Thuringen De Aarde en haar Volken, 1873

Chapter 2

Chapter 23,354 wordsPublic domain

"Die ihr Felsen und Bäume bewohnt, o heilsame Nymphen, Gebet Jeglichem gern, was er im Stillen begehrt! Schaffet dem Traurigen Trost, dam Zweifelhaften Belehrung, Und dem Liebenden gönnt, das ihm begegne sein Glück!"

Verder vindt ge de _Schillerbank_, een rustig stil, bekoorlijk plekje, waar de dichter gaarne nederzat. Hij mag dan wel zijne peinzende blauwe oogen hebben laten weiden over de kronkelende Ilm aan zijn voet, dier, naar zijne eigene uitdrukking, in het voorbij-ruischen menig onsterfelijk lied vernam; over den heuvel aan de overzijde, waar Goethes _Berggarten_ met het eenvoudige, zoo geliefde tuinhuis lag. Gelukkig werd toen de liefelijk-vredige indruk van dit kalme, idyllische landschap nog niet verstoord door die groote, nieuwe kazerne, die zich nu, zoo onwelkom en onbescheiden, aan u opdringt: veelbeduidend teeken des tijds, waarin het zwaard eene zoo gewichtige rol speelt, en het ongewapende recht sinds lang voor het overmachtige geweld zwichten moest. Kazernen behooren nu eenmaal tot de signatuur dezer hooggeloofde negentiende eeuw, ook en vooral in het vaderland van Goethe en Schiller.

Wij keeren in de stad terug, doch ge schenkt mij de beschrijving van wat Weimar verder bezienswaardigs heeft: van de bibliotheek, van het theater, waar Liszt eenige jaren muziek-direkteur was; van het Leesmuseum, van den fraaien tuin der sociëteit _Erholung_, die ook in de stad een zeergoed ingericht lokaal heeft, dat voor vreemden toegankelijk is; en van nog andere merkwaardigheden. Eéne plek moeten wij echter nog bezoeken: het nieuwe kerkhof. Zouden wij den duitschen naam _Friedhof_ met Vredehof mogen vertolken?--Niet om den schoonen aanleg, om de heerlijke boomen en de prachtige bloemen, die dezen doodenakker tot eene bloeiende gaarde maken, voere ik u derwaarts, maar om een pelgrimage te volbrengen, waartoe uw hart u dringt. Als ge de breede laan hebt betreden, ziet ge voor u, op eene kleine verhevenheid, de in 1824 gebouwde tempel, die den vorstelijken grafkelder bevat. Daar rusten, nevens hun vriend en vereerder, den groothertog Karel-August († 1828), ook Schiller en Goethe, de twee koningen in het rijk der duitsche letterkunde: eene vorstelijke eere, vorstelijk bewezen; en vooral niet minder getuigende voor hem, die ze brengt, dan voor hen, die ze geldt. Schillers lijk, eerst in alle stilte en eenvoudigheid, in den nacht, op het oude of Jacobskerkhof teraardebesteld, werd in 1827 herwaarts overgebracht. Op zijn sarkophaag prijkt een zilveren eikenkrans, bij gelegenheid van het eeuwgetijde zijner geboorte, door de vrouwen van Hamburg hier nedergelegd. Goethe werd dadelijk na zijn overlijden, met groote staatsie, in den vorstenlijken grafkelder, waar zijn vriend sedert vier jaren rustte, bijgezet. Achter de _Fürstengruft_ bevindt zich de prachtige grieksche kapel, waar de in 1859 gestorven groothertogin Maria-Paulowna, dochter van keizer Paul van Rusland en moeder van den tegenwoordigen groothertog, is begraven.

De gang naar dezen doodenakker, die stoffe levert voor zoo velerlei gedachten en overleggingen, zij de laatste, voor ge de stad verlaat, waar zij, die hier ter ruste zijn gelegd, maar vooral een hunner, de grootste, nog voortleeft in de herinnering niet alleen, maar in zoo menig teeken van vroegere werkzaamheid. Weimar is wel niet eene doodenstad:--daartoe geeft het te veel bewijzen van nog frisch en krachtvol leven, ook op het hooger gebied des geestes;--maar toch zijn de herinneringen aan de beroemde dooden, die binnen zijne muren rusten, wel de grootste schat, waarop het bogen mag: daarom besluite de bedevaart naar hunne graven een bezoek aan de stad, waar zij hebben geleefd en gewerkt.

Ook wij nemen afscheid, door den nood gedrongen. Ware de ruimte mij gegund, hoe gaarne toefde ik met u op zoo menige plek in en om de stad; hoe gaarne leidde ik u naar het vorstelijk lustslot Belvedere, met zijn prachtige tuinen en zeldzaam rijke oranjerie; naar het kleinere slot te Tieffurt vooral, met zijn schilderachtig park, het geliefkoosde verblijf van hertogin Amalia, die hier den "Tieffurter Abendkreis" om zich vergaderde. Behoef ik het te zeggen, dat ge overal, te Bellevue als te Tieffurt, schier bij iederen voetstap, herinneringen aan Goethe aantreft? Maar waar vindt ge hem niet, den olympischen heros, die langer dan eene halve eeuw Weimar met zijne tegenwoordigheid vervulde?

III.

Erfurt. In eene gansch andere wereld ziet ge u, van Weimar komende, hier verplaatst. Daar, de kalme, rustige, vreedzame Muzenstad, met hare herinneringen aan de heroën van kunst en wetenschap en poëzie; de stille, huiselijke kleine residentiestad, waar het leven nog iets aartsvaderlijks heeft overgehouden, en waar ge u zoo spoedig te huis en op uw gemak gevoelt. Hier, te Erfurt, in de pruissische vesting, het militair element, dat al het andere op den achtergrond dringt. De stad heeft eene bezetting van omstreeks vierduizend man, geloof ik; op de straat, in de restaurants en _konditoreien_, in de buitentuinen en zomertheaters, overal wemelt het van soldaten en officieren, wien ge het kunt aanzien dat zij zich ten volle bewust zijn van de hooge beteekenis der armee in den pruissischen staat. Dit leger heeft in de laatste jaren te groote dingen gedaan, dan dat het ook hem, die voor militaire glorie tamelijk koel blijft, betamen zou, daarvan met kleinachting te spreken. Bovendien mag niet over het hoofd worden gezien, dat deze armee, in hare samenstelling echt nationaal, voor geheel het volk eene zeer wezenlijke school van tucht en orde is; dat zij, te midden van velerlei maatschappelijke ontbinding en voortwoekerend egoïsme, nog altijd het levend symbool blijft van gehoorzaamheid en onderwerping, van onvoorwaardelijke toewijding aan eene idee, aan een doel, dat buiten en boven het persoonlijk eigenbelang ligt en daar dikwerf tegenover staat. Als drager van deze hooge zedelijke ideeën, zonder welke geene enkele maatschappij bestaan kan, zonder welke de chaos der barbaarschheid terugkeert,--de ideeën van gehoorzaamheid en orde, van tucht en zelfverloochening--verdient het leger, en met name het pruissische leger, al onze achting en sympathie, zou het niet zonder overgroote schade kunnen gemist worden in onze ontwrichte, zoo vaak oproerige en van allen innerlijken samenhang beroofde maatschappij. De armee vertegenwoordigt gewis niet de hoogste orde, die op vrijwillige, bewuste onderwerping aan de wet berust, maar naarmate onze eeuw minder geneigd blijkt zich aan deze orde te onderschikken, naar die mate zal de armee, zal het militaire element, onmisbaarder worden, en sterker zijn overwicht doen gevoelen. Daarom is het voorshands ten minste nog onvermijdelijk dat in Pruisen de soldaat de hoogste plaats inneemt, dat alles daar op militairen voet is ingericht, en aan de militaire belangen ondergeschikt gemaakt. Hoe onaangenaam dit militairisme ons moge aandoen, het is nu eenmaal nog onmisbaar; en bij de roeping, die de pruisische staat zichzelven heeft toegekend, is het vooreerst niet te verwachten, dat daarin verandering komen zal. O, geniale Wiertz, met uwe fraaie schilderij, waarop de Beschaving wordt voorgesteld, het laatste kanon verbrekende: hoe schrikkelijk heeft de werkelijkheid van onze dagen dien ijdelen droom verstoord! De beschaving onzes tijds schijnt nog wel, bij al haar edeler streven, zich er op te moeten toeleggen zich te scherpen op het vermenigvuldigen en volmaken der moordwerktuigen! Staan de volken van Europa niet tot de tanden gewapend? Wie zal antwoord geven op de angstige verzuchting des harten: Wachter, wat is er van den nacht?

