Titus Andronicus

Chapter 7

Chapter 73,420 wordsPublic domain

Het behoeft ons, Nederlanders, niet moeilijk te vallen, de goede eigenschappen van den Titus Andronicus te waardeeren. "In November 1641 werd in den schouwburg [te Amsterdam] een treurspel vertoond, dat algemeen opzien wekte. Het stuk was getiteld: _Aran en Titus, of Wraak en Weerwraak_. De dichter was een burgerjongen, een glazenmaker, zonder eenige kennis der Grieksche of Latijnsche taal; zijn naam, toen nog geheel onbekend, luidde Jan Vos. Professor Barlæus was zoo met zijn werk ingenomen, dat hij hem gelijk stelde met Sofokles. Op zijn aansporen gingen zijn vrienden het stuk zien: Hooft en Van der Burgh stonden verbaasd, en Vondel verklaarde, dat de dichter een genie was. Van Baerle zelf kon zich aan de tragedie niet zat zien: hij ging zevenmaal achtereen zich daaraan vergasten. Hij was er zoo vol van, dat hij er brieven over schreef aan zijn vrienden en Huygens uitnoodigde over te komen om haar te bewonderen. De geheele oudheid had volgens hem geen zoodanig treurspel aan te wijzen: het wekte echt tragische aandoeningen op en was geschreven in de taal van Hooft en Vondel. Eindelijk wijdde hij er een Hollandsch gedicht aan, dat aldus eindigt:

Ik stae gelijk bedwelmt en overstolpt van geest, De Schouwburg wort verzet, en schoeit op hooger leest. Rijst Sophocles weer op? stampt Æschylus weer hier? Of maekt Euripides dit ongewoon getier? Neen, 't is een Ambachtsman, een ongelettert gast, Die nu de gantsche rey van Helicon verrast, Die noyt gezeten heeft aan Grieks of Roomsche disch, Wijst nu de weerelt aan, wat dat een Treurspel is. _Athenen_ las het spel, en sprak: ik schrijf niet meer; Die ons door glas verlicht, verduystert al ons eer." [2]

Wanneer men in het eerste deel der gedichten van Jan Vos (Amsterdam 1862) den vrij uitvoerigen inhoud van den Aran en Titus leest, ziet men onmiddellijk, dat het geheele beloop van het stuk, op enkele kleinigheden na, evenzoo is als bij Sh.'s Titus Andronicus. Men zou hieruit vermoeden, dat het stuk een eenigszins omgewerkte vertaling is van het Engelsch origineel. Wanneer wij dan tot de lezing van den Aran en Titus overgaan, blijkt ons echter, dat er veel grooter verschil is, dan men naar de inhoudsopgave zou verwachten. Het stuk is geen vertaling van Shakespeare's treurspel, maar toch heeft Jan Vos dit gekend en nagevolgd, zoodat er hier en daar overeenstemmende passages in voorkomen, niettegenstaande men er zeker van kan zijn, dat Jan Vos geen enkele vreemde taal machtig was. De verklaring hiervan is zeer eenvoudig. Tegen het einde der zestiende eeuw had de tooneelkunst in Engeland een groote hoogte bereikt en was in westelijk Europa, waar zij nog op een lagen trap stond, zeer goed aangeschreven. Vandaar, dat Engelsche tooneelgezelschappen meermalen ondernamen Nederland, Duitschland en Denemarken te bezoeken. Dat bij deze reizende troepen zich juist de uitstekendste acteurs bevonden, valt wel niet te denken; toch hadden zij veel toeloop. Telkens vindt men van zulke gezelschappen gewag gemaakt; reeds in 1591 verschenen zij in ons land, verder in 1597, 1604, 1605, 1607; tot 1629 kwamen zij vrij geregeld en ook later nog, tot 1644 of 1645. Evenzoo werd Duitschland bezocht, en daar is omstreeks 1600 de Titus Andronicus door Engelsche komedianten opgevoerd. Een vrije proza-bewerking er van bevindt zich in een bundel: "Englischen Komödien und Tragödien" (die in 1620 het licht zag) en draagt den titel: "Eine sehr klägliche Tragoedie von Tito Andronico und der hoffertigen Keyserin, darinnen denkwürdige _actiones_ zu befinden"; zij is in Tieck's "Deutsches Theater" (1817) en in Albert Cohn's "Shakspeare in Germany" (1865) overgedrukt.--Daar Titus Andronicus onder de stukken behoorde, die door reizende Engelsche tooneelgezelschappen vertoond werden, zal ongetwijfeld door zulke voorstellingen Jan Vos er bekend mee geworden zijn. Men wordt daarin bevestigd, als men opmerkt, dat de Duitsche vrije bewerking in menig opzicht met den Aran en Titus overeenkomst heeft, zoowel in wat uit Shakespeare is weggelaten als in wat breeder is uitgewerkt, en dat beide als het ware wedijveren om al wat naar karakterteekening zweemt, al wat fijn bedacht, liefelijk, echt dichterlijk is bij Shakespeare, er uit te werken; in dit opzicht steekt de Duitscher den Hollander de loef nog af.

