Part 10
De man, die moedig droeg den last der jaren en de lasten van zijn ambt, naast een wicht van wijsheid, van meer waarde dan menige van edelsteenen flonkerende kroon, bisschop Ansfried van Utrecht, was alleen in zijn eenvoudig vertrek, in zijn nauwelijks voltooid „zendingshuis” op den Hohorst. Het scheen weinig geschikt als verblijf voor iemand wien het oppergezag der christelijke kerk was toevertrouwd in de lage landen, ombruist door de wilde Noordzee. Voor hem, die eenmaal de eerste was geweest naast den troon van den keizer, wiens gevleugeld woord menigmaal den doorslag gaf in den rijksdag, evenals zijn machtig zwaard dikwerf het gevecht besliste, toen hij als graaf van Teisterbant onafhankelijker was dan de opperste landheer, eer en roem zijn wapens kroonden, de faam haar lauwerkrans vlocht om zijn schedel.
Thans sierde musiefarbeid de wanden noch beeldhouwwerk de vensternis van zijn kamer; de vloer prijkte niet met in sterren en ruiten gelegde tegels; geen gebeeldhouwde zetel stond naast den bronzen disch. Slechts een enkele plank aan den wand verhaalde van weelde. Daar lagen latijnsche handschriften opgestapeld, het persoonlijk eigendom van den bisschop, een zeldzame en kostbare schat.
De vier Evangeliën en een drieledig psalter behoorden er toe, de Homiliën van Johannes Chrysostomus werden er niet te vergeefs gezocht. Het Leven van Karel den Groote, door Eginhard beschreven, stond tusschen de werken van Seneca en Boëthius’ Troost der Wijsbegeerte, daarnaast lagen de Aphorismen van Hippocrates -- een werk van onschatbare waarde voor de geneeskunde van den tijd.
Maar de bisschop had geen van die zeldzame kwartijnen van hun plaats genomen, zelfs de Walthariuslegende noch het epos van Béowulf trokken zijn aandacht; „De Thebaansche oorlog” van Statius werd niet aangeraakt, maar op de perkamenten en brieven, waarmee de tafel als bedekt was, lag „Het boek der voorspellingen,” van Julianus, den Pelagiaanschen bisschop uit de vijfde eeuw. De echtheid van dit werk werd toen nog geenszins betwijfeld, maar het schonk geen licht voor de brandende vragen van den dag....
Met het hoofd in de hand geleund zat bisschop Ansfried neer, vele oogenblikken. Diepe stilte lag over woud en water, het morgenkoeltje streek door het geopend venster, de zon deed gouden lichtvonken zweven over de golven van de Eem. Hij sloeg acht op het eene noch op het andere. Het was alsof hij het heden vergat, alsof zijn ernstige oogen niet wat om hem was aanschouwden, maar alsof zij staarden ver in het verschiet. In het verleden, in dat van zijn eigen leven, wellicht? Hoog in de kroon der linde floot de merel haar welluidend lied; een flauwe glimlach speelde om de peinzend geplooide lippen van den eenzamen man, zijn voorhoofd, dat van den denker en den edeldenkenden mensch, ontplooide zich.
Zoo liefelijk, even welluidend had ook de merel gefloten op dien lachenden Meimorgen, -- meer dan veertig malen was de lente sinds gekomen en gegaan. Met bloesemgeur was de lucht beladen, seringen en meidoorns vlochten kransen tusschen het struikgewas, de woudduif gaf kirrend het antwoord aan den jubelzang der lijsters. Wijdgeopend stonden de donkere poorten van Keulen, de grijze rijksstad, naar buiten stroomden edelvrouwen en ridders, poorters en nijvere handwerksgezellen.
Naar buiten gingen zij in den lachenden zonneschijn van den wolkenloozen lentedag, om het blijde Meifeest te vieren met zang en rondedans, onder den bloeienden meidoorn, nu, na harden wintertijd de aarde was gewekt tot nieuw leven, de menschen als begiftigd met nieuwen levensmoed. Ook de leerlingen der vermaarde Schola Palatina mengden zich onder de blijde menigte. Kenbaar waren zij aan hun gewaad, met eerbied werden zij begroet, terwijl zij verder gingen in lange, vroolijke rij.
„’t Is een geluk, dat onze aartsbisschop de Kathedraalschool weer heeft geopend. Die cnapen brengen nog eens wat vertier in de brouwerij,” merkte een stevige poorter welgevallig aan.
„Gij slijt er tenminste menig tonneke bier door,” antwoordde zijn metgezel met lichten spot. De dikke brouwer knikte.
„Gelukkig, ja. ’t Is ook wel noodig, dat ons de tasch wordt gestijfd bij al de troebelen en veeten, waarin wij leven. Wanneer zal er toch eens een eind komen aan al die oorlogen en plundertochten? Alle handel en welvaart wordt er door vernietigd.”
„Wanneer alle menschen de goede en wijze dingen doen, die in de perkamenten staan, zooals de cnapen en clerken, ze nu in de Schola Palatina leeren, als dat leeren hen brengt tot nadenken en dit hun handelingen bestuurt. Alleen wanneer de menschen werkelijk beseffen, dat oorlogvoeren moorden is op groote schaal, zullen zij de schuld gevoelen, die zij op zich laden, hun krijgsroem verachten en den krijg bannen van de aarde. En, dat leeren zij uit de perkamenten, waarin de groote denkers en dichters der oudheid hun edelste gedachten neerlegden.”
De brouwer zag den ernstigen geestelijke, die zich plotseling mengde in het gesprek, niet zonder schroom aan.
„Ik kan niet goed volgen wat gij daar zegt. Gij zijt zelf ook zoo geleerd, dat is waar. Zeker nog wel meer dan die beide cnapen daar. Zie, zij groeten u. Wie zijn dat?”
„Twee van de beste leerlingen der school. Die met de donkere oogen en het blonde haar zal het ver brengen.”
„Wie is dat?”
„Hij heet Ansfried en is de zoon van graaf Lambert van Leuven en Teisterbant. Zijn moeder, vrouw Gerberga, is een dochter van hertog Karel van Lotharingen.”
„Dus behoort hij van moederszijde tot het Fransche koningshuis?”
Vol ontzag staarde de brouwer naar de bevallige, jonge gestalte.
Een heldere straal schoot uit de ernstige oogen van den geestelijke.
„De hoogheid der aarde is hem geen struikelblok, dat hem verhindert den berg te bestijgen der heiligmaking. Hij draagt het Evangeliewoord in het hart:
„Wie de meeste onder u wil zijn, zij aller dienaar. Geen wonder, dat hij de lieveling is van den aartsbisschop.”
„Die is ook erg geleerd niet waar?”
„Aartsbisschop Bruno heet met recht het wonder van onzen tijd. Hij weet alles wat den mensch gegeven is te weten. Hij is de rechterhand van zijn broeder, keizer Otto den Groote.
„Gelukkig voor ons, dat die hooge heeren zoo eensgezind zijn,” zei de brouwer droog.
„De keizer volgt bijna altijd zijn raad. Nu heeft de aartsbisschop heer Otto den jongen graaf Ansfried aanbevolen. Men zegt, dat de keizer hem zal meenemen op zijn krijgstocht naar Italië. Het doet mij leed. Niet om den keizer, die zal zelden trouwer volgeling vinden, maar om de school. Ansfried van Teisterbant belooft haar roem en glorie te worden. Had de aartsbisschop dien andere maar aangewezen, maar misschien is het ook beter niet -- voor heer Otto.”
„Wien meent ge?”
„De jonge Rolfr, die naast hem loopt.”
„Wie is dat?”
„Dat weet ik zelf niet goed. Het is een Deen”....
De brouwer deed ontsteld een stap achterwaarts. „Heer, bewaar ons in onzen bitteren nood, voor de mannen der grimma hjerna!” als mijn Friesche moeder altijd zei,” prevelde hij zacht.
De andere glimlachte.
„Wees gerust. Hij is hier maar alleen: niet aan het hoofd eener Vikingervloot is hij Keulen binnen gezeild. Ook is hij gedoopt.”
„Mijn moeder bad dat altijd als zij iets hoorde van de Denen,” hernam de brouwer verontschuldigend. „Maar hoe komt een Deen hier?”
„Hij is ouderloos en een verre verwant, ergens in Friesland of in Kennemerland, laat hem hier opvoeden. Hij moet den Ravenhorst van hem erven, een groot goed, dat ligt”....
„Op den weg naar Utrecht, daar ben ik eens in de verte voorbij gevaren met een lading bier,” viel de andere in. „Toen huisden daar in de bosschen ook al weer die vervloekte Denen. Mijn bier zwolgen zij in, mij sloegen zij bont en blauw, toen lieten zij mij voor dood liggen. O, dat gespuis! Dat adderengebroedsel!....” Toornig, vol wrok, balde hij dreigend de vuist.