Doch, waar dwalen wij heen! Het grijze Erfurt is zich zeker niet bewust, tot zoo sombere fantasiën aanleiding te kunnen geven. Ja wel, het grijze Erfurt. De oude hoofdstad van Thuringen heeft heugenis van meer dan twaalf eeuwen; hare geschiedenis is rijk aan aangrijpende lotwisselingen, aan groote gebeurtenissen. Zij ontving den uitnemenden apostel van Duitschland binnen hare muren, den heiligen Bonifacius, die hier eene kerk en twee kloosters stichtte. In de dagen harer grootste macht, in den aanvang der vijftiende eeuw, telde zij, naar men zegt, eene bevolking van 80,000 zielen, en kon zij 30,000 man onder de wapenen brengen. Maar ook Erfurt verging het, als zoo menige middeleeuwsche vrije stad: burgertwist en partijschappen--de onafscheidelijke gezellinnen der demokratie--brachten haar ten val en deden haar hare vrijheid inboeten. Na den dertigjarigen oorlog was hare bevolking tot op 14,000 zielen geslonken; en heeft de stad zich in later tijd weder uit haar verval opgeheven, de glansrijke dagen van vroeger zijn wel voor altijd voorbij.

Van die glorie des ouden dags verhaalt nog menig trotsch gebouw, verhaalt bovenal de prachtige dom, om wier wille ge Erfurt niet gedachteloos moogt voorbijgaan. Weinig kerken in Duitschland maken een zoo verrassenden, zoo overweldigenden indruk als dit grootsche, machtige gebouw, dat ook door zijn eigenaardigen vorm uwe bewondering opwekt. Nevens den dom verheft de Severi-kerk hare drie spitse torens in de lucht, en helpt het statige geheel voltooien; dat u onwillekeurig verplaatst in den tijd, die in zulke onverwoestbare kunstgewrochten zijne hoogste gedachten, zijne innigste aspiratiën uitsprak.

Maar Erfurt behoort nog slechts half aan Thuringen: wij mogen hier niet te lang toeven. Voort naar Gotha.

Hoe jammer, dat ons de tijd niet gegund is! Anders zou ik niet verzuimen u naar Arnstadt te voeren, het overoude Arnstadt, naar men wil door koning Merowig gesticht, maar nog veel merkwaardiger door zijne schilderachtig schoone ligging aan den voet der eerste bergen van het Thuringer-Wald, en zijne heerlijke, romantische omstreken. En waren wij te Arnstadt, zeker zou ik u uitnoodigen, met mij den somwijlen wel wat bezwaarlijken, maar onbeschrijfelijk schoonen, aan afwisseling rijken weg te wandelen, die over de bergen en door het woud naar Plaue voert. En vandaar zouden wij, altijd door een steeds prachtiger, romantischer berglandschap, ons begeven naar Ilmenau, de fraaie veelbezochte badplaats, zoo geliefd door Goethe, die de heerlijke omstreken der vriendelijke stad zoo onnavolgbaar schoon heeft geschilderd. Daar zijt ge in het hart van het gebergte, en zoudt niet mogen verzuimen een der hooge toppen van het Thuringer-Wald, den Kickelhahn, te beklimmen, om van zijn kruin het prachtig panorama te genieten, dat zich voor uwe blikken ontvouwt. En zoudt ge het van u kunnen verkrijgen, geen uitstapje te maken naar Paulinzelle, met die heerlijke ruïne der oude abdij, zoo roerend schoon te midden van het donkere bosch, in een door heuvelen omkranst weideveld oprijzende? En verder nog..... doch ik vergeet, dat wij in den spoortrein zitten, die ons van Erfurt naar Gotha voeren moet!

