Thomas More: Een treurspel in verzen

Part 6

Chapter 62,705 wordsPublic domain

KINGSTON Toen hij ’t gemoed ontlast had effende zich zijn weze’ opnieuw tot vrede; een klare zilvervlam brandde zijn stem. Hij wist wel, zei hij, dat één steen niet stuiten kan losgebroken stroom: hem overstelpen de wateren. En hij, die schier alleen zich stelde in den weg van ’t vorstlijk willen moest zoo worde’ overstelpt en ondergaan. Maar dat men onrecht niet kon keeren was nooit rede om niet tegen onrecht te strijden: „niet alle strijders kunnen zegen oogsten, maar alle kunne’, onrecht weerstaande, nader brengen uw dag, gerechtigheid, op aard.” Hij zei dit zacht, als beschaamd voor de and’ren die niet hadden weerstaan. Maar ik voelde wereldsche eere, praal van weidsche daden en wapenenluister verbleeke’ en zinken naast dit simpel woord, zich stil ontvouwend als een zilv’rig bloeisel hoog aan den stengel der recht-oppe daad.

WILLIAM Sprak hij nog meer?

KINGSTON Zijn rechters aanziend met een glimlach die zoet als olijventwijg boven de bitterheid van dat uur zweefde zei hij hun mild vaarwel. Hij bad hen, hem te willen gedenken in hun gebeden niet als den man dien zij daar vonnisten, maar als den makker, wiens beeld vóór hen rees uit heugnis van veel zacht-gesleten uren die mensch binden aan mensch. Eens zouden zij en hij weer samenkomen waar de draden van hun verwarde willen zeker gingen zich effenen tot glanzend vreugde-web.

WILLIAM Niet meer?

KINGSTON Ja toch: hij liet den koning weten dat Morus, met dankbaar hart oude dagen gedenkend, zonder wrok ging in den dood. Dat was het laatste.

WILLIAM Hij heet een verrader!

KINGSTON En toen gaf mijnheer Audley mij bevel om More terug te voeren naar den Tower te lijden daar den dood als ’t vonnis wou. De rechters gingen heen....

WILLIAM Mijn arme Kingston, moest gij dat zijn?

KINGSTON William, ik weet niet of hemelsche boodschappers nog tot de menschen dalen om hen te sterken met hun aêm. Maar zoo ’t geschiedt stond zulk een hemelling vast, door ons ongezien, achter uw vader hem toewuivend op blanke wiek genâ. Want toen ik tot hem trad, en droefheid mij zoo overmande, dat ik luid uitsnikte of dit zou zijn de laatste dienst dien ik ging aandoen den beminden man, de laatste bloem die veeljaarge plant van vriendschap dreef, sloeg hij zijn arm vertroostend om mijn hals, en lachte mij mild-bemoedigend toe. „Kingston,” zei hij „wees welgemoed man, laat uw hart zich niet bezwaren om uw last; mij behaagt wèl dat gij me zult geleiden, oude vriend, naar de poort der eeuwigheid. Ik ga, zegenend onze goede aarde, maar blijde dat het is mijn tijd te gaan, want ik heb uitgestaan veel moeienissen”. Toen omhelsde hij mij, en wie ons beide daar zag, die had gezworen hem den trooster, en mij, afwachtend smadelijken dood!

WILLIAM Wij zijn ’t die troost behoeven, niet meer hij....

KINGSTON Ach, een afscheid is hem nog zwaar gevallen.... Vrouwe Margreet verhaalde u wis, hoe zij opwachte zijn terugweg, en zich wierp tusschen de mannen van de wacht? Ik wist niet dat zulke kloekheid wonen kan in ’t schuchter gemoed van een teedere vrouw....

