Tocht Naar De Dalen Van Den Kinaboom Peru De Aarde En Haar Volk
Chapter 2
Terwijl wij nog met deze onderhandelingen bezig waren, stonden eensklaps de vrouwen der Chunchos, die eerst op den anderen oever gebleven waren, met hare kinderen voor ons. Zij hadden eene waadbare plek in de rivier opgezocht, en waren naar de overzijde gekomen, waarschijnlijk om zich met eigen oogen te overtuigen van hetgeen daar tusschen hare mannen en ons geschiedde. Uit achting voor het schoone geslacht, waarvan zij de minder gelukkige vertegenwoordigers waren, besloot ik eene uitdeeling te houden van koperen knoopen, spelden en ringen, die bij uitnemendheid aan de dames schenen te bevallen, maar tegelijk de begeerlijkheid der mannen opwekten, die, luid schreeuwende en met heftige gebaren, ook hun aandeel van al dit fraais vorderden. Het geschreeuw en gedrang begon mij eindelijk te vervelen: bovendien werd mijne achterdocht opgewekt door herhaalde half luide gesprekken met onzen bekenden gast en spion, en door de van begeerte vlammende blikken, die zij steelsgewijze naar onze bagage wierpen. Ik liet daarom de pakken weder dicht maken, en beval den dragers zich daarop te zetten. Maar nu werd de aandacht der wilden door iets anders getrokken. Aan den oever lagen nog enkele van onze kleedingstukken op het gras; die gingen zij nu bekijken, beruiken, betasten; trachtende zich rekenschap te geven van de wijze, waarop deze vreemde dingen werden gebruikt. Eindelijk begonnen sommigen proeven te nemen: de een probeerde een pantalon aan te trekken, daarbij zijne armen in de pijpen stekende; een ander stak zijne voeten in de mouwen van een wambuis, en zoo voorts. Het werd meer dan tijd, aan deze dwaasheden een einde te maken. Wij namen onze kleederen op, pakten ze bijeen en begaven ons op weg. De Siriniris, ziende dat wij ons verwijderden, zonder afscheid van hen te nemen, begonnen ons na te loopen, en met allerlei verzoeken lastig te vallen. Daar zij ons wat al te dicht op de hielen zaten, keerden Pepe Garcia en Aragon, die onzen trein sloten, zich eensklaps om, en zich houdende alsof zij hunne geweren laadden, zagen zij de lastige indringers zoo dreigend aan, dat deze plotseling stilstonden. Deze manoeuvre, die onze tolken met eenige wijziging twee- of driemaal herhaalden, maakte toch eindelijk de Chunchos bevreesd; althans zij hielden op, ons na te loopen. Zij gingen nu in de schaduw van het geboomte zitten om op hun gemak de voorwerpen te bekijken, die zij van ons gekregen hadden. Een kromming der rivier onttrok hen weldra aan ons gezicht.
Deze onaangename ontmoeting deed onze cascarilleros dadelijk besluiten, het onderzoek der bosschen op dezen oever voorloopig uit te stellen. De Chunchos, waarvan wij voor het oogenblik verlost waren, konden het zeer licht in het hoofd krijgen, op nieuw ons spoor te volgen; en het vooruitzicht van nogmaals met hen in aanraking te komen, was verre van uitlokkend. Om ons zoo mogelijk aan hunne nasporingen te onttrekken, besloten wij dezen oever te verlaten, waar zij ons, van verre of van nabij, zouden blijven volgen, en naar den anderen oever terug te keeren, waar de dichte rietbosschen onze bewegingen beter voor den vijand zouden verbergen. De voorde, waarvan de vrouwen der Siriniris zich hadden bediend om tot ons te komen, lag juist op onzen weg; eene witte streep dwars over het groenachtige water wees de juiste plaats aan. Wij gaven elkander de hand en doorwaadden de rivier, waarbij het water ons tot aan de knieën kwam. Toen wij ons door de gansche breedte der rivier van de Chunchos gescheiden wisten, haalden wij ruimer adem.
