Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 4
Wij staan op het binnenplein, het middenpunt van den eigenlijken hofburg. Aan onze rechterhand verrijst de hooge, vierkante, geheel nieuw opgetrokken wachttoren, de _Bergfried_, op welks spits het gouden kruis straalt. Aan den voet van dezen toren staat de _Kemenade_, het vrouwenverblijf, waar de landgravinne met hare vrouwen en jonkvrouwen woonde. Ook dit gebouw is, geheel in den oorspronkelijken byzantijnschen stijl, zoogoed als geheel vernieuwd, het bevat een aantal kostbare meubelen, op den burgt zelf door den beeldhouwer Hrdina, in den stijl der twaalfde eeuw vervaardigd; voorts muurschilderingen, beeldwerken en vele andere zeldzaamheden. Gaarne zoudt ge ook het prachtige panorama willen genieten, dat zich hier vooral uit de vensters van den zoogenaamden _Erker_ (een uitstek in den muur) in de Landgravinne-kamer, voor uwen blik ontplooit; maar de Kemenade is in den regel gesloten; en daar onze tijd ons dringt, moet ge een poging om dit heiligdom voor u te doen ontsluiten, maar tot later uitstellen.
Aan de Kemenade grenst het hoofdgebouw van den ganschen burgt, dat, zoodra ge den binnenhof betreedt, in de eerste plaats uwe aandacht trekt: het _Landgravenhuis_--_Palas_, _Mushaus_, Hooge-huis--de residentie der thuringsche vorsten. Hier vooral heeft de begaafde kunstenaar, aan wien het groote werk der restauratie was opgedragen, al zijn talent getoond om, met gebruikmaking van hetgeen nog van de oorspronkelijke stichting was overgebleven of te onderkennen viel, een monument te stichten, dat niet enkel in de hoofdtrekken, maar ook in de bijzonderheden; getrouw het karakter draagt van den tijd, waarin het den aanschouwer verplaatsen moet. Als ge dit heerlijke paleis hebt bezocht en bestudeerd, durf ik mij vleien, dat ge al uwe, in vele gevallen maar al te gegronde, bedenkingen tegen de kunstmatige restauratie van dergelijke antieke gedenkteekenen, althans wat den Wartburg betreft, zult hebben laten varen. Wij kunnen niet alle vertrekken van dit ruime, drie verdiepingen hooge gebouw bezoeken; maar de voornaamste moogt ge toch niet voorbijgaan.
Wij gaan de steenen trap op, het met schilderwerk versierde voorvertrek door, en treden de groote, ruime zaal in, waar weleer de landgraven gehoor verleenden, gezanten ontvingen en ten gerichte zaten: de _Landgravenkamer_. De platte, op balken rustende zoldering wordt in het midden gedragen door eene uitnemend fraaie zuil, waarvan alleen enkele ornamenten vernieuwd zijn. Treft u niet de aanblik van dit prachtige vertrek, met zijne gebeeldhouwde meubelen in den stijl der twaalfde eeuw; met zijne statige rondboog-vensters, die zoo heerlijk een panorama omlijsten, met zijne eigenaardige dekoratie? Zie, de wanden zijn tot ruim eene manshoogte met regelmatige figuren beschilderd: bij feestelijke gelegenheden wordt dit gedeelte van den wand met tapijten bekleed; daar boven is de geheele ruimte ingenomen door zeven groote freskoschilderijen van de hand van Moritz Von Schwind, voorstellingen uit de geschiedenis der eerste landgraven. Ge waardeert toch den fijnen tact van den meester, dat hij in deze voorstellingen der legende ruimer plaatse schonk dan der strenge kritiek? Is niet deze gansche Wartburg één groot, in steen gehouwen gedicht? Schenk mij de beschrijving der schilderijen, die ons te ver voeren zou; vergun mij liever, er u op te wijzen, hoe de meester ook in dit opzicht getoond heeft, den geest des ouden tijds te begrijpen, dat het schilderwerk in deze zaal niet iets bijkomstigs is, een sieraad, dat ge evengoed overal elders zoudt kunnen aanbrengen; maar veelmeer een onmisbaar bestanddeel van het geheel, met architektuur en ornamentiek in overeenstemming, en alzoo het gansche vertrek tot één harmonisch kunstgewrocht stempelende. Zoo begrepen zij inderdaad de kunst, die meesters der "duistere, barbaarsche" middeleeuwen, op wie wij, immers met volle recht, zoo laag neerzien!