Toch is het niet zoo vreemd, dat al deze beelden voor mij oprijzen: want telkens lokt en trekt en boeit ons het gebergte, dat daar ginds zijne schoone bevallige lijnen in de blauwe lucht teekent, en zijne lagere heuvelen tot aan den spoorweg naderen doet. Het is eene opeenvolging van liefelijke, schilderachtige landschappen, waarvan ge het alleen betreurt, dat ze in zoo ijlende vaart langs u heenvliegen. Maar nu--daar zijt ge in Gotha; ge werpt, van het hooggelegen station, nog eens een blik op het donkergroene gebergte, en richt dan uwe schreden naar de fraaie, bloeiende stad, aan den voet van haar kolossaal slot, den _Friedenstein_, in een krans van gaarden en tuinen gelegen.

Gotha is de hoofdstad van het hertogdom Saksen-Gotha, dat, sedert 1827, door den hertog van Saksen-Koburg wordt geregeerd. De beide hertogdommen, schoon te zamen den naam van Saksen-Koburg-Gotha voerende, hebben echter tot dusverre, ondanks alle pogingen tot nadere verbinding, hunne eigene zelfstandigheid bewaard; zij hebben geen anderen band met elkander gemeen dan het vorstenhuis, dat over beiden regeert. Gotha is de tweede residentie van den hertog, die, als hij gedurende zekeren tijd des jaars de stad bezoekt, zijn intrek neemt in het fraaie paleis, eener italiaansche villa gelijk, dat ge op uwe wandeling van het station naar de stad, ter rechterhand ziet liggen.

Als ge de aan fabrieken en allerlei industriëele en commerciëele inrichtingen zeer rijke stad doorwandelt, zal zij ongetwijfeld een gunstigen indruk op u maken; zij is, misschien nog meer dan Weimar, de type van eene dier duitsche residentiesteden van den tweeden rang, die zooveel aantrekkelijks hebben, over het algemeen zich zoo loffelijk onderscheiden door een open zin voor al wat met de hoogere belangen des geestes in verband staat, en ook in haar uiterlijk voorkomen den goeden smaak en den kunstzin zooveel mogelijk trachten te bevredigen. Ook Gotha is eene fraaie stad, uitmuntende niet alleen door hare schoone, smaakvolle, dikwerf prachtige huizen, maar vooral ook door haar heerlijk park en hare lommerrijke dreven en singels, door villa's en tuinen omzoomd. En wat kunst en wetenschap aangaat, moge Gotha niet met het duitsch Athene, de Muzenstad Weimar, kunnen wedijveren: dat zij ook hier niet verwaarloosd worden, maar ijverige beminnaars en bevorderaars vinden, ge zult het mij toestemmen, als ik u den naam noem van Perthes, de beroemde boekhandelaarsfirma, die zich vooral door de stichting van de _Geographische Anstalt_ en door de uitgave der _Geographische Mittheilungen_, door de gansche beschaafde wereld een welverdienden roem heeft veworven.--En zoo ge nog verder bewijs verlangt, ook voor den kunstzin van Gotha's vorsten, ik zou u geleiden naar het omvangrijke, echter meer plompe dan indrukwekkende slot Friedenstein met zijne twee torens, en ik zou u uitnoodigen de onschatbare verzamelingen te bezichtigen, die daar bewaard zijn. Ge vindt hier niet alleen een hoogstbelangrijke, aan incunabelen en handschriften zeer rijke bibliotheek, maar ook een schilderijenkabinet, waarbij stukken van de beroemdste oud-duitsche, vlaamsche en hollandsche meesters, Cranach, Dürer, Holbein, Rubens, Van Dijck, Mieris, Rembrandt, Dou, enz; voorts eene verzameling van afgietsels naar antieken, een munt- en penningkabinet; een museum van natuurlijke historie; eene uitgebreide verzameling van chineesche voorwerpen, huisraad, porselein, ivoor en dergelijke zaken; en eindelijk eene kostbare collectie van zeldzaamheden, cameeën, oudheden, antieke meubelen en huisraad, wapens, snijwerk in hout en ivoor, mozaïeken, vazen en vele andere kunstgewrochten van zeer groote waarde. Deze kunstschatten, door verschillende vorsten bijeengebracht, moeten hunne plaats vinden in het nog onvoltooide, prachtige museum, dat achter het slot, aan den ingang van het park, verrijst.