Als men in den Aran en Titus de verwijten van Titus' dochter aan de overspelige Tamora, of liever het gekijf der twee wijven, leest, als men Aran hoort stoffen op zijn misdaden, Tamora hoort weeklagen, dat zij haar eigen zoons "zoo gierig" heeft "ingeslokt", als men Titus hoort wenschen, dat hij Tamora's "darmen" mocht "ophasp'len op zijn armen", als men de koren leest, die van Baerle nog wel als een proefje aan Huygens zond om hem te doen watertanden, dan staat men niet alleen verbaasd, dat een man als van Baerle dit kon bewonderen, maar zal meer dan ooit gestemd zijn, om aan de dichterlijke waarde van Shakespeare's Titus Andronicus volle recht te doen wedervaren [3], al moet men toegeven, dat het in een geheel anderen geest dan zijn overige stukken, in een vroegeren stijl geschreven is.

I. 1. 8. [4] _Mijn voorrang_. In het Engelsch staat _age_, waarmede Saturninus bedoelt, dat hij ouder is dan Bassianus en naar het recht van eerstgeboorte den voorrang moet hebben.--Als Bassianus zich, twee regels verder, Cæsars zoon noemt, bedenke men, dat alle keizers den naam van Cæsar droegen; hij wil den weg naar het kapitool bezet houden, opdat de Romeinen zich niet aan het eerstgeboorterecht behoefden te onderwerpen, maar vrij konden kiezen; Bassianus meent door zijn verdiensten meer aanspraak te hebben op den troon.

I. 1. 77. _Gij groote schutsheer van dit kapitool._ Jupiter.

I. 1. 88. _Aan den oever van den Styx._ Zoolang de lijken onbegraven zijn, moeten de schimmen omdwalen bij den Styx zonder rust te vinden; zie Homerus' Odyssea XI. 51. Het Latijn, dat volgt, _ad manes fratrum_, aan de schimmen hunner broeders, is niet van het beste.

I. 1. 136. _Die aan Hecuba._ In het Engelsch staat: de Koningin van Troje, waarmede Hecuba gemeend is. Volgens den Griekschen treurspeldichter Euripides had Priamus, Troje's val voorziende, zijn jongen zoon Polydorus aan zijn gastvriend Polymestor, koning op de Thracische Chersonesus (thans het schiereiland van Gallipoli of der Dardanellen) met vele schatten toevertrouwd. Polymestor echter doodde na Troje's val den jongeling en het lijk werd door Priamus' weduwe, die als gevangene door de Grieken werd medegevoerd, op het strand gevonden. De rampzalige moeder wist door list den moordenaar tot zich te lokken en zij krabde hem, door de andere gevangen Trojaansche vrouwen bijgestaan, de oogen uit. Ovidius verhaalt de geschiedenis in zijn Gedaanteverwisselingen (XIII, 432 vgg.) en uit dezen dichter zal zij aan Sh. bekend zijn geworden.

I. 1. 177. _Daar zij 't geluk van Solon heeft erlangd._ Solon zeide tot koning Croesus van Lydië, dat niemand voor zijn dood gelukkig te noemen was.

I. 1. 185. _Wees alzoo candidatus_, d. i. met de witte toga bekleed, waarin zij zich wikkelden, die bij de overheid en het volk naar openbare ambten dongen; het Latijnsche woord beteekent hier dus kroonpretendent. De voorgangers van Sh. spreidden gaarne hun geleerdheid ten toon en bezigden Latijnsche en zelfs Grieksche woorden. [5] Sh. treedt hier in hun voetstappen en brengt later (I. 1. 280) het zeggen "Suum cuique", "Aan ieder het zijne", te pas: zoo wordt ook (I. 1. 325) het huwelijksfeest "Hymenæus" genoemd; met die klassieke herinnering is weinig in overeenstemming, dat het huwelijk in het Pantheon met gebruik van wijwater en waskaarsen (in het oorspronkelijke staat _tapers_, de vertaling heeft _toortsen_) gesloten wordt.

I. 1. 380. _Laërtes' wijze zoon._ Ulysses.

I. 1. 494. _Begroeten wij met hoorn en hond uw hoogheid._ In 't Engelsch: _With horn and hound we'll give your grace bonjour._ Het _bonjour_ is de morgengroet en opwekking ter jacht, veelal _hunts-up_ geheeten. De jachthoorn is niet bijzonder antiek.--_Een dag van verzoening_, wat voorafgaat, is in 't Engelsch _a loveday_, waarmee een dag wordt aangeduid, voor het bijleggen van oneenigheden bepaald; geestelijken waren dikwijls bemiddelaars; Chaucer zegt van een monnik: "In lovedays there coude he mochel help."

II. 1. 7. _Haar baan doorrent._ In het Engelsch wordt als baan de Dierenriem, Zodiak, genoemd.

II. 1. 37. _Nu kalm wat, kalm!_ In het Engelsch staat "_Clubs, clubs!_" de gewone uitroep, om bij straatgevechten de handhavers der orde er bij te roepen. Een paar regels later staat _dansrapier_; in Sh.'s tijd werd er met een degen op zijde gedanst, vergelijk _Eind goed, Al goed_, II. 1. 32.

II. 1. 47. _Nabij des keizers slot._ Het was in de middeleeuwen streng verboden, in of nabij het paleis van den vorst het zwaard te trekken.

II. 1. 67. _Zoo de keizerin dien wanklank hoort._ In 't Engelsch: _An should the empress know This discord's ground_; een woordspeling, die ook in K. Richard III, III. 7. 49. voorkomt; _ground_ beteekent zoowel "grond", "oorzaak", als "muzikaal thema"; bovendien beteekent _discord_ zoowel "dissonant" als "tweedracht." Evenals hier vindt men de beide beteekenissen te gelijk bedoeld in Troilus en Cressida, I. 3. 110 en in Lucretia 1124.

II. 1. 89. _Vulcanus' tooi._ Shakespeare maakt ook elders van Venus en Mars gewag; men zie Antonius en Cleopatra, I. 5. 18 en Venus en Adonis, 97.

II. 1. 133. _Sit fas aut nefas_, "Zij het recht of onrecht", hij wil en zal zijn doel bereiken, "al moest hij over den Styx en door de schimmen heen." Het schijnt dat de Latijnsche uitdrukkingen aan de treurspelen van Seneca ontleend zijn.

II. 3. 22. _De vorst, die zwierf._ Natuurlijk wordt Æneas bedoeld, die hier als een dolend ridder wordt voorgesteld.

II. 3. 30. _Besture Venus uw begeerten_ enz. Aan de planeet Venus werd een verhittende, aan Saturnus een bekoelende invloed toegeschreven op wie onder haar gesternte geboren waren.

II. 3. 43. _Waarop zijn Philomela tongloos wordt._ Lavinia wordt om de verminking, die haar wacht, met Philomela vergeleken. Philomela was de dochter van den Atheenschen koning Pandion, de zuster van Procne. De laatstgenoemde was door haar vader uitgehuwlijkt aan Tereus, een Thracischen koning in Daulis (Phocis) en had dezen een zoon geschonken. Na eenigen tijd verlangde zij zeer, haar zuster Philomela weer te zien; Tereus begaf zich naar Athene en wist Pandion te overreden, dat zijn dochter Philomela een korte poos bij haar zuster zou mogen vertoeven en daartoe met haar schoonbroeder Tereus zou medegaan. Deze, reeds dadelijk voor Philomela ontvlamd, bracht, in zijn land aangekomen, haar naar een eenzaam gelegen huis in een dicht bosch, deed haar geweld aan en sneed, toen zij in haar wanhoop hem dreigde zijn schendige daad te zullen openbaar maken, haar de tong uit, opdat zij niets zou verraden; aan zijn vrouw, Procne, bracht hij het valsche bericht van Philomela's dood. Na een jaar ongeveer gelukte het Philomela, aan Procne haar lot te berichten; zij deed haar namelijk een gewaad toekomen, waarin zij woorden geweven had, die het gebeurde meldden. Procne maakte van een Bacchusfeest gebruik, om in het bosch te zwerven, tot haar zuster door te dringen en deze mede te nemen naar haar paleis. Om op Tereus wraak te nemen, doodde Procne, door Philomela bijgestaan, haar zoon Itys, en zette dezen aan haar echtgenoot als spijze voor. Onder het maal verlangde hij zijn zoon Itys te zien; hierop meldde hem Procne, wat hij gegeten had; en onmiddellijk daarna sprong Philomela te voorschijn, die hem Itys' bloedig hoofd toonde. Toen hij nu de wegijlende zusters vervolgde, werden zij in vogels veranderd, de eene in een nachtegaal, de ander in een zwaluw; Tereus zelf werd een hop.--Zoo verhaalt Ovidius in het zesde boek zijner Metamorphosen (reg. 484 en vgg.) de geschiedenis.--Shakespeare gewaagt ook in zijn Cymbeline II. 2. 45 van Tereus en Philomela.

II. 3. 62. _Actæon._ Deze was een kleinzoon van Cadmus, een beroemde Thebaansche held en een bedreven jager; hij werd op de jacht in het gebergte Cithæron door Diana in een hert veranderd en door zijn vijftig honden verscheurd. Ovidius' Metamorph. III. 131 en vgg.

II. 3. 72. _Uw donkere Kimmeriër._ De Kimmeriërs der fabel bewoonden een land, waar duisternis heerschte, de historische Kimmeriërs de Krim. De Moor Aaron heet hier Kimmeriër om zijn donkere kleur, niet om zijn afkomst.

II. 3. 107. _Een giftige ief._ De Ief of Taxisboom, vaak op kerkhoven geplant, wordt meermalen als verderflijk en onheilbrengend aangehaald; men zie: Koning Richard II, III. 2. 17. en Macbeth, IV. 1. 27.

II. 3. 118. _Semiramis._ Semiramis, de koningin van het oude Assyrische rijk, wordt als een monster van wellust en wreedheid hier aangehaald.

II. 3. 231. _Zoo bleek scheen eens op Pyramus de maan._ De geschiedenis van Pyramus en Thisbe is mede in Ovidius' Metamorphosen, IV. 55 vgg. te vinden; zij speelt in Babylon. De ouders, die buren en vijanden waren, wilden van een huwelijk niets weten. De gelieven spraken door een spleet in den gemeenschappelijken muur af, dat zij 's nachts onder een moerbezieboom zouden samenkomen. Thisbe was het eerst op de afgesproken plaats, maar ontwaarde bij het maanlicht een leeuwin, die juist een rund verslonden had en aan een naburig beekje haar dorst kwam lesschen, nam de vlucht in een grot, maar verloor daarbij haar mantel, die door de leeuwin stukgereten en met bloed bezoedeld werd, waarna het dier weder in het bosch terugkeerde. Een oogenblik later komt Pyramus, ziet met schrik de sporen van het roofdier, vindt daarna den bebloeden mantel en steekt zich dood; Thisbe keert weldra terug, om haar geliefde niet teleur te stellen, vindt zijn lijk en drijft zich zijn zwaard in de borst, mede onder den moerbezieboom, welks vruchten, overeenkomstig Thisbe's wensch, voortaan een donkere bloedkleur hebben, ter herinnering aan dit treurig voorval. Shakespeare heeft in den Midzomernachtdroom van deze geschiedenis een treffend gebruik gemaakt en ook den Maneschijn niet vergeten.

II. 4. 51. _Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus._ In 't Engelsch _As Cerberus at the Thracian poet's feet_. Ook in den Midzomernachtdroom, V. 1. 49. wordt Orpheus eenvoudig als _the Thracian singer_ aangeduid. Toen zijn geliefde vrouw, Eurydice, door den beet van een vergiftige slang gestorven was, daalde hij in de onderwereld af en wist door zijn zang en snarenspel de Godin der Schimmen zoo te betooveren, dat hij zijn vrouw weder naar boven mocht medenemen; zij waren reeds de bovenwereld nabij, toen hij, tegen het verbod in, naar haar omzag, zoodat hij haar weder, en nu voor goed, verloor. Ovidius' Metamorph. X. 1. vgg.

