Titus Andronicus

Chapter 3

Chapter 34,207 wordsPublic domain

SATURNINUS. Geen borgtocht, neen; maar zorg, dat gij mij volgt.-- Gij, brengt den doode, gij de moord'naars na; Laat hen niet spreken; duid'lijk is hun schuld; En bij mijn ziel, bestond er boozer eind Dan dood, dat erger eind viel hun te beurt.

TAMORA. Ik wil den keizer smeeken, Andronicus; Wees zonder zorg om hen, het gaat wel goed.

TITUS. Kom, Lucius, kom; tracht niet met hen te spreken.

(Allen af.)

VIERDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Demetrius en Chiron komen op, met de geschonden Lavinia; de handen zijn haar af gehouwen, de tong uitgesneden.

DEMETRIUS. Indien uw tong kan spreken, ga dan nu, Zeg, wie de tong u uitsneed en u schond.

CHIRON. Schrijf neder wat gij weet, onthul het zoo; Speel, laten dit uw stompen toe, voor schrijver.

DEMETRIUS. Zie, hoe zij schrappen, teekens krabb'len kan.

CHIRON. Ga huiswaarts, roep om water, wasch uw handen.

DEMETRIUS. Voor 't roepen mist ze een tong, voor 't wasschen handen, Dus laat haar nu haar stille wegen gaan.

CHIRON. Waar 't mijn geval, ik ging en hing mij op.

DEMETRIUS. Ja, als gij handen hadt om 't koord te knoopen.

(Demetrius en Chiron af.)

(Horengeschal achter het tooneel. Marcus komt op, van de jacht.)

MARCUS. Wie is dat daar?--mijn nicht, die ijlings vlucht? Geef antwoord, nichtje; zeg, waar is uw man? Zoo 'k droom, 'k geef al mijn have, om weer te ontwaken! Zoo 'k waak, bestraal' terstond me een booze ster En vell' mij om den eeuw'gen slaap te sluimren!-- Spreek, lieve nicht, wat ruwe wreede hand Verminkte uw lijf en hieuw dat zoet sieraad U af, de beide takken, in wier schaduw Zich vorsten gaarne hadden neergevlijd, Die toch het hooge heil niet mochten smaken Van uwe liefde? Waarom spreekt gij niet?-- Helaas, een purp'ren stroom, warm bloed,--een bron, Die opwelt en door stormen trilt, gelijk, Rijst, daalt daar tusschen uwe rozenlippen, Komt, gaat met elken zoeten ademtocht. Ach, zeker heeft een Tereus u geschonden, En, straffe duchtend, u de tong ontrukt! Ach! thans wendt gij 't gelaat af, diep beschaamd! En schoon u al dit kostlijk bloed ontstroomt, Als uit een drietal spruiten wellend water, Zien toch uw wangen rood als Titans aanschijn, Die bloost, als hem een wolk te tarten waagt. Zal ik voor u het woord doen? zeggen, "'t is zoo?" O kende ik thans uw hart! kende ik het beest, Dat ik het smaadde om mijn gemoed te koelen! Verholen leed,--als een gesloten oven,-- Verbrandt het hart, waarin het woont, tot asch. Slechts tongloos werd de schoone Philomela; Zij stikte in 't droevig weefsel haar gemoed; U, lieve nicht, sneed men dit middel af; Een sluwer Tereus was 't, die u belaagde; En die sneed u die fijne vingers af, Wier arbeid Philomela hadd' beschaamd. O, had het monster ooit die leliehanden Als espenblad zien trillen op een luit, Zoodat de zijden snaren teêr die kusten, Zelfs niet voor 't leven had hij ze aangeroerd; Had hij de hemelmelodie gehoord, Die stroomde van die zoete tong, zijn mes Waar' hem ontvallen, hij in slaap verzonken, Gelijk voor Orpheus' voeten Cerberus. Kom, gaan wij om uw vader blind te maken; Want zulk een aanblik blindt eens vaders oog; Eén uur van storm verdrinkt een geur'ge beemd; Kan 't vaderoog dan maanden weenens lijden? Wijk niet terug; wij willen met u klagen; O, hielp u onze kracht de ellende dragen!

(Beiden af.)

DERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Rome. Een straat.

Senatoren, Tribunen en Rechters komen op, met Marcius en Quintus, die geboeid ter terechtstelling gevoerd worden; Titus gaat als smeekeling voor hen uit.

