Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru) De Aarde en haar Volken, 1873

Part 4

Chapter 43,860 wordsPublic domain

Nadat wij een paar uren in westelijke richting waren voortgegaan, merkten wij een verandering in het woud op. De boomen schenen zich gaandeweg te ontdoen van het net van slingerplanten en lianen, die hen tot dusverre hield omwoeld; hier en daar vertoonden zich open plekken, waar zich bevallige palmen verhieven. Tegelijk werd de vlakke grond telkens hobbeliger en het gaan bezwaarlijker. De majordomo der cascarilleros, wien ik naar de reden van deze veranderingen vroeg, antwoorde mij, dat het gewijzigd karakter der vegetatie een gevolg was van de nabijheid der Cordilleras; en dat wat het hobbelige en ongelijke van den grond aanging, dit te wijten was aan eene of andere rivier, die wij weldra zouden bereiken.

Weldra bewees de uitkomst dat hij gelijk had. Hijgend van vermoeienis en erg gehavend door de doornen, die het laatste gedeelte van ons pad hadden versperd, bereikten wij den oever van de rivier Ayapata, die wij moesten overtrekken, Maar, aangezien wij noch een pont, noch een vlot, zelfs geen boomstam hadden, om den overtocht te doen, was het zaak, vooraf zoo nauwkeurig mogelijk de gesteldheid der rivier te onderzoeken. De Ayapata, hier ongeveer honderd ellen breed, stroomde voort tusschen vlakke oevers, ter wederzijde geheel met zware boomen bedekt, die door een net van lianen aan elkander waren verbonden. De verschillende kleurschakeeringen in de tamelijk snelvlietende wateren bewezen dat de diepte zeer verschillend was, en dus ook dat er op sommige plaatsen meer of minder geschikte voorden moesten zijn. Twee rijen rotsen, op eenige ellen afstands van elkander, veroorzaakten eene branding, sterk genoeg om eene gewone boot te verbrijzelen. Na zorgvuldige waarneming van alle deze teekenen, kozen wij voor den overtocht eene plaats, die door een witachtige streep op de oppervlakte der rivier werd aangewezen, en waar, naar de schatting der Bolivianen, de diepte niet meer dan tusschen de vier of zes voet moest bedragen. Wij grepen elkander bij de hand, en daalden in de Ayapata af. In het midden der rivier gekomen, hadden wij al onze krachten noodig om ons te verdedigen tegen den stroom, die ons optilde, omver wierp en ons ongetwijfeld zou hebben medegevoerd, indien wij niet de voorzorg hadden gebruikt van elkander vast te houden en zoo een soort van keten te vormen. Toch kwamen de meesten er niet zonder eene onderdompeling af.

Druipnat kwamen wij op den anderen oever, waar ons eerste werk was een plekje op te zoeken, waar de Siriniris ons niet konden ontdekken, ingeval zij bij toeval aan den anderen oever kwamen; en vervolgens, nadat wij zulk een plekje gevonden hadden, onze kleederen uit te trekken om die in de zon te drogen. Na een oponthoud van een paar uur, maakte wij ons gereed, onzen tocht te hervatten. Eerst waren wij voornemens, den zandigen oever der rivier te volgen, maar de vrees dat de Siriniris ons zouden zien, bracht ons van dit denkbeeld terug. Wij gingen dus het bosch in, ver genoeg om niet van de overzijde gezien te kunnen worden, en toch dicht genoeg bij de rivier om haar niet uit het oog te verliezen. Intusschen ontdekken wij, noch aan dezen, noch aan den tegenover liggenden oever, een enkel spoor, waaruit de nabijheid der wilden viel af te leiden. Na verloop van eenigen tijd werd de weg zoo steil en zoo moeilijk, dat wij genoodzaakt waren, in zuidwestelijke richting af te wijken, zoodat wij de rivier uit het oog verloren. Daarentegen hadden wij nu, aan onze linkerhand, een dier barrancas of steile kloven, die hier zoo menigvuldig zijn, en die wij besloten tot het einde te volgen.

Aanvankelijk moesten wij, niet zonder moeite en gevaar, voortklauteren over opeengestapelde rotsblokken, die een soort van amphitheater vormden. Toen werd het beter: de rots was nu, bij wijze van een natuurlijke trap, in dunne lagen verdeeld, zoodat wij zonder veel inspanning naar boven konden komen. Deze geheele rotshelling was bovendien met de fraaiste en zeldzaamste planten en bloemen bedekt, die aan het geheele dal een allerschilderachtigst voorkomen gaven. Toen wij, na een half uur klimmens, den top der rots hadden bereikt, strekte zich voor onze blikken een dier onmetelijke panorama's uit, waarbij de details zich in de massa verliezen, en die eene eigenaardige kalmte en rust ademen, welke zich als van zelve aan den beschouwer mededeelt.