Uit de landgravenkamer treden wij in de _Zangerzaal_, waar, naar de legende wil, ten jare 1208, die wijdberoemde wedstrijd tusschen de zes grootste epische en lyrische dichters van het middeleeuwsche Duitschland zou gehouden zijn, waaraan ook de geheimzinnige meesterzanger en magiër Klingsor uit Hongarije deel nam. Is deze "_Sängerkrieg_" een feit? Wat doet er dat toe: ons resten de zangen zelven dezer eerste helden der duitsche letterkunde; en dat reeds het zeer oude gedicht, waarin deze krijg geschilderd wordt, het tooneel juist op den Wartburg plaatst, bewijst het niet dat het paleis van Thuringens landgraven van oudsher eene kweekplaats was van kunst en poëzie? Hoe gaarne zouden wij hier toeven, en ons nog eens de gansche dichterlijke legende laten verhalen, waartoe de uitnemende fresko-schilderij van Schwind zoo gereede aanleiding en welkomen leiddraad geven zou! Bewonderen we slechts de prachtige, zinrijke dekoratie dezer heerlijke zaal, met haar wonderschoone _Laube_--een soort van tooneel, waarop de zangers stonden--uitgedost en versierd als een bloemenprieel, en dubbel aantrekkelijk door den rijkdom van dichterwoorden en spreuken, aan de werken der zangers zelf ontleend.
Treed eerbiedig voort, ge staat op heiligen grond. De _Elisabeth-galerij_, aldus genoemd omdat de vorstin, na het vernemen der doodsmare haars gemaals, hier machteloos nederzonk, en ook omdat de wanden der galerij met voorstellingen uit haar leven zijn versierd. Voorzeker, de geheele Wartburg is vervuld van hare herinnering: maar deze plek is toch meer bijzonder aan hare nagedachtenis gewijd. In zes groote tafereelen heeft Moritz Von Schwind de belangrijkste oogenblikken uit het leven der heilige veraanschouwelijkt; de zeven medaillons daartusschen stellen de zeven werken der barmhartigheid voor. Ik mag het u niet verhalen, het veelbewogen leven dezer engelreine lijderesse, die reeds op haar vier-en-twintigste jaar de kroon der heerlijkheid mocht beërven. Maar laten anderen die taak voor mij overnemen, en u dat heerlijke beeld teekenen, gewis een der liefelijkste en verhevenste, waarop de middeleeuwen hebben te wijzen. De heilige Elisabeth--zeker, zoo eene, worde zij met volle recht heilig genoemd; zij, ideaal van christelijken ootmoed en nederigheid, ideaal van christelijke liefde en toewijding bovenal; eene dier van God uitverkoren zielen, wier enkele verschijning aan den hemel herinnert, die als engelen des lichts voor een poos over deze duistere aarde zweven, en een spoor achterlaten, dat nog na eeuwen het harte van den moeden, worstelenden twijfelaar verkwikt. Ja, wel de heilige Elisabeth, wier naam ook door hen, die zich het recht aanmatigen de vormen te bedillen, waarin de godsvrucht dezer zoo hoog verhevene, engelreine ziel zich uitsprak, niet dan met den diepsten eerbied, met schaamte en verootmoediging, mag worden genoemd. Wat zijn wij toch, vergeleken bij deze?
Aan de Elisabeth-galerij grenst de kleine rijkversierde burgtkapel, waar Luther, tijdens zijn verblijf op den Wartburg, meermalen gepredikt heeft. Wij kunnen ons bij de beschouwing van al wat zij bezienswaardigs bevat, niet ophouden, en spoeden ons naar boven, naar de derde verdieping, die in haar geheele lengte en breedte door de monumentale _Ridderzaal_ wordt ingenomen. Vooral hier is een meer dan vluchtig bezoek gewenscht: de gansche rijke ornamentiek dezer vorstelijke zaal heeft, tot in de kleinste bijzonderheden, een diepen symbolischen zin: zij moet zoowel de zegepraal des Christendoms over het heidendom, als, in verband daarmede, den triomf des lichts over de duisternis in elke menschenziel, veraanschouwelijken. Maar wij mogen hier niet toeven, om u de echt middeleeuwsche, rijke, veelzijdige opvatting en uitwerking dezer grootsche idee, waarbij de kunstenaar al den rijkdom zijner fantazie heeft ten toon gespreid, te toonen. Nergens misschien in den ganschen burgt, gevoelt ge u zoo zeer en volkomen in den ouden tijd verplaatst, als in deze heerlijke zaal, wier voortreffelijke restauratie in den zuiversten romaanschen stijl, alleen voldoende zou zijn om uwe ingenomenheid met deze moderne wedergeboorte van het oude monument te wettigen.