TITUS. Hoort, achtb're vaders! gij tribunen, staat!

Denkt, ik ben oud nu, en ik sleet mijn jeugd In woesten krijg, terwijl gij zorgloos sliept; Denkt aan al 't bloed, dat ik voor Rome stortte, Aan meen'ge winternacht, die ik doorwaakte, Aan deze bitt're tranen, die gij nu De rimpels van mijn wangen vullen ziet, En schenkt mijn zoons, veroordeeld thans, genade; Hun hart is niet zoo slecht, als 't wordt gewaand. Om twee-en-twintig zonen weende ik nooit, Wijl zij op 't edel bed der eere stierven;

(Hij werpt zich op den grond.)

Om dezen schrijf ik thans in 't stof, tribunen, Mijn harteleed en mijner ziele tranen. Laat mij der aarde dorst met tranen lesschen; Zij wierd schaamrood van mijner zonen bloed.

(De Senatoren, Tribunen enz. gaan met de Gevangenen door.)

O aarde, ik wil u meer met vocht verkwikken, Dat uit deez' twee verweerde kruiken vliet, Dan jonge April 't vermag met al zijn buien; In zomerdroogte drenk ik u; des winters Smelt ik met heete tranen u de sneeuw; Ik wek een eeuw'ge lente op uw gelaat, Indien gij 't bloed wilt weig'ren van mijn zoons.

(Lucius komt op, met uitgetogen zwaard.)

Eed'le tribunen! zacht gestemde grijsaards! Ontboeit mijn zonen en herroept uw vonnis, Dat ik, die nooit voordezen weende, zegg': Mijn tranen zijn een onafwijsb're voorspraak.

LUCIUS. Uw weeklacht, eed'le vader, is vergeefsch; Hier hoort u geen tribuun; geen mensch is hier; 't Is aan een steen, dat gij uw kommer klaagt.

TITUS. O Lucius, laat mij pleiten voor uw broeders.-- Eed'le tribunen, nogmaals smeek ik u,--

LUCIUS. Mijn vader, geen tribuun verneemt uw woorden.

TITUS. 't Is eender, knaap; al hoorden ze ook, zij zouden Er niet op letten; letten zij er op, Er niet geroerd door zijn; toch moet ik spreken, Hoe nutt'loos ook. Daarom meld ik mijn kommer aan de steenen, Die, ja, geen antwoord geven op mijn klacht, Maar hierin beter dan tribunen zijn, Dat zij mij zonder stoornis laten spreken. Zie, als ik ween, dan nemen zij mijn tranen Deemoedig op en weenen schier met mij; En waren zij slechts statig aangekleed, Tribunen, hun gelijk, had Rome niet. Zacht is een steen als was, steenhard tribunen; Stom is een steen en krenkt niet, doch tribunen, Zij hebben tongen, die ten doode doemen.

(Hij rijst op.)

Doch waarom staat gij met getrokken zwaard?

LUCIUS. Om van den dood mijn broeders te bevrijden; En voor die poging hebben mij de rechters Veroordeeld tot een eeuw'ge ballingschap.

TITUS. Gelukkig man! wat deden zij u goed! Wat, dwaze Lucius, hebt gij niet bespeurd, Dat Rome een wildernis vol tijgers is? Wat tijger is, wil buit, en Rome biedt Geen buit dan mij, de mijnen. Dus, heil ù, Die ver van die verslinders wordt verbannen! Doch wie komt met mijn broeder Marcus daar?

(Marcus en Lavinia komen op.)

MARCUS. Titus, bereid uw edel oog tot weenen, Of kunt gij 't niet, uw edel hart tot breken; 'k Voeg bij uw ouderdom verterend wee.

TITUS. Zal 't mij verteren? laat het mij dan zien.

MARCUS. Dit was uw dochter.

TITUS. Marcus, zij is 't nog.

LUCIUS. Wee mij, die aanblik doodt mij.

TITUS. Zwakhartig jong'ling, rijs, en zie haar aan.-- Lavinia, spreek! wat vloekb're hand heeft u Handloos gemaakt voor de oogen van uw vader? Wat zotskap goot ooit water bij de zee, Of wierp in Troja's laaien brand een mutsaard? Hoog was mijn leed gestegen, eer gij kwaamt, Thans spot het als de zee met elken dam.-- Geef mij een zwaard, dan kappe ook ik mijn handen, Wijl zij voor Rome streden, en vergeefs, En, 't lijf verzorgend, dezen jammer voedden; Tot ijd'le beden hief ik haar omhoog, Zij dienden mij tot nutteloos gebruik; Geen dienst meer eisch ik thans van haar dan deze, Dat de eene helpe om de andere af te kappen.-- Goed is 't, dat gij geen handen hebt, Lavinia; In dienst van Rome helpen handen niets.