Van het noorden naar het oosten was het ééne onafzienbare zee van groen, wier dicht opeengedrongen golven tot den horizon reikten, waar zij zich in een lichtenden nevel verloren. Hier en daar verhief zich uit deze bewegelijke oppervlakte een heuvel, een spits, een bergkegel, als het ware een baken te midden dezer grenzenloosheid. Enkele zilveren strepen, nu eens verdwijnende in het dichte groen, dan van verre zichtbaar, teekenden den loop der rivieren, die haar wateren in de Madre-de-Dios of de Inambari uitstorten. Een wolkelooze, donkerblauwe hemel welfde zich over dit wijde landschap.

Als ge u omkeerd, ziet ge voor u, van het westen naar het zuiden, een verwarde en outzaggelijke mengeling van punten, naalden, spitsen, bergkammen, regelmatige of zonderling afgebroken kegels, van toppen en kruinen, allen behoorende tot de bergketenen, die, van de hoofdketen der Andes uitgaande, met, steile hellingen naar de vlakte afdalen. Deze geheele ontzagwekkende berggroep, die bij morgen- of avondverlichting ongetwijfeld een prachtig effect moet maken, vertoonde nu, onder de loodrechte stralen der middagzon, niet veelmeer dan ééne saamgepakte levenlooze massa. Hier en daar dreven langs de lagere hellingen lichte wolken en nevels, opstijgende uit de rivieren, die zich tusschen deze bergen een weg baanden.

Maar wat nog meer dan dit onmetelijk vergezicht onze aandacht trok, was de rivier de Ayapata zelve, die ver beneden ons haar loop vervolgde, doch nu niet meer vrijelijk tusschen vlakke oevers, door maagdelijke wouden omzoomd, zooals op het punt waar wij haar hadden doorwaad, maar nu gevangen en ingesloten tusschen de loodrechte rotswanden, op welker top wij stonden. Als wij tot den rand der rots voortgingen, konden wij, ons voorover buigende en ons vasthoudende aan de planten, die hare wortels in den steen geslagen hadden, in de diepe kloof afzien, waarin onze rivier gevangen was.

Deze eenigszins bochtige kloof had eene lengte van honderdvijftig el; de breedte bedroeg nog geen derde van die der Ayapata. De rivier, in haar loop nog versneld door de helling van den bodem, stortte zich met donderend geweld in de bergengte; spatte haar vlokkig schuim tegen en over enkele rotsen, die hier en daar boven de kokende wateren uitstaken; weerspiegelde in haar oppervlakte de donkere tinten der sombere rotswanden, die aan alle zijden loodrecht oprezen; en ontsnapte dan uit haar kerker, terwijl zij hare woelende wateren in een aantal takken en armen verdeelde.

Na een poos dit schouwspel te hebben aangestaard, maakten wij ons gereed weder af te dalen. Ongelukkig was, aan deze zijde, geen spoor te ontdekken van de natuurlijke trap, die ons bij het opklimmen van zooveel dienst was geweest. De helling was hier bovendien zoo steil, dat aan geen afdalen te denken viel, en wij genoodzaakt waren een langen omweg te maken, en, op de manier der kreeften, met allerlei bochten en slingeringen onzen weg te vervolgen. Wij kwamen zonder ongeval beneden, en gingen het woud weder in, zoodat wij de rivier uit het oog verloren.

In den namiddag hadden wij een dier lomas of boschrijke heuvels bereikt, die aan deze streek eigen zijn en als vooruitgeschoven posten van de Cordilleras kunnen worden beschouwd. Wij bestegen den heuvel, die geheel met dicht struikgewas was bezet, waardoor wij ons met onze bijlen en messen een weg moesten banen, en waren weldra op den top, waar wij gemakkelijker konden voortgaan. Ik hield mij bezig met de beschouwing van sommige merkwaardige bloemen, toen ik plotseling eenige onderdrukte kreten vernam. Aanstonds herhaalde ik de stem onzer dragers, en nieuwsgierig om te weten wat er gaande was, liep ik naar hen toe. Toen ik bij hen kwam, schreeuwden zij niet meer, maar waren zij nog geheel ontroerd door hetgeen zij gezien hadden. Een onzer had namelijk den kamp gewaagd met een der bewoners van deze wildernis; en allen, die getuigen van dezen strijd waren geweest, brandden van begeerte om mij het voorgevallene te vertellen.

