Thomas More: Een treurspel in verzen
Part 5
O dat een vrouw nu komen mocht tot mij, die sinds lang van mijn gemoed alle paden kende en trad tot de gronden van mijn hart.... ’t zou zoet zijn in haar oog te lezen dat ik deed gelijk haar vertrouwen verwachtte, haar warm begrijpen als een luwe wind te voelen zacht mijn wang omspelen, drogend op mijn gelaat de klamheid van den dood.... Else en ik hebben in verscheiden sfeeren altijd gewoond.... een menscheleven lang weet ik het, heb het zonder wrok gedragen.... arme ziel! waarom drukke’ uw enge grenzen vandaag zoo zwaar?.... Mijn hart had één vertrouwde: als ik mij tot haar wat’ren overboog vond ik mijn wil verzacht, verinnigd weder in ’t lout’re willen van mijn liefste kind.... Nu zendt de ziel van mijn Margreet omhoog een ander beeld.... ik kan niet meer, mij spieg’lend in haar klaarten, denken: ’t is wel met mij.... Zij en Erasmus stonden mij het naast van alle wezens.... Nu denkt hij aan mij als aan een afvallige; de tijding van mijn sterven zal den stervende vervullen met bitterheid.... ’t Is droef te weten dat wij tweegespan die zoo lang najaagden eenzelfde waarheid, den dood in gaan dragend tot elkander een wrevelig hart.... Mijn leven schijnt een zinnelooze leegte en ik kan niets denken als droefenis.
O diepe zeeën, wijd-zwellende landen, begroeide ruigten tusschen ons, niet gij hebt mij van mijn oude genoot gescheiden, niet gij doet mij hem voelen ver en vreemd. IJzeren grendels en dikke gewelven van ongehouwen steen, en tralies die onwrikbaar donkert tusschen mij en vrijheid— ik ben ellendig, maar niet door uw macht. Smaadlijke dood, die dreigend vóór mij staat, bijl dien ik zweven zie boven mijn hoofd, het is de vrees voor u niet, die mij martelt, maar dat ik eenzaam sterf. O welk een vloed, welk een zaligheid van zongouden licht, zou stroomen langs de vaalheid dezer wanden, zoo ik maar wist, dat ergens in de wereld andere harten neigden met mijn hart; neigden in één wil, ééne hoop, één blijheid.... Oude honger, hunkering ongestild naar een broederschap, die ik nauw kan denken, waar ik geen naam voor weet, doorwoelt ge tot het einde dit dwaze hart? Ge wordt nu haast gestild; ziedaar: de gemeenschap der heiligen gaat voor u open.... zijt ge nòg niet blij? neen nog niet gansch: de gemeenschap der menschen die haar wortel en stam is, stoot u uit.
Welk een vreemd lot is mijn lot! Tot de menschen voelde ik mij vroeg getrokken als een golf getrokken voelt om tusschen andre golven zich op te lossen in hun reidans. Maar ik bleef altijd eenzaam onder hun scharen in ’t allerdiepste, want ik vond er geen die wilde met mijn wil, zag met mijn oogen, die dacht als ik dacht dat de schande’ en smarten niet kome’ uit God, maar uit de maatschappij, en met mij wilde voorwaarts dringen naar waar smart en schande overwonnen worden.... eenzame wil, eenzame golf, ga onder....
Er zijn er die zullen brande’ om mijn naam de wierook van hun lof, en zullen stemp’len met het merk hunner waarheid mijn gedachtenis.... Ach, zij hebben zich nooit gebogen over de bronnen van mijn hart, nimmer hun ruischen vermoed.... eenzame golf, eenzame wil....
Hoe droef-misvormd, Thomas More, zal uw beeld voortleven in de spiegeling der tijden, onkenbaar verwrongen door lof en blaam, gelijk een onbegrepen melodie tot zinnelooze verwardheid verkeerend door plompe druk van ongevoel’ge hand. Mij walgt daaraan te denken.... Eenzaam, eenzaam ook in den dood.... Zoo ik maar wist dat eens liefdevol-begrijpende gedachte zou heenbuige’ over mijn herinnering, ik zou zoo hongerig niet sterven.... Ach, kon ik een mensch uit d’ongeboren tijden den sleutel reiken tot mijn binnenst hart! Ja, had ik, gelijk dichters doen, mijn wezen gebed tusschen bloesems van schoone droomen waar het doorheen scheen, blinkend zacht voor wie dieper doordringen dan de eerste blik, en langer wijlen.... Maar dat kon ik niet.... Ik heb het diepste hunk’ren van mijn ziel niet met der schoonheid zilverdraad doorweven maar gestikt tot een bruin en nuchter web.... Tusschen de bladen der Utopia daar leeft mijn wezen, als des dichters wezen in zijn gedicht.... En zal dan daarin niet mij vinden wie mij zoekt? Zal hij ’t wanbeeld niet afwerend, waartoe menschen mij maakten, mij oproepen uit wat ik heb gewrocht? O ja, dat zal hij.... eenmaal komt een tijd dat wat nu schijnt een nest van speelsche droomen voor vele’ als klare levenswaarheid staat, waartoe hun voeten zich in maat bewegen waarnaar hun armen zich strekke’ en hun hart.... O Kommunisme, als de wil tot u, een stormwind, zwelt door de wouden der menschheid, dan wordt mijn wil begrepen en bemind....
Verre vriend die mij toelacht door een mist; ik kan uw aangezicht niet zien, de tijden breiden hun nevel tusschen u en mij, maar ’k voel uw hand vol mild begrijpen tasten naar den klop van mijn hart.... ge vindt het, ge buigt over mij zooals een ouder broeder over zijn jonger broer; ge leest mij, onze harten neigen te zaam.... O zoet geluk, ge komt, zoete broederschap, ge komt eens voor mij....
De eenