Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru) De Aarde en haar Volken, 1873
Part 5
Na een weinig de orde hersteld te hebben, togen wij weder op weg, op eenigen afstand gevolgd door de wilden. Daar ik den schijn niet wilde aannemen, alsof wij voor den vijand vluchtten, beval ik halt te houden, en onze vervolgers af te wachten. Het duurde ook niet lang, of zij hadden ons op nieuw omsingeld. Onder luid geschreeuw wierpen de Indianen zich nu op onze bagage, als tijgers op hunne prooi. Onze dragers namen verschrikt de vlucht; de cascarilleros, aan dergelijke tooneelen niet gewoon, beefden over al hunne leden. In weinige oogenblikken waren wij bijna van alles beroofd wat wij hadden, waarna de Chunchos zich, lachende en juichende, verwijderden.
Gelukkig waren er verder geen ongelukken gebeurd, en kwamen wij, het verlies onzer bagage daargelaten, verder met den schrik vrij. Wij besloten nu evenwel, onmiddellijk den terugtocht aan te nemen, hetgeen wij zooveel te gereeder doen konden, daar de nasporingen onzer Bolivianen althans een voldoenden uitslag hadden opgeleverd, en wij dus in zooverre het doel onzer reis hadden bereikt. Wij riepen dus onze dragers, die zich in de struiken hadden verscholen, terug, pakten het weinige, dat ons nog was overgebleven bijeen, en sloegen den weg in naar Marcapata.
Wij liepen dien geheelen dag zoo snel wij konden, ten einde ons zoover mogelijk van den noodlottigen vijand te verwijderen. Tegen den avond bereikten wij een heuvel, waar wij besloten te overnachten. Met onze messen baanden wij ons een weg door de struiken en slingerplanten, waarmede de helling geheel bedekt was; en op den top gekomen, vonden wij een pleintje, met mos begroeid en door groote boomen omringd. Hier zetten wij ons neder; van avondeten kon geen spraak zijn; vuur aanmaken durfden wij niet, uit vrees dat wij daardoor onze schuilplaats aan de wilden zouden openbaren. Uitgeput van vermoeienis, vielen wij eindelijk in slaap.
Tegen het krieken van den morgen werden wij eensklaps door het reeds zoo welbekende geschreeuw gewekt. Er viel niet aan te twijfelen: de wilden hadden ons wederom ingehaald. In een oogenblik waren zij bij ons, en begon hetzelfde tumult op nieuw. Onder de bende waren er ook, die aan de plundering van gisteren geen deel hadden genomen, en nu ook hun deel van den buit verlangden. Om hen tot bedaren te brengen, liet ik de valiezen openen, zoodat zij zelf konden zien, dat wij niets meer bezaten om hun te geven. Maar, in plaats van heen te gaan, hieven zij een nog luider geschreeuw aan; en een hunner, een athletisch gebouwde jonkman van twintig jaren, van het hoofd tot de voeten met roode en zwarte strepen beschilderd, wierp ons, met eene uitdrukking van toorn en verontwaardiging, een hoop versch afgesneden lianen voor de voeten. Dat waren de lianen, die wij den vorigen avond, bij het beklimmen van den heuvel, hadden afgesneden: de wilden wierpen ons die nu voor de voeten, om onze bewering te logenstraffen, dat wij geen messen meer hadden. Ik haastte mij, mijn kostbaar spaansch mes, dat in mijn gordel stak, te verbergen; nauwelijks had ik dit gedaan, of de Chunchos onderzochten ons den een na den ander, en ontnamen aan mijne reisgenooten de messen, die zij niet in veiligheid hadden kunnen brengen.
Nu volgde een tooneel van uitgelaten dartelheid, waarvan wij de weerlooze slachtoffers waren. De Chunchos bespotten ons met woorden en gebaren, en begonnen eindelijk onze aangezichten, die hun waarschijnlijk te bleek voorkwam, met plantensap te verven. Nadat dit een poos geduurd had, en de wilden alles bijeen hadden geraapt wat nog vatbaar was om medegenomen te worden, verwijderden zij zich, lachende en met de hand afscheidsgroeten toewuivende.