„Stil, stil!” hernam de geestelijke vermanend. „Ook wat door de menschen tot ons komt, komt van God. Kan Hij die beproeving niet over u hebben gebracht, omdat gij te veel uw vertrouwen steldet op vergankelijk goed?”
„Teem niet als een oud wijf, eerwaarde!” gromde de brouwer. „Ik zal de Denen vervloeken, zoolang ik leef!”
Velen deden dit als hij en niet zonder reden. Vermanend fluisterde echter de geestelijke: „Het is lichter, dat een kemel ga door het oog eener naald”.... en de brouwer beet zich op de lippen. Hij voelde zich doorzien. Niet den verdelgers van zijn volk en land gold zijn haat, maar den roovers van zijn goud en goed.
Met zijn stok sloeg hij naar de meidoorns, met zijn oogen volgde hij de beide jongelieden, die als aanleiding hadden gegolden tot het gesprek.
Zij hadden hun tred verhaast en waren nu bijna de eersten, die de landkapel bereikten waar de plechtige „Mei”-dienst zou worden gehouden.
De hagerozen bloeiden, hun bleekroode bloesems waren overal, hun groene doorntwijgen slingerden door het struikgewas, zij omvlochten ook de kleine kapel als met een net van bloesempracht en lenteglans. Langs de bogen klommen zij op, zij tikten met hun groene vingers tegen de kunstelooze glasrosetten, rood en blauw, blauw en rood, gelegd in eenvoudige sterren. Purperen en azuurkleurige lichtjes wierpen zij op den ongelijken bodem. Maar ook over het omhoog geheven gelaat van het jonge meisje, dat knielde op de blauwe zerken van het kleine bedehuis, viel hun wemelende gloed. Rein als klokgelui klonk zacht haar stem:
„Heer, leid mij in Uwe waarheid!”....
Zij zag de naderkomenden niet, stil vouwde zij de handen, den blik omhoog gericht, omhóog.
Als aan den grond gekluisterd stond Ansfried van Teisterbant. Hij zag niet het blank, zuiver ovaal gelaat, niet de groote donkerblauwe oogen met hun stralenden blik, hij zag alleen de reine ziel, die blonk uit dat schoone omhulsel.
Waarheid! Vol listen en lagen was zijn tijd, vervuld met wreedheid en ruw geweld, de vorsten waadden door bloed om hun heerschzuchtige plannen te verwezenlijken, de volken trachtten elkander te verdelgen. Waarheid.... Zij scheen gebannen van de aarde, wie bad haar nog af van zijn Schepper, wie smeekte om het licht Zijner waarheid? Met vroegrijp denken begreep de schranderste leerling van de Schola Palatina hoe anders de wereld zou zijn, indien de menschen de waarheid zochten, haar liefhadden als een der hoogste gaven hun van God geschonken.
Had hij zelf niet dikwerf gewenscht, vurig begeerd om te bezitten de macht van het woord, gelijk hij de kracht van het geloof in zich voelde, om de menschen te kunnen wijzen op het eene noodige: waar te zijn en goed, God lief te hebben boven alles en hun naasten als zich zelven? Zou dan de wereld niet als een nieuwe gedaante ontvangen? En de menschheid zelf?.... Maar, wanneer hij soms schuchter zijn denkbeelden onder woorden bracht, te midden van den woeligen kring zijner medescholieren, allen jong als hij, in wier hand eens de macht der aarde zou worden gelegd, vorstenzonen, hertogskinderen als zij door geboorte waren, dan ontmoette hij hier glimlachend schouderophalen, daar bijtenden spot. Zij wezen hem op de kerkvaders, op de geschiedenis van vroeger en later tijd. Wat was geworden van dwepers en wereldverbeteraars?
„Heerschen door de macht van staal en ijzer, dat is het eenige wat ons overblijft, Ansfried! Woorden zijn klanken; bespiegelingen slechts droomen. Wij leven in een ijzeren tijd!”
Meer dan eens was hem dit spottend geantwoord en dan had hij gedacht, dat wanneer ieder in zijn eigen kring Gods geboden volgde, deed wat zijn hand vond om te doen, hoe dan de aarde toch anders zijn zou, de menschen beter.
En thans vond hij hier de zusterziel, die smachtte naar waarheid, die bad zooals hij gebeden had, sinds zijn vroegste jeugd....
