met zilveren glans. Geen onrustige flikkerschijn van purper en blauw, van flonkervolle regenboogstralen: alles sereen en puur -- als de in het witte kleed gehulde, in het gebed verzonken vrouw, wier woorden en daden steeds voor hem waren geweest doorzichtig als glas, en die hij had verdacht in zijn ijverzucht van een laaienden hartstocht, donker als de nacht, waarop geen hemellichten hun helderen glans laten vallen.

Zijn geweldige, harde tijd had hem het wapen gewrongen in de vuist; het was zijn goed recht, het was hooge plicht zijn gehoonde eer te wreken, snel, onherroepelijk te wreken.

En thans -- het ontbloote zwaard -- schrille tegenstelling met den gewijden vrede, dien het verbrak, ontzonk de saamgenepen vuist, die het voerde; kletterend rinkelde het neer op de groote steenen van den bodem. Op dezen wanklank der aarde wendde de knielende vrouw langzaam het hoofd om. De blik harer oogen scheen hem een azuren wonder. Als een zachte ademtocht klonk haar verwonderde stem:

„O, wat is dat! Waarom een wapen hier?”

Hij boog het hoofd op de borst, boog zich voor zijn jonge vrouw met haar kalme onschuld-oogen, voor haar, die stond in het volle licht.

„Dood mij! Gij hebt er het recht toe! Ik”....

Onsamenhangend beefden hem de woorden van de lippen, die haar verhaalden, hoe diep gezonken hij haar had geloofd.

Zij luisterde zwijgend, met, o, zulk een droevigen trek om den kleinen mond!

„En dat hebt gij kùnnen gelooven! Gij kent mij toch, zooveel jaren reeds!”

Het gif van argwaan en ijverzucht werkt snel, hij wist het thans. Het was of het nu licht werd voor zijn blik. Ook hij trad uit de duisternis -- nog niet volkomen.

„Ik zal u wreken met bloedig, snel recht. Diederik boet met zijn leven zijn schuld, nog vóór de dag aanbreekt!”

Welke oogen zagen hem aan, oogen vol hemelglans!

„Indien hij waarheid had gesproken, was het uw recht geweest mij te doen boeten met den dood; nu is het mijn recht hier te beslissen. Er staat geschreven: „Wreekt uzelven niet!”

Stil boog zij het hoofd, in haar oogen lag een gebed. Hij wist, dat zij genade afsmeekte voor den man, die haar meer had pogen te ontnemen, dan het leven alleen.

„Mijn lelie, het is te veel!”

Zijn stem beefde, hij zag tot haar op als tot een hooger wezen, ver verheven boven alles wat behoorde tot de aarde.... Maar haar glimlach welsprekender dan een woordenstroom, herhaalde: „Genade!”....

En het geschiedde naar haar wil. Maar toen hij Diederik ontsloeg zonder een woord van verwijt, hem alleen zeggend aan wier voorspraak hij zijn verachtelijk leven dankte; hem alleen de waarheid afeischend, wat hem had gedreven tot zijn daad, toen klonk het hem tegen in een angst, te wanhopig om naar nieuwe uitvluchten te kunnen zoeken:

„De Deensche aanvoerder, die hier plunderend het land afliep, toen gij, heer, streedt aan den Rijn, gaf mij goud, veel goud op voorwaarde”....

Het heete bloed steeg graaf Ansfried opnieuw naar de bonzende slapen. Rolfr, altijd Rolfr! Hij had ook eenmaal gedongen naar de gunst der schoone Hereswit van Strijen -- vruchteloos. Sinds zocht hij zijn wraak. Zou die thans voldaan zijn of....

* * * * *

Opnieuw waren vele jaren opgeteekend in de geschiedrollen van het verleden. Aan een stormenden springvloed gelijk bleef het onrustige jaarhonderd. Veel krachtsinspanning vorderde het van denkende hoofden en moedige handen, van graaf Ansfried bovenal. Raadsheer van den keizer, veldheer in den slag, beslechter van meer dan één twist tusschen naijverige prelaten... het leven stelde hem zware eischen. Doch hij telde geen moeite, geen dagen van onrust, geen weken van strijd of overwinning, van bezwaren of nederlaag. Als hooge plicht lag het leven voor hem. Hij wist wie hem den weg gewezen had.

Maar eens, toen hij opnieuw terugkeerde, na maandenlang afzijn hijgend naar rust, naar huis, toen vlamde de avondlucht donkerrood, als laaiend van wreede zegepraal, daar waar de torenspitsen van zijn slot zich ophieven aan den horizon. Hoog rezen en daalden de vlammen met den gloed van een smeltoven. Tot wilder ren spoorde hij zijn paard. Zijn ridders en speerknechten volgden hem als in wedloop met den wind en toen zij eindelijk Casallum bereikten, eindelijk! -- in slechts weinig minuten was het laatste gedeelte van den weg afgelegd, maar dat korte tijdsverloop besloot het leed van jaren -- toen vond hij zijn vrouw met Benedicta, zijn oudste dochter, handenwringend om het verlies der jongste. Gisela was in de vlammen omgekomen, maar vruchteloos werd haar lijk gezocht....

Wie droeg schuld aan de nieuwe misdaad? Een puinhoop was Casallum nu. Of was alleen een ongeluk oorzaak van de ramp?

Weer vlogen zijn gedachten naar Rolfr, den Deen. Rolfr Jarl, luidde thans zijn naam. Hij was de zwaardgenoot geweest van een der Noorsche koningen, vele jaren, bij menigen woesten krijgstocht. Dat schonk hem dien titel. Doch sinds eenigen tijd bezat hij de goederen van zijn bloedverwant. Toen had hij zich laten doopen en de nieuwe keizer, wien de kracht en onverschrokkenheid van Otto den Groote vreemd waren, begeerig om een geduchten Viking te herscheppen in een gehoorzamen onderdaan, had vergeten en zijn hulde en manschap aangenomen.

Thans leefde Rolfr Jarl op zijn bezittingen eenige uren van Utrecht, maar er werd gemompeld, dat het beeld van Odin met de opgeheven speer achter een gordijn was verborgen in zijn vertrek, naast dat van Thor met den geduchten hamer....

Er waren evenwel aanduidingen noch bewijzen omtrent den brand....

Casallum was zoo afgelegen, niemand kon beslissen over de oorzaak van het onheil. Maar de beroofde moeder, in het hart getroffen, treurde gelijk eenmaal Rachel deed. Welke uitdrukking lag in de diepte van haar oogen, wat was in elk harer bewegingen, dat wien haar zag de keel als toesnoerde?

En eens, toen buiten de zomernacht glansde en de maan een breed tapijt van zilver ontrolde over weide en woud, stond zij voor hem, een blank perkament in haar gevouwen witte handen. Haar stille oogen vestigden zich op hem met ernstigen blik, haar stem klonk schier klankloos, als van een die heeft geleden en gestreden, maandenlang.

„Wilt gij dit lezen?”

Zij gaf hem het perkament. Hij voelde een schok door zijn leden gaan.

Hij las. Het scheen hem of het maanwitte veld donker werd of de sterren hun glans verloren.

„Gij wilt van mij gaan! En Benedicta nam den sluier, en Gisela”.... Zijn krachtige stem beefde, het scheen hem zoo zwaar, een leven geheel verlaten, zonder liefde, zonder geluk.... Zij vouwde haar handen om zijn arm en begroef haar gelaat tegen zijn schouder met smeekend, droevig gebaar. Maar de vaste overtuiging van haar hart was in haar stem, toen zij antwoordde: