Tocht Naar De Dalen Van Den Kinaboom Peru De Aarde En Haar Volk
Chapter 3
Toen het een oogenblik stil was geworden, maakten wij daarvan gebruik om afscheid te nemen van onze nieuwe kennissen. Juist toen wij op het punt stonden heen te gaan, werden wij plotseling omsingeld door de gansche bende, die, met groot geschreeuw en heftige gebaren, zich tegen ons vertrek scheen te willen verzetten. Blijkbaar hadden zij evenwel niets vijandigs in den zin. Wij begrepen spoedig dat zij met al dat geraas en getier, al die beweging en die onverstaanbare uitroepen geene andere bedoeling hadden, dan om op hunne wijze te protesteeren tegen ons vertrek. Onder al dit rumoer werd mijn nieuwsgierigheid geprikkeld door het woord _huatinmio_, dat telkens in hunne uitroepen terugkeerde, en meestal vergezeld ging van eene beweging met de hand naar een onbekend punt in het woud. Ik verzocht Pepe Garcia hun te vragen wat dit beteekende. Deels door gebaren en deels door middel van die brabbeltaal, waarvan hij zich tot dusver in zijn omgang met de Siriniris bediend had, kwam hij van hen te weten dat het woord _huatinmio_ de naam van hun dorp was, op korten afstand gelegen, in de door hen aangewezen richting. Op dit oogenblik, zoo verzekerden zij, was er in het dorp niemand overgebleven, dan eenige grijsaards met de vrouwen en kinderen; de mannen waren uitgetogen om in de vallei te jagen en te visschen, zooals steeds hunne gewoonte was, wanneer de voorraad ten einde liep. Zij noodigden ons uit, derwaarts te gaan.
Dit uitstapje had voor ons weinig aantrekkelijks: te minder daar het ons van den weg afvoerde, dien wij ons hadden voorgenomen te volgen. Het was louter tijdverspilling en vruchtelooze moeite; nog daargelaten, dat wij ons misschien aan gevaren blootstelden. Ik verzocht dus Pepe Garcia, dat hij de Siriniris voor hunne vriendelijke uitnoodiging zou bedanken, en ons leedwezen betuigen dat wij daaraan geen gevolg konden geven, omdat wij geen tijd te verliezen hadden. Tusschen beschaafde lieden zou het daarmede uit geweest zijn; maar deze wilden lieten zich door onze weigering niet uit het veld slaan. Zij hielden zoo lang aan met vleien en smeeken en dringen en liefkozen, dat ik den moed niet had te blijven weigeren. Bovendien drongen de kolonel en de majordomo er op aan, dat wij aan het verzoek der Siriniris gevolg zouden geven. De kolonel wilde gaarne zulk een indiaansch dorp zien, en de majordomo nam zich voor, onderweg nauwkeurig de wouden te onderzoeken, of zij ook kinaboomen bevatten. Zij voegden daarbij dat Huatinmio op korten afstand lag, en dat, daar de gansche mannelijke bevolking in het veld was, ons kort verblijf van een paar uren wel geen ernstig gevaar kon opleveren, hetzij voor onze personen, hetzij voor onze goederen. Ik gaf dan toe: en Pepe Garcia deelde aan de Siriniris mede, dat wij hen naar hun dorp zouden volgen, en zelfs daar onzen maaltijd wilden gebruiken. Zij sprongen en dansten van vreugde, en toonden zich dadelijk bereid, den tocht te aanvaarden. Twee hunner gingen voorop, als om den weg te banen; de anderen mengden zich onder ons volk, en babbelden rusteloos door. De vrouwen vormden de achterhoede: zij droegen hare kinderen, die nog niet loopen konden, en pasten op de anderen, die nu en dan onder weg bleven stilstaan.
Onze gidsen stapten zoo stevig aan, dat wij na verloop van een kwartier bijna geheel buiten adem waren, en eenige oogenblikken stil moesten houden om wat uit te rusten. Pepe Garcia verzocht hun, uit onzen naam, wat langzamer te loopen, daar wij hen anders niet volgen konden: een verzoek, dat hen grootelijks verwonderde en hun lachlust opwekte. Maar toch volgden zij dien wenk op, en richtten het zoo in, dat wij hen althans zonder te veel inspanning konden bijhouden.
Al aanstonds had het onze aandacht getrokken, dat de Chunchos er zich in het minst niet om bekommerden, of zij een gebaand pad volgden, dan wel dwars door het dichte hout gingen. Dit scheen hun volmaakt onverschillig: en waar wij gevreesd zouden hebben onze kleederen te scheuren, schenen zij in het minst niet aan hunne naakte huid te denken. Trouwens, de behendigheid, waarmede zij zich door alle gaten en bochten wisten heen te werken, grensde aan het wonderbare. Een slang kon het niet beter en knapper doen. Hoe dicht ook het woud met doornen, lianen of slingerplanten bewassen of omwoeld was, nooit verbraken zij die hinderpalen of namen, zooals wij, hun toevlucht tot bijl of mes. Zij schoven eenvoudig de takken of lianen ter zijde, of lichtten die op, als ware het een gordijn of draperie; en dat met zooveel behendigheid en zooveel natuurlijke bevalligheid van beweging, dat wij er ons telkens op nieuw over verwonderden. Maar al dit fraais had ook eene minder aangename keerzijde. Wij liepen namelijk telkens gevaar, de lianen of doornen in het gezicht te krijgen, die de wilden met de grootste vlugheid hadden ter zijde gebogen, en die zij daarna weder loslieten, zonder er een oogenblik aan te denken, dat wij hen op den voet volgden. Evenwel, wij getroostten ons deze onaangenaamheid, ziende hoe groot genoegen wij hen deden, door met hen mede te gaan.
Reeds was er een uur verloopen, sedert wij ons op weg hadden begeven, en begon ons de wandeling tamelijk lang te vallen, toen wij aan eene meer open plek in het woud kwamen, waar de zonnestralen lichte kringen op den grond teekenden. Aan de overzijde bespeurden wij een smal pad, tusschen twee hoogten ingesloten, dat met zachte helling naar boven liep, en overal de sporen droeg van veelvuldige menschelijke voetstappen. De Siriniris sloegen dat pad in, en wij volgden hen. Na verloop van tien minuten kwamen wij op eene vlakte, waar wij tusschen het geboomte de palmbladeren-daken van eenige hutten ontdekten.
Onze gidsen hadden, bij de nadering van het dorp, een luid geschreeuw aangeheven; hunne vrouwen kwamen nu aanloopen, maar stonden, zoodra zij ons bemerkten, eensklaps stil, als niet wetende wat deze onverwachte verschijning te beduiden had. Maar ziende dat haar eigen stamgenooten als vrienden met ons omgingen, en door eenige verklaringen van hare mannen gerustgesteld, waagden zij het, naderbij te komen. Naalden, belletjes, koperen knoopen en dergelijke snuisterijen, die wij inmiddels te voorschijn hadden gehaald en haar nu aanboden, verdreven weldra de laatste sporen van vrees, zoodat wij spoedig goede maatjes waren.
De woningen van het dorp bestonden uit zeer groote open loodsen, met palmen gedekt en in schilderachtige wanorde door elkander geplaatst; zij waren aan de noordwestzijde gesloten, en dus beveiligd tegen de regens en den wind, die van den kant der Cordilleras komen; aan de zuidoostzijde waren zij geheel open, en voorts door palmhouten beschotten in drie of vier afdeelingen of kamers gesplitst. Wij telden zeven van zulke loodsen, die te zamen in drie-en-twintig compartimenten waren verdeeld; aannemende, dat in elk compartiment een gezin van zes personen huisvestte--wat zeker niet overdreven was--zou het dorp Huatinmio eene bevolking tellen van honderd-acht-en-dertig zielen, de vrouwen en kinderen daaronder begrepen.
Ieder vertrek bevatte--behalve het weinige vaatwerk en keukengereedschap, waaraan de wilde behoefte heeft, zooals kruiken en schotels van ruw aardewerk;--geen ander meubel dan een breede, van takken gevlochten, op vier pooten rustende bank, die de Indianen _barbacoa_ noemen, en die hun beurtelings tot tafel, buffet, rustbank en bed dient. Tegen de wanden hingen bogen, pijlen, kleine trommels, fluiten, kronen van papegaaien- of toucanvederen, versierselen van boomschors met franje van gedroogd gras, die bij groote plechtigheden werden gebruikt. Deze geheele rommel, die er tamelijk smerig en verlept uitzag, had voor het oog niets aantrekkelijks.
