Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873
Chapter 3
En nu voort, naar den Inselsberg. De gansche streek tusschen Reinhardsbrunn en den berg is als het ware een groot, door de natuur zelf aangelegd park, waarvan ge de wedergade waarschijnlijk te vergeefs in geheel Duitschland zoeken zoudt. De prachtigste landschappen wisselen hier, in de rijkste verscheidenheid, elkander af: wouden en rotsen en dalen, wijde panorama's en eng omsloten valleien: al de heerlijkheid der bergnatuur, in wier midden gij u thans bevindt. Het gaat nu eens, op steile paden, naar omhoog; dan, verloren in de schaduwen van het woud, omlaag naar een vreedzaam dal, waar een zilveren beek klatert, en te midden der donkere bosschen, wier statige mantel om de hellingen is geplooid, grillig gevormde rotsgevaarten u tegenblikken. Ziehier, bij voorbeeld, een der zonderlingste onder al deze vreemde rotsformatiën--den _Thorstein_, eene door de natuur gevormde poort, die u, zoo ge in de Saksische Schweiz bekend zijt, aanstonds aan den zoogenaamden Koestal denken doet. Maar wat bijna nog meer dan deze vreemde rotsgevaarten, nog meer dan de verrukkelijk schoone panorama's, die zich telkens ontplooien, uwe aandacht trekt en uwe ziel vervult, dat is het woud, het onafzienbare dennen- en beukenwoud, dat bijna al deze bergen en valleien bekleedt. Hoe onuitsprekelijk schoon en heerlijk is het hier, in de stille lommer dezer eeuwenheugende bosschen, die u van alle zijden omringen. In onafzienbare rijen verheffen zij zich, deze schoone, krachtige pijnboomen, als slanke zuilen ten hemel stijgende, hunne donkere bladerkroon torschende, en geheel de lucht vervullende met hunne welriekende geuren. Wie schildert de weelde van zulk eene wandeling, al valt het stijgen soms wat moeilijk? Wie teekent ons al de schakeeringen, al de wondervolle spelingen van licht en bruin, als de zonnestralen door het dichte looverdak dringen, langs de purperen stammen glijden en breede strepen teekenen over den rossigen, met fluweelig mos begroeiden grond? Met volle teugen ademt ge de frissche, versterkende berglucht in: en voorwaarts gaat het, met korte poozen van rust op een rotsblok of aan den zoom des wegs; voorwaarts, door en over rotsen en klippen, altijd door het heerlijke woud, hooger en hooger steeds. Ge hebt hem reeds een en andermaal gezien, den Inselsberg, stralende in het zonlicht, zijne kruin opheffende boven de groep van lagere bergen, rondom hem gelegerd. Nu hebt ge zijne helling betreden, en al hooger en hooger voert uw pad, dat al steiler wordt. Zie, hoe het geboomte rondom u krimpt en slinkt: de fiere, krachtige beuken zijn verdwenen; de slanke dennen zijn tot dwergen gekrompen; welhaast ziet ge weinig meer dan laag kreupelhout en struikgewas. Een frissche windstroom waait u tegen: nog eenige oogenblikken, en daar ziet ge, op het hooge bergvlak, de beide logementen, en vlak daarbij den top des bergs, waarop een kleine toren is gebouwd.
Zijt ge moede van den langen tocht? Dan eerst uitgerust in het groote goed ingerichte hotel Gotha, en gewacht tot vermoeienis en verhitting geweken zijn, eer ge den top en den toren beklimt. Bedenk dat ge hier op een hoogte van 2815 voet boven de zee staat; bovendien waait hier in den regel een tamelijk sterke en koude wind. Zoo ge nu uitgerust zijt en u wat door spijs en drank hebt verkwikt, maak dan van den heerlijken avond gebruik om den toren te beklimmen, en het prachtige uitzicht te genieten, dat zich hier naar alle zijden voor u uitbreidt. Want de Inselsberg, schoon op verre na niet de hoogste berg van het Thuringer-Wald, bezit toch, naar het oordeel der meeste reizigers, het schoonste en bekoorlijkste panorama. Ge overziet van het platte dak des torens niet alleen gansch Thuringen, maar ook de omliggende landstreken: in het noorden stuit uw blik tegen den Brocken, in het zuiden tegen den Kreutzberg in het Rhöngebergte. Vraag nu geene beschrijving van dit wondervolle panorama, dat daar in al zijne afwisseling van bergen en dalen en vlakten, van bosschen en velden met dorpen en steden bezaaid, eindeloos, onafzienbaar voor u ligt. Laat u ook niet storen door eene optelling van al de verschillende toppen, door een catalogus van alle steden en vlekken, wier wegsmeltende huizengroepen, wier schemerende torens ge van hier ontdekken kunt: niet in deze dorre wetenschap schuilt de betoovering van dit tafereel. Neen, zet u liever neder, en aanschouw dit matelooze landschap, waarop nu de vast ter kimmen dalende zon hare laatste stralen schiet, en waarover de avond zijn fantastischen kleurengloed heenwerpt. Aanschouw dit, en prent dit beeld in uw hart.