Wij bleven nog een poos roerloos zitten, niet anders denkende dan dat de dieven aanstonds weder terug zouden komen. Toen wij ons eindelijk overtuigd hadden dat zij voorgoed vertrokken waren, rezen wij op, daalden van den heuvel af, en gingen het bosch in. Weldra werd onze marsch een overhaaste vlucht: wij stormden voort, dwars door struiken, kreupelhout en lianen en doornen, zonder ons te bekommeren over onze gescheurde kleederen of opengereten handen en beenen. Eindelijk bereikten wij den oever van de Ayapata, waar wij, verscholen onder het dichte houtgewas, eenigen tijd rustten, en beraadslaagden wat ons verder te doen stond. Onzen honger stilden wij met eenige wilde vruchten, die de cascarilleros, op handen en voeten voortkruipende, gingen opzoeken. Na een uur gerust te hebben, vervolgden wij onzen tocht, altijd even hard loopende, en beurtelings den oever en het bosch volgende, om de wilden het spoor bijster te doen worden. In den namiddag vonden wij een grooten drijvenden boomstam, waarvan wij gebruik maakten om naar den linker oever van de Ayapata over te steken, waar wij dadelijk het woud ingingen. Wij moesten nu nog de rivier de Ollachea oversteken, om de vallei van Marcapata te bereiken, vanwaar wij uitgegaan waren.
Nog twee dagen verliepen er, eer wij de rivier de Ollachea bereikten: twee dagen van bijna doodelijke vermoeienis en ontbering. Wij leefden van wilde vruchten en wortelen, die het woud opleverde, en konden niet dan met groote moeite voortgaan. Wij doorwaadden de Ollachea op de plaats, waar zij, in twee armen zich splitsende, eene bruikbare voorde heeft, en zetten onzen tocht voort naar de Camantis, waar wij na verloop van nogmaals twee dagen aankwamen. Daar mochten wij ons vleien veilig te zijn voor verdere ontmoetingen met de Chunchos, die ons als onze schaduw gevolgd waren; wij maakten dus een groot vuur aan, en deden ons te goed aan vruchten, benevens aan sprinkhanen en slakken, die wij lieten braden. Onze dragers wisten bovendien, met groote behendigheid, eenige palmboomen te beklimmen, en met behulp van mijn mes, het eenige dat ons nog overgebleven was, de zoogenaamde palmkool af te snijden, die eene ware lekkernij was.
Den volgenden morgen hervatten wij met frisschen moed, onzen tocht. Bij het wederzien der bekende punten, was het ons of wij een nieuw leven tegemoet gingen. Hoe ook vermoeid en uitgehongerd, trokken wij opgewekt en blijmoedig voort, zeker, dat wij nu den eindpaal van ons lijden naderden. Weldra bereikten wij Maniri, en dan, na een geforceerden marsch, Sausipata, waar wij ons te goed deden aan de onrijpe vruchten in den tuin van den gobernador van Marcapata, den oom van Aragon. Zoo ging de tocht nu rustiger en met minder overhaasting voort, van station tot station, tot wij eindelijk, op zekeren namiddag Marcapata in het gezicht kregen, waar men bereids van onze nadering onderricht was. Nauwelijks hadden wij het vlek betreden, of de pastoor en de gobernador kwamen ons te gemoet om ons te begroeten. Toen zij ons zagen, konden zij een uitroep van verbazing en medelijden niet bedwingen: in plaats toch van de vroolijke, hoopvolle reizigers, die, met blijden moed, nu twee maanden geleden, afscheid van hen genomen hadden, vonden zij uitgeputte, uitgehongerde wezens, in lompen gehuld, door de zon verbrand en door de venijnige insecten en de scherpe doornen onbarmhartig toegetakeld. "Ach, mijn zoon, zeide de waardige geestelijke tot mij, terwijl hij mij bij het afstijgen hielp; dat komt er van, wanneer men in het land der ongeloovigen cascarillas gaat zoeken."