Bij de nadere beschouwing van deze woningen, waar de walgelijkste onzindelijkheid hand aan hand ging met de volkomenste armoede,--indien althans deze volslagen onbekendheid met al wat tot veraangenaming des levens behoort, armoede kan genoemd worden;--trof ons vooral eene bijzonderheid. Onder al die rustbanken, die, zooals ik gezegd heb, tot verschillende doeleinden dienen, zagen wij de overblijfselen van vuren. Waartoe dat vuur onder eene barbacoa, die twee voet boven den grond verheven was? Diende dit meubel ook nog als rooster, om de spijzen op te braden of te droogen? Wij konden ons dat niet verklaren, en besloten daaromtrent onzen gastheeren inlichtingen te vragen.
Rondom de woningen groeiden, te midden van mimosa's en anoneën, bananen, deels nog in bloei, deels reeds met vrucht. Een weinig buiten het dorp vonden wij een eenigszins bebouwd terrein, waar manioc, pasteken, pompoenen en ettelijke andere vruchten werden geteeld; alles toonde echter duidelijk aan, dat deze zoogenaamde plantage zeer slecht werd onderhouden, en dat, zoo er nog iets van terecht kwam, dit wel voornamelijk aan de vruchtbaarheid van den bodem en het gezegend klimaat te danken was. Ook was de opbrengst van dezen akker geheel onvoldoende om de bevolking van het dorp te voeden, die dan ook, evenals alle stammen van het woud, in jacht en visscherij hare voornaamste middelen van bestaan vindt.
Toen wij van onze wandeling terugkwamen, vonden wij een maaltijd gereed staan, dien men bepaaldelijk te onzer eere had aangericht, bestaande in een in der haast gekookte ragout van gerookt apenvleesch en groene bananen. Zout ontbrak; maar dit gemis werd meer dan vergoed door een zoo ruimen overvloed van spaanschen peper, dat reeds bij den eersten hap de tranen ons over de oogen liepen, en wij een gevoel hadden of onze mond en keel met een gloeiend ijzer werden verschroeid. Gelukkig had men de voorzorg genomen, nevens dien kom met heeten ragoût een schotel met frisch, helder water te zetten, waar wij telkens een teug van namen. Onze vrienden de Siriniris schenen voor deze sterke kruiderijen onaandoenlijk.
Toen onze maaltijd, dien wij op den grond zittende gebruikt hadden, was afgeloopen, bemerkten wij, dat de zon reeds ter kimme begon te neigen. Wij hadden ons, verleid door het vreemde dezer omgeving, wat lang opgehouden, en waren nu onzeker wat te doen. De kolonel, die, naar hij zeide, alles gezien had wat hier te zien viel, wilde volstrekt vertrekken en ergens in het woud gaan bivouakeeren. Ik wilde evenwel gaarne van deze gelegenheid gebruik maken, om iets meer te weten te komen van de lieden, in wier midden wij ons nu bevonden; ik deed daarom den kolonel opmerken, dat het onwellevend zou zijn, aanstonds na den maaltijd heen te gaan; en dat wij in ieder geval nog beter in het dorp konden overnachten, dan in het vochtige woud, waar wij op den sterk bedauwden grond moesten rusten. Vooral deze laatste opmerking scheen bij Perez, die nog al last van rhumatiek had, te wegen; er werd dus besloten, dat wij te Huatinmio zouden overnachten.
Toen Pepe Garcia dit besluit aan de Chunchos mededeelde, waren zij daarmede blijkbaar zeer in bun schik. Aanstonds noodigden zij ons uit, zelf eene keuze te doen tusschen de verschillende woningen, die allen te onzer beschikking werden gesteld. Natuurlijk kozen wij de grootste, zoodat wij allen bij elkander konden blijven. Zoodra onze bagage daarin was geplaatst, brachten de Siriniris ons hout en water, de eenige zaken, die zij ons voor den nacht konden aanbieden. Zoodra het donker was geworden, haalde ik eene bougie te voorschijn, die ik aanstak, en die de uiterste verbazing der inboorlingen opwekte. Ik wenschte het een en ander aan te teekenen aangaande de zeden en gewoonten onzer gastheeren, waartoe ik de hulp van Pepe Garcia noodig had, die zich reeds een barbacoa had uitgekozen om daarop met Aragon te gaan slapen. Het was hem dan ook niet zeer naar den zin, toen ik hem gelastte, de Chunchos te ondervragen omtrent hetgeen ik wenschte te weten, en mij hunne antwoorden mede te deelen. Aanvankelijk ging de ondervraging niet gemakkelijk, maar allengs begon men elkander beter te verstaan, en werden geregelde antwoorden gegeven. Wat ik op die wijze te weten kwam, zal ik hier kort mededeelen.