WILLIAM Margreet heeft haars vaders wezen geërfd; ook zijne groothartigheid.... wij alle steune’ op haar.... ik kan niet denken wat mijn leven wezen zou zonder dezen steun.... Zeg mij, Kingston hoe was het mooglijk dat zij tot hem drong ondanks de wacht, dat al die hellebarden haar niet stuitten, een wapenlooze vrouw? Was het verrassing? Weken z’ uit erbarmen? Zij zelf weet niets, zegt ze, als dat vaders aanschijn riep tot haar, van ver, en zoo’n grooten drang haar overmocht, om hem nog ééns te kussen dat vrees en schuwheid van haar lieten, en zij gezogen werd naar waar hij stond....

KINGSTON Ik kan u dit alleen maar zeggen, William; wij hoorden, toen wij onder den Tower landden een stem die riep „vader,” en weer „vader.” Zulk een angst van verlangen zwol daarin dat allen stilhielden en het hoofd wendden, naar dien roep als van een verschrikte vogel die om zijn jongen krijt. Ik zag haar staan, de armen voor zich uitgestrekt, en naast haar uws vaders oude nar met het vroegwijze kindergezicht, toen vreemdvertrokken grijnzend in smartelijken lach. Ik hoorde hem schreeuwen: „nu vrouwe,” en zag hem voorwaarts storten tusschen de pieken, zij hem na. Maar even verdween z’ in wriemling van wapens en lijven, toen zag ik haar weer, ijlings verder schietend als tusschen gouden flikk’ringen een visch. Zij dook op aan de zijde van uw vader hing als een drenkeling hem om den hals.... Mijn oude oogen loopen weder over bij de herinnering....

GRYNÆUS Meent ge dat Morus blij was zijn lieveling nog eens te zien, of viel ’t hem zwaar?

KINGSTON Mij scheen ’t dat vreugde en droefheid streden in hem. Toen zij viel in zijn armen zag ik een glans verhelderen zijn edel ontvleescht gelaat, en een oneindig-teed’ren blik uit zijn milde grijze oogen glijden over haar zachtgebogen hoofd. Maar plots doorschokte hem een siddering, hij klemde de lippen saam, als een man die verbijt een felle pijn. Toen schudde hij meewarig het hoofd, en streelde haar en kuste haar en maakte haar armen voorzichtig los van om zijn hals. Hij hield haar van zich af rondziende, als zocht hij wie haar weg kon voeren. Maar toen zij voor de tweede maal zich klampte aan hem, zacht-kreunend, zag ik op zijn voorhoofd de druppels paarlen van den bangen strijd en aan zijn wimpers hingen zware tranen. Even aarzelde hij, toen overbuigend tot haar, fluisterde hij dicht aan haar oor wat geen onzer verstond, maar met een schok kwam z’ overend, kuste hem en verdween als zwolg de grond haar op.... Wij gingen verder.

WILLIAM Hij vroeg haar een belofte te gedenken die zij hem eenmaal deed.... Haar grootste schat is een verfrommeld briefje, in haast geschreven dat hij haar deed zenden, vlak voor het end. Hij roemt haar daarin zijn dappere kind die hij nooit zóó als in het uur beminde dat zij voor het laatst hem hing om den hals, want hem behaagde boven maat als liefde alle wereldsche bloôheid overwint. Er komt over haar een wondere blijheid als zij ’t herleest....

KINGSTON Het heeft zoo moeten wezen, maar waarom is voor ’t hart een duist’re zee.... Het ziet de vrucht niet blinken van zijn lijden, en vruchtloos lijden van goeden en wijzen onthutst het hart.

GRYNÆUS Misschien dat vruchten rijpen die wij niet zien....

KINGSTON Zeg mij William, is ’t waar dat gij het vaderlijk erf moet verlaten? Beval de koning ’t waarlijk?

WILLIAM Hij beval ’t. Kingston, wij mogen niet meer wonen waar zijn beeld oprijst uit de vertrouwde steenen en alle dingen spreken met zijn stem. De wraak der machtigen verslaat ons, maar één troost houdt mij staande in het bitter zwerven dat nu begint: ik wil het aardsche doen van onzen heilige gaan nederschrijven in een getrouw relaas: zoo zal zijn geest voortleven, en de komende geslachten ten voorbeeld zijn....