Wij begaven ons nu naar de pastorie, waar wij twee dagen vertoefden. Na met onze tolken en dragers afgerekend te hebben, namen wij afscheid van den braven pastoor, en vervolgden onze reis naar Cuzco, waar ik aan Juan Sanz de Santo-Domingo een uitvoerig verslag van het resultaat onzer expeditie ter hand stelde. Acht dagen later had ik mij weder op reis begeven, en stond ik aan den oever van het heilige meer Titicaca.
GAËTA.
Aan de schilderachtig schoone kust van zuidelijk Italië ligt, op een der fraaiste punten, de stad Gaëta, in de historie en de legende schier evenzeer beroemd. Zij behoort tot de oudste steden van Italië, en voert haar stichting hooger op dan die van Rome. Volgens de door Virgilius in zijn heldendicht overgenomen legende, ontleent zij haar naam van Cajeta, de voedster van Aeneas, den trojaanschen held, den mythischen stamvader des romeinschen volks. Maar nog meer dan aan dezen legendarischen oorsprong, dankt de sterke vesting haar roem aan de belangrijke rol, die zij eeuwen en eeuwen achtereen in de geschiedenis der italiaansche oorlogen en omwentelingen heeft gespeeld. Wat al vijanden heeft zij voor hare geduchte wallen gezien; wat al stormen heeft zij afgeslagen; hoe menigmalen heeft het vuur des vijands hare muren geteisterd! Het ligt natuurlijk niet in onze bedoeling, de lange krijgsgeschiedenis van Gaëta te verhalen: slechts met een enkel woord wenschen wij te herinneren aan twee gebeurtenissen uit onzen tijd, die aan de aloude rotsvesting eene nieuwe beroemdheid hebben geschonken.
Toen in November 1848, na den moord van graaf Rossi, de omwenteling met onbedwingbare woede in Rome uitbrak en de paus zelf in zijn paleis niet meer veilig was, werd het noodig, een middel te bedenken om den heiligen vader aan de moordzucht van het opgeruide gemeen te onttrekken. De beiersche gezant, graaf Spauer, bood daartoe zijne medewerking aan. In vrouwenkleederen vermomd, verliet paus Pius, den 25sten November, in het rijtuig van den gezant, en in gezelschap van diens echtgenoote, de tot een moordenaarshol geworden stad. De kleine stoet sloeg den weg in naar het zuiden, naar Gaëta; waar de paus, in de staten van den koning van Napels, een veilig toevluchtsoord vond, terwijl de treurige romeinsche republiek, waar Mazzini en Garribaldi de dictatuur uitoefenden, reeds den 3den Juli 1849 voor de fransche wapenen bezweek. Wel werd nu de wettige regeering hersteld, maar toch duurde het nog tot den 4den April 1850 eer de paus, onder het geleide van fransche soldaten, uit Gaëta naar zijne hoofdstad terugkeerde, waar hem, in later jaren, nog zoo menige bittere ondervinding wachtte.
Ruim tien jaren nadat Pius IX de sterke vesting verlaten had, ontving zij binnen hare muren een ander slachtoffer der zegevierende revolutie: haar eigen heer, koning Frans II van Napels. Op de nadering van Garribaldi met zijne vrijbuitersscharen, had de jonge monarch, door lafhartige, onbekwame dienaars en gewetenlooze verraders omringd, zich gedwongen gezien, zijne hoofdstad te verlaten, en, den 6den September 1860, te scheep naar Gaëta te wijk te nemen. De aloude rotsvesting zou getuige zijn van de laatste, heldhaftige worsteling der napolitaansche monarchie tegen den overmachtigen vijand, die, zonder een schijn van recht, zonder eene oorlogsverklaring zelfs, de staten van den nabuur en bloedverwant had overweldigd, en met behulp der komedie van eene volksstemming, zich zelf de geroofde kroon op het hoofd zette. Maanden achtereen duurde het beleg der met onbezweken moed verdedigde vesting; en niet dan nadat allen den ongelukkigen koning hadden verlaten, geen uitkomst meer was te hopen en langer tegenstand onmogelijk geworden, gaf de fel geteisterde vesting zich den 13den Februari 1861 aan den sardinischen generaal Cialdini over. De koning, die, met zijne jeugdige gemalinne aan allen het voorbeeld van moed en toewijding gegeven had, trok naar Rome, waar hij in het paleis zijner familie, het _palazzo Farnèse_, zijn intrek nam.