Den volgenden dag, toen wij met zekerheid konden aannemen dat onze vervolgers van hun voornemen hadden afgezien en ons spoor waren bijster geraakt, besloten wij naar den linker oever terug te keeren, en het onderzoek der bosschen voort te zetten. Maar de Cconi was hier zeer breed, en geen enkel eilandje daagde uit zijn schoot op, om den overtocht te vergemakkelijken; ook bewees de kleur van het water genoegzaam dat hier geen waadbare plek, maar veeleer eene groote diepte gevonden werd. Wij waren tamelijk met de zaak verlegen, maar onze Bolivianen wisten ook ditmaal raad; zij verzekerden ons al lachende, dat zij ons zonder hinder naar de overzijde zouden brengen, en wel door middel van een _callapeo_ (vlot), dat zij zouden vervaardigen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Vergezeld van eenige dragers, togen zij naar het woud, en kwamen, na verloop van een paar uren, terug met eenige stammen van een toroh _(cecropia)_, en eenige groote bossen lianen.
De vervaardiging van het vlot eischte niet veel tijd: blijkbaar waren onze cascarilleros sinds lang met dit werk vertrouwd. Weldra was de callapeo gereed: hij was ongeveer vier el lang en twee el breed. Het was een eenvoudige vloer: de lichte poreuse stammen waren door middel van lianen, steviger nog dan touwen, vast aaneengebonden. Zoodra het vlot klaar was, werd het te water gelaten; om te zien of het goed in elkaar zat en hoeveel personen het dragen kon, zou eerst een proef worden genomen. Twee cascarilleros zetten zich in het midden neder; terwijl hun aanvoerder, aan het eene uiteinde staande en met den langen stok gewapend, die hem tot pagaai en roer tevens dienen moest, de rol van stuurman op zich nam. Ik had grooten lust om van de partij te zijn; de Bolivianen, hoewel mij vrij latende te doen wat ik goedvond, merkten op, dat zij liever zonder mij de eerste proef wilden wagen: was er gevaar, dan moest dit niemand anders dan hen alleen gelden. Ik gaf daar geen acht op, nam mijn geweer, en zette mij neder tusschen de twee cascarilleros. Het vlot werd nu van den wal gestooten, en naar het midden van de rivier gestuurd, waar de stroom het aangreep en met snelheid begon mede te voeren, toen de stuurman, met vaste hand en grooten takt, zijn stok nu eens als riem dan weder als roer gebruikende, het buiten den stroom bracht, en naar den linkeroever stuurde, waar wij aan land kwamen, ongeveer een boogschot beneden de plaats der afvaart. Een luide juichkreet van onze makkers, die op den anderen oever waren achtergebleven, begroette dezen gelukkigen uitslag.
De proef had bewezen dat ons vlot eene bemanning van acht personen zou kunnen dragen, wanneer zij er althans niet tegen opzagen, een weinigje in het water te zitten. Toen ik aan wal was gestapt, en het vlot weder naar de overzijde was teruggekeerd, verzocht Eusebio, de aanvoerder der cascarilleros, aan den kolonel, die klaar stond te vertrekken, dat hij nog eenige anderen zou aanwijzen, die met hem de reis zouden doen. Maar onze dappere vriend scheen daartoe niet gezind: althans Pepe Garcia en Aragon, die zich gereed maakten hem te volgen en reeds met hun eenen voet op het vlot stonden, traden terug en moesten hunne beurt afwachten.
De kolonel ging juist op dezelfde plek zitten, waar ik gezeten had; evenals ik had gedaan, zette ook hij zijn geweer tusschen zijne beenen, en knikte mij vriendelijk toe, waarop ik met een vroolijken uitroep antwoordde. Een der cascarilleros had nevens hem plaats genomen, en hield hem stevig vast; terwijl de stuurman, achter hem staande, met den stok tegen den oever duwde. Het vlot stak van wal, aarzelde eenige seconden, en dreef toen af naar het midden. Ongeveer op een derde der breedte van de rivier gekomen, en terwijl de sterke stroom zijne werking reeds deed gevoelen, stak Eusebio, hetzij bij vergissing of uit onhandigheid, den stok, waarmede hij op dat oogenblik stuurde, onder de balken van het vlot. Terwijl hij den stok terugtrok, kwam het vlot juist midden in den stroom. Door de geweldige beweging brak de stok, waarop de majordomo juist uit al zijne macht drukte, met zooveel kracht door midden, dat hij achterover tuimelde en tegen den kolonel aanviel, die voorover nederstortte....
