Chapter 4
TITUS. Stil, zie, wat bladert zij er haastig in! Help haar!--Wat zoekt gij?--Moet ik 't lezen, kind?-- Dit is 't verhaal van Philomela's jammer, Van Tereus' boos verraad en vrouweschennis; In schennis, vrees ik, wortelt uw ellend'.
MARCUS. Zie, broeder, zie, hoe ze op die bladen tuurt!
TITUS. Lavinia, heeft men u zoo overvallen, Geschonden en gekrenkt als Philomela, In 't onbarmhartig, groot en donker woud?-- Zie, zie!-- Ja, waar wij jaagden, was er zulk een plaats,-- O hadden wij er nooit, er nooit gejaagd!-- Geheel als die de dichter hier beschrijft, Voor moord en schennis door natuur geschapen.
MARCUS. Hoe kan natuur zoo booze krochten scheppen, Zoo gruw'len niet voor goden streelend zijn?
TITUS. Wijs aan, lief kind, want hier zijn niets dan vrienden, Meld, welk Romein die daad bedrijven dorst; Sloop Saturninus weg, zooals Tarquinius, Ter schennis van Lucretia, 't kamp verliet?
MARCUS. Zit naast mij, lieve nicht, en gij ook, broeder.-- Apollo, Pallas, Jupiter, Mercurius, Beziel mij, dat ik 't wanbedrijf ontdekk'!-- Zie hier, mijn broeder;--zie, Lavinia, zie; De zandplek hier is vlak en effen; kunt gij, Zoo doe dit na.
(Hij schrijft zijn naam in het zand met zijn stok, dien hij met den mond vasthoudt en met de voeten geleidt.)
Zoo heb ik hier mijn naam Geschreven zonder een'ge hulp der handen. Gevloekt zij hij, die tot den vond ons dwong!-- Schrijf gij nu, lieve nicht; onthul ons eind'lijk, Wat God ter wrake wis onthuld wil zien. De hemel leide uw pen tot duidelijk schrift, Opdat wij 't schelmstuk en de daders kennen.
(Lavinia neemt den stok in haar mond, geleidt hem met haar stompen, en schrijft.)
TITUS. O lees, mijn broeder, lees, wat zij daar schreef! "Stuprum--Chiron--Demetrius".
MARCUS. Wat, wat!--de wulpsche zoons van Tamora Bedrijvers van dit snood en bloedig doen?
TITUS. Magni dominator poli, Tam lentus audis scelera? tam lentus vides?
MARCUS. O kalm, mijn vriend, blijf kalm, al weet ook ik, Dat hier op de aard genoeg geschreven staat Om 't zachtst gemoed tot oproer aan te prikk'len, En kind'ren luide kreten te doen slaken. Kniel neder, vriend, met mij; Lavinia, kniel; En knaap, kniel ook, gij hoop van Rome's Hector; En zweert met mij,--zooals met de' armen gade En vader der onteerde kuische vrouw Eens na Lucretia's schennis Brutus zwoer,-- Dat wij een dood'lijke, overlegde wraak Op deze snoode Gothen nemen zullen, Hun bloed zien,--of zelf sterven, laf, onteerd.
TITUS. 't Waar' zeker, ja, wist gij te zeggen, hoe;-- Pas op, als gij die berenwelpen jaagt; Want de oude ontwaakt, als zij uw naad'ring ruikt; Ze is eng verbonden met den leeuw en maakt Hem spelend, liggend op den rug, in slaap; En als hij slaapt, dan doet zij wat zij wil. Laat af, gij zijt een jonge jager, Marcus; En kom, ik wil een koop'ren blad gaan halen, Met stalen stift die woorden er op griff'len, En 't zoo bewaren. Noorderstorm verwaait Dit zand ras, als de bladen der Sibylle, En waar is dan 't vermaan?--Knaap, wat zegt gij?