Wij zullen de zoogenaamde _Dirnitz_ met hare wapenzaal maar onbezocht laten, en keeren door de poort naar het voorhof terug. Daar staat het _Ridderhuis_, waarvan de restauratie nog niet geheel voltooid is, en dat tot woning dient voor den kommandant of kastelein, zooals zijn eigenlijke titel is. In dat Ridderhuis bezoeken wij alleen een klein vertrek, op de tweede verdieping van den westelijken vleugel: _de kamer van Luther_, waar de hervormer tien maanden heeft gewoond, en zijne Bijbelvertaling begonnen. Het eenvoudige vertrek bevindt zich nog in dezelfden toestand, als toen Luther hier vertoefde; slechts bevat het, behalve het gewone ameublement, eenige voorwerpen, die van Luther afkomstig zijn of tot hem in betrekking staan, zooals: een tafel uit het huis zijner familie te Möhra; eene bedstede, waarin hij op het kasteel Gleichen geslapen heeft; een fraaie gothische boekenkast; een lamp, die zijn vader in de mijnen gebruikte; de portretten van Luther en van zijne ouders door Cranach, en nog eenige andere merkwaardigheden. Maar het zijn niet deze voorwerpen, die in de eerste plaats uwe aandacht trekken: bij het binnentreden dier kamer is het de gedachte aan dezen machtigen geest zelf, die u geheel vervult; en onwillekeurig denkt ge u hem, daar op die houten stoel, voor die zwaren tafel gezeten, peinzende over zijn Bijbelvertaling of een dier bezielde brieven schrijvende, die zoo krachtig van zijne voortdurende werkzaamheid, zijne deelneming aan hetgeen daarbuiten voorviel getuigden. Toch, hoezeer het hem niet aan afleiding en beweging ontbrak, moet het hem in zijne eenzaamheid meermalen bang zijn gevallen: kon en mocht hij zich verbergen, nu in de wereld aan alle zijden de beweging zich voortplantte; waartoe hij den eersten stoot gegeven had, en heftiger steeds de strijd ontbrandde, door hem verwekt? Geen wonder, dat hij het eindelijk op den Wartburg niet meer harden kon, en weder zelf op de kampplaats verscheen, om het aangevangen werk te voltooien. Het is hier niet de plaats, om over het werk van dezen man, waarover thans een zoo scherp gerichte gaat, dat in onze dagen aan zoo felle vuurproef onderworpen wordt, te spreken: voor een eindoordeel is wellicht de tijd nog niet gekomen. Maar welk ons oordeel ook moge zijn over het Protestantisme; als wereldhistorisch verschijnsel: niets behoeft ons te weerhouden onze eerbiedige hulde te betuigen aan den man, die, wel ongetwijfeld door zijn geweten gedrongen en niet om verstandelijke overleggingen of kritische bezwaren, den strijd aanvaardde tegen de hoogste machten der wereld; den man, die--echt kenmerk zijner waarachtige grootheid--aan dien reusachtigen heldenmoed eene naïeveteit, eene kinderlijke eenvoudigheid, eene zoo argelooze oprechtheid paarde, die noch voor inconsequentiën, noch voor halfheden terugdeinsde, en niets wist van die tyrannie der logika, die het merk en de vloek is van kleine, zelfzuchtige geesten. Een koninklijke geest, deze Luther, een echte zoon der hooghartige, vrije, koninklijke middeleeuwen, en tevens de baanbreker voor den nieuwen tijd; een heros, wiens werk niet ijdel zal zijn geweest, ook al mocht zijne hervorming in het eind eene vergissing blijken.... Ge ziet naar die zwarte vlek op den muur? Ik vertrouw dat ge te hoog staat, om met een medelijdenden glimlach de schouders op te halen, als ge verneemt dat Luther zijn inktkoker greep en dien naar het hoofd van den duivel slingerde. Laat ons eerst dezen man leeren begrijpen, eer wij over hem oordeelen; ja zelfs ware het niet kwaad, dat we eerst ons zelven in onze weinigbeduidendheid plaatsten tegenover zijn heldhaftige figuur, om ons te stemmen tot ootmoed en waardeering. Genoeg hiervan: wat deze vlek ook moge bewijzen, zeer zeker wel dit, dat er in den geest van den grooten hervormer een strijd moet hebben gewoed, van welks hevigheid en ontzaglijken ernst wij, alledaagsche menschen, ons in de verte geen denkbeeld kunnen vormen. Wij, kinderen der negentiende eeuw, weten nog maar ternauwernood wat eene overtuiging is, en verwisselen die bij de geringste aanleiding; deze man durfde eene overtuiging te hebben en te belijden, waarmede hij alleen stond tegenover de gansche wereld, alleen tegenover de duizendjarige geschiedenis van zijn volk en zijne kerk. Kunt ge u eenigszins denken wat dit zeggen wil?