Een luide angstkreet ontsnapte aan mijn mond, maar werd verdoofd door het geschreeuw onzer makkers op den anderen oever. Het vlot, door den stroom aangegrepen, die het als een stroohalm medevoerde, dreef met duizelingwekkende snelheid de rivier af. Waar ging het brooze vaartuig heen, en wat zou het op zijn weg ontmoeten? Ik huiverde bij de gedachte. Gedurende eene halve minuut staarden wij het ontzettend schouwspel aan: toen verdwenen de ongelukkigen achter eene kromming van den oever.
Ik bleef als vastgenageld staan, onbekwaam een stap te doen of eenige beweging te maken, terwijl mijn hoofd duizelde, en ik werktuigelijk naar de plek bleef staren, waar het vlot verdwenen was. Hoelang ik daar zoo stond, weet ik niet; eerst langzamerhand kwam ik weer tot mijzelven; ik begon mij rekenschap te geven van het gebeurde, en van den toestand, waarin wij ons bevonden.
Tenzij er een wonder gebeurde, waarop ik niet mocht rekenen, waren onze ongelukkige makkers reddeloos verloren. Maar geen lange foltering stond hun te wachten. De rivier zou hen in haar schoot opnemen, en zich weder boven hen sluiten--en daarmede zou het uit zijn. Maar wat moest ik zelf doen, hier alleen op den oever achtergebleven, in de onmogelijkheid om mij bij onze lieden te voegen: zonder levensmiddelen, zonder kruit of lood om met mijn geweer in mijne eerste behoeften te kunnen voorzien; bijna met de zekerheid, in de handen der Chunchos te vallen, die, nu ik alleen was, mij ongetwijfeld zouden aanvallen en berooven, misschien wel vermoorden..... Een oogenblik benijdde ik onzen vrienden den kalmen zachten dood, dien zij stellig reeds op den bodem der rivier moesten hebben gevonden.
Doch weldra gevoelde ik, dat ik mij niet aan werkelooze wanhoop mocht overgeven, maar in de eerste plaats mij nauwkeurig rekenschap moest geven van de werkelijkheid, om na te gaan welke middelen tot redding mij die nog bood. Ik begon dus met de plek op te nemen, waar ik mij bevond. De lage oever was geheel van plantengroei ontbloot, en zoo volkomen met steenen bedekt, dat het zand bijna niet zichtbaar was. Op weinige schreden afstands van den oever liepen twee rijen boomen, die van het woud uitgingen, en eene tamelijk groote tusschenruimte open lieten, waar in het midden een doode, van zijn schors beroofde boom stond. Het geheel maakte, althans op mij, een treurigen indruk. Aan de overzijde kon ik ons volk zien, met elkander in druk gesprek gewikkeld, en telkens hunne oogen naar mij wendende. Tot tweemaal toe was Pepe Garcia naar den oever voortgetreden, en had luid geroepen, om mijne aandacht te trekken; dan had hij met zijne hand gewezen in de richting, waarin het vlot verdwenen was. Toen hij bemerkte dat ik zijne bedoeling niet begreep, had hij gepoogd mij iets toe te roepen: maar de afstand en het gedruisch van het water hadden mij belet daarvan iets te begrijpen. Drie woorden slechts: _Seguir la orilla_--den oever volgen--waren tot mij overgewaaid.
Inmiddels was de tijd verloopen: de dag ging ten einde en de zonneschijf stond op het punt achter de wouden aan de overzijde te verdwijnen. Het naderen van den avond maakte mijn toestand nog moeielijker. Naarmate het landschap om mij heen donkerder en somberder werd, voelde ik mijn moed zinken: honger en vermoeidheid deden daarbij het hunne om mij in eene ongelukkige stemming te brengen. Ik poogde wat te rusten, en ging op den grond liggen, na vooraf de steenen een weinig te hebben weggeruimd. Daar kon ik in de verte ons kamp zien, waar onze lieden druk in de weer waren. Die beweging hinderde mij: het kwam mij voor, of niemand zich om mij bekommerde; ik gevoelde mij bijna als een schijndoode, die zelf getuige is, hoe spoedig de achtergeblevenen hem vergeten, en zijne plaats wordt ingenomen. Ik was onbillijk, want onze makkers daar ginds konden op dit oogenblik niets voor mij doen; maar de verlatenheid waarin ik mij bevond, en de honger, die mij feller begon te pijnigen, deden mij mijne gewone bedaardheid en tegenwoordigheid van geest verliezen.