DE OOIEVAAR IN HET OUD-GERMAANSCHE VOLKSGELOOF.
Hoewel bij onze heidensche voorvaderen de dierendienst niet tot dien hoogen trap van ontwikkeling gekomen was, als, bij voorbeeld, bij de Egyptenaren, zoo geloofden toch ook de oude Germanen, gelijk alle volkeren van indo-germaanschen stam, aan eene zekere geheimzinnige betrekking tusschen het dier en de godheid, en bewezen ook zij aan sommige dieren eene zekere mate van vereering. De goden zelf namen, volgens de germaansche voorstelling, nu en dan de gedaante van sommige dieren aan, welke om die reden voor heilig werden gehouden; andere dieren werden geacht in de bijzondere dienst van eene of andere godheid te staan, en uit dien hoofde met zekeren eerbied en ontzag behandeld. Vele dieren droegen zinrijke, eervolle bijnamen; en vele sagen en bijgeloovige voorstellingen van allerlei aard stonden met de dierenwereld in rechtstreeksch verband: sagen en voorstellingen, die nog eeuwen lang in de heugenis des volks bewaard bleven, lang nadat de wezenlijke beteekenis verloren was gegaan.
In den regel zijn het meest viervoetige dieren (en onder dezen meer de wilde, dan de tamme), die in de oude mythen en volksoverleveringen een rol spelen; maar toch is daarin ook aan sommige vogels, zooals de zwaluw, de specht, de koekoek, eene meer of minder belangrijke plaats ingeruimd; bovenal echter is het de ooievaar, die in het volksgeloof der duitsche stammen eene zeer gewichtige rol speelt.
Door geheel Duitschland en Nederland gold en geldt de ooievaar ten deele nog, als een heilige vogel, die het huis tegen onweer beveiligt; hij die moedwillig een ooievaar doodt, zal weldra--volgens het bijna in geheel Duitschland heerschende volksgeloof--tot straf voor deze euveldaad, zijne woning door den bliksem zien vernield. In het algemeen neemt men eene zekere verwantschap aan tusschen den ooievaar en het vuur. Zal in het dorp een brand uitbarsten, dan fladderen de ooievaars reeds van te voren angstig om de kerktoren. De uit hunne nesten verdreven ooievaars, heet het elders, komen met een brandend stuk hout in den bek aanvliegen, om de woning, waar men hen verjoeg, in brand te steken. Neemt de landman daarentegen den ooievaar vriendelijk op, en legt hij, zooals op zeer vele plaatsen in Duitschland pleegt te geschieden, een wiel op het dak, zoodat de vogel daarop gemakkelijk zijn nest kan bouwen, dan is de woning ook tegen alle gevaar van brand beveiligd.
Maar nog eene geheel andere en schijnbare volstrekt heterogeene rol is den ooievaar in het volksgeloof toebedeeld. Bijna in geheel Duitschland en ook in de Nederlanden, heerscht onder de kinderen ten platten lande de meening, dat de kleine broertjes en zusjes door den ooievaar worden gebracht; eene menigte kinderliedjes weten daarvan te verhalen, en bijna overal weet men een bepaalden vijver, een bron of iets dergelijks aan te wijzen, waaruit de ooievaar de kinderen haalt. Dat deze voorstelling zeer oud is, blijkt onwedersprekelijk uit het feit, dat een der oud-hoogduitsche bijnamen van den ooievaar juist aan deze mythe is ontleend: namelijk het oud-duitsche woord _odebero_, dat nog in het tegenwoordige plat-duitsche _atjebar_, en bij ons in het verouderde _eidebaar_, waarvan ooievaar een verbastering is, bewaard is gebleven. De laatste helft van dit woord is van het oud-hoogduitsche _bëran_ afgeleid, dat dragen beteekent, en in dien zin ook nog in andere, duitsche zoogoed als nederlandsche, woorden voorkomt, zooals: baar, vruchtbaar. _Ode_, _atje_, _eide_, is zeer waarschijnlijk hetzelfde als ons _adem_, (duitsch _Odem, Athem_); de naam _odebero_ zou dus zooveel als levensbrenger, letterlijk ademdrager, beteekenen.