IV.

Mij dunkt, wij hebben nu vooreerst genoeg van den spoortrein. Ook hebben wij meer behoefte aan de vrije natuur, dan aan nieuwe stadsgezichten. Welnu: ge ziet niet op tegen eene fiksche wandeling, niet waar, die bijkans eene voetreis heeten mag? Laat ik u dan nogmaals ten gids mogen verstrekken: wij gaan over Reinhardsbrunn naar den Inselsberg, en verder over Liebenstein en Ruhla naar Eisenach wandelen. Zoo ge er niet tegen hebt, zullen wij in den Inselsberg overnachten: wellicht gunt de hemel ons een fraaien zonsondergang of opgang. Aan heerlijke natuurtooneelen zal het ons op de wandeling in geen geval ontbreken.

Vroeg in den morgen verlaten wij Gotha, en volgen den straatweg, die over Schnepfenthal naar Reinhardsbrunn voert. Rijk aan schoone gezichten is deze weg, door de bergachtige, romantische streek: voor u uit verheffen zich de hooge, met donker bosch begroeide heuvelen en bergen, die van de hoofdketen van het Thuringer-Wald uitgaan. De nog laag aan de kim staande zon hindert u niet; de frischheid van den morgen waait u tegen: met vroolijken moed stapt ge voort, door de ontwakende dorpjes Sundhausen, Leina en Wahlwinkel. Na eene verfrisschende wandeling van ruim twee uren, zijn wij te Rödichen, waar wij even toeven zullen. Ziet ge die statige groep gebouwen op dien heuvel met zijne fraaie boomgroepen? Dat is het opvoedingsgesticht, in het laatst der vorige eeuw door den beminnelijken en eerwaardigen Salzmann gesticht, en nog heden door zijn kleinzoon bestuurd. Moesten wij niet spaarzaam zijn met onzen tijd, dan zou ik u uitnoodigen dit uitmuntend gesticht, dat zoowel onder zijne leeraars als onder zijne kweekelingen menigen beroemden naam heeft geteld, te bezoeken: het is uwe belangstelling alleszins waard.

Doch nu, na ons even verfrischt te hebben, verder door het liefelijke dal, ter wederzijde door donkere dennen en sparren ingesloten, en waarin telkens zilveren waterplassen de omringende heuvelen weerspiegelen. Daar valt u reeds het logement in het oog: ge zijt weldra ter plaatse uwer eerste bestemming. Doch ja, hier moogt ge wel even stilstaan. Een panorama van zeldzame schoonheid breidt zich uit voor uwen blik. Dáár, in zijn heerlijken krans van donkergroene, met eeuwenheugend bosch bedekte bergen, te midden der met zoo onberispelijken smaak geschakeerde bosschages, boomgroepen, grasperken, tuinen, vijvers--in deze paradijsachtig schoone omgeving, ligt Reinhardsbrunn, het lustslot van den hertog van Koburg-Gotha, dat door zijn oud-duitschen bouwstijl eene ongemeen treffende uitwerking doet. Dat plekje is inderdaad zoo wonderschoon, dat we onmogelijk den lust kunnen weerstaan ons hier neder te zetten, en met volle teugen de heerlijkheid in te drinken van dit verrukkelijke landschap, dat de majesteit eener vrije bergnatuur paart aan de liefelijkheid van een idyllisch dal, door de kunst in een heerlijk park herschapen.