De Siriniris, waartoe onze gastheeren behoorden, waren destijds in drie stammen verdeeld, die eene landstreek bewoonden van omstreeks tien mijlen lengte bij drie à vier mijlen breedte, geheel met dichte bosschen bedekt, en door verscheidene beken en kleine rivieren besproeid. Deze drie stammen te zamen waren misschien omstreeks driehonderd zielen sterk; sedert langen tijd leefden zij zoowel onderling, als met de naburige stammen der Huatchipayris, Tuyneris en Pukiris, die de noordelijk en zuidelijk aangrenzende valleien bewoonden, in ongestoorden vrede.
De zeden en gewoonten van dezen stam kwamen tamelijk overeen met die van al de stammen, die de hellingen van de Cordilleras, tusschen den 10den en den 12den graad zuiderbreedte bewonen, en waarmede wij reeds vroeger kennis hadden gemaakt. De veelwijverij was bij de Siriniris echter veeleer uitzondering dan regel: niet zoozeer omdat hunne begrippen ten aanzien van het huwelijk zooveel strenger waren, maar omdat de schaarschte der levensmiddelen, en de moeilijkheid om altijd in het onderhoud te voorzien, de mannen doorgaans weerhield, meer vrouwen te nemen, dan zij zonder al te veel inspanning konden voeden.
Overigens was hunne levenswijze geheel dezelfde als die hunner stamgenooten: zij kenden geene andere zorg of bezigheid, dan de vervulling hunner dagelijksche, physieke behoeften. Had de jacht of de visscherij genoeg opgeleverd, dat er voor eenige dagen voorraad was, dan bleven de mannen thuis, meestal in volslagen werkeloosheid op den grond of de barbacoa liggende, terwijl de vrouwen alle bezigheden in en buiten 's huis verrichtten. Zooals ik reeds zeide, de vrouw is hier nog, in den letterlijken zin des woords, de slavin, het lastdier, het eigendom van den man, en in geenen deele zijne gelijke, zijne echtgenoote. Alle zware arbeid, dien de man niet verrichten wil, komt ten laste van de vrouw, boven en behalve de zorg voor de kinderen en de huishouding. De vrouwen zijn, sedert eeuwen reeds, aan die ruwe behandeling gewoon en denken er niet aan, zich daarover te beklagen: zij zijn daaraan zoo gewoon geworden, dat zij niet anders weten of het behoort zoo.
Evenals bij alle indiaansche volksstammen van Zuid-Amerika, gaat het huwelijk, of liever de vereeniging der beide geslachten, zonder eenige ceremonie of plechtigheid. De jonkman neemt zich een meisje, en daarmede is het uit. De kinderen blijven tot aan hun zevende jaar onder het opzicht van de moeder; dan gaan zij onder de voogdij van den vader over, die zich met de verdere opvoeding belast. Zijn eerste werk is, hen, evenals jonge honden, in het water te werpen, om hun zoodoende zwemmen te leeren; dan onderwijst hij hen in de behandeling van boog en pijlen, en in de kunst om met een steenen mes, en met behulp van vuur, knodsen te snijden. Daartoe en tot het nabootsen van het geluid van eenige dieren, bepaalt zich de geheele opvoeding. Het kind vergezelt zijn vader op diens tochten door het bosch, gaat met hem op de jacht, en neemt, op zijne beurt groot geworden, zooveel vrouwen als hij meent te kunnen onderhouden. En zoo gaat het leven dezer menschen, geslacht aan geslacht voort, terwijl hun aantal voortdurend vermindert, en met onvermijdelijke zekerheid de dag nadert, waarop zij geheel van de aarde zullen verdwenen zijn.
III.
Den volgenden morgen vertrokken wij van Huatinmio, na van onze vriendelijke gastheeren afscheid genomen te hebben, en vervolgden onzen weg. Allengs nam het woud een schilderachtiger karakter aan, en alleen de begeerte om zoo spoedig mogelijk buiten het bereik der Siriniris te komen, dreef ons zoo haastig voort, dat wij aan de schoone partijen, die ons omringden, niet de aandacht konden schenken, die zij zoo ruimschoots verdienden. Doch weldra scheen de vrees voor eene ontmoeting geen beletsel meer om het landschap rondom ons goed op te nemen; onze cascarilleros begonnen weder de bosschen te onderzoeken, of zij ook kinaboomen konden vinden: en hunne nasporingen waren niet altijd vruchteloos. Zoo ging het voort, dagen achtereen, altijd door de bosschen en wouden; des nachts ons kamp opslaande op een open plek of aan den oever der rivier, en des daags onzen tocht vervolgende, die niets bijzonders opleverde.