Waardoor werd nu de ooievaar, aan de eene zijde met het onweer en het vuur in verband gebracht; en aan de andere zijde als drager der kinderzielen beschouwd? Om deze dubbele vraag te beantwoorden, moeten wij ons in de eerste plaats herinneren hoe de Indo-germanen, en in het algemeen alle zoogenaamde natuurvolken zich vuur plegen te verschaffen. Dit geschiedde, ook bij onze voorouders, door een stok van hard hout zoo lang in een schijf van zachter hout om te draaien, tot door de wrijving een vlam ontstond. Naar de voorstelling onzer voorvaders, ontstond ook het bliksemvuur op geene andere wijze: de dondergod draaide zijn staf zoolang in het gouden zonnerad om, tot daaruit een vonk ontsprong.--Maar hoe kwam nu die bliksemstraal zoo snel op aarde? Dit, zeiden zij, in hun beeldrijke taal, geschiedt door een vogel: en naar gelang van de eigenaardige fauna der verschillende landen, werden bij de onderscheidene indo-germaansche stammen, ook verschillende vogels met die taak belast. In de vedische zangen der Indiërs wordt de snelle valk als bliksemdrager vereerd; bij de Grieken vervulde waarschijnlijk de arend, de lieveling van Zeus, oorspronkelijk dezelfde rol; de Kelten beschouwden het winterkoninkje als bliksemdrager; de Romeinen kozen daartoe vermoedelijk de specht, die nog door Plinius _incendiaria avis_ genoemd wordt; en onze germaansche voorvaderen belastten daarmede den ooievaar. Vermoedelijk had hij deze onderscheiding vooral te danken aan de roode kleur van zijn snavel en pooten, die als van zelf aan het vuur deed denken. Na verloop van tijd ging natuurlijk de oorspronkelijke beteekenis der mythe verloren; maar in het algemeen verbreide volksgeloof, dat de tegenwoordigheid van dezen vogel het huis tegen bliksem en brand beschermt; leeft nog altijd de herinnering voort aan den ooievaar als drager van het bliksemvuur. Het wiel, dat voor hem op het dak werd gelegd, duidt op dezelfde mythe: was het niet een symbool van het gouden zonnerad, waaraan het door den ooievaar op de aarde gebrachte vuur ontsprongen was?
Doch wat heeft nu deze bliksemdrager met de geboorte van kinderen te doen? Ook dit is niet zoo onverklaarbaar, als men slechts bedenkt, dat voor de oudste Indo-germanen, tusschen de wijze waarop het vuur werd gewekt en het ontstaan van het menschelijk leven in de moederschoot, eene zeer nauwe betrekking bestond; of liever dat men zich deze beide werkingen der goddelijke natuurkracht als tamelijk gelijk voorstelde. Wij kunnen te dien aanzien hier niet in bijzonderheden treden; maar wijzen er alleen op, dat in de vedische liederen de afzonderlijke deelen van den oudsten vuurtoestel dezelfde namen dragen als de sexueele organen. Ook elders vinden wij hetzelfde verschijnsel. Bij de Grieken bij voorbeeld is Prometheus niet alleen de vuurbrenger, die het hemelsche vuur op aarde brengt, maar ook de schepper, althans de formeerder der menschen [1]. Daar men zich nu het bliksemvuur als door een vogel naar de aarde gevoerd dacht, was het niet zoo vreemd dat men ook de kinderen, of liever de kinderzielen, bij de geboorte door een vogel, en wel door denzelfden vogel, liet overbrengen.
Op deze wijze is de bliksemdragende ooievaar in de sage tot den brenger der kleine kinderen geworden: en ook in dit opzicht komt hij overeen met de bliksemdrager der Romeinen, de specht. Want ook deze vogel--of liever zijne personificatie, de halfgod Picus--stond in nauwe betrekking met de geboorte der kinderen: hij gold namelijk als beschermgod der kraamvrouwen, en wanneer een kind geboren en als levensvatbaar erkend was, werd aan Picus een spijsoffer gebracht, wel om geen andere reden dan omdat Picus zelf als de brenger des levens werd beschouwd.