Terwijl wij hier rusten, gunt gij me wel een oogenblik gehoor, om u de sage van Reinhardsbrunn te verhalen. In de tweede helft der elfde eeuw regeerde als graaf van Thuringen, Lodewijk de Saliër, de stichter van den Wartburg en van het slot Neuenburg bij Freiburg. Vooral dit laatste slot werd des graven lievelingsverblijf. In de nabijheid toch lag de Weissenburg, waar paltsgraaf Frederik van Saksen met zijne bevallige gemalin Adelheide woonde. Het harte van graaf Lodewijk werd, haar ziende, door zonderling sterke minne bewogen, alzoo dat hij zich voornam haar te bezitten. En de paltsgravinne bleef niet ongevoelig voor de hartstochtelijke hulde van den dapperen ridder. Het geschiedde dan op zekeren dag, dat de jonge Frederik van Saksen ter jacht toog, en niet weder huiswaarts keerde: de hand eens vuigen moorders had den jeugdigen vorst getroffen. Had Lodewijk zelf zich met het bloed van den wreed misleiden echtgenoot bezoedeld? Of had hij een booswicht omgekocht, die voor hem het gruwelstuk volbracht? Wat hiervan zij: toen de voorgeschreven rouwtijd verstreken was, liet de jonge weduwe zich door graaf Lodewijk, nadat deze zijne eigene gemalin verstooten had, als zijne wettige echtgenoote op den Wartburg voeren, en leefde daar met hem in lust en vreugd. Maar mochten beiden dus de geboden Gods en der kerk met voeten hebben getreden: een duurzaam geluk was hun niet weggelegd. Te midden van zijn woelig leven, in bijkans voortdurende oorlogen gesleten, vervolgde graaf Lodewijk de gedachte aan zijne dubbele echtbreuk en moord. En naarmate de jaren klommen, en ernstiger overwegingen den overmoed der wilde jeugd deden wijken, pijnde en kwelde hem het berouw over zijne ergerlijke zonde, en werd de dringende begeerte steeds levendiger om door eene openlijke daad van boete en berouw zijne groote schuld te verzoenen. Hij scheidde zich van de zoo vurig beminde Adelheide, die zelve in het klooster te Scheiplitz den sluier aannam; daarna verdeelde hij zijne goederen onder zijne twee zonen, gordde het haren kleed eens boetelings om de leden, en stierf als benediktijner-monnik in het klooster Reinhardsbrunn, door hem zelf gesticht op de plek, waar de houthakker Reinhard, vele nachten achtereen, drie vuurtongen had gezien, zwevende over eene bron.--Dit verhaalt de kroniek omtrent de stichting van de in later eeuw zoo machtige abdij Reinhardsbrunn, de nekropolis der landgraven van Thuringen. En wat zij verhaalt mag volkomen waar zijn, want het draagt geheel en al den stempel des tijds, waarin het zou zijn geschied.--Bij den wilden boerenkrijg ging het prachtige klooster te gronde; de plek waar het gestaan had, bleef tamelijk vergeten, tot hertog Ernst I van Koburg, in 1835, op de grondslagen en met aanwending van de weinige overblijfselen der oude abdij, het schilderachtig schoone, romantische slot liet bouwen, dat nu door zijn antiek-moderne pracht, en nog meer door zijne omgeving, zoo onwederstaanbaar uwe blikken boeit.

Het logement te Reinhardsbrunn en de hotels en particuliere woningen in het vlak nabij gelegen Friedrichroda zijn des zomers, in den regel, vol gasten: want deze streek is in de laatste jaren een bedevaartsplaats voor duizende toeristen geworden. Hoe gaarne zou ik hier met u eenige dagen toeven, om u door den heerlijk schoonen omtrek rond te voeren, en u naar zoo menige plek te brengen, die, eens gezien, voor altijd onvergetelijk zou blijven. De Gottlob, de Schauenburg, de Abtsberg, de Tanzbuche, de Spiessberg, de Uebelberg, de Ungeheuerngrund: hoe lokken ze allen tot een bezoek, hoe rijk, zij het ook op verschillende wijze, loonen zij de moeite, die trouwens een genot is, der wandeling. Maar wij mogen aan die begeerte niet toegeven; slechts even zij u de tijd gelaten voor eene wandeling door het heerlijke park van Reinhardsbrunn, en een vluchtig bezoek aan het in oud-duitschen stijl prachtig versierde en gemeubelde slot.

Wij moeten even van den naasten weg afwijken om de dusgenaamde _Marienglashöhle_ te bezichtigen: eene steengroeve, waar het zoogenaamde Mariaglas, eene soort van gips vol kristallen, en ook albast gedolven wordt. Eigenaardig is de indruk, wanneer ge, door den bergwerker met zijn fakkel vergezeld, de grot betreedt, die bij het duizendvoudig weerkaatste licht, een onderaardsch feeënslot gelijkt.