Hij wenkte zijn vriend met hem terug te gaan, hier mocht geen stoornis zijn.
„Kent gij die jonkvrouw, Rolfr?” vroeg hij, toen zij weer buiten stonden. Met een vreemden, loerenden blik in zijn diepliggende oogen zag deze hem aan.
„Het is Hereswit, de dochter van den graaf van Strijen. Haar erfgoed en het uwe liggen naast elkaar. Dat treft goed.”
Verwonderd zag Ansfried op. Wat meende hij? Wat -- toen hij hem hoorde mompelen:
„Het geluk bestaat, gelijk uw schaduw bestaat. Grijpen kunt gij haar noch vatten.” Hij zag Ansfrieds vragenden blik, toen klonk het wrevelig:
„Ik sprak niet van u, erfgraaf van Hoei en Teisterbant. Voor u bestaan geen schaduwen”....
Hoe vele, vele jaren lagen tusschen dien zonnigen Meimorgen en het heden! Een weemoedige glimlach speelde om de lippen van den grijsaard, toch was in zijn oogen een herinneringsblik van geluk. De belofte van die lente was werkelijkheid geworden: weinige jaren later had hij de schoone Hereswit van Strijen gevoerd naar zijn hechten burcht te Casallum, als zijn lieve vrouw.
Maar daartusschen lagen jaren vol onrust en moeite, van zware plichten en grooter verantwoordelijkheid.
Een ander tafereel doemde voor hem op:
Avondwolken met gouden randen omzoomd dreven langs de lucht, het flikkerlicht der lange flambouwen verdrong den laatsten schijn van het daglicht in de gewelfde Romaansche zaal van het aartsbisschoppelijk paleis te Keulen. Aartsbisschop Bruno zat in zijn hoogen zetel, geplaatst naast den keizerstroon van zijn broeder, Otto den Eerste.
Banderollen en vlaggen wapperden van de torentin, vroolijk klaroengeschal klonk op het voorplein, speerknechten waakten in voorhal en poortgewelf.... Waartoe? Zij behoefden immers geen wachters, de fiere keizer, de groote kerkvorst, te midden der getrouwen, die hen omgaven. Ridders hoog van moed, edel van wapen waren het, saamgestroomd uit al de gouwen van het uitgestrekte Duitsche rijk. Gevolgd door hun stoet van dienstmannen, stonden zij gereed moedig in ’t harnas te sterven voor de eer van koning en rijk.
Want een nieuwe krijgstocht werd door heer Otto voorbereid. Over eenige weken reeds zou hij zijn leger over schier onbegaanbare bergpassen voeren naar Italië, het steeds oproerige land. Zou zijn tot nu toe steeds zegepralende krijgsmacht nieuwe overwinningen tegengaan of wachtte haar wellicht nederlaag, verraad en dood? Bijna geheel het verscheurde, verdeelde Italië kantte zich thans, zeldzaam eensgezind, tegen zijn gezag. Hij zou Lombardije eerst moeten onderwerpen, voor hij tot koning der Longobarden kon worden gekroond en zijn vijanden zouden dolk noch gif sparen om hem te beletten zich te Rome de keizerskroon te verwerven, die eens Karel de Groote bezat. Uit den Italiaanschen hemel, zoo wolkenloos blauw, schoot menigwerf een doodelijke bliksemschicht, en de bodem met bloemen bedekt, welfde zich boven meer dan een laaienden vulkaan....
Deed die gedachte menig oog vol zorg staren op de toekomst, die weldra het heden zou zijn? Legde zij die ernstige wolk over het hooge voorhoofd van den aartsbisschop?
Zij hadden elkander lief, de beide groote zonen van Hendrik den Vogelaar, lief van hun vroegste jeugd, toen reeds het jonge, vurige bloed hen gloeiend naar het hoofd vloeide met droomen van eer en macht, tot een teere moederhand dien onstuimigen gedachtenstroom leidde in kalmer bedding, tot niet langer hun hoofd brandde, doch hun hart gloeide van verlangen om liefde te vinden, om die te winnen van hun volk door voorbeeld en daad. En thans lag alle aardsche macht in hun hand en zij besteedden die tot heil van hun land, tot zegen der kerk, tot ontwikkeling van hun volk en -- veel tegenkanting, veel miskenning werd dikwerf hun loon.
En nu wenkte de tocht naar Italië met de duisternis van onbekende gevaren en de bliksemschichten van den haat!...