JONGE LUCIUS. Ik zeg, dat, zoo ik man was, hunner moeder Slaapkamer wis geen vrijplaats wezen zou Voor deze aan Rome's juk ontglipte schurken.
MARCUS. Mijn jongen is hij! Knaap, uw vader heeft Voor zijn ondankbaar land aldus gekampt.
JONGE LUCIUS. Nu, oom, zoo doe ik, blijf ik leven, ook.
TITUS. Kom met mij in mijn wapenzaal, daar rust ik U, Lucius, kostlijk toe, want gij, mijn knaap, Moet fluks aan beide zoons der keizerin Geschenken brengen, die ik zenden wil. Kom! vlug! Niet waar, gij wilt die boodschap brengen?
JONGE LUCIUS. Grootvader, ja, mijn dolk in hunne borst.
TITUS. Neen, knaap, niet zoo; ik leer u anders doen. Lavinia, kom!--Marcus, let op mijn huis; Lucius en ik, wij gaan ten hove pralen; Wij willen 't, ja, en hulde brengt men ons.
(Titus, Lavinia en de jonge Lucius af.)
MARCUS. O Hemel! kunt ge een brave hooren jamm'ren, En geen erbarmen toonen met zijn lot? Marcus, let bij zijn waanzin goed op hem, Wiens hart meer wonden heeft van bitter leed, Dan zijn gebutste beuk'laar vijandsmerken; En toch zoo vroom, dat hij geen wraak wil nemen!-- Neemt, heem'len, gij voor Andronicus wraak!
(Marcus af.)
TWEEDE TOONEEL.
Aldaar. Een vertrek in het paleis.
Van de eene zijde komen op: Aaron, Demetrius en Chiron; van de andere zijde de jonge Lucius en een Dienaar, met een bundel wapens en daarop geschreven verzen.
CHIRON. Demetrius, daar is de zoon van Lucius; Hij komt een boodschap aan ons overbrengen.
AARON. Een dolle boodschap van dien dollen oude!
JONGE LUCIUS. Met allen mogelijken deemoed, heeren, Breng ik u Andronicus' heuschen groet:-- (Ter zijde.) En bid, dat Rome's goden u verderven.
DEMETRIUS. Dank, goede Lucius, wat hebt gij voor nieuws?
JONGE LUCIUS (ter zijde). Het nieuws is, dat gij beiden zijt ontmaskerd Als schurken en verkrachters.--(Luid.) Het behage u: Grootvader zendt na rijp beraad door mij De beste klingen uit zijn wapenzaal U hier, als hulde aan uw hoogeed'le jeugd, De hoop van Rome; dit toch moet ik zeggen, En doe dit thans, en bied u, eed'le heeren, Zijn gaven aan, opdat gij steeds, zoodra Gij dit behoeft, voortreff'lijk zijt gewapend; 'k Zeg u vaarwel, (Ter zijde.) als bloedig schurkenpaar.
(De jonge Lucius en zijn Dienaar af.)
DEMETRIUS. Wat zit daar om? een reep rapier, beschreven? Laat zien.
"Integer vitæ, scelerisque purus, Non eget Mauri jaculis, nec arcu".
CHIRON. Een vers is 't uit Horatius, ik ken het; Ik las het in mijn spraakkunst, lang geleên.
AARON. Een vers is 't uit Horatius, ja juist. (Ter zijde). Wat zijn er toch voor ezels in de wereld! Dit is geen scherts; de grijsaard heeft hun schuld Ontdekt en zendt hun wapens nu, met regels, Die, zonder dat zij 't merken, diep verwonden; Doch waar' de schrand're keizerin nu wèl, Zij juichte 't plan van Andronicus toe; Doch laten wij haar onrust nu in rust. (Luid.) Was 't, jonge vrienden, niet een goed gesternte, Dat ons naar Rome voerde, als vreemden, ja, Als krijgsgevang'nen, en ons zoo verhoogde? Het deed mij goed, voor 't slot hier den tribuun, En in zijns broeders bijzijn, fier te trotsen.