GRYNÆUS Maar zult ge ook vermogen d’ eigenste kern en klankkleur van dien geest in woord te beelden? ’k voel in hem een wezen dat ons allen ontgaat.

KINGSTON Ja, niemand onzer doorziet hem gansch. Onze zielen begrijpen van zijn ziel ’t stuk, waar eigen kracht toe reikt; zoo zult ook gij, mijn goede William, beelden wat ge van hem verstaat.

GRYNÆUS Zijn eigen werken beelden hem beter dan een onzer ’t kan.

WILLIAM Kingston, ge weet, de koning gaf verlof dat wij zijn arme romp begraven mogen.... zij noemen ’t gunst.... Vrouwe Margreet verweent haar oogen van verlangen, eens te koest’ren nog, en te bedden zacht zijn wreedgeschonden hoofd. Weet gij een weg, Kingston?

KINGSTON Mijn beste William, ik heb daartoe geen macht. Kom: ’k hoor de hanen de komst verkonden van den nieuwen dag. Hoe leeg en kil rijst hij, hoe arm aan vreugde! Ja, leven is somtijds een zware vracht. God sterke u, William, en de uwen allen; ge ziet mij spoedig weer.

WILLIAM Dank voor uw komen, Kingston, en steun ons verder met uw trouw. (Kingston af.) Kom keeren wij ook huiswaarts Simon: wis waakt mijn Margreet, wachtend van mij te hooren wat Kingston heeft verhaald.

(William en Grynæus af—Margreet en de nar komen van de andere zijde op; de nar spiedt behoedzaam rond.)

DE NAR Vrouwe Margreet, zet u hier, en wacht totdat ge zult hooren driemaal herhaald, het krassen van een uil. Kom dan en stel u rechts onder de poort en houdt uw voorschoot op.... wij zullen slagen. Wees niet vervaard: wie ons bevrienden houden wacht op de brug....

MARGREET Goede nar, wees gerust. Mijn hart bonst, maar niet in vervaardheid, enkel van verlangen, en dat wordt dra gestild. Ga, haast u: voor de tweede maal al kraaiden de hanen en de nacht wordt dun. (de nar verdwijnt.) Ik dank u God, dat het liefste hoofd nog eens zal rusten gelijk het deed zoo vaak, in dezen schoot.

EINDE

HISTORISCHE AANTEEKENING OVER THOMAS MORE

Op het einde der 15de en het begin der 16de eeuw vonden in Engeland ingrijpende veranderingen plaats in het ekonomische en sociale leven. De oude feudale verhoudingen raakten in verval, het voornaamste bestaansmiddel, de landbouw, werd gerevolutioneerd door het opkomen van een stand van vrije kapitalistische pachters en door den snellen overgang van graanbouw tot veeteelt, die voor den adel voordeelig was. Het vroegere feudale landbouw-bedrijf had behoefte gehad aan zooveel mogelijk arbeidskrachten, aan vele menschen op het land, het nieuwe kapitalistische bedrijf had behoefte aan zooveel mogelijk land en zoo min mogelijk menschen, aan het uitsparen van arbeidskrachten. De heeren stalen op groote schaal de gemeente-landerijen, verklaarden deze tot privaatbezit en verdreven de boeren; in korten tijd verdwenen tienduizenden boerenbedrijven. Ten gevolge van deze geweldadige onteigening ontstond een talrijk overtollig proletariaat. Er was geen industrie in-opkomst, dus geen behoefte aan arbeidskrachten, er waren geen koloniën die dit proletariaat konden opzuigen, het vond geen ander bestaansmiddel dan bedelen of stelen. Een barbaarsch-strenge wetgeving trachtte de landloopers uit te roeien door ze onmenschelijk streng te straffen; gedurende de regeering van Hendrik VIII werden 72.000 groote en kleine dieven ter dood gebracht. Maar door bloedwetten kon het vraagstuk der armoede als sociaal verschijnsel niet worden opgelost.