LUCIUS. Spreek, lieve zuster, wie heeft u gemarteld?

MARCUS. Helaas! dat lieflijk werktuig der gedachten, Dat die zoo zoet en zoo welsprekend uitte, Is weggereten uit de schoone kooi, Waar 't als een vogel melodieën zong, Toonrijk, welluidend, ieder oor betoov'rend!

LUCIUS. Zeg gij voor haar dan, wie dit stuk bedreef.

MARCUS. O, 'k vond haar zoo, omdwalend in het woud En pogend weg te schuilen, als een ree, Die een onheelb're wond ontvangen heeft.

TITUS. Zij was mijn ree; wie haar verwondde, heeft Mij erger dan een doodwond toegebracht. Nu sta ik hier, als iemand op een klip, Omgordeld door een woestenij van zee, Die 't wassend tij met golf op golf ziet stijgen, En immer wacht, dat fluks de felle branding Hem zal verzwelgen in haar zilten schoot. Ginds zijn mijn arme zoons ter dood gegaan; Hier staat mijn and're zoon als banneling, En hier mijn broeder, weenend om mijn wee; Maar wat het felst mijn ziele grieft, mijn dierb're Lavinia is 't, mij dierb'rer dan mijn ziel;-- Hadde ik uw beelt'nis zoo verminkt gezien, Het had mij dol gemaakt; wat word ik thans, Nu ik uw levend wezen zoo aanschouw? Geen handen hebt ge om tranen af te wisschen, Geen tong om wie u martelde ooit te noemen; Uw gade is dood, en om zijn dood uw broeders Veroordeeld en voorzeker nu reeds dood. Zie, Marcus; ach, zoon Lucius, zie haar aan; Nu ik haar broeders noem, staan op haar wangen Weer versche tranen, als een zoete dauw Op een geplukte en schier verlepte lelie.

MARCUS. Zij weent wellicht, wijl zij haar gade doodden, Wellicht ook, wijl zij hen onschuldig weet.

TITUS. Zoo zij uw gade doodden, wees dan blijde, Dat nu de wet zich met de wraak belast.-- Neen, neen, zij deden zulk een wandaad niet; 't Leeddragen van hun zuster tuigt voor hen.-- Lavinia-lief, laat mij uw lippen kussen, Of zeg door teekens, hoe ik troosten kan. Of zullen wij, uw oom, uw broeder Lucius, Gij, ik, te zamen aan een beek gaan zitten, Er in zien ter beschouwing onzer wangen, Hoe die ontkleurd zijn, als nog vochte weiden, Waar pas een stroom zijn slib op achterliet? En staren wij dan zoo lang in de beek, Totdat zijn helder nat niet zoet meer smaakt, En ziltig werd van onze bitt're tranen? Of kappen we onze handen af als de uwe? Of bijten we ons de tong af en doorleven In stom gebaar des levens droeve rest? Wat doen wij? Spreekt! laat ons, die tongen rijk zijn, Een schrander plan van verd're ellend ontwerpen, Opdat we een wonder zijn voor laat'ren tijd.

LUCIUS. Mijn vader, stuit uw tranen; bij ons wee, Zie, hoe mijn arme zuster snikt en schreit.

MARCUS. Stil, lieve nicht;--gij, Titus, droog uw oogen.

TITUS. Ach, Marcus, Marcus! broeder, 'k weet te goed, Uw zakdoek kan geen traan van mij meer drinken, Want gij hebt zelf met de uwe hem gedrenkt.

LUCIUS. Lavinia, kom, ik wisch uw wangen af.

TITUS. Zie, Marcus, zie! Haar teekens zijn mij duid'lijk; Had zij een tong, zij zeide tot haar broeder Hetzelfde, wat ik u pas heb gezegd; Zijn zakdoek, nat van echte tranen, kan Niet dienen voor haar kommervolle wangen. Wat meegevoel! elks kommer is gelijk; Doch troost zoo ver, als heil van 't schimmenrijk!

(Aaron komt weder op.)

AARON. Mijn heer, de keizer--Titus Andronicus-- Meldt u door mij, dat, zoo ge uw zoons bemint, Gij, oude Titus, Lucius, of gij, Marcus, Wie uwer ook, de hand zich af moog' houwen En aan den keizer zenden; daarvoor zendt Hij beide uw zoons u levend hier terug, En dit zal 't losgeld zijn voor hunne schuld.

TITUS. O beste, goede keizer! vriendlijke Aaron! Zong ooit een raaf zoo zoet, gelijk een leeuwrik, Die 't heilnieuws meldt van de opkomst van de zon? Van ganscher hart zend ik mijn hand den keizer. Vriend Aaron, helpt gij mij om ze af te houwen?

LUCIUS. Neen, vader! neen, die eed'le hand van u, Die zoo, zoo meen'gen vijand velde, mag Geen losprijs zijn; de mijne is goed genoeg. Mijn jeugd ontbeert veel lichter 't bloed; daarom Moog' mijne hand der broeders leven redden.

MARCUS. Welke uwer handen, spreek, heeft Rome niet Behoed, de felle krijgsakst niet gezwaaid, Op 's vijands helm verdelging niet geschreven? O, geen van beide, die niet roemrijk was. Mijn hand heeft niets verricht; sta toe, dat zij Mijn beide neven vrijkoop' van den dood, Dan heb ik haar gespaard tot edel doel.

AARON. Komt, wordt het eens, wiens hand ik medeneem; Zij sterven anders vóór 't genadewoord.

MARCUS. Mijn hand zij losprijs.

LUCIUS. Bij den hemel, neen!

TITUS. Geen strijd meer; kruiden, zoo verwelkt als deze, Zijn rijp voor 't wieden; daarom zij 't mijn hand.

LUCIUS. Gun, lieve vader, zoo 'k uw zoon zal heeten, Dat ik mijn broeders van den dood bevrijd.

MARCUS. Om onzes vaders, onzer moeder wil, Moge ik mijn broederliefde u thans betoonen!

TITUS. Zoo wordt het samen eens; ik spaar mijn hand.

LUCIUS. Nu, dan haal ik een bijl.

MARCUS. Maar ik gebruik die bijl.

(Lucius en Marcus af.)

TITUS. Kom, Aaron, kom; die twee wil ik bedriegen; Leen mij uw hand, dan geef ik u de mijne.

AARON (ter zijde). Heet dit bedrog, dan word ik eerlijk man, En nimmer zal ik zoo een mensch bedriegen;-- Doch u bedrieg ik op een and're wijs; En geen half uur zal om zijn, eer gij 't zegt.

(Hij houwt Titus' hand af.)

(Lucius en Marcus komen terug.)

TITUS. Uit hebbe uw twist; gedaan is, wat te doen was.-- Vriend Aaron, geef zijn majesteit mijn hand, Zeg hem, dit was een hand, die hem voor duizend Gevaren hoedde; dat hij haar begraav'; Haar loon moest grooter zijn, maar dit erlang' zij. En wat mijn zoons betreft, zeg, dat ik hen Kleinodiën acht, tot kleinen prijs verworven,-- En toch wel duur; 't was 't mijne, wat ik kocht.

AARON. Ik spoed mij, Andronicus; en welras Zult gij uw beide zoons weer bij u zien. (Ter zijde.) Hun hoofden, meen ik.--O, die schurkenstreek Laaft, voedt mij reeds, nu ik er slechts aan denk! Dat goeddoen narren, bidden blanken sticht'; Doch Aarons ziel zij zwart als zijn gezicht!

(Aaron af.)

TITUS. O, hier hef ik deze eene hand ten hemel, En deze zwakke stomp hang' neer,--ter aard. Heeft een'ge macht met arme tranen deernis, Die roep ik aan.--(Tot Lavinia.) Wat! wilt gij met mij knielen? Ja, goed; de hemel moet ons smeeken hooren, Of wij ontglanzen 't hemelwelf met zuchten En dooven 't licht der zon met damp als wolken, Die soms haar hullen in haar vochten schoot.

MARCUS. O broeder, spreek toch van wat moog'lijk is, En barst niet uit in maatloos diepe klachten!

TITUS. Is dan mijn leed niet diep en bodemloos? Zoo bodemloos moge ook mijn jamm'ren zijn.

MARCUS. Maar dat de rede toch uw klacht beheersch'!

TITUS. Indien er reden waar voor deze ellenden, Dan kerkerde ik in perken al mijn wee. Stroomt de aard niet over, als de hemel weent? En, raast de storm, wordt dan de zee niet dol, Zwelt haar gelaat niet op, 't gewelf bedreigend? En eischt gij reden nog voor dezen storm? Ik ben de zee, hoor, hoe haar zuchten razen! Zij is het weenend hemelwelf, ik de aard; Zoo moet mijn zee wel van haar zuchten zwalpen; Zoo moet mijn aarde van haar eindloos weenen Een zondvloed worden, overstroomd, bedolven. Mijn ingewand kan al dit wee niet bergen; Ik spuw het uit, gelijk een dronkaard doet. Vergunt mij dit; vergund wordt den verliezer, Dat hij met bitt're tong zich lucht verschaff'.

(Een Bode komt op, met twee hoofden en een hand.)

BODE. Eed'le Andronicus, slecht vergeldt men u Die goede hand, die gij den keizer zondt. Hier zijn de hoofden van uw eed'le zoons, En hier uw hand, met hoon u weergezonden; Uw smart hun spel, uw kloeke moed hun spot. Dit wee is mij, bij 't denken aan uw wee, Meer leed dan 't denken aan mijns vaders dood.

(De Bode af.--Titus bezwijmt.)

MARCUS. Sicilië's gloeiende Ætna moog' verkoelen, Mijn hart zij nu een eeuwig laaie hel! Dit leed is grooter dan te dragen is. Meêschreien met die schreien brengt wel troost, Maar leed, door hoon verscherpt, is dubb'le dood.

LUCIUS. Ach, dat deze aanblik zoo diepgrievend is, En toch 't gehate leven niet ontvliedt! Dat nu de dood het leven leven nog Laat heeten, schoon het niets dan aad'men is.

(Lavinia kust Titus.)

MARCUS. Arm kind, die kus brengt heul noch troost, zoomin Als ijskoud water een verkilde slang.

TITUS. O, wanneer neemt die schrikb're slaap een eind?

MARCUS. O zoet bedrog, vaar heen; sterf, Andronicus. Dit is geen droom; zie uwer zonen hoofden, Uw dapp're hand hier, uw verminkte dochter, Uw andren zoon als balling, wien deze aanblik Bleek, bloed'loos maakt; en zie uw broeder, mij, Hier als een steenen beeld, zoo koud en roerloos. O, thans zal ik uw klachten niet meer stremmen. Ruk uit uw zilv'ren haar; knaag de and're hand Vrij met uw tanden; en dit schriktooneel Sluite ons voor goed de onzalige oogen toe! Kom, nu is 't razenstijd; wat zwijgt ge nu?

TITUS. Ha, ha, ha!

MARCUS. Wat lacht gij nu? dit past niet bij deze ure.

TITUS. Ik heb geen tranen meer te storten over; En dan, die jammer is een vijand, die Mijn vochtige oogen overmeest'ren wil, Ze door een cijns van tranen blind wil maken; Hoe vond ik dan den weg naar 't hol der wraak? Ja, want mij is 't, als spraken die twee hoofden, En dreigden, dat ik nimmer zalig wordt, Eer al die gruw'len ruim vergolden zijn, Diep in den strot van hen, die ze begingen. Kom, laat mij zien, wat taak ik heb te doen.-- Gij zwaar bezochten, schaart u om mij heen, Opdat ik mij tot ieder uwer keere En aan mijn ziele zweer', uw leed te wreken.-- Ik deed dien eed.--Kom, broeder, neem een hoofd; In deze hand wil ik het ander dragen. Ook gij, Lavinia, krijgt hier iets te doen, Draag gij mijn hand, lief kind, met uwe tanden. En gij, mijn jongen, spoed u uit mijn oog; Gij zijt een balling; dralen moet gij niet. IJl tot de Gothen, zamel daar een leger; Hebt gij mij lief,--ik denk, dat gij het doet,-- Zoo kus me en ga, want deze zaak wil spoed.

(Titus, Marcus en Lavinia af.)

LUCIUS. Vaar, Andronicus, eed'le vader, wel, Rampzaligst man, die ooit in Rome leefde! Vaarwel, trotsch Rome; u laat, tot hij hier keert, Thans Lucius panden, dierb'rer dan zijn leven! Vaar gij, Lavinia, eed'le zuster, wel; O waart gij als gij vroeger zijt geweest! Doch thans leeft Lucius, leeft Lavinia niet, Dan in vergetelheid en naamloos wee. Zoo Lucius leeft, dan wreekt hij ras uw smaad; De trotsche Saturninus en zijn gade, Zij zullen door hem beed'len aan de poorten, Als eens Tarquinius en zijn koningin. Thans naar de Gothen; 'k zamel daar een macht, Die mij op Rome en Saturninus wreek'.

(Lucius af.)

TWEEDE TOONEEL.

Een vertrek in Titus' huis. Een maal is aangericht. Titus, Marcus, Lavinia, en de jonge Lucius, een knaap, komen op.

TITUS. Kom, zet u thans, doch eet alleen zooveel, Als ons voldoende kracht bewaren kan Om wraak te nemen voor ons bitter wee. Marcus, kruis niet in smart uw armen zoo; Uw nicht en ik, wij armen, missen handen, En kunnen ons tienvoudig leed niet klagen Met armgekruis. Deze arme rechterhand Bleef mij alleen om op mijn borst te woeden; En als mijn hart, waanzinnig van ellend, Bonst in den hollen kerker van mijn vleesch, Dan sla ik zoo het neer.

(Tot Lavinia.) Gij kort begrip van leed, die spreekt in teekens, Als uw arm hart zoo bonst met woeste slagen, Kunt, gij het, ach! ter stilling niet zoo slaan. Verwond het, kind, met zuchten, snik het dood Of vat een vlijmend mes met uwe tanden En boor ter plaatse van uw hart een wond, Opdat der oogen gansche tranenstroom In deze groeve vliete en, ingezogen, 't Arm klagend hart verdrinke in zilten vloed.

MARCUS. Foei, broeder! leer haar niet zoo gewelddadig Aan 't teeder leven de eigen hand te slaan.

TITUS. Wat, deed het leed u reeds een suffer zijn? Geen mensch heeft recht om dol te zijn, dan ik. Hoe kan zij aan zichzelf de handen slaan? Wat rept gij weer van handen; vraagt gij niet Æneas tweemaal zijn verhaal te doen, Hoe Troje brandde en hij rampzalig werd? O handel hiervan niet, spreek niet van handen, Want dan herdenken we immer ons gemis. Foei, foei! het is, of waanzin mij doet spreken, Alsof wij ons gemis vergeten konden, Zoo Marcus ons maar niet van handen sprak!-- Komt, vangen we aan; en gij, lief kind, eet dit.-- Hier is geen drinken. Marcus, hoor haar spreken, Ik kan de tolk zijn voor haar mart'laarsteekens. Zij zegt: zij drinkt geen andren drank dan tranen, Uit leed gebrouwen, op haar wang gemengd. Gij stomme klaagster, 'k wil uw taal verstaan. Mij zullen uw gebaren zoo vertrouwd Als bedelkluiz'naars hun gebeden zijn. Zoo gij slechts zucht, uw stompen heft ten hemel Slechts wenkt of knikt of knielt, een teeken geeft, Zal ik uit deze een alphabet mij vormen, Door stadige oef'ning weten wat gij meent.

DE JONGE LUCIUS. Grootvader, staak uw bitt're jammerklachten, En troost mijn moei eer met een fraai verhaal.

MARCUS. Ach, diepgeroerd betreurt de teed're knaap Grootvaders wee, nu hij zijn wanhoop ziet.

TITUS. Stil, teêre spruit, gij zijt gemaakt uit tranen; En tranen smelten ras uw leven weg.--

(Marcus stoot met zijn mes in den schotel.)

Waar stoot gij heftig met uw mes naar, Marcus?

MARCUS. Naar iets wat ik gedood heb,--naar een vlieg.

TITUS. Foei, schaam u, moord'naar! mij doodt gij het hart. Mijn oogen zijn verzaad van 't zien van gruw'len; Een moord, op een onschuldige volbracht, Staat Titus' broeder slecht. Neen, ga van hier; Ik zie, wij passen voor elkander niet.

MARCUS. Ach, Titus, 't was een vlieg slechts, die ik doodde.

TITUS. Maar stel, zij had een vader en een moeder, Hoe lieten die de gouden wiekjes hangen En gonsden in de lucht hun jammerklacht! Die arme schuldelooze vlieg! Zij kwam om ons een aardig lied te gonzen, Ons te verheugen; en nu doodt gij haar!

MARCUS. Vergeef mij; 't was een zwart en leelijk dier, De Moor der keizerin schier; daarom doodde ik 't.

TITUS. O, o, o! Vergeef dan mij, dat ik u heb gegispt, Want dan hebt gij een vrome daad gedaan. Geef mij uw mes, opdat ik haar bespot, Mijn geest misleid', dat dit de Moor geweest is, Die zelf hier kwam, om mij vergif te reiken.--

(Hij stoot met het mes.)

Hier, dit voor u, en dat voor Tamora! Ja, knaap! Zoo diep zijn wij nog niet gezonken, hoop ik, Dat wij geen vlieg meer kunnen dooden, die Hier komt, op een koolzwarten Moor gelijkend.

MARCUS. Die arme man, zijn leed beheerscht hem zoo, Dat hij de schaduw voor het wezen neemt.

TITUS. Komt, ruimt hier weg.--Lavinia, ga met mij In uw vertrek; daar leze ik met u treur'ge Verhalen van 't gebeurde in de' ouden tijd.-- Kom, knaap, ga mede; uw oog is jong, en gij Moogt lezen, als het mijne neev'lig wordt.

(Allen af.)

VIERDE BEDRIJF.

EERSTE TOONEEL.

Rome. De tuin van Titus' huis.

Titus en Marcus komen op, daarna de jonge Lucius, gevolgd door LAVINIA.

JONGE LUCIUS. Grootvader, help! mijn moei Lavinia volgt Mij overal en waarom weet ik niet.-- Oom Marcus, zie! o zie, hoe snel zij komt!-- Ach, lieve moei, ik weet niet wat gij meent.

MARCUS. Kom, Lucius, blijf! wees voor uw moei niet bang.

TITUS. Zij heeft u, knaap, te lief, om u te deren.

JONGE LUCIUS. Toen vader nog in Rome was, ja zeker.

MARCUS. Wat wil Lavinia toch met die gebaren?

TITUS. Ducht, Lucius, niets; zij heeft een doel hiermeê. Zie, Lucius, zie, hoe zij op u gesteld is; Zij wil, dat ge ergens met haar medegaat. O knaap, Cornelia las niet vlijtiger Haar zonen voor, dan zij met u gedichten En Cicero's Orator heeft gelezen.

MARCUS. Kunt gij niet gissen, wat zij van u wil?

JONGE LUCIUS. Voorwaar, ik weet het niet en kan 't niet gissen, Tenzij een vlaag van waanzin haar beving; Want overmaat van smart,--dit zeide mij Grootvader,--kan een mensch waanzinnig maken; En 'k las ook wel, dat Hecuba van Troje Van kommer dol werd, en dit bracht mij angst, Hoewel ik weet, oom, dat mijn eed'le moei Mij even lief heeft als mijn moeder ooit, En nimmer, dan in woede, zou doen schrikken. In de' angst wierp ik mijn boeken weg, en vlood, Recht dwaas misschien.--Vergeef mij, lieve moei; 'k Beloof u, zoo oom Marcus met mij gaat, Ben ik geheel en gaarne tot uw dienst.

MARCUS. Goed, Lucius, 'k wil wel.

(Lavinia slaat de boeken om, die Lucius liet vallen.)

TITUS. Hoe is 't, Lavinia?--Marcus, spreek, wat wil zij? Er moet een boek zijn, dat zij wenscht te zien.-- Is 't een van deze, kind?--Doe ze open, knaap.-- Maar gij zijt meer belezen, hebt meer oef'ning; Dus, doe een keus uit heel mijn boekerij, En leid uw kommer af, totdat de hemel Den gruwb'ren euveldader openbaart.-- Welk boek?-- Wat heft zij bij herhaling de armen op?

MARCUS. Ik denk, zij meent, dat aan de wandaad meerd'ren Meêplichtig waren;--ja zeker, meerd'ren waren 't;-- Of wel, zij heft ze hemelwaarts om wraak.

TITUS. Welk boek is 't, Lucius, dat zij daar zoo aanstoot?

JONGE LUCIUS. Ovidius is 't, het boek Metamorphosen, Dat mij mijn moeder schonk.

MARCUS. Uit de andre zoekt zij Dit moog'lijk uit, ter liefde van de doode.