DEMETRIUS. Mij nog meer goed, dat zulk een machtig heer Zoo laf ons vleit, ons zulke giften zendt.
AARON. Nu, had hij, prins Demetrius, geen reden? Hebt gij zijn dochter niet recht lief behandeld?
DEMETRIUS. O hadden wij van Rome een duizend schoonen In zulk een val, om onzen lust te boeten!
CHIRON. Een vrome, liefdevolle wensch voorwaar!
AARON. Ware uwe moeder hier, zij sprak het Amen.
CHIRON. Dan deed zij 't wis voor twintig duizend meer.
DEMETRIUS. Kom, gaan wij, bidden wij tot alle goden, Dat ze onze moeder bijstaan in haar nood.
AARON (ter zijde). Roept duivels aan; de goden haten ons.
(Trompetgeschal.)
DEMETRIUS. Wat blazen de trompetten daar des keizers?
CHIRON. Waarschijnlijk heeft de keizer thans een zoon.
DEMETRIUS. Stil, wie komt daar?
(Een Voedster komt op met een Moorenkind.)
VOEDSTER. Gegroet, gij prinsen! 'k bid u, mij te zeggen, Waar Aaron is, de Moor, doch ras!
AARON. Komaan, wat is 't, wat roept gij moord en brand? Aaron is hier; wat wilt gij nu van Aaron?
VOEDSTER. Ach, Aaronlief! verloren zijn wij allen! Help ons, of wee op wee dale op uw hoofd!
AARON. Welnu, wat mauwt en schreeuwt gij zoo? wat houdt gij Daar zoo omhuld, verborgen in uw armen?
VOEDSTER. Wat ik voor 's hemels oogen liefst verborg; De schande der vorstin, de smaad van Rome.-- Zij is verlost, mijn heeren, ze is verlost.
AARON. Van wat?
VOEDSTER. Zij kwam in 't kinderbed, bedoel ik.
AARON. God geev' haar zoete rust! Wat zond Hij haar?
VOEDSTER. Een duivel.
AARON. Nu, dan is zij 's duivels moêr; Een vroolijk wicht!
VOEDSTER. Een vreugd'loos, aak'lig, zwart en droevig wicht. Hier is het kind, zoo leelijk als een pad Te midden van de blanken van ons land; De moeder zendt het u, uw beeld en zegel, En wil, dat gij het met uw dolkspits doopt.
AARON. Foei, slet! is zwart een zoo gehate kleur?-- Zoet bekje', een lieflijk bloempje zijt gij, ja.
DEMETRIUS. Schurk, wat hebt gij gedaan?
AARON. Wat gij niet ongedaan maakt.
CHIRON. Smaad deedt gij onze moeder aan.
AARON. Vreugd deed ik uwe moeder aan.
DEMETRIUS. En daardoor, helsche hond, deedt gij haar smaad aan. Wee 't booze lot! vervloekt haar zwarte keus! Vervloekt de spruit van zulk een boozen duivel!
CHIRON. 't Wicht zal niet leven.
AARON. Sterven zal het niet.
VOEDSTER. 't Moet sterven, Aaron; zoo beveelt de moeder.
AARON. Wat! moet het, voedster? dan zij ik 't alleen, Die beulsplicht oefen aan mijn vleesch en bloed.
DEMETRIUS. Ik rijg de donderpad aan mijn rapier; Hier, voedster, geef; mijn zwaard maakt fluks het af.
AARON. Eer tornt dit zwaard uw ingewanden op.
(Hij neemt aan de Voedster het kind af en trekt zijn zwaard.)