Wij scheiden, hoe noode ook, van deze eenige plek, waaraan zoovele en zoo heerlijke herinneringen zich hechten, die ons, voor zoover we gemeenschap des geestes voelen met hen, die hier gewerkt en geleden, gestreden en gedacht hebben, dierbaar en gewijd is boven vele andere. De Wartburg aanschouwde de hoogste uitingen van het christelijk-germaansche leven in zijne twee hoofdrichtingen: de heilige Elisabeth en Luther; zal de eerwaardige veste ook eenmaal getuige zijn van de heeling der noodlottige breuke die deze twee gescheiden houdt, en zoo groote oorzaak is van veelvuldigen jammer, van de machteloosheid ook der tot zegepraal en heerschappij geroepen kerk van Christus? Luther en de heilige Elisabeth! zoo gansch verschillend en toch, in het wezen der zaak, aan elkander verwant, op denzelfden levensbodem staande. Of het beeld der middeleeuwsche koningsdochter, in hare roerende aantrekkelijkheid, wel eens verrezen is voor den blik van den worstelenden kluizenaar op den Wartburg? Doch, de gedachten verdringen zich in ons: wij moeten voort. Nog een laatste blik, nog een laatste groet, zij het tot wederzien!
Nu wij den Wartburg hebben gezien, heeft Eisenach niets meer, dat ons boeien kan. Nog een zeer vluchtig uitstapje wacht ons: naar Koburg.
VI.
Te Eisenach nemen wij plaats in den wagen van den spoortrein--de Werrabaan--die ons door het schilderachtige Werradal naar Koburg zal voeren. Deze spoorweg zelf, die het Thuringer-Wald doorsnijdt, is rijk aan allerlei afwisselingen: nu eens gaat het over hooge viaducts, door kloven en dalen; dan midden door de rotsen, wier loodrechte wanden ter wederzijde omhoog rijzen; dan door lange tunnels dwars door de bergen heen; straks weder door breede, welbebouwde valleien, waar welvarende dorpen en pittoreske stadjes uwe aandacht trekken. Jammer slechts, dat al deze rijke, telkens afwisselende beelden u in zoo vliegende vaart voorbij ijlen, dat ge geen tijd hebt, een enkel daarvan in uw geheugen, in uw gemoed te prenten, en in het eind u slechts verwarde, onsamenhangende indrukken bijblijven. Inderdaad, juist een rit door zoo prachtig schoon eene landstreek versterkt mij steeds meer in de overtuiging, dat spoorwegen eigenlijk alleen in de woestijn behoorden aangelegd te worden, waar aan het landschap niets te bederven valt, en de vluchtige beschouwing u niets derven doet.
Nog een laatste blik op den Wartburg, die ons, van zijne hooge rots, in kalme, rustige majesteit groet, en medelijdend schijnt neder te zien op ons ademloos voortjagen. En dan--voort. Zij gaan ons voorbij, de bergen en rotsen, de dalen en valleien, de dorpen en steden ook, die zoo dikwerf tot blijven uitnoodigen, en voor ons nu niets meer zijn dan stations, waarop we even, bij een vluchtig oponthoud, een blik werpen. Zelfs de nederige hoofdstad Meiningen, die met haar nieuwe wijken zoo statelijke vertooning maakt, en daar zoo schilderachtig ligt in haar krans van kalkbergen, wier terrassen met tuinen en boomgaarden zijn bedekt;--zelfs het hertogelijke Meiningen kan ons niet tot blijven bewegen. Voort vliegt de trein, langs Themar en Hildburghausen en het overoude Eisfeld, naar Koburg.