Een der Quechuas, die vooruit ging, had eensklaps in het bosch iets vreemds gezien, en was stil blijven staan om dat onbekende voorwerp meer van nabij op te nemen. Hij hield het eerst voor een kabeltouw; maar Pepe Garcia, naderbij komende, zag dadelijk dat dit gewaande touw niet anders was dan een groote boa-constrictor, die, saamgerold, rustig lag te slapen. De Indiaan en zijne kameraden waren van meening, dat men het dier stil moest laten liggen, daar zij blijkbaar geen lust hadden, nader met de slang kennis te maken. Maar Pepe Garcia had daarop geantwoord, dat het vleesch van de slang zeergoed was om te eten, en dat hij van de huid scheden voor messen kon maken. Tegelijkertijd had hij met beide handen een stevigen palmhouten boog gegrepen, dien hij bij wijze van wandelstok gebruikte, en dat wapen, als een knots, opheffende, had hij daarmede een geweldige slag aan de slang toegebracht, die zich eensklaps had ontrold. Op het gezicht van het gevreesde dier, dat vergeefs poogde zich op zijn gebroken ruggegraat op te heffen en zijn bek dreigend tegen zijn aanvaller opensperde, hadden de verschrikte dragers zich haastig uit de voeten gemaakt. Ik had hun geschreeuw gehoord. De moedigsten waren op eenigen afstand blijven staan, hadden zich achter de boomen verborgen, en vandaar den verderen loop van het gevecht gadegeslagen. Pepe Garcia, zonder zich door de machtelooze woede der slang van zijn stuk te laten brengen, had met groote kracht en behendigheid zijn knots blijven gebruiken, en was dan ook als overwinnaar uit de strijd gekomen. De slang lag roerloos op den grond uitgestrekt. Ik trad naderbij, en zag dat de slang tot een bijzondere soort van python behoorde, die in deze streken veel voorkomt, en effen bruin van kleur is. Het dier was ruim negentien voet lang, en had in het midden een omvang van veertien duim. In onze omstandigheden was deze vondst een groot geluk: het vleesch van de boa verschafte ons dien avond een zoo smakelijk en zoo overvloedig souper, als wij in langen tijd niet hadden gebruikt.

IV.

Den volgenden morgen hervatten wij onzen tocht, door een prachtig landschap, waar het anders zoo dichte, bijkans ondoordringbare woud schier de gedaante aannam van een park met schilderachtige, verspreide boomgroepen. Na een marsch van eenige uren bereikten wij een open plek, waar onze aandacht getrokken werd door steenhoopen, in halven cirkel of rechte lijn nevens elkander geplaatst. Onze cascarilleros stonden in twijfel, of hier aan de arbeid van menschenhanden dan wel aan de werking van het water der rivier moest worden gedacht: en wij waren juist bezig hierover te praten, toen ons eensklaps uit het bosch een geweldig geschreeuw tegenklonk, dat ons eene huivering door de leden joeg. Wij keerden ons allen te gelijk om naar den kant, vanwaar dat geluid kwam, en zagen, op nauwelijks twintig schreden afstands van ons, een troep Chunchos, met den boog in de hand en de kroon van vederen op het hoofd.

De Indianen hervatten nu hun geschreeuw, en begonnen tegelijk te springen en allerlei gebaren te maken, maar niemand kwam naar ons toe: zij bleven springen en hunne armen en beenen bewegen, doch zonder te naderen. Wij begrepen de reden hunner terughouding, toen wij een hunner het woord _tasa-tasa_ hoorden uitspreken, terwijl hij op onze geweren wees. In dien man herkende ik dadelijk, aan zijn eigenaardig hoofdtooisel, een der Siriniris, wier ontmoeting ons bewogen had, de rivier Ayapata over te trekken. De Indiaan had ons dus gevolgd, zonder dat wij daar iets van hadden gemerkt, en hij was het, die ons nu deze nieuwe bezoekers op het lijf stuurde.