De algemeene nood gaf nieuw voedsel aan de oud-christelijke overlevering van gemeenschappelijk bezit der verbruiks-middelen, de kettersche communistische sekten der Lollarden en der Wederdoopers vonden vele aanhangers onder de arme klassen. Maar dit vage communisme geboren uit vertwijfeling over de ellende des levens, bevatte geen enkel element van maatschappelijken vooruitgang noch van aanpassing aan de maatschappelijke omstandigheden.

Slechts één man was er in Engeland, één enkele die te midden van de algemeene radeloosheid een uitweg zag. Die man was Thomas More. Zijn algemeene kennis op philosophisch, ekonomisch en politiek gebied, zijn doorzicht in de behoeften en de hulpmiddelen van den tijd, zijn geniale intuïtie en zijn brandende begeerte de armen en verdrukten te helpen, hadden hem het spoor doen vinden van een nieuw communisme, van het gemeenschappelijk bezit der produktiemiddelen en de planmatige organisatie der produktie op nationale schaal.

More werd in 1478 geboren; hij studeerde in Oxford en werd daar een geestdriftig aanhanger van de „nieuwe richting” in de wetenschap: het humanisme (de studie der latijnsche en grieksche oudheid). Deze richting bestreed de misbruiken in de roomsche kerk, maar wilde vredige hervorming, geen scheuring. Nadat hij zijn studie voltooid had werd More advocaat en kreeg veel praktijk onder de Londensche kooplieden, de klasse die toen meer dan welke andere ook, den ekonomischen vooruitgang belichaamde. Hierdoor verkreeg hij theoretische en praktische kennis op maatschappelijk gebied. In 1504 werd hij tot lid van het Parlement gekozen; daar kwam hij al spoedig in konflikt met de willekeur van den koning (Hendrik VII) en was genoodzaakt zich uit het openbare leven terug te trekken. Toen in 1507 Hendrik VIII, een kweekeling der humanisten, den troon beklom, scheen het of een nieuwe koers ging beginnen; More die in groot aanzien stond bij den jongen vorst, werd koninklijk ambtenaar en een man van invloed aan het hof.

In 1515 maakte hij als gevolmachtigde der kooplieden deel uit van een gezantschap dat naar Vlaanderen ging om te trachten een handelstraktaat tot stand te brengen. Daar schreef hij de Utopia, het werk dat zijn naam onsterfelijk zou maken. Het bevat zoowel een doordringend-scherpe kritiek van de maatschappelijke misstanden zijner dagen als een uitvoerige beschrijving van den socialistischen heilstaat.

Van een hersenschim: vage hoop, of herinnering aan ver verleden, is het communisme in de Utopia voor de eerste maal tot een wetenschappelijke gedachte geworden, geboren uit doorzicht in de maatschappelijke behoeften en de maatschappelijke hulpmiddelen.

Eén hersenschimmig bestanddeel bevatte het communisme van More echter nog: hij zag geen ander middel het te verwezenlijken dan door het initiatief van een wijs en machtig vorst. Dit hersenschimmig bestanddeel, de verwachting namelijk dat de heerschende klassen (vorsten of kapitalisten) voor het socialisme gewonnen zouden kunnen worden en het verwezenlijken, kon eerst verdwijnen na het ontstaan van het moderne proletariaat, de klasse wier positie in het produktie-proces de socialistische inrichting der maatschappij voor haar maakt tot den eenigen weg ter ontkoming aan ellende en bestaans-onzekerheid.

Drie eeuwen lang volgden alle socialistische denkers de banen, waarin More hun was voorgegaan; toen eerst waren de tijden rijp voor een nieuwen grooten stap van het menschelijk denken, den stap van utopisch tot wetenschappelijk socialisme.