En wanneer ge straks, na den verkwikkenden avondmaaltijd, waarbij het u zelden aan gezelligen kout en goed gezelschap ontbreken zal, niet al te vermoeid zijt, ga dan nog eens naar buiten, en laat uwe blikken weiden over dit onmetelijk panorama, badende in het zilveren schijnsel der volle maan. Doch is u deze betooverende aanblik gegund, weet dat het u dan moeite zal kosten van dit geheel eenig, onbeschrijfelijk aangrijpend tafereel te scheiden, en niet, als buiten u zelven, door eene onwederstaanbare bekoring overmeesterd, op den bergtop te blijven staren en mijmeren, tot de oosterhemel zich kleurt met goudgeel en purper en de rozige gloed van den dageraad de bergtoppen tint.--Een zonsopgang op den Inselsberg--ja, die is schoon en heerlijk, vooral wanneer de lagere streken aanvankelijk in nevelen zijn gehuld, die allengs wijken; en ik wensch u toe, dat ge tot de bevoorrechten moogt behooren, die in hunne verwachting van een onbewolkten zonsopgang niet worden teleurgesteld. Want ook de Inselsberg heeft zijne nukken, en hult zich vaak dagen lang in wolken en donkerheid. Maar boven een zonsopgang geef ik de voorkeur aan een helderen nacht, als de volle maan langs den donkerblauwen hemel drijft, en haar fantatisch, mystisch licht over het weergalooze, onafzienbare landschap uitgiet. Van dit tooneel kunt ge u geen denkbeeld vormen; een zonsopgang daarentegen--kan die, heb ik mij zelf wel eens afgevraagd, ergens schooner zijn dan op een fraaien herfstmorgen in onze duinen?
De zon is opgegaan, en heeft de nevelen, die langs de bergtoppen dreven en in de dalen legerden, verjaagd en opgelost. Nu voort; want een lange en heerlijke tocht wacht ons.
Naarmate wij van den top des bergs afdalen, omgeeft ons weder van alle zijden het hooge prachtige woud, eerst voornamelijk dennen, straks ook breedgetakte beuken. Weldra bereiken wij de zoogenaamden Dreiherrnstein, waar de grenzen van Pruisen, Meiningen en Gotha samenloopen, en zes verschillende wegen elkander ontmoeten. Wij gaan nog steeds rechtdoor, nu eens rijzende dan dalende, en staan straks aan den voet van den Gerberstein, een der merkwaardigste rotsformatiën van het Thuringer-Wald. Eene reusachtige granietruïne: ziedaar de indruk, die deze ontzaglijke steenmassa op u maakt; als zaagt ge de bouwvallen van een of ander rotspaleis, in voorhistorische tijden door giganten of cyclopen gebouwd, zoo staan daar die zuilen van graniet, vijftig tot zestig voet hoog, of liggen, in wilde wanorde, over en op en door elkander. Uit de spleten en gaten wuiven groene beukentwijgen, en boven de dreigende rotsmassa's wiegelt de sierlijke varen. Laat u, door het ongenaakbare voorkomen der rots, niet van eene bestijging afhouden: het gaat gemakkelijker dan gij dacht. Nu even het schilderachtige panorama genoten: een blik in het bloeiende Werrathal; op den Inselsberg, op de heerlijke, dichtbebouwde vlakte van noordelijk Thuringen, op den Brocken, die aan den verren, verren horizont flauwelijk zijne omtrekken in de lucht teekent:--dan naar beneden, langs een tamelijk steil rotspad, en voorts het koele, schaduwrijke woudpad aan uwe linkerhand in.