III. 1. 212. _Of wij ontglansen 't hemelwelf met zuchten._ De gedachte, dat uit zuchten wolken gevormd worden, vindt men meermalen bij Shakespeare uitgedrukt, b.v. Romeo en Julia, I. 1. 139.

III. 1. 241. De tooneelaanwijzing "_Titus bezwijmt_" is door mij ingevoegd, vgl. reg. 253.

IV. 1. 12. _Cornelia las niet vlijtiger._ Cornelia, de moeder der Gracchen, die als voortreffelijke opvoedster harer zonen bekend staat (zie Cicero in zijn Brutus, 58. 211). Verder wordt hier Cicero's boek over de welsprekendheid, _De oratore_, bedoeld.

IV. 1. 20. _Dat Hecuba van Troje van kommer dol werd._ Zoo wordt Hecuba ook in den Hamlet II. 2. 527. door een tooneelspeler voorgesteld; zie ook Cymbeline, IV. 2. 313.

IV. 1. 28. _Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst._ Om zijn vroeger wegloopen weer goed te maken, is de knaap vleiend beleefd jegens Lavinia. In 't Engelsch: _I will most willingly attend your ladyship._

IV. 1. 81. _Magni_ enz. Deze Latijnsche klacht, dat de beheerscher des hemels zoo traag is in het hooren en zien van misdaden, is, eenigszins gewijzigd, uit Seneca's treurspel Hippolytus ontleend.

IV. 1. 88. _Rome's Hector._ De Romeinsche Hector is de verbannen Lucius, wiens hoop de jonge Lucius was, evenals Astyanax het was van den Trojaanschen Hector.--De gade der onteerde kuische vrouw was Lucretia's echtgenoot Collatinus; haar vader was Lucretius.

IV. 2. 20. _Integer vitae_ enz. Daar de regels uit Horatius (Od. I. 22. 1.) zeggen, dat de reine en schuldelooze geen "Mauretaanschen" pijl en boog, met andere woorden, geen wapenen behoeft, is door de toezending van wapenen uitgedrukt, dat Tamora's zonen niet rein en schuldeloos zijn. Als de slimme Tamora niet juist door de zwangerschap onwel was, zou haar de schranderheid van den vond toelachen. Men merke op, dat het adjectivische _Mauris_ van Horatius hier in _Mauri_, "van den Moor", veranderd is.

IV. 2. 52. _Waar Aaron is, de Moor, doch ras!_ Men kan 't laatste ook lezen: "Moord! och ras!" waarop dan Aarons zeggen: "moord en brand" slaat. In 't Engelsch is de woordspeling tusschen _Moor_ en _more_.

IV. 2. 93. _Niet Enceladus._ Een der Giganten, die met rotsblokken den hemel bestormden; ook Typhon was een monster, dat bij den strijd tegen den oppergod zich geducht maakte. Alcides is Hercules.

IV. 2. 126. _Van den zeek'ren kant._ Van moeders zij.

IV. 3. 4. _Terras Astræa reliquit._ Aanhaling uit Ovidius' Metamorphosen I. 150. De Godin der Gerechtigheid, als hemelbewoonster _Astroea_ genoemd, woonde in de gouden eeuw op aarde, maar "verliet de aarde" in de koperen eeuw, het laatst van alle hemellingen.--Men denke zich het plein, waar dit derde tooneel speelt, in de nabijheid van het keizerlijk paleis.

IV. 3. 80. _De galgemaker?_ In het Engelsch verstaat de Boer den naam van Jupiter "Gibbeter", en vraagt daarom, of de "Gibbetmaker" bedoeld is; een natuurlijk niet terug te geven woordspeling.

IV. 3. 90. _Met eenige gratie._ In het Engelsch is hier een woordspeling tusschen _grace_, "gratie", en _grace_, "gebed bij 't eten". De boer zegt, dat hij 't laatste nooit heeft kunnen leeren.

V. 1. 122. _Naar 't spreekwoord zegt._ Het spreekwoord is: _to blush like a black dog_.

V. 1. 145. _Omlaag weer met dien duivel._ Aaron heeft dus gesproken van de ladder af, die hij reeds bestegen had om gehangen te worden.

V. 2. 56. _Hyperion._ Helios, de Zonnegod.

V. 2. 204. _En bloediger dan der Centauren feest._ In Ovidius Metamorph. XII. 210 kon Shakespeare de beschrijving vinden van den gruwelijken strijd, die, op de bruiloft van Pirithous tusschen de Lapithen, tot wier volk de bruid behoorde, en de mede-uitgenoodigde Centauren ontstond, en met de nederlaag der laatsten eindigde.