Koburg is de hoofd- en residentiestad van het hertogdom Saksen-Koburg, dat zich, als _pépinière_ van vorsten, eene eigenaardige vermaardheid verworven heeft. De dynastie van Saksen-Koburg heeft op meer dan een europeeschen troon een harer leden plaats zien nemen: zij regeert in Groot-Brittannië, in België, in Portugal. Komt er ergens een troon vacant--geen zeldzaam verschijnsel in onze dagen!--dan is er ook doorgaans een prins uit het saksisch-koburgsche huis, die als kandidaat in aanmerking komt. Laat ons echter billijk zijn, en er bijvoegen, dat deze vorstelijke familie zich zoowel in haar eigen land, als in de vreemde landen, waar zij tot de regeering geroepen werd, over het algemeen, zeer gunstig heeft onderscheiden.
Hare residentiestad is weder eene dier half-landelijke aangename, behagelijke, kleine duitsche steden, die voor iederen beminnaar van de natuur en van de kalme studie zooveel aantrekkelijks hebben; zoo rustig en zoo stil, en toch aan de tegenwoordigheid van het hof zekere levendigheid en veelzijdigheid dankende, die het bekrompene kleinsteedsche wegneemt. Het is niet te zeggen, hoeveel Duitschland, hoeveel de wetenschap en de kunst, juist aan deze kleine steden te danken hebben; hoe gunstig deze verspreiding, deze verbrokkeling zoo ge wilt, van krachten op de ontwikkeling van den duitschen geest gewerkt heeft; hoeveel wij te danken hebben aan de zelfstandigheid, de eigen werkzaamheid en het eigen leven van al deze middelpunten der gedachte, door het gansche groote vaderland verspreid. Zal dit voortaan alles anders worden? Zal ook in Duitschland zich een middelpunt vormen, waarin zich langzamerhand alle leven samentrekt, waarin het gansche land als verzwolgen wordt, alzoo dat de verschillende deelen, afgesneden van dit hoofd, machteloos en levenloos zijn? Zal Berlijn worden, wat--in menig opzicht Frankrijk ten vloek--Parijs geworden is? Zal ook de edele, hoog-begaafde duitsche geest zich van zijn eigenlijke bestemming laten afleiden, zijn heerlijk geestelijk ideaal vergeten, om het toch altijd bloot materiëele feit eener uitwendige, mechanische eenheid te verwezenlijken? Om de heerschappij in het rijk des geestes en der gedachte te laten varen voor de overmacht op stoffelijk gebied, voor politieken invloed en militaire heerschappij? Wat al vragen! Maar die toch van zelve oprijzen, bij wien op de teekenen der tijden let, en, ook met den besten wil, ook met de hartelijkste sympathie, niet enkel juichensstof vinden kan in wat met zoo groote geestdrift wordt opgehemeld en verheerlijkt. Dit jagen naar uitwendige eenheid--heeft het niet zijne zeer bedenkelijke zijde, en belooft het inderdaad zoo rijke vruchten af te werpen voor de hoogere ontwikkeling des geestes? Ja, is dat streven niet op zichzelf wellicht een teeken van afnemende levenskracht, van ouderdom en verval? Bij jeugdige volken zijn ook de kleinste deelen krachtig genoeg om op zichzelf te staan, en een eigen leven te leiden, dat voorwaar niet arm aan daden is. Dat nieuwe duitsche rijk, op de slagvelden geboren en met zoo schitterende militaire glorie omstraald, vertoont het geen trekken, die twijfel en bezorgdheid wekken bij ieder, wien het om den waarachtigen vooruitgang, om de waarachtige vrijheid en de hoogere zedelijke belangen der menschheid te doen is? Herkent ge in dat trotsche keizersbeeld niet de trekken van het moderne Cesarisme met zijne bedenkelijkste eigenschappen: staatsalmacht en militaire heerschappij? Voorwaar, voorwaar, daar is niet enkel juichensstof; daar is reden tot ernstige bekommering. Wij, die Duitschland liefhebben, die zijne zegepralen van harte hebben toegejuicht,--wij mogen wel vurig bidden, dat dit edele, hoogbegaafde, goede volk bewaard blijve voor den val in den afgrond, die zich onmiskenbaar voor zijne voeten opent, maar die het, in de bedwelming der overwinningen, niet schijnt te zien. Dat ware te wreed eene wrake, indien de kanker, die Frankrijk ten verderve voerde, door de zegepraal zelf op Duitschland werd overgeplant! Daar is in het duitsche volk nog een krachtige kern van eigen gezond leven, van vrijheidsliefde en zelfstandigheid: geve God, dat deze goede eigenschappen, ontwakende, en zich met allen ernst doende gelden, den demon mogen overwinnen, die thans gansch Duitschland bedreigt, den demon van het staatsabsolutisme, die onlijdelijkste van alle tyrannieën. Zoo niet, dan zou de dag van zijn militaire zegepraal voor Duitschland de aanvang worden van zijn geestelijken ondergang.