Dalwaarts voert ons dat pad, in eene dier vredige, liefelijke valleien, waaraan Thuringen zoo rijk is. Daar opent zich het statige, heerlijke woud: midden op een open plek verrijst een steenen gedenknaald, in gedaante een gothisch torentje gelijk. Wij staan voor het _Luther-Denkmal_, het eenvoudige monument, op de plek opgericht, waar de hervormer, van den Rijksdag te Worms terugkeerende, den 14den Mei 1521, op last van zijn beschermer, keurvorst Frederik den Wijze van Saksen, werd opgelicht, om naar den Wartburg te worden gebracht. Luther had zich, met zijn broeder Jakob en zijn vriend Amskorff, hier in het bosch onder een beuk nedergezet, om zich aan de voorbijvlietende beek te laven, toen eene kleine gewapende benden verscheen, en hem als gevangene medevoerde. De beuk, waaronder hij gerust had, werd, op den 18den Juli 1841, door een storm ter aarde geworpen; slechts een brok van den stam bleef staan, waaruit een nieuwe twijg is ontsproten, die nu door staketsels wordt gestut.
Nadat wij hier even gerust hebben, vervolgen wij onzen weg door het liefelijke dal, en komen, na eene wandeling van bijna een uur, te Altenstein. Hier zijt ge nu weder op een der glanspunten van het Thuringer-Wald, waar ge best zoudt doen eenige dagen te vertoeven. Niet slechts is het stedeke allerschilderachtigst gelegen, maar de gansche omtrek tot het naburige druk bezochte Bad Liebenstein, is één groot park, door natuur en kunst beiden met de bekoorlijkste schoonheden kwistig getooid. Verrassende afwisseling van berg en dal, heerlijke woudpartijen, prachtige aangelegde parken en lusthoven, schoone vergezichten, en bovendien nog eene der merkwaardigste grotten van geheel Duitschland: ziedaar genoeg, om ons tot blijven te verlokken. Maar wij mogen ons hier niet ophouden. Laat ons een dier fraaie rijtuigjes nemen, die zoo uitlokkend schijnen te wachten.--Voort dan nu, even door deze verrukkelijke streek rondgereden: een blik geworpen op Liebenstein met zijn Kurhaus en al den weelderigen toestel, die tot eene badplaats in de mode behoort; maar vooral ons oog en hart verkwikt aan het wonderschoone landschap, dat ons aan alle zijden omringt. Dan even naar boven geklommen, langs een fraaien, aan heerlijke vergezichten rijken weg, naar de burgtruïne van Oud-Liebenstein, waar ons een verrukkelijk panorama wacht. En dan, weder in ons rijtuig plaats genomen, en den weg ingeslagen naar Ruhla.
Nogmaals door het woud, dat telkens nieuwe schoonheden biedt. Werp even van deze hoogte een blik in die diepe kom, waar, aan de samenvloeiing van drie dalen, het vlek Steinbach ligt; en ik laat u voorts ongestoord over aan de verkwikkende indrukken, die het heerlijke bosch op u maakt. Straks wacht u eene verrassing, die zelfs in deze aan verrassingen zoo rijke streek, al de bekoring van het geheel onverwachte voor u hebben zal. Daar ligt Ruhla--zoo iets hadt ge u niet voorgesteld, niet waar? Links en rechts verrijzen steile, ongeveer twee duizend voet hooge bergen, tot de kruin met dichte wouden bewassen, en in het smalle dal daartusschen strekt zich, in bijkans onafzienbare verte, eene enkele lange, lange straat uit: ziedaar het vlek Ruhla, dat, meer dan eenig ander in Thuringen, aan sommige zwitsersche stadjes herinnert. Ruhla is een badplaats, en tegelijk een zeer nijver stedeke, beroemd, ook ver buiten de grenzen van Duitschland niet slechts maar zelfs van Europa, door zijn meerschuimen pijpekoppen, die hier in ongeloofelijke menigte vervaardigd worden. Wij zullen hier ons rijtuig verlaten, dat naar Liebenstein terugkeert, en terwijl men ons in het fraaie _Kurhaus-hotel_, op de met statige linden beplante _Kurplatz_, het middagmaal gereed maakt, den Ringberg beklimmen, om van de hoogte van den Karel-Alexanderstoren den schilderachtigen omtrek en een groot deel van Thuringen te overzien. Een panorama wel de moeite der beklimming van den somtijds steilen berg waard.