Het was nu allengs volkomen duister geworden: in het bosch heerschte eene diepe stilte; het algemeene zwijgen der natuur werd alleen door het ruischen der rivier afgebroken. Somwijlen hoorde ik daarboven uit het luide gepraat en gelach van ons volk, gelegerd rondom het vuur, waarvan ik den rossen weerschijn zag, en waarop nu ongetwijfeld de spijs voor het avondmaal werd gekookt. Na verloop van eenigen tijd verbleekte de vuurgloed, en zwegen de stemmen onzer makkers: het werd nu volkomen stil. Het was mij evenwel niet mogelijk te slapen; maar tegen den ochtend viel ik toch, door vermoeidheid en uitputting, in eene soort van verdooving, die mij het bewustzijn van mijn toestand deed verliezen. Terwijl ik zoo dommelde, half wakend, half droomend, werd mijne aandacht gewekt door een zwakken kreet, die mij uit de verte tegenklonk, en na eenige oogenblikken door een tweeden gevolgd werd. Het geluid kwam niet uit ons kamp, waar alles nog in diepe rust gedompeld was. Maar vanwaar kwam het dan? Ik richtte mij op, om zoo mogelijk de richting te onderkennen, vanwaar dit geluid gekomen was, toen een derde kreet mijn oor trof. Ditmaal scheen het uit het woud te komen langs den oever, waarop ik mij bevond. Mijn eerste gedachte was te antwoorden; maar bij later overleg kwam ik daarvan terug. Het was toch volstrekt niet zeker, dat dit geluid werkelijk door een mensch werd voortgebracht: ik wist bij ondervinding, hoever de spotvogel of carpintero van Morayaca het in de nabootsing der menschelijke stem had gebracht.
Terwijl ik nog hierover in twijfel stond, vernam ik eensklaps verscheidene stemmen, maar thans van zoo nabij en zoo duidelijk, dat ik niet alleen niet langer twijfelen kon of ik werkelijk met menschen te doen had, maar zelfs deze stemmen meende te herkennen als die onzer ongelukkige schipbreukelingen. Ik stond haastig op, en liep naar het woud, waarvan de takken met kracht ter zijde werden gebogen. Zijt gij het Perez? riep ik.--Ik zelf Pablo, antwoordde mij de kolonel.--_Buenas noches, senor_, (goeden nacht, mijnheer) zeiden de Bolivianen. Eenige minuten later waren wij allen bijeen en drukten elkander hartelijk de hand.
Toen de eerste aandoening voorbij was, vroeg ik aan onze vrienden, door welk wonder zij aan het dreigende en naar onze meening onvermijdelijke doodsgevaar waren ontsnapt. Eusebio verhaalde mij wat er gebeurd was. Ook hij had in het eerste oogenblik niet anders gedacht, dan dat zijn laatste uur gekomen was; maar zijn heilige patroon, dien hij in dien uitersten nood had aangeroepen, was hun te hulp gekomen. Het vlot, met duizelingwekkende snelheid door den stroom medegesleept, was reeds vier krommingen der rivier doorgevlogen, en stond op het punt tegen een rotsbank te pletter te worden gestooten, toen een zijstrooming het had weggevoerd en tegen den linker oever geworpen. De schok was zoo hevig geweest, dat het vlot zich recht tegen den hoogen oever had opgericht, waar het door de lianen werd tegengehouden. De schipbreukelingen, met kracht tegen den grond geslingerd, waren weldra weder opgestaan en van den eersten schrik bekomen; begrijpende dat zij mij nog op dezelfde plaats zouden vinden, waar zij mij hadden achtergelaten, waren zij het bosch ingegaan. Op hun tocht hadden zij voortdurend met allerlei moeilijkheden te kampen gehad. Daar zij noch bijlen, noch messen bij zich hadden, hadden zij zich met hunne handen een doortocht moeten banen. Zoolang het dag was, ging dit tamelijk goed, maar toen de nacht was ingevallen, konden zij niet dan tastend voortgaan, en hadden zij geducht te lijden van de doornen en scherpe punten der struiken en planten, die zij in den donker niet konden zien. Hun gelaat, hunne handen en beenen droegen overal de sporen van deze onaangename aanrakingen; hunne kleederen hingen hen als lappen om het lijf. Maar toch hadden zij mij wedergevonden: wij waren weder bij elkaar, en de doorgestane vermoeienissen en gevaren waren vergeten.