[1] De naam van den titan zelf wijst op die dubbele beteekenis. Prometheus komt van het sanskriet _Pramantha_, de naam van den stok die, om vuur te maken in de schijf werd rondgedraaid.
DE ABDIJ VAN VERTEUIL.
De abdij van Verteuil, een monument der romaansche bouwkunst, ligt in het departement Gironde, arrondissement Lesparre. Volgens eene bij het volk zeer verbreide overlevering, zou de abdij door Karel den Groote zijn gesticht. Waarschijnlijk is zij niet ouder dan de tiende eeuw; in de achttiende werd zij herbouwd.
Op een heuvel, die het vlek en de abdij beheerscht, verheft zich het kasteel van Verteuil, dat gedurende de oorlogen met Engeland bij herhaling door de engelsche koningen genomen, verloren en weder heroverd werd. Verschillende heeren betwistten elkander het bezit van dezen ouden burcht, die in 1326 in handen kwam van Gaston de Foix, graaf van Longueville. Later keerde het kasteel terug aan de familie d'Albret, die het reeds tegen het einde der dertiende eeuw bezat. In het laatst der vijftiende eeuw kwam de baronnie met het kasteel aan het kapittel van Saint-André te Bordeaux, die daarvan eigenaar bleef tot 1798. Toen werd ook dit goed tot nationaal eigendom verklaard, met andere woorden geroofd. Van den ouden burcht zijn slechts eenige puinhoopen over.
RHEINSTEIN.
Rheinstein! Wie herinnert zich dien fieren burcht niet, half oud-ridderkasteel, half modern slot, maar in bouwstijl en voorkomen getrouw het karakter weergevende van den feodalen tijd? Indrukwekkend schoon ligt het daar, het gerestaureerde kasteel, de mededinger van den koninklijken Stolzenfels, op zijn hooge rots, aan den oever van den Rijn; en bij het voorbijvaren kunt ge niet nalaten uwe oogen op te heffen tot den vorstelijken burcht, eigendom van een der pruisische prinsen, die het gebouw uit zijne puinen deed herrijzen.
Maar meer nog wellicht dan de burcht zelf, heugt u het onvergelijkelijk schoone landschap, waarvan hij mede een der meest karakteristieke sieraden is. Weinig punten aan de heerlijke Rijnoevers kunnen met de omgeving van Rheinstein wedijveren. In stoute, wilde vormen verheffen zich, ter wederzijde van den breeden, snelvlietenden, bruisenden stroom, de machtige rotsgevaarten, die zijn bed insluiten, en waartusschen hij zich kronkelend en slingerend en schuimend een weg baant. Daar aan den oever ligt in een krans van frisch geboomte het vriendelijk stedeke Asmannshausen, waarboven en waarnevens zich de schoon gevormde, met dicht bosch bedekte bergen van het Niederwald verheffen. Van zijn hooge rots, aan den tegenoverliggenden oever, staart de fiere Rheinstein neder op de woelende rivier, op het nederig stadje, op de oude Clemenskapel, wegduikende in de schaduw der boomen. Daar ginds voor u uit, waar de stroom zich nog eenmaal buigt, rijst uit de grauwachtige wateren, schuimend en klotsend in het Bingerloch, de Muizentoren met zijne verschrikkelijke legende van den wreeden bisschop Hatto, door de hem vervolgende muizen verslonden. Iets verder groeten u, aan den voet der groene bergen, der wijnrijke heuvelen, Bingen en Rudesheim, waar zich het nauwe rotsdal opent, en de Rijn, schier een meer gelijk, statig golft door de bloeiende, weelderige Rheingau, dien tuin van Duitschland, zoo weergaloos schoon, als ge staande op een der toppen van het Niederwald die paradijsachtige streek overziet... O, heerlijk land, ontvang nog een groet uit de verte, een groete der herinnering, een wensch des wederziens!