En nu, ons aangegord voor het laatste gedeelte onzer wandeling. Naar Eisenach, waar wij nog voor den avond zullen aankomen. Al weder bergopwaarts, gelukkig meerendeels langs lommerrijke paden, waar ge menigmalen stil zult staan om een blik te werpen in het achter u zinkende dal. Grootsche bergnatuur om ons heen: rotsen en klippen en gapende afgronden, afgewisseld door grazige vlakten, met schilderachtige boomgroepen gegroepeerd. Altijd hooger, tot ge een zonderling gevormd rotsgevaarte bereikt, den Wachstein, dat dreigend boven een diepen afgrond zweeft, waaruit het dichte beukenwoud zich verheft. Zetten wij ons neder op eene dezer steenen banken. Welk een panorama wederom! Diep, aan uwe voeten, in het lommerlijke dal het dorp Mossbach, door bloeiende akkers: als een mozaïek, omgeven; en daarachter het Hörselgebergte, waar, volgens de sage, Vrouw Venus, in de onderaardsche spelonk, haar hof houdt; voorts het idyllische Hainbachsthad, begrensd door de steile rotswanden van den Hangstein; en nog verder, kenbaar te midden van vele andere bergtoppen, de Wartburg;--en geheel dit betooverend schoone landschap gevat in een lijst van verre bergen, waarboven de Brocken nog even kenbaar is.--Nu terug naar den grooten weg, en te midden van heerlijke dennen- en beukenwouden voortgewandeld naar de Hohe-Sonne, een eenvoudig jachthuis, tevens herberg, op den kam van het gebergte. Wij zullen hier even rusten en een kop koffie gebruiken; maar volg mij, eer wij verder gaan, naar gindsch prieel in den tuin, waar ge, door eene opening in het woud, eensklaps, in een verrassend perspectief, den Wartburg voor u ziet.
Van de Hohe-Sonne dalen wij, aanvankelijk langs een aantal in de rots gehouwen trappen, neder in het Anna-Thal. Hier zoudt ge u te midden der zwitsersche of tyroler Alpen verplaatst wanen. Ter wederzijde stijgen hooge, wonderlijk gevormde, met mos en varens en slingerplanten begroeide rotswanden omhoog, die eene zoo smalle opening tusschen zich laten, dat de kabbelende beek nauw ruimte voor haar schuimende wateren vindt, en eene over haar geslagen brug tot pad dient. Zoo eng is de kloof, dat ge op sommige punten ternauwernood door kunt gaan: waren de rotsen hooger, dan zou dit dal kunnen wedijveren met de beroemdste _gorges_ der Alpen. Straks echter verwijdt het zich; de rotswanden treden terug; heerlijke beuken overschaduwen den weg, waarlangs de nu vrijer geworden beek, vroolijk murmelend, voorthuppelt. Nog meer verbreedt zich het heerlijke dal, van karakter veranderende, zonder aan schoonheid te verliezen. Reeds hebt ge het Anna-Thal verlaten, en bevindt ge u in het Marien-Thal, met zijne schilderachtige rotspartijen en zijne reeks van prachtige villa's en hotels, die u de nabijheid eener drukbezochte stad verkondigen. In een dezer villa's woont de u immers welbekende Fritz Reuter, de schrijver van Olle Kamelle.--Waardige inleiding voor Eisenach, dat ge dus langs dezen heerlijken weg, zoo rijk aan schoonheden van allerlei aard, nadert. Waardige bekroning ook van onze tweedaagsche voetreis, die ons enkele der uitnemendste punten van het Thuringer-Wald te aanschouwen gaf. Is het mij ook maar eenigermate gelukt, u een denkbeeld te geven van het velerlei genot dat zulk eene wandeling van Gotha over Reinhardsbrunn naar den Inselsberg, en vandaar over Altenstein, Liebenstein en Ruhla naar Eisenach, u bieden kan, dan zult ge mij gewis toestemmen, dat het Thuringer-Wald niet ten onrechte den naam draagt van "parel der duitsche bergen."
En nu--welkom te Eisenach, waar voor het oogenblik u wel niets welkomer zal zijn dan een avondmaaltijd en een bed. Tot morgen alzoo!
V.
Eisenach, de tweede stad van het groothertogdom Saksen-Weimar-Eisenach, heeft, behalve zijne verrukkelijk schoone omstreken, weinig merkwaardigs. Het is een net, vriendelijk stedeke, schilderachtig gelegen, beroemd in de sage--koning Gunther, wel bekend uit het Nibelungenlied, hield te Ysenac hof, en ontving daar den geduchten hunnenkoning Etzel (Attila), die zijne schoone dochter Chriemhilde huwde;--maar dat toch niet bijzonder uwe belangstelling wekken zou, ware het niet dat, in zijne onmiddellijke nabijheid, op den top van een zijner bergen, die aloude vorstelijke burgt troonde, wiens naam alleen reeds eene gansche wereld van herinneringen voor uwen geest roept, en die, vooral na de voortreffelijke restauratie, onder de vele vorstelijke burgten en sloten, niet alleen van Duitschland, maar van geheel Europa, geen wedergade vindt. De Wartburg, de kroon, de roem, het palladium van Thuringen, dat aloude bergkasteel, niet enkel in de liefelijke sage, maar ook in de geschiedenis wijdberoemd en gevierd boven menige groote stad: zoudt ge het u kunnen vergeven, Thuringen te hebben bezocht, zonder uwe schreden naar den Wartburg te hebben gericht? Derwaarts zij onze eerste gang.
Laat ons den weg door het Georgenthal nemen: het is niet de kortste, maar zeker wel de fraaiste der vele wegen, die van Eisenach naar den Wartburg voeren. Vooral wanneer ge mijn voorstel inwilligt, om het voetpad in te slaan, dat u langs den Teufelskanzel en den Hollunder brengt en u eene afwisseling van woud- en rotspartijen en heerlijke panorama's biedt, als ge wellicht op geen ander vinden zult, zal de meerdere lengte van den weg u niet verdrieten. Mocht het stijgen u vermoeien, zet u dan even neder op die steenen bank aan den Hollunder, en geniet daar, te midden der diepe stilte en eenzaamheid van het woud, den aangrijpend romantischen aanblik van den Wartburg, hoog boven u, als een arendsnest, op de steile rotsen troonende. Zoo ge wilt, vertel ik u, terwijl ge hier toeft, in slechts enkele woorden, de geschiedenis van den burgt.
Graaf Lodewijk de Saliër, de Springer bijgenaamd, met wien wij reeds te Reinhardsbrunn kennis maakten, dwaalde, op een zijner jachttochten, over berg en dal, tot hij den top bereikte van den fieren rotskegel, waarop nu de Wartburg troont. Getroffen door de schoonheid van het landschap en het wijde vergezicht, riep hij in geestvervoering uit: "_Warte_ Berg, du sollst mir eine _Burg_ werden!"--De plek, waarop hij stond, was echter in het bezit van den heer van Frankenstein: maar graaf Lodewijk wist raad. Op zijn slot den Schauenburg, liet hij twee houten torens en een woonhuis timmeren, die nu op zekeren dag naar den uitverkoren berg werden overgebracht en daar opgeslagen. De Frankensteiner beklaagde zich bij den keizer over deze schending van zijn eigendomsrecht; graaf Lodewijk verweerde zich zoogoed hij kon; en als de zaak den keizer te duister werd, vorderde hij, dat Lodewijk, met twaalf zijner ridders, onder eede zou verklaren, dat hij de beide torens en het huis op zijn eigen grond en bodem had gebouwd. De Graaf, een middeleeuwsch edelman, deinsde terug voor een meineed: maar zijn vernuft liet hem ook nu niet in den steek. In allerijl liet hij des nachts eenige honderde korven, met aarde van zijn eigen erfgrond gevuld, naar den berg dragen: nu deed hij met zijne ridders, terwijl zij hunne zwaarden in dien grond staken, den eed, dat hij op eigen bodem stond. Daartegen viel niet in te brengen: en 's keizers uitspraak wees den berg aan graaf Lodewijk toe. Welhaast verrees daar nu de burgt, die, in den loop des tijds, deels vernieuwd, deels vergroot en bijgebouwd, langer dan drie eeuwen de zetel der landgraven van Thuringen zou zijn, en gedurende dien tijd het middeleeuwsche leven, in zijn rijksten glans, in al zijne wonderbare heerlijkheid, zich binnen zijne muren zou zien ontplooien. Landgraaf Balthasar ( 1406) was de laatste vorst, die op den Wartburg woonde; zijn zoon, met wien het oude geslacht ten grave zonk, bracht zijne hofhouding naar Weissensee over. Sinds dezen tijd stond de oude vorstelijke burgt eenzaam en verlaten, aan verval en vergetelheid ten prooi. Luther toefde hier, na den Rijksdag te Worms, tien maanden lang, onder den naam van