Ons volk aan de overzijde, nog steeds in diepen slaap gedompeld, had niets gemerkt van de komst van den kolonel en de Bolivianen. Zij waren dan ook niet weinig verwonderd, toen zij, in plaats van één persoon, er vier op den oever zagen. Vol verbazing liepen zij naar den oever, wreven zich de oogen uit, en bleven ons een poos zwijgend aanstaren. Toen zij niet langer aan onze identiteit konden twijfelen, begonnen zij luidkeels te jubelen, terwijl de tolken gingen dansen van pret.
Half door roepen, half door gebaren, beduidden wij hun, dat zij dadelijk moesten opbreken en den rechter oever volgen, terwijl wij van onzen kant langs den linker oever zouden voorttrekken. Hoewel zij het doel van deze beweging niet recht schenen te begrijpen, aarzelden zij toch geen oogenblik met de uitvoering. Zoo gingen wij twee uren lang voort; zij op den open oever, wij onder de schaduw der dichte bosschen, dwars door bijkans ondoordringbare struiken en doorngewassen; tot wij eindelijk de plek bereikten, waar het vlot was gestrand. Wij riepen nu onze manschappen toe, stil te houden en af te wachten wat wij zouden doen.
Wij wenschten namelijk het vlot los te maken uit de lianen, waarin het verward was, en vervolgens ons gezelschap van den linker oever over te brengen naar den rechter, waar wij ons bevonden. De cascarilleros wilden dit gedeelte van het woud onderzoeken, waartoe nu te eer gelegenheid bestond, nu de tegenwoordigheid der Chunchos hen niet langer hinderde.
Het vlot, van zijne omwindselen losgemaakt, werd weder te water gelaten. De geweldige kracht van den stroom, door de uitstekende rotsen in verschillende takken verdeeld, maakte de overvaart op dit punt onmogelijk; wij besloten dus den oever af te zakken, tot wij eene betere plaats zouden gevonden hebben. Eene liane, aan het vlot bevestigd, diende als lijn. Zoodra onze lieden aan den overkant zagen dat wij onzen tocht hervatten, begaven ook zij zich weder op weg. Een halve mijl verder vonden wij een inham, die ons voor de proefneming beter geschikt voorkwam. Niet alleen was het water hier kalm; maar eene lichtgroene streep, die van den tegenovergestelden oever tot in het midden der rivier voortliep, scheen de aanwezigheid van een zandbank aan te duiden.
Om zich de noodige stokken voor het besturen van het vaartuig te verschaffen, sneden de Bolivianen met hun zakmes eenige jonge boomen bij den wortel af waarmede natuurlijk een geruime tijd heenging. Toen zij hiermede klaar waren, trokken zij het vlot naar den oever, sprongen er op en staken af. De overtocht werd spoedig en gelukkig volbracht, en eer een half uur verloopen was, bevond zich onze geheele karavaan op den linkeroever, waar wij ons weldra aan een goed ontbijt vereenigden. Na ons aldus versterkt te hebben maakten wij ons gereed naar het woud te trekken, waar onze cascarilleros hunne nasporingen zouden beginnen. Het vlot, dat ons later nog van dienst kon zijn, werd stevig aan den oever vastgebonden, om niet met den stroom af te drijven.
Kort nadat wij in het woud waren gekomen, begon de grond te rijzen: een bewijs dat wij de heuvelen naderden, die in lange reeks met de Cordilleras samenhangen. Juist toen wij ons met moeite door dicht en laag kreupelhout een weg baanden, schoot een wijfjespeccari met hare zeugen langs ons heen en verdween in de struiken. Pepe Garcia en Aragon konden de verzoeking niet weerstaan, hunne geweren af te schieten. Het beest raakten zij niet: maar de echo van het woud, die de schoten als een verre donder weerkaatste, waarschuwde de al te ijverige jagers, doch te laat, dat zij eene onvoorzichtigheid hadden begaan. Dit beteekenisvolle geluid moest natuurlijk de Chunchos dadelijk weer met ons verblijf bekend maken, aangenomen dat zij ons spoor hadden verloren. Daar er evenwel voor het oogenblik niets aan te doen viel, was het maar best er niet verder aan te denken; maar om eene herhaling van het feit te voorkomen, verbood de kolonel den tolken, zonder zijne uitdrukkelijke vergunning te schieten.