Wij zijn, dus peinzende, Koburg ingetreden. De vriendelijke stad heeft weinig bezienswaardigs. Wij brengen een groet aan het bronzen standbeeld van Prins Albert, den broeder van den regeerenden hertog; en bewonderen, op het fraaie slotplein, den smaakvollen, in half romaanschen, half gothischen stijl ontworpen voorgevel van het hertogelijke residentieslot. Doch wie Koburg bezoekt, wordt in de eerste plaats daarheen gelokt door de heerlijk schoone omstreken. En onder de schoonheden der omgeving verdient wel bovenal genoemd te worden de aloude, uitgestrekte burgt, de veste Koburg, die zich op haar rotsigen berg ruim vijfhonderd voet boven de stad verheft, en met haar drievoudige ringmuren, haar terrassen, torens en bolwerken, een inderdaad ontzagwekkenden indruk maakt. Wij willen den alouden, in den laatsten tijd weder gerestaureerden burgt bezoeken, niet zoozeer om de verzamelingen van wapenen, rijtuigen, munten, gravures en handschriften te bezichtigen, die hier bewaard worden, noch om het kabinet van natuurlijke historie, noch zelfs om de vorstelijke gebouwen met hunne kunstwerken en andere merkwaardigheden: maar om het heerlijk panorama te genieten, dat zich bij eene wandeling langs de bolwerken van de uitgestrekte vesting voor onze blikken ontvouwen zal. Zuidwaarts dwaalt ons oog over het rijke, schilderachtig geschakeerde heuvelland tot aan de bergen, die den loop van de Main teekenen; noordwaarts stuit onze blik tegen de bergreeks van het Thuringer-Wald, dat zich in zijne volle lengte voor ons uitstrekt. Wel, laat ons een laatsten blik werpen op dat schoone gebergte, dat zijne golvende lijnen, zoo stout en zoo bevallig tevens, in de blauwe lucht teekent, en dat wij van deze hoogte voor het laatst aanschouwen. Het Thuringer-Wald--wij hebben het niet meer dan vluchtig bezocht, slechts even zijne vele schoonheden als met den vinger aangeduid; maar volkomen zouden wij ons doel bereikt, onzen wensch vervuld achten, indien het ons gegeven ware, de herinnering van gesmaakte weelde, van onvergetelijk schoone dagen bij u weder in het leven te roepen, of wel het besluit tot rijpheid te brengen, door eigen aanschouwing u schadeloos te stellen voor de onvolkomenheid onzer teekening.
BIJSCHRIFT BIJ DE PLATEN.
Het slot te Heidelberg. Reeds vroeger (Aarde, jaargang 1869, bladz. 146 en volg.) gaven wij onzen lezers eene korte beschrijving van dit beroemde slot. Wij mogen thans volstaan met de verwijzing naar deze schets, tot toelichting ook van de fraaie plaat op bladz. 317, die u den hoofdingang van het kasteel te aanschouwen geeft. Is de zoo schoon gerestaureerde Wartburg een geheel eenig monument onder de vorstelijke burgten in Duitschland: het slot te Heidelberg, niet zonder recht de duitsche Alhambra genoemd, kent evenmin hare wedergade onder de burgtruïnen waaraan het vaderland onzer oostelijke naburen toch zoo overrijk is. En niet minder dan Eisenach aan den Wartburg, dankt Heidelberg voor een goed deel zijne beroemdheid aan zijn slot.