Toen de Chuncho bemerkte dat wij hem herkend hadden: trad hij eenige schreden vooruit, en zijne armen uitbreidende, alsof hij ons wilde omhelzen, riep hij ons toe: _Amico Dunkinpuna huayri_. Volgens Pepe Garcia wilde hij daarmede zeggen, dat hij onze vriend was, en dat wij te doen hadden met een opperhoofd (_huaijri_), Dunkinpuna genaamd. Wij beantwoordden deze mededeeling met de verzekering, dat hij zonder vrees naderbij kon komen. De Siriniri liet zich dit geen tweemaal zeggen: hij liep naar ons toe en sloot ons in zijne armen, daarbij tevens, met eene komische mengeling van angst en nieuwsgierigheid, onze geweren aanrakende. Door ons vriendelijk onthaal gerustgesteld, begon hij nu met zijne handen over onze kleederen en straks ook langs ons gelaat te strijken. Deze bijzondere gemeenzaamheid, die wij kalm afweerden, gaf nu ook aan de anderen moed, naderbij te komen en ons ook een weinig te betasten. Wij lieten hen eenige oogenblikken begaan; toen, oordeelende dat het nu genoeg was, maakten wij eene beweging met de geweren, die hen dadelijk op een eerbiedigen afstand deed terugwijken. Daar hielden zij stil, zetten zich gedeeltelijk op den grond neder, en bleven ons onafgebroken aanstaren.

Nog meer dan hunne plotselinge verschijning, verwonderde mij hun bescheiden zwijgen over onze messen en bijlen. Hield de vrees voor onze geweren hun den mond gesloten? of wisten zij door hun gids, dat wij de messen en bijlen niet voor niet gaven, maar slechts tegen andere voorwerpen inruilden? Daar zij nu niets hadden om ons aan te bieden, hielden zij zich maar stil, wetende dat zij toch niets krijgen zouden.

Na verloop van een half uur, oordeelde ik dat het nu tijd was, afscheid van onze nieuwe bekenden te nemen. Ik stond juist op het punt aan onze dragers te gelasten, den tocht te hervatten, toen Pepe Garcia, die zich onder de Chunchos begeven had en met hen praatte, op den inval kwam om hun te vragen, van waar die steenhoopen afkomstig waren, die wij in den omtrek hadden opgemerkt. In het eerst scheen hun de vraag bespottelijk en antwoordden zij alleen met een luid gelach; maar eindelijk deelden zij onzen tolk mede, dat die steenhoopen in vroeger tijd waren opgeworpen door menschen van onzen eigen stam en kleur; met het doel om goud op te zamelen, dat door de rivier, welke toen langs die plaats haar weg nam, werd medegevoerd. Deze rivier had zich sedert teruggetrokken, wilden wij haar zien, dan moesten wij links afslaan.

De rivier, waarvan deze Siriniris spraken, moest de San-Gaban zijn, in de zeventiende eeuw beroemd vanwege de goudwasscherijen, aan hare oevers gevestigd. Ik besloot zoo mogelijk, eenige nadere inlichtingen in te winnen, en verzocht den tolk aan de Indianen eenige vragen te doen, die ik hem zou opgeven, met de belofte dat zoo zij die behoorlijk beantwoordden, zij eenige messen ten geschenke zouden ontvangen. Aanstonds hield hunne luidruchtigheid op, en luisterden zij met ingespannen aandacht naar hetgeen hun zou worden gevraagd.

Ik liet hun daarop door Pepe Garcia vragen of zij hunne vaders of grootvaders nooit hadden hooren spreken van eene stad, in vroeger tijd door de Spanjaarden hier in den omtrek gebouwd, en die door de Caranga- en Suchimani-Indianen van de rivier Inambari was verbrand geworden. Deze vraag bracht eene geweldige opschudding onder de Chunchos te weeg: zij riepen en schreeuwden, en wilden allen te gelijk antwoorden. Ik verstond niets dan de woorden _sacapa huyaris Jpanos_, die met groote levendigheid en drift werden uitgesproken; maar toch begreep ik, dat de geschiedenis van San-Graban en de spaansche avonturiers, als overlevering bij deze stammen bekend was. Verder bleek dat de Carangas en de Suchimanis sedert langen tijd deze streek verlaten hadden; en dat de plaats, waar de oude stad gestaan had, niet meer dan een dagreis verwijderd was.