Ieder feestgedruisch was verstomd in de hooge hallen van het paleis. Geen harnassen blonken meer half verborgen door met goudborduursel omzoomde riddermantels. Verstomd waren de tonen van harp en luit. De bloemfestoenen, liefelijken feesttooi slingerend om pilaren en vensterboog, hingen verflenst neer; vertreden lagen het dennengroen en de biezen van den vloer. Stilte heerschte, de nacht gebood.
Maar in de vermaarde librye van den aartsbisschop -- diens liefste vertrek -- stond een jongeling met gloeiend gelaat voor heer Otto, wiens heerschersblik een zachtere uitdrukking ontving, terwijl hij rustte op het van blijde verrassing stralend gelaat.
Want, klonk niet de ernstige stem van aartsbisschop Bruno:
„Mijn broeder, dat is de zanger, wiens schoone stem u trof te midden van het koor. Ik sta u hem af, mijn meest geliefden leerling, omdat ik weet, dat gij een zwaarddrager behoeft als hij zich toonen zal. Het is mij bekend, dat vruchtelooze eerzucht wraakplannen smeedt, die u gelden, dat list en verraad u omringen. Hij zal trouw zijn bij anderer ontrouw, waakzaam als ieder sluimert. Spreek, mijn Ansfried, heb ik te veel gezegd?”
Een blos brandde op het voorhoofd van den jongeling. Daar was een stem in zijn hart, die pleitte om te blijven, een andere, die hem wees op zijn plicht, hem dwong tot gaan. De laatste verwon, zijn lippen spraken:
„Mijn heer is zeer genadig. Ik zal doen wat ik kan, zoo waarlijk moge God mij helpen.”
Welgevallig volgde beider blik hem enkele oogenblikken later, toen hij het vertrek verliet.
„Verwacht van hem geen groote woorden; zijn daden zullen spreken, hoe jong hij ook nog is. Hij zal groot en aanzienlijk worden, omdat hij de macht slechts begeert om het goede te kunnen doen,” sprak de aartsbisschop eindelijk.
Zijn broeder drukte hem de hand:
„Ik dank u voor wat gij mij afstaat. Gij geeft mij véél.”
Zijn menschenkennis -- van menige bittere ervaring de vrucht -- zou heer Otto ook ditmaal niet bedriegen, maar in de welgevulde leerzaal der Schola Palatina verwekte het nieuws, dat Ansfried was gekozen om den koning als zwaarddrager te vergezellen op een reis, die dezen de keizerskroon schenken moest, geen geringe opschudding. Zoowel toekomstige legeraanvoerders en vorsten, als aanstaande hooge geestelijken onder de scholieren, verdrongen zich om het nieuws te hooren. Want de kathedraalschool vormde beiden: Ovidius en Cicero werden er gelezen, maar ook de Kerkvaders.
Het was of dezelfde toekomst allen wachtte als zij in koor hun stemmen vereenden tot een statig psalmgezang. Toch hield de aanstaande ridder, die zich eenmaal geharnast zou werpen in het dichtste slaggewoel, de hand aan het gezangboek tegelijk met een vriend, wien het kerkelijk leven wachtte. Maakte die tweeledige opleiding de laatsten evenzeer geschikt voor een gewichtige staatsbetrekking? Want mannen van de daad, die hun tijd noodig had en die hun tijd begrepen, vormde de Schola Palatina. Zij verlieten het altaar voor het slagveld, die wakkere kerkvorsten, of verwisselden de ernstige kapittelvergaderingen met een luidruchtigen rijksdag. Zij verklaarden hun leeken het Evangelie en drongen hen de hand aan den ploeg te slaan -- in werkelijken zin. De handel werd door hen beschermd en aangemoedigd, zoover als het mogelijk was in die onrustige eeuw; burchten en sterkten werden opgericht ter beveiliging van hun gebied. Aartsbisschop Bruno gaf hierin het voorbeeld. Zijn practische blik -- een gave door slechts weinige geniaal aangelegde naturen met hem gedeeld -- had hem ook ditmaal gevoerd tot de keus met zooveel verbazing of ijverzucht door alle scholieren vernomen.