Op zekeren dag opende zich eensklaps voor ons oog een wijde, dorre vlakte, schitterende in de zonnestralen, en aan den gezichteinder begrensd door het woud, waarboven zich de toppen van twee, geheel met bosch bedekte heuvelen verhieven. Juist toen wij uit de schaduw te voorschijn kwamen, en ons gereed maakten om de vlakte over te steken, bespeurden wij een troep inboorlingen, mannen, vrouwen en kinderen, die naar ons toe kwamen. Deze ontmoeting was ons hoogst onaangenaam, en wij peinsden op een middel om die nog te vermijden. Dit was alleen mogelijk door zoo spoedig doenlijk in het woud terug te keeren, en eene andere richting te volgen. Wij deden dit ook dadelijk: maar helaas, het was reeds te laat! Plotseling verhief zich een oorverdoovend geschreeuw, dat duidelijk genoeg bewees, dat de wilden ons gezien hadden, en het niet meer mogelijk zou zijn, de gevreesde ontmoeting te vermijden. Wij bleven dus waar wij waren, en wachtten de nadering dezer onbekenden af. Wij behoefden niet lang te wachten. Zoodra zij ons in het bosch hadden zien terugtrekken, hadden zij het op een loopen gezet, en weldra was de geheele bende bij ons. In een oogenblik waren wij nu omringd en ingesloten, en begonnen de Chunchos ons met luid geschreeuw en allerlei wilde gebaren te omhelzen en aan hunne borst te drukken. Niet dan met eenige moeite konden wij er in slagen, ons aan deze onstuimige liefkozingen te onttrekken, en de wilden een weinig van het lijf te houden, zoodat wij ons althans vrij bewegen konden.
Wij maakten daarvan gebruik om het bosch te verlaten en naar de vlakte te gaan, waar wij onze bezoekers beter in het oog konden houden, en zoo noodig alle vijandelijkheden dadelijk konden keeren; maar onze vrees bleek weldra ongegrond. Zoodra zij zagen, dat hunne wijze van handelen ons niet beviel, veranderden zij van houding, en maakte de vrijpostige familiariteit van zooeven plaats voor aanhalige nederigheid. Toch was het ons duidelijk, dat zij van begeerte brandden om de fraaie messen te bezitten, die in onze gordels staken; zij konden er de oogen niet afwenden, en wezen er naar, terwijl zij met de lippen smakten als kinderen, die een of andere lekkernij zien. Wij hielden ons evenwel of wij die wenken niet begrepen en zwegen stil.
Door onze onbekende bezoekers begeleid, trokken wij tot midden in de vlakte voort. Wij wilden niet doorgaan naar het bosch, waar zij ons ongetwijfeld zouden volgen, maar hielden halt, in de hoop, dat de zeer koele ontvangst hen weldra zou bewegen, ons te verlaten. Wij zetten ons neder op de rotsblokken, die zich hier en daar uit het zand verhieven; terwijl de Chunchos zich in verschillende houdingen op den grond zetten; zij wenden hunne blikken niet van ons af, en begonnen tevens met elkander een druk gesprek, dat op zoo gedempten toon gevoerd werd, dat wij er geen woord van konden verstaan. Dit onderhoud, dat natuurlijk in de eerste plaats over onze personen en onze messen liep, had reeds ongeveer een half uur geduurd, toen ik, vreezende dat er geen eind aan komen zou, onze tolken verzocht, aan de wilden te zeggen, dat zij ons verveelden, en dat zij, in plaats van ons te blijven aankijken, beter zouden doen met heen te gaan en zich niet verder met ons te bemoeien. Ik weet niet of de tolken mijne woorden trouw overbrachten; maar wel verre dat de Chunchos den gegeven raad zouden volgen, begon er nu een levendig gesprek tusschen hen en onze woordvoerders. Weldra vernamen wij wat er gaande was.