De Utopie had geen invloed op More’s verhouding tot den koning. De tijdgenooten beschouwden het werk als de luimige vrucht van luimige uren, een fantastisch gedachtespel. Hij steeg al hooger in ’s Konings gunst, werd minister en rijkskanselier. Maar zijn onbuigzaamheid van geweten en zijn liefde tot het volk moesten hem in konflikt brengen met het algemeene streven naar machtsuitbreiding van den vorst. Om een tegenwicht te vormen tegen de spaansche monarchie, wilde Hendrik zich verbinden met Frankrijk en een fransche prinses tot vrouw nemen. Maar daartoe moest hij zich van Catharina, de spaansche prinses waarmee hij gehuwd was, laten scheiden en de paus, die geheel in de macht van Spanje was geraakt, weigerde die scheiding te bekrachtigen. Toen besloot Hendrik met Rome te breken, hij verklaarde de engelsche kerk voor onafhankelijk en zichzelven tot haar hoofd. De geestelijkheid waagde het niet tegen deze „Hervorming” in verzet te komen, ook hoopte zij er voordeel van te halen. Hendrik onteigende kloosters en kerken op groote schaal. Spekulanten en gunstelingen maakten zich meester van de kerkgoederen, uit wier inkomsten voorheen duizenden behoeftigen gespijzigd waren. Zoo stond de „Hervorming” van Hendrik in lijnrechte tegenstelling tot de behoeften van het volk.

More trachtte in den strijd tusschen paus en koning onzijdig te blijven, maar dit bleek op den duur niet mogelijk. Een jaar nadat de engelsche geestelijkheid Hendrik als hoofd der kerk van Engeland erkend had legde hij het ambt van rijkskanselier neer. De koning beschouwde deze daad als rebellie en hoogverraad; More werd in den Tower opgesloten en na een lange gevangenschap door de laffe rechters met hulp van een omgekocht getuige veroordeeld en den 6den Juli 1535 ter dood gebracht.

Er zijn verschenen van HENRIËTTE ROLAND HOLST-VAN DER SCHALK

Sonnetten en verzen in terzinnen geschreven. Tweede druk 1913. De Nieuwe Geboort. 1902. Derde druk 1913. Opwaartsche wegen. 1907. Tweede druk 1914. De vrouw in het woud. 1912. Tweede druk 1917. Thomas More. 1912. Tweede druk 1916. Het Feest der Gedachtenis. 1915. In eene editie van ƒ 1,25 ingenaaid en ƒ 1,75 gebonden per deel.

Stempels van S. H. de Roos.

Verder verscheen

De Maatschappelijke Ontwikkeling en de Bevrijding der Vrouw. Prijs ƒ 0,85 ingenaaid.

Bij de Wereldbibliotheek zag het licht

De Opstandelingen. 1910. Jean Jacques Rousseau, Een beeld van zijn leven en werken. 1912.

* * * * *

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele spelling. Leestekens zijn op verschillende plaatsen stilzwijgend verbeterd.

Enkele druk- of spelfouten in het origineel zijn als volgt gecorrigeerd:

Pag. 9: „steigend” vervangen door „stijgend” (stijgend uit de diepten van het geweten). Pag. 13: „GRYNÆEUS” vervangen door „GRYNÆUS” (GRYNÆUS Maar hoe dwarsboomde uw vader). Pag. 29: „tevenstrevend” vervangen door „tegenstrevend” (zijn eigen tegenstrevend hart). Pag. 30: „buzuinen” vervangen door „bazuinen” (haar bazuinen stem). Pag. 36: „aardsbisschoppelijk” vervangen door „aartsbisschoppelijk” (het aartsbisschoppelijk paleis). Pag. 67: „MAGREET” vervangen door „MARGREET” (MARGREET O vader). Pag. 68: „MAGREET” vervangen door „MARGREET” (MARGREET Ach vader). Pag. 95: „klankleur” vervangen door „klankkleur” (d’ eigenste kern en klankkleur).