Stil, moordgeboefte, wilt ge uw broeder dooden? Nu, bij des hemels kaarsen, die zoo helder Licht gaven bij 't verwekken van dit jongsken,-- Wie hem, mijn oudsten zoon en erfgenaam, Aanroert, sterft op mijn scherpe degenspits. Ik zeg u, knapen, niet Enceladus, Met heel zijn felle Typhonsbroedsel-bende, Noch groote Alcides, noch de god des krijgs, Rukt uit zijns vaders handen hem als prooi. Wat, wat! gij roodgetinte, laffe knapen, Gij witte wanden, bierhuisuithangteekens! Koolzwart is beter dan elke and're kleur, Omdat het weigert and're kleur te dragen; Want al het water van de zee kan nimmer Den zwarten voet des zwaans in wit verand'ren, Al wascht hij uur op uur dien in den stroom. Zeg aan de keizerin, 'k ben mans genoeg Om 't mijne te behoeden; dit gedoog' zij.
DEMETRIUS. Verraadt gij zoo uw eed'le meesteres?
AARON. Zij is mijn meesteresse, dit ikzelf; De kracht is 't en de beelt'nis mijner jeugd; Dit schat ik hooger dan de gansche wereld; Kwam ook de wereld in verzet, dit hoede ik, Of veler bloed in Rome dampt er voor.
DEMETRIUS. Dit werpt op onze moeder eeuw'gen smaad.
CHIRON. Haar booze misstap maakt haar Rome's afschuw.
VOEDSTER. In woede doemt de keizer haar ter dood.
CHIRON. Ik bloos, wanneer ik aan haar schande denk.
AARON. Nu ja, dit is het voorrecht uwer schoonheid; 't Is een verraderskleur, die,--foei!--door blozen Des harten roersels, ieder plan onthult; Dit is een jonge knaap van ander uitzicht; Zie, hoe de zwarte schelm zijn vader toelacht, Als was zijn zeggen: "Vader, ik ben de uwe." Hij is uw broeder, prinsen; blijkbaar voedde Hem 't eigen bloed, dat u het leven schonk; En uit dien schoot, die u in hechtnis hield, Werd hij bevrijd en aan het licht gebracht; Uw broeder is hij van den zeek'ren kant, Ofschoon zijn aangezicht mijn stempel draag'.
VOEDSTER. Aaron, wat meld ik aan de keizerin?
DEMETRIUS. Schaf, Aaron, raad, wat er gedaan moet worden; Wij geven allen aan uw raad gehoor; Beveilig 't wicht, als wij slechts veilig zijn.
AARON. Nu, zetten wij ons dan, om raad te plegen. Mijn zoon en ik slaan nauwgezet u ga; Blijf daar, en spreek naar lust van veiligheid.
(Zij gaan zitten.)
DEMETRIUS. Hoevele vrouwen zagen dit zijn kind?
AARON. Ja, goed, mijn prinsen; zoo wij ons verbinden, Ben ik een lam; maar--poog den Moor te trotsen, En Aaron stormt, meer dan de woedende ever, Dan de leeuwin der bergen, de oceaan.-- Maar spreek, hoe velen hebben 't kind gezien?
VOEDSTER. Cornelia slechts, de vroedvrouw, en ikzelf, En ook de keizerin, maar niemand meer.
AARON. De keizerin, de vroedvrouw en gijzelf; Twee zwijgen wel, wanneer de derde ontbreekt. Ga naar de keizerin; ziehier uw boodschap;
(Hij doorsteekt de Voedster.)
Quèk, quèk!--zoo schreeuwt een big, voor 't spit gekeeld.
DEMETRIUS. Wat wilt gij, Aaron? waarom deedt gij dit?
AARON. Wel man, voorzichtigheid gebood die daad. Wat! zou zij leven, deze schuld verraden? Dat praatziek, dat langtongig wijf? Neen, neen! En nu zult gij geheel mijn plan vernemen. Hier dicht bij woont mijn landsman Muliteus, Wiens vrouw de voor'ge nacht bevallen is; Het kind gelijkt op haar, is blank als gij; Gaat, praat met haar en geeft de moeder goud; Vertelt dat paar 't beloop der gansche zaak, En hoe hierdoor hun kind verhoogd zal worden En als des keizers erfgenaam erkend, En voor dit wicht van mij in plaats gesteld, Om dezen storm ten hove te bezweren; Dat wiege dan de keizer als zijn zoon. Hoort nog, gij ziet, ik gaf haar artsenij.
(Op de Voedster wijzende.)
En nu moet gij voor de begraaf'nis zorgen; 't Veld is nabij en gij zijt forsche knapen. Is dit gedaan, zorg dan niet lang te dralen, Maar zend terstond de vroedvrouw naar mij toe. Is, als de min, de vroedvrouw uit den weg, Dan mogen vrouwen praten wat zij willen.
CHIRON. 'k Zie, Aaron, aan de lucht zelfs niet vertrouwt gij Geheimen toe.
DEMETRIUS. Om deze zorg voor haar Zijn Tamora en wij u zeer verplicht.
(Demetrius en Chiron af, het lijk der Voedster medesleepend.)
AARON. Nu naar de Gothen met een zwaluwvlucht, Om daar den schat, dien ik hier houd, te bergen, En stil de vrienden der vorstin te groeten.-- Kom hier, diklippig wicht, ik breng u weg; Want gij doet al die vonden ons bedenken. Van beziën en van wortels zult gij leven, Van melk en wrongel, zuigen van een geit En wonen in een grot; ik voed u op Tot krijgsman en gebieder van een leger.
(Aaron af, met het Kind.)
DERDE TOONEEL.
Aldaar. Een openbaar plein.
Titus komt op, pijlen dragend met brieven aan de spitsen; verder Marcus en zijn zoon Publius, de jonge Lucius en andere Edellieden, met bogen.
TITUS. Kom, Marcus, kom.--Hier, neven, komt hierheen. Nu, knaap, laat thans eens kijken, hoe gij schiet; Trek stevig aan, dan treft de pijl haar doel. Terras Astraea reliquit: Ja, Marcus, denk: ze is weg, zij is gevloden. Gij, heeren, neemt uw werktuig. Neven, gij, Doorzoekt den oceaan en werpt uw netten, Of gij in zee haar vangt, hoewel--daar is Niet meer gerechtigheid dan op het land.-- Neen, Publius en Sempronius, tijgt aan 't werk; Gij moet gaan zoeken met houweel en spade, En dringen door der aarde middelpunt; En komt gij zoo in Pluto's rijk, wilt dan, Ik bid u, hem dit smeekschrift overreiken; Zeg, dat het hem om recht en bijstand smeekt En van den ouden Andronicus komt, Wien leed diep schokt in dit ondankbaar Rome.-- O Rome!--Ach, Rome, ik maakte u diep rampzalig; Ja toen, toen ik de stemmen wierf van 't volk Voor hem, die zulk een woestling is voor mij.-- Gaat, spoedt u, doet met zorg uw plicht, en laat Geen krijgsschip ondoorzocht; misschien heeft haar De booze keizer weggescheept, en, neven, Dan kunnen we om gerechtigheid gaan fluiten.
MARCUS. O Publius, is dit niet overtreurig, Uw eed'len oom zoo zinneloos te zien?
PUBLIUS. En daarom, heer, is 't onze dure plicht, Hem dag en nacht zorgvuldig gâ te slaan En staag zijn luim, zooveel het kan, te vieren, Tot ons de tijd een heilzaam middel wijst.
MARCUS. Ach neven, voor zijn kommer is geen heeling. IJlt tot de Gothen, en een krijg ter wrake Doe Rome voor den snooden ondank boeten, En straff' den valschen Saturninus streng.
TITUS. Publius, hoe is 't? en heeren, spreekt, hoe is 't? Spreekt, hebt gij haar gevonden?