De verzoeking om deze eenmaal zoo beroemde plek te gaan zien, was mij te sterk; ook de kolonel en de Bolivianen namen met deze geringe afwijking van onzen weg genoegen. Terwijl wij nog daarover beraadslaagden, lieten de Siriniris ons door Pepe Garcia vragen, of wij de bedoelde plaats, die zij Sacapa noemden, wilden bezoeken; en op mijn bevestigend antwoord, bood Dunkinpuna, die de aanvoerder scheen te zijn, aan, ons derwaarts te geleiden, tot belooning een bijl vragende. Aanstonds wilde de gansche troep medegaan, waar ik volstrekt geen zin in had. Na lange onderhandelingen, kwam men eindelijk overeen, dat drie van de oudsten met den chef Dunkinpuna mede zouden gaan; deze gidsen zouden ieder een bijl krijgen, en, na volbrachten tocht, voor de anderen, die achterbleven, een zeker aantal messen, vischhaken, belletjes en andere snuisterijen, medebrengen. De achterblijvende mannen keerden daarop naar de vrouwen en kinderen terug, die op eenigen afstand waren gebleven. Vergezeld van onze vier gidsen trokken wij het woud in, dat allengs dichter en dichter werd, en ons noodzaakte, met bijlen en messen een doortocht te banen, tot groote verwondering der wilden, die de lianen en struiken eenvoudig op zij schuiven.

Het begon duister te worden, en wij moesten eene geschikte plaats opzoeken om in het woud te overnachten. Vooraf wilden wij echter gaarne onzen honger stillen: maar de voorraad ontbrak. Op mijn last wonnen onze beide tolken den raad in der Chunchos, die, gewoon in deze bosschen te leven, beter dan wij bekend moesten zijn met de middelen om ons een avondmaal te bezorgen. Zij waren aanstonds bereid, ons te helpen, en gingen met onze beide tolken het bosch in; terwijl onze dragers inmiddels hout bijeen zochten en een vuur aanmaakten. Weldra vielen vijf geweerschoten, en kort daarop keerden onze lieden terug met wildbraad en vruchten in overvloed. Het wildbraad bestond in een afschuwelijk leelijken brulaap, drie hoccos en vijf patrijzen. De maaltijd smaakte ons heerlijk, en wel verkwikt begaven wij ons ter rust. Onze gidsen, die het vuur zouden aanhouden, sliepen echter niet, maar bleven den geheelen nacht door babbelen.

Den volgenden morgen zetten wij onzen marsch voort, en bereikten omstreeks den middag een plek, waar de boomen zeer ver uit elkander stonden en een soort van open vlakte lieten, van ongeveer twee kilometer in omtrek, waarachter weder het dichte woud begon. De met gras begroeide grond was zeer ongelijk, vol kloven en gaten en diepten, overal omgewoeld als ten gevolge eener vulkanische werking. Deze eigenaardigheid viel te meer in het oog, omdat wij sedert den vorigen dag bijna over een geheel effen bodem waren voortgetrokken.

De wilden hadden zich onmiddellijk en zonder zich verder om ons te bekommeren, op den grond neder gezet. Ik dacht eerst, dat zij wat verlangden te rusten, maar vernam weldra, dat wij te San-Gaban waren, en dat zij afwachtten of wij nog verder wilden gaan. Deze mededeeling verbaasde mij zoozeer, dat ik de gidsen op nieuw door Pepe Garcia liet ondervragen, waarop zij nogmaals verzekerden dat wij ons op de eigen plek bevonden, waar San-Gaban gestaan had. Nu was geen twijfel langer mogelijk; werktuigelijk zag ik in het rond, of ik niet een of ander overblijfsel van menschelijken arbeid vinden kon; ik zag niets dan gras, mos, struiken en groote boomen. Toch was deze eenzaamheid eenmaal getuige geweest van een koortsachtig overspannen leven.

Het was omstreeks het jaar 1550. De valleien van Caravaya, destijds door de stammen Suchimani en Caranga bewoond, waren door spaansche deserteurs ontdekt geworden, die, zoodra zij zich vergewist hadden, dat hier goud in overvloed voorhanden was, de Indianen verdreven, zich hier vestigden, en de toevallig gevonden schatten gingen exploiteeren. Intusschen verspreidde zich spoedig het gerucht dezer ontdekking. Don Antonio de Mendoza, onderkoning van Peru, ook zijn aandeel in de winst begeerende, had eene kolonie Spanjaarden, soldaten en commissarissen, ingenieurs en metselaars, daarheen gezonden, en in de nieuw ontdekte streek de dorpen Ollachea, San-Gaban, Aporoma, Sandia, San-Juan-del-Oro, Inambari en Pari, doen bouwen. De vereenigde mijnwerkers van San-Gaban en San-Juan-del-Oro zonden aan Karel V een klomp goud ten geschenke van tweehonderd achttien pond; de keizer had, tot belooning, aan de beide vlekken den titel van keizerlijke stad geschonken en al de inwoners in den adelstand verheven.