Jonker George; na zijn vertrek van dit zijn "Pathmos", scheen zich niemand over den steeds meer tot bouwval zinkenden burgt te bekommeren, tot eindelijk het zooveel gerucht makende studentenfeest van 1817 de aandacht weder op het aloude slot vestigde. Maar eerst nadat in 1847 de groothertog Karel-Alexander van Weimar het loffelijke besluit genomen had, den stamburgt der Saksische vorsten in zijne aloude heerlijkheid te herstellen, werd de Wartburg als tot een nieuw leven herboren. Het moeilijke en omvangrijke werk der restauratie werd, naar het plan en onder het oppertoezicht van den hofbouwraad Dr. Von Ritgen uit Giessen, onder leiding van den architekt Dittmar, en met medewerking van verschillende uitnemende kunstenaars, met de uiterste zorgvuldigheid ter hand genomen en voortgezet. Het nadert thans zijne voltooiing. De oude burgt vertoont zich weder, voor verreweg het grootste gedeelte, in nagenoeg dezelfde gedaante, als in de dagen van zijne bloeiende heerlijkheid. Maar het was niet enkel te doen om eene zoo getrouw mogelijke restauratie van de grijze veste: eene hoogere gedachte lag aan den arbeid ten grondslag. De Wartburg moest zóó hersteld worden, dat hij een getrouw beeld te aanschouwen gaf van het schitterende tijdvak, toen, in de twaalfde en de dertiende eeuw, Thuringens machtige landgraven hier hun prachtig hof hielden, en het slot de kampplaats was der grootste duitsche dichters in de middeleeuwen; en dan later, van het begin der zestiende eeuw, als wijkplaats van Luther, en als uitgangspunt van den grooten strijd der Hervorming. Vier groote momenten in de ontwikkelingshistorie van den germaanschen geest moesten hier, in beeld, worden veraanschouwelijkt: de romantiek der riddertijden, de epische poëzie der middeleeuwen, de katholieke mystiek, en de zegepraal van het Protestantisme. Met de uiterste zorgvuldigheid, met zeldzaam talent en degelijke, ernstige, veelomvattende geleerdheid, aan fijnen kunstsmaak gepaard, is dat groote en moeilijke werk jaren achtereen voortgezet en bijkans voltooid. De eigenlijke Hofburg staat, althans in de hoofdtrekken, weder geheel daar, zooals hij zich tijdens de regeering van landgraaf Herman I (1191 tot 1216) vertoonde; de restauratie van den Voorburg of het Ridderhuis nadert hare voltooiing. Daarmede zal het groote werk geheel zijn volbracht, en zal Thuringen mogen roemen op het bezit van een monument, dat, in meer dan een opzicht, zonder wedergade is.
Sla na nog eens de blik op dien eerwaardigen burcht daar boven u, door zoovele en zoo groote herinneringen gewijd: de woning van de heilige Elisabeth en de wijkplaats van Luther! En dan onze wandeling vervolgd, tot wij den top der rots hebben bereikt, en voor de ophaalbrug staan, die toegang geeft tot den Wartburg. Wij treden over die brug en door het zware, sombere poortgebouw, en staan nu op een voorplein, aan alle zijden door gebouwen omringd, en op de achtergrond, door eene tweede poort, gemeenschap hebbende met een grooteren binnenhof, die de eigenlijke vorstelijke woning bevat. Ge ziet, hier is nog geheel de oude bouwtrant der heerlijke burchten bewaard: de voorburg, met de gebouwen voor het dienstpersoneel, het hofgezin en de gasten; en de eigenlijke hofburg, waar de heer zelf met zijne naaste omgeving woonde. Deze laatste vormt eene sterkte op zich zelve, die, ook nadat de voorburg reeds in 's vijands handen gevallen was, nog geruimen tijd kon worden verdedigd.
Hoe ik het betreur, dat het mij niet gegund is, u door den ganschen burcht rond te voeren, om u al de schoonheden van dit zoo uitnemend merkwaardige gebouw te toonen. Het mag wederom slechts een vluchtig bezoek zijn, waartoe ik u uitnoodig; wij moeten veel overslaan, wat der bezichtiging, der bestudeering zoozeer waard zou zijn. Bepalen wij ons dan tot het voornaamste; en laat dit eerste bezoek u prikkelen tot herhaalden wederkeer. De Wartburg verdient het wel, dat ge hem ten volle leert kennen en begrijpen; en dat is bij een eerste, ja zelfs bij een tweede bezoek nog niet wel mogelijk. Wat de Duitschers zoo eigenaardig eene Wartburgstemming noemen, komt eerst langzamerhand over u: maar dan ook verstaat ge hem en krijgt ge hem lief, dien weergaloozen burgt, met zijn prachtig verleden.