Middelerwijl gingen de cascarilleros het bosch in, en kwamen na verloop van eenige uren weder bij ons. Ditmaal waren hunne nasporingen niet vruchteloos geweest: zij brachten onderscheidene stukken van de schors van fijnere kinaboomen mede, die zorgvuldig werden bewaard. Nauwelijks hadden wij onzen tocht hervat, of wij vernamen eensklaps het schreeuwen van een ara, en wel niet in de lucht boven onze hoofden, maar naast ons op den grond. Verbaasd zagen wij in het rond, maar in plaats van den vogel, dien wij meenden te zien, ontdekten wij het glimlachende en versch beschilderde gelaat van onzen ouden bekende, den Siriniri. Achteloos tegen een boom geleund, die hem gedeeltelijk verborg, vertoonde de wilde ons enkel zijn hoofd, even als een kind, dat wegschuilertje speelt. Toen hij aan onze blikken bemerkte dat wij zijn kreet verstaan hadden, wenkte hij ons met de hand en trad naar ons toe, zonder zich te laten weerhouden door het onvriendelijke gelaat, waarmede wij hem afwachtten. Hij verhaalde ons dat eenige leden van zijn stam, die bij de laatste uitdeeling van messen niet tegenwoordig waren geweest, gaarne kennis met ons wilden maken; door het geluid van onze _tasa-tasa_ (geweren) verschrikt, hadden zij zich in de struiken teruggetrokken. De Chuncho zeide niet, of hij ons in stilte gevolgd was, dan wel of de schoten, door de tolken op de peccari gelost, hem ons verblijf hadden verraden. Zijn voorstel om met zijne vrienden kennis te maken, beviel ons zoo weinig, dat wij op het punt stonden hem te zeggen dat hij naar den duivel kon loopen, maar de voorzichtigheid weerhield ons. Tot hiertoe hadden deze wilden, hun onmatige begeerte naar messen daargelaten, zich niet alleen vredelievend gedragen, maar waren zij ons zelfs in sommige opzichten van dienst geweest. In het belang onzer eigene veiligheid was het dus wenschelijk met hen op een goeden voet te blijven, al moest dat dan ook eenige opoffering kosten, en al namen wij ons stellig voor, hen altijd op zekeren afstand te houden.--De wilde scheen ons zwijgen voor toestemming aan te zien; althans hij floot op zijne vingers, en op dit teeken kwamen een dozijn mannen uit de struiken te voorschijn, wier gelaat en lichaam met roode en zwarte streepen waren beschilderd, wier hoofd prijkte met een kroon van toucanvederen, en voorts met hun boog en pijlen in de hand. De troep begon aanstonds te springen en te dansen, onder het luide geroep van _Meneha huayri siruta_! (heer, geef een mes.)
Achter deze springende, dansende, gesticuleerende mannen vertoonden zich eenige vrouwen, die uit het struikgewas waren te voorschijn gekomen. Sommigen droegen een kind, schrijlings op haar heup gezeten; anderen poogden onze begeerlijkheid op te wekken door het vertoonen van allerlei voorwerpen, zooals schitterend gekleurde huiden van vogels, tamme papegaaien, vruchten en wortelen, die zij te koop aanboden. Om het rumoer een weinig tot bedaren te brengen, liet ik het pak met snuisterijen ongemerkt ter zijde brengen, zoodat zij niet zien konden wat er in was; toen nam ik er eenige messen, van zes stuivers uit, die ik verruilde tegen verschillende voorwerpen, welke men mij aanbood. De vrouwen, die bij deze verhandelingen behulpzaam waren geweest, ontvingen eenige kleinigheden ten geschenke. Eene van haar, die twee belletjes had gekregen en daarmede uitermate in haar schik was, kwam op den inval, ze aan een draad te rijgen, en dien door haar neus te steken, nadat zij eerst een stuk riet, dat in haar neus was bevestigd, daaruit had gehaald. Toen schudde zij met haar hoofd, zoodat de belletjes klingelden, wat haar uitermate verrukte. Dit voorbeeld werkte aanstekelijk. Al de vrouwen wilden nu volstrekt ook zulk een klokkenspel aan haar neus hebben; en wij zagen ons gedwongen, aan ieder een paar belletjes te geven, die zij onmiddellijk door haar neusgaten staken. Zij gingen nu allen te gelijk aan het schudden met haar hoofd; doch moesten die oefening weldra staken, daar zij anders gevaar liepen een stijven nek te krijgen.