V. 3. 36. _Virginius._ De vergelijking gaat eigenlijk niet door, want Virginius doodde zijn dochter om haar onteering te voorkomen.

V. 3. 80. _Als onze stamheer eens._ Ook in Julius Cæsar noemt Shakespeare Æneas den stamheer der Romeinen.--In de Æneis van Vergilius (IIde Boek) verhaalt Æneas aan Dido de overrompeling van Troje door de Grieken, en vermeldt, hoe de Griek Sinon (Ald. reg. 79) de Trojanen overhaalde het verderfelijke paard binnen hun muren te halen. Ook in 3 Hendrik VI, III. 2. 190. en in Cymbeline III. 4. 61 wordt Sinon vermeld; evenzoo in Lucretia 1521.

NOOTEN

[1] Blijkbaar waren Ovidius' Metamorphosen aan Sh. goed bekend; niet alleen de Titus Andronicus, maar verscheiden stukken van hem kunnen het getuigen. Ook andere gedichten van Ovidius, de _Amores_ (zie het Motto van Venus en Adonis) en de _Heroides_, (zie 3 Hendrik VI, I. 3. 48) waren hem niet vreemd. De Metamorphosen (Gedaanteverwisselingen of Herscheppingen) waren reeds in Sh.'s tijd door Golding in het Engelsch vertaald. Dat Sh. deze vertaling kende, is wel aan te nemen; maar hij kan Ovidius zeer wel in het oorspronkelijke gelezen hebben; hij had op de school te Stratford Latijn geleerd en naar allen schijn met vrucht.--In de Bodley'sche bibliotheek te Oxford berust een kleine uitgave der Metamorphosen: "Ovidii Metamorphoseon Libri quindecim", gedrukt bij Aldus in Venetië, in October 1502; op den titel staat geschreven: Wm. Shr. en op het schutblad de vermelding, geschreven in 1682 door T. N. (Nash?), dat hij dit kleine boek gekregen had van "W. Hall, die zeide, dat het eens aan Will. Shakspere had toebehoord." Er is geen beslissende reden om de echtheid der schrifturen te betwisten of te betwijfelen; de verkorte naamteekening op den titel kan zeer wel van onzen dichter zelf zijn.

[2] Met deze woorden begint Dr. W. J. A. Jonckbloet in zijne _Geschiedenis der Nederl. Letterkunde_ (Tweede druk, II. blz. 165) zijn hoofdstuk over Jan Vos.

[3] Wie, zonder het stuk van Jan Vos geheel te doorworstelen, er een goed denkbeeld van wil krijgen, leze de voorlezing: "Shakespeare's invloed op het Nederlandsen tooneel der zeventiende eeuw", van Prof. Moltzer (1874), die ook duidelijk in het licht gesteld heeft, dat Vos den Titus Andronicus door de vertooningen der Engelsche komedianten heeft leeren kennen.

[4] De cijfers aan het hoofd der bladzijden zijn dezelfde, waarmede in de uitmuntende, door de uitgevers van den "Cambridge Shakespeare" bezorgde, en weinig kostbare _Globe Edition: The works of William Shakespeare_ (London, Macmillan and Co.), de eerste regel der bladzijde is aangewezen. Genoemde uitgave wordt tegenwoordig vrij algemeen bij aanhalingen gebezigd. Daar niet dan uiterst zelden de Nederlandsche vertaling een versregel meer bevat dan het oorspronkelijke, kon de nommering overgenomen worden, waardoor zoowel vergelijking met het oorspronkelijke, als het doen van aanhalingen of verwijzingen gemakkelijker worden.

[5] Een merkwaardig staaltje levert Marlowe in de eerste alleenspraak van Faustus in "The tragical History of Doctor Faustus." Er komen verscheiden Latijnsche gezegden in voor en de Philosophie wordt in de eerste uitgave er (I. 1. 12) aangeduid met _Oncoemion_, dat door de latere uitgevers, die 't woord niet verstonden, veranderd is in _Economy_; het woord is gebleken gemaakt te zijn uit de Grieksche woorden "on kai mè on", "zijnde en niet zijnde", zoodat Faustus zegt: "Vaarwel, zijn-en-niet-zijn"!