PUBLIUS. Neen, oom, doch Pluto laat u zeggen, dat De hel de Wraak u toezendt, als gij 't wilt, Maar de Gerechtigheid zooveel te doen heeft, Hetzij bij Jupiter omhoog, 't zij elders, Dat gij op haar een poosje wachten moet.
TITUS. Hij krenkt mij, door met uitstel mij te paaien. 'k Wil duiken in den hellepoel omlaag; 'k Haal bij de hielen haar uit de' Acheron.-- Marcus, slechts struiken zijn wij, geene ceders, Geen forsche mannen van Cyclopenstal; Maar, Marcus, van metaal, staal door en door; Toch door meer leed dan torsbaar is, gebogen; Daar aard noch hel Gerechtigheid nu huisvest, Zoo smeeken wij ten hemel, dat de goden Haar nederzenden om ons wee te wreken. Aan 't werk nu, komt! Gij, Marcus, goede schutter,
(Hij geeft hun de pijlen.)
Ad Jovem, die voor u;--hier ad Apollinem;-- Ad Martem, die voor mij;-- Hier, knaap, aan Pallas;--aan Mercurius deze; Deze aan Saturnus, vriend,--niet Saturninus, Want dat waar' zeker schieten in den wind.-- Vlug, knaap;--gij Marcus, schiet, zoodra ik 't zeg. Nu, op mijn woord, ik schreef niet te vergeefs. En liet geen enk'len god onaangeroepen.
MARCUS. Schiet, vrienden, al uw pijlen in het hof; Dat zij den keizer krenken in zijn trots.
TITUS. Nu, vrienden, schiet! (Zij schieten.) O Lucius, goed geraakt! Knaap, in den schoot der Virgo; dit geldt Pallas.
MARCUS. Ik mik een mijl nu hooger dan de maan; Uw brief is nu alreeds bij Jupiter.
TITUS. O Publius, zie, wat hebt gij nu gedaan? Gij schoot daar een van Taurus' horens af.
MARCUS. Zoo was de grap, heer: toen daar Publius schoot, Stiet de vergramde Stier den ram zoo fel, Dat 's Rams twee horens vielen in het hof. Daar vond ze,--wie? de schurk der keizerin; Zij lachte en zeide tot den Moor, dat hij Die aan zijn heer moest geven als geschenk.
TITUS. Zoo gaat het goed! God schenk' zijn hoogheid vreugd!
(Een Boer komt op; hij draagt een mand met twee duiven.)
Nieuws! uit den hemel! Marcus, zie, een bode!-- Zoo, knaap, wat meldt gij? brengt gij brieven meê? Krijg ik mijn recht? Nu, wat zegt Jupiter?
BOER. Wie? mijn buurman, de galgenmaker? hij zegt, dat hij het dwarshout er afgenomen heeft, want de man wordt niet voor de volgende week gehangen.
TITUS. Maar wat zegt Jupiter? vraag ik nog eens.
BOER. Ach, heer, ik ken dien Jupiter niet; ik heb nooit van mijn leven met hem gedronken.
TITUS. Wat, kerel, komt gij hier niet met een boodschap?
BOER. Ja, met mijn duiven, heer; met anders niets.
TITUS. Wat, komt gij dan niet van den hemel?
BOER. Van den hemel, heer? ach, daar ben ik nooit geweest. God beware, dat ik het gewaagd zou hebben, in mijn jonge jaren naar den hemel te dringen. Neen, ik ga met mijn duiven naar den Tribunal plebs, om een twist bij te leggen tusschen mijn oom en een van 's keizers dienaars.
MARCUS. Wel, broeder, dit komt zoo goed, als het kan, voor het indienen van uw geschrift, laat hem de duiven uit uw naam aan den keizer brengen.
TITUS. Zeg mij, kunt gij een geschrift met eenige gratie aan den keizer overreiken?
BOER. Neen, zeker niet, heer, want ik heb van mijn leven nog geen gratie noodig gehad.
TITUS. Nu knaap, treed nader. Maak maar geen bezwaar, En geef gerust uw duiven aan den keizer; Door mij zult gij van hem uw recht verkrijgen. Hier hebt ge intusschen voor uw moeite geld.-- Geef pen en inkt hier.--Knaap, hoe is 't? Kunt gij Met gratie nu een smeekschrift overreiken?
BOER. Ja, heer.
TITUS. Dan hebt gij hier een smeekschrift voor u. En als gij bij hem komt, moet gij beginnen met voor hem te knielen, dan zijn voet kussen, dan uw duiven overreiken, en dan op uw loon wachten. Ik zal in de buurt zijn, man; zorg, dat gij het er goed afbrengt.
BOER. Daar sta ik voor in, heer, laat mij maar begaan.
TITUS. Knaap, hebt ge een mes? Kom, laat het mij eens zien.-- Hier, Marcus, vouw 't verzoekschrift er om heen; Gij schreeft het als een need'rig smeekeling;-- En klop, als gij 't den keizer hebt gegeven, Bij mij eens aan, en meld mij, wat hij zegt.
BOER. Nu, God zij met u, heer; ik zal het doen.
TITUS. Kom, Marcus, laat ons gaan.--Kom, Publius, volg mij.
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
Aldaar. Voor het Paleis.
Saturninus, Tamora, Demetrius, Chiron, Edellieden en Anderen komen op, Saturninus met de pijlen in de hand, door Titus afgeschoten.
SATURNINUS. Hoe vindt gij zulk een krenking? wie zag ooit In Rome een keizer zoo met overmoed En trots bejegend en om onpartijdig Rechtoef'nen op zoo grove wijs gehoond? Gij, heeren, weet, gelijk de groote goden, Dat,--wat ook vredestoorders mogen blazen In 't oor des volks,--er met de drieste zoons Van de' ouden Andronicus niets geschiedde, Dan volgens wet en recht. En schoon nu ook Zijn kommer zijn verstand hebbe overweldigd, Is 't wel te dulden, dat zijn bitterheid, Zijn wrok, zijn dolle waan ons zoo bedreigen? Hij schrijft den hemel thans, dat die hem wreke; Ziet, dit aan Jupiter, dit aan Mercurius, Dit aan Apollo, dit aan de' oorlogsgod; Fraai nieuws, om Rome's straten rond te fladd'ren! Wat noemt gij dit, dan den senaat belast'ren, Uitschreeuwen, dat wij onrechtvaardig zijn? Een fraaie grap, vindt gij het ook niet, heeren? Alsof men zeide, er is geen recht in Rome. Doch zijn geveinsde waanzin zal voorwaar, Leef ik, geen schuts hem zijn bij zulk een hoon. Hij met zijn stam zal weten, dat het recht Bij Saturninus leeft; en, mocht het slapen, Hij zal 't zoo wekken, dat het, fel vergramd, Den fiersten samenzweerder vellen zal.
TAMORA. Genadig vorst, geliefde Saturninus, Mijns levens heer, gebieder van mijn geest, Wees kalm, verdraag des ouden Titus' zonden, Gevolg der droef'nis om zijn dapp're zoons, Die hem in 't merg drong en zijn hart doorboorde; Tracht liever hem zijn jammer te verzachten, Dan dat gij hoog of laag voor dezen hoon Vervolgt en straft.--(Ter zijde.) Zie, dit past Tamora, Zich sluw bij iedereen schoon voor te doen; Maar Titus, 'k heb in 't leven u geraakt En tapte uws harten bloed.--Is Aaron wijs, Dan zijn wij veilig, ank'ren in de haven.--
(De Boer komt op.)
Wel, goede vriend, verlangt gij iets van ons?
BOER. Ja, dat doe ik, zoo uwe edelheid keizerlijk is.
TAMORA. Ik ben de keizerin, daar zit de keizer.
BOER. Hij is het.--God en Sint Steven mogen u een goeden avond geven. Ik heb u hier een brief en een koppel duiven gebracht.
(Saturninus leest den brief.)
SATURNINUS. Gaat, neemt hem, hangt hem op, dit zij zijn loon.
BOER. Hoeveel geld krijg ik wel?
TAMORA. Loop, knaap; gij moet gehangen worden.
BOER. Gehangen! Bij onze lieve Vrouw, dan heb ik een hals mooi aan zijn end gebracht!
(Hij wordt door een Wacht weggevoerd.)
SATURNINUS. 't Is schand'lijk, onverdraag'lijk, al die hoon! Zou ik die monsterschurkerij verdragen? Ik weet, aan wien ik dit te danken heb. Onduldbaar is 't!--Alsof zijn schelmsche zoons, Door 't recht gevonnisd om den moord mijns broeders, Door mij geslacht zijn, tegen wet en recht!-- Gaat, sleept den booswicht bij de haren hier; Geen roem noch leeftijd geev' hem eenig voorrecht Voor dezen trotschen hoon doe ik u slachten; Sluw-dolle schurk, gij hielpt mij aan de kroon, Maar hopend over Rome en mij te heerschen.
(Æmilius komt op.)
Wat nieuws brengt gij, Æmilius?
ÆMILIUS. Te wapen, heer! Nooit drong de nood zoozeer. De Gothen zijn vereend, en met een macht Van koene krijgers, fel belust op buit, Naar Rome op marsch, nabij reeds; aan hun hoofd Staat Lucius, zoon van de' ouden Andronicus; Hij dreigt, in zijne wraak niet minder ver Te willen gaan dan eens Coriolanus.
SATURNINUS. De dapp're Lucius veldheer van de Gothen? Die tijding knakt mij; als bevroren bloemen, Of gras, door storm geslagen, buig ik 't hoofd. Ja, thans begint mijn kwade tijd te naad'ren. Hij is het, dien het volk zoozeer bemint; Meermalen heb ik, als ik onbekend De stad doorkruiste, zelf hen hooren zeggen, Dat Lucius' ballingschap een onrecht was, En dat zij Lucius zich als keizer wenschten.
TAMORA. Waarom beangst? is onze stad niet sterk?
SATURNINUS. Ja, maar de burgers achten Lucius hoog, En vallen mij wis af, om hèm te helpen.
TAMORA. Wees keizer, heer, in denken als in naam. Taant ooit de zon, wijl muggen in haar dansen? Zie, de aad'laar laat de kleine vogels zingen, En wat zij er mee meenen, deert hem niet; Hij weet, dat reeds de schaduw van zijn wieken, Zoodra hij 't wil, hun zang verstommen doet; Dit doet ook gij het wuft Romeinsche volk. Wees dus vol moed; want weet, mijn keizer: ik Betoover u den ouden Andronicus Met woorden, zoeter, doch gevaarlijker, Dan aas voor visschen, klaver is voor schapen, Schoon gene door den hoek verwond en deze Een rotkwaal krijgen van het zoete voêr.
SATURNINUS. Doch nimmer smeekt hij tot zijn zoon voor ons.
TAMORA. Hij doet het wel, als Tamora 't hem smeekt; Zijn oud oor kan ik vleiend zoo met gulden Beloften vullen, dat, ware ook zijn hart Schier onbestormbaar en zijn oor stokdoof, Mijn tong zijn oor en hart zou overmeest'ren.-- (Tot Æmilius). Ga gij vooruit en wees onze afgezant; Zeg, dat de keizer met den dapp'ren Lucius Een onderhoud verlangt, en wensch als plaats Het huis zijns vaders, de' ouden Andronicus.
SATURNINUS. Æmilius, breng die boodschap waardig over; Dringt hij ter veiligheid op gijz'laars aan, Dan zegg' hijzelf, welk onderpand hij wenscht.