De exploitatie der negentien valleien van oostelijk Caravaya werd gedurende ongeveer twee eeuwen voortgezet, en bracht den koningen van Spanje vele millioenen op. Na dien tijd werden de meeste werken verlaten; de vlekken ontvolkten zich; de mijnwerkers, nu pachters geworden, gingen op hunne nieuw ontgonnen plantages leven; toen, later nog, het echte spaansche ras was uitgestorven of zich naar elders had verstrooid, werd de landstreek ingenomen door eene gemengde bevolking, die er heden nog gevestigd is.

In 1767 was de stad San-Gaban de eenige, die nog van hare vroegere mededingsters was overgebleven, en nu ook de algemeene verzamelplaats der schatten van Caravaya. Al het goud, hetzij erts, hetzij korrels, hetzij goudzand, dat ergens in het land werd gevonden, werd door Indianen of op muildieren naar San-Gaban gebracht, en in loodsen geborgen, vanwaar het eenmaal per jaar, na gesmolten en tot staven gevormd te zijn, naar Lima werd vervoerd, om vervolgens naar Spanje te worden overgebracht. In den nacht van 15 op 16 December dezes jaars 1767, werd de keizerlijke stad, die hoegenaamd geen gevaar vermoedde, door de Carangas en de Suchimanis overvallen, die haar in brand staken en al de inwoners vermoordden. Zoo werd door de afstammelingen der eerste bezitters van Caravaya, de overweldiging van voor twee eeuwen gewroken. Dit feit baarde destijds groot opzien, en was het onderwerp van alle gesprekken; maar het geslacht, dat van deze verwoesting getuige was geweest, werd door een ander vervangen, en de treurige geschiedenis van San-Gaban werd langzamerhand eene geheimzinnige legende. Zelfs als ge hier te midden van het woud staat, waar niets u van de tegenwoordigheid van menschen spreekt, zoudt ge bijkans aan de waarheid der historie gaan twijfelen.

Ik liet aan onze gidsen vier bijlen ter hand stellen, als loon voor hunne dienst; en toen ik zag, dat zij daarmede zeer in hun schik waren, liet ik hun verzoeken zich ook met de zorg voor ons ontbijt te willen belasten, gelijk zij den vorigen avond zoogoed voor ons souper hadden gezorgd. Zij toonden zich daartoe bereid, en verdwenen weldra in het bosch; de kolonel en de beide tolken togen mede, op hunne eigene gelegenheid, ter jacht. Al spoedig keerden deze laatsten terug, met geen anderen buit dan een eekhoorn en een paar vogels, maar de Chunchos lieten zich te vergeefs wachten. Doch nauwelijks hadden wij ons schraal ontbijt verorberd, of een dier onbeschrijfelijke kreten, waarvan geen taal eenig denkbeeld geven kan, drong ons door merg en been. Opziende zagen wij een ganschen troep wilden, mannen, vrouwen en kinderen, die in draf naar ons toekwamen. Wij hadden ternauwernood den tijd, eenigszins van onze verbazing te bekomen, toen wij reeds aan alle kanten omsingeld waren, en onder luid geschreeuw en geschater werden omhelsd, geschud, en op allerlei manieren geliefkoosd.

Te vergeefs poogde ik onder de wilden onze gidsen van zooeven te herkennen; ik hoorde en zag niets, versuft door het oorverdoovend geschreeuw: _Siruta inta menea!_--geef mij een mes!--dat door het bosch weerklonk. Ieder onzer was door minstens een zestal Chunchos omringd, zonder de vrouwen en kinderen te rekenen, die even dapper meededen. Met groote moeite, en door met onze vuisten en onze geweren dapper om ons heen te slaan, gelukte het ons eindelijk een weinig ruimte te maken; de Chunchos vormden nu een kring om ons, terwijl anderen inmiddels pogingen aanwendden om zich van onze bagage meester te maken. Ziende wat er gaande was, haastten wij ons, onze dragers ter hulp te komen, die van schrik als verlamd waren. Van de daardoor ontstane verwarring maakten de Chunchos gebruik, om haastig alles weg te pakken wat zij grijpen konden, en daarmede in het bosch te verdwijnen.