Terwijl de vragen en antwoorden elkander kruisten, hier werd gefluisterd van vorstengunst, en van krijgseer of hofglans elders, was er een enkele stem, die zich niet mengde in het luidruchtig koor. Zijn eigenaar bleef gebogen over een perkamentrol. Het scheen, dat ingespannen, geestelijke arbeid hem geheel in beslag nam. Het was een gelaat, dat zich niet gemakkelijk doorgronden liet. De wenkbrauwen vormden bijna een enkele streep op het breede voorhoofd. Van ingehouden hartstocht beefde het om de hoeken van den mond. Een beschroomde, jonge geleerde scheen hij, in zich zelf verzonken, in zijn werk verdiept. Doch toen een vroolijke, jonge Rijnlander hem een slag op den schouder gaf, met een half lachend, half spottend: „Rolfr, wat zeg jij van de zaak? Ben je de eenige, die Ansfried niet benijdt? Verdiept ge je daarom zoo vol ijver in de Homiliën van Chrysostomus? Als het Ovidius nog was, maar die grommige strafredenaar!”.... Toen werd eensklaps het gebogen hoofd opgeheven, de oogen met hun ondoorgrondelijken blik zochten den veel benijden jongen zwaarddrager en in hun diepten gloeide het van wrok.
De Rijnlander barstte uit in een schaterenden lach:
„Dat lijkt weinig op vriendschap! En Ansfried is nog wel je kamergenoot en je waart altijd samen te vinden!”
„Ik wensch hem gaarne al het geluk, dat hij verdient. Wie de lieveling der vrouwen is, moet ook wel die der goden zijn,” klonk het bitter terug en om den mond van den spreker beefde het opnieuw van hevigen, nauw onderdrukten hartstocht. Verwonderd trad Ansfried op hem toe:
„Rolfr, heer Otto heeft meer getrouwen noodig, zal ik je ook aanbevelen in zijn gunst?”
Norsch stiet Rolfr de hand terug, die de zijne zocht.
„Mijn daden zullen mijn aanbeveling zijn, de uwe heb ik niet noodig!”
Toornig stormde hij heen. Plagend riep de jonge Rijnlander hem na:
„Lees de invectieven van Gregorius er nog eens op na. Je zult er schimpwoorden genoeg in vinden, als je daar Ansfried liever mee verblijdt dan met een gelukwensch!”
Er volgde geen antwoord, maar de kloof dien dag ontstaan tusschen Ansfried van Teisterbant en Rolfr „den Deen”, zou nimmermeer worden overwelfd, verbreed wèl....
* * * * *
Een ander beeld uit het ver weleer:
Weer waren vele maanden voorbijgegaan. De zware tocht over den Brenner was door Otto den Groote volbracht. Gevaren hadden hem omringd; hij had ze overwonnen. Iedere strijd had hem nieuwe zegepraal geschonken. Thans rustte de ijzeren kroon der Longobarden op zijn hoofd, thans wenkte hem de keizersdiadeem van Karel den Groote. Morgen, over weinige uren reeds, zou zij neerdalen op zijn golvende lokken, dit symbool der hoogste, aardsche macht. In de stilte van den nacht bad de jonge heerscher in het kerkgebouw, dat het stof van den Apostel Petrus bewaarde, om kracht voor de hooge plichten, onafscheidbaar van de uitgebreide rechten, die hem zouden worden toevertrouwd.
Donker was het in het, door marmeren zuilen geschraagde bedehuis, de eenige, altijd brandende lamp gaf slechts een flauwen schijn. Haar licht deed de duisternis nog meer uitkomen, die heerschte in de hoeken en als scheen op te klimmen naar de gewelven, schitterend van zilveren arabesken en kostbaren mozaïekarbeid. Door een gebroken wolk gleden de stralen der maan naar binnen. Aan den nachtelijken hemel waakten de gouden sterrenoogen over het sluimerende Rome. Zagen zij wat gistte en woelde in de groote stad? Het verraad, dat den dolk ophief in het duister, de trouweloosheid, die haar offer zocht, de blinde eerzucht, bereid anderer leven af te snijden ter bereiking van eigen doel? De gouden sterrenoogen waakten.... Zij niet alleen. In gebed verzonken knielde koning Otto, God, Die hem had gesteld op zijn hooge plaats, smeekend hem een heerscher te doen zijn naar Zijn wil, hem in staat te stellen de rechten zijner volken te handhaven, hun vrijheden te bewaren voor iedere aanranding. Omhoog geheven was zijn blik, omhoog. Nooit zou de keizerskroon schitteren boven edeler voorhoofd, noch het purper van den Cesar zich hebben geplooid om vorstelijker gestalte. Nooit had het volk van Rome fierder heerscher begroet....