Ziende, dat wij volstrekt niet gezind waren; hen gratis van bijlen en messen te voorzien, en van hun kant niets bezittende om ons aan te bieden, waren deze Siriniris op de gedachte gekomen, de begeerde voorwerpen in te ruilen tegen levensmiddelen, die zij ergens in het woud verborgen hadden. Hun voorraad bestond in een halven gerookten pecari; eene zekere hoeveelheid bananen, zoete aardakers en eenige andere vruchten; en onze tolken hadden het der moeite waard geacht, daarover nader in onderhandeling te treden, want onze eigene voorraad was bijna verteerd. De Chunchos hielden echter hunne waren op prijs: voor den halven pecari vroegen zij een bijl, voor de bananen en andere vruchten zes groote messen. De prijs was buitensporig; maar het vooruitzicht van een goeden maaltijd te kunnen doen, was zoo uitlokkend, dat de koop weldra gesloten werd. Doch, wenschende zoo spoedig mogelijk van hen verlost te worden, drongen wij er op aan, dat de zaak onmiddellijk zou worden ten einde gebracht. De Siriniris stonden een oogenblik in beraad; toen verwijderden zich twee hunner en begaven zich, van hunne vrouwen vergezeld, met snelle schreden naar het bosch.
Reeds waren sedert hun vertrek eenige minuten verloopen, toen ik, werktuigelijk het hoofd omwendende, zag, hoe deze afgevaardigden al langzamer en langzamer begonnen te loopen, en eindelijk aan den rand van het bosch gekomen, in plaats van daarin te gaan, onder een boom gingen zitten, en uit de verte naar ons bleven kijken. Dit scheen mij minstens zonderling; ik maakte daar den kolonel opmerkzaam op, die zich weldra overtuigde, dat mijne oogen mij niet misleidden. Zoodra zij bemerkten, dat wij hen ontdekt hadden, stonden zij allen op en verdwenen in het woud.
Toen, na verloop van een uur, de uitgezondenen nog niet waren teruggekeerd, liet ik aan de Siriniris zeggen, dat, daar de levensmiddelen niet kwamen, wij den koop als nietig beschouwden, en onze tocht zouden vervolgen. Deze mededeeling scheen hen niet te bevallen; door zeer duidelijke uitroepen en gebaren gaven zij aan hunne ontevredenheid lucht. Ik stoorde mij daaraan niet, maar gaf het sein tot vertrekken. Toen onze dragers zich daartoe gereed maakten, gingen sommigen dezer wilden zoover, dat zij hen omringden en aangrepen, en aanstalten schenen te maken om hen van hunne kleederen te berooven. De verschrikte Quechuas begonnen als kinderen te schreeuwen, waardoor de vroolijkheid der plunderaars niet weinig werd opgewekt. Reeds had een hunner de montera van een onzer lieden weggekaapt en die opgezet, en maakte hij zich gereed daarmede weg te loopen, toen wij tusschenbeiden kwamen om aan dit tooneel, dat ernstige gevolgen kon hebben, een einde te maken. Het gelukte ons, met groote woorden en dreigementen, de Siriniris in bedwang te houden, waarop wij onze schreden naar het bosch richtten.
De Indianen, bevreesd voor onze geweren, durfden ons niet volgen; maar nauwelijks waren wij het bosch ingegaan, of eensklaps drong ons een luid en langgerekt geschreeuw in de ooren, dat wij voor een signaal der wilden hielden. Daardoor verschrikt, en niet wetende, welk gevaar ons bedreigen kon, zetten wij het op een loopen, vooral toen, eenige minuten later, hetzelfde geschreeuw zich nog eens liet hooren, maar nu, zoo het scheen, meer in onze nabijheid. Wij renden nu zoo hard mogelijk voort, dwars door kreupelhout en struikgewas, tot wij bijkans buiten adem waren, en ons mochten vleien, dat de vijand, indien hij ons al vervolgde, zeker wel ons spoor zou verloren hebben.
Intusschen had deze overhaaste vlucht ons eenigszins van den weg doen afdwalen: in plaats van, zooals tot dusver, eene zuidelijke richting te volgen, waren wij westwaarts afgeslagen. Na raadpleging met onze Bolivianen, besloten wij, nog een paar dagen in westelijke richting voort te gaan, en ons dan weder naar het zuiden te wenden. Wij zouden op die wijze nader bij de Cordilleras komen, maar ons tevens verwijderen van de Siriniris, wier gedurige verschijning ons hoogst onaangenaam was en bovendien onze cascarilleros telkens in hunne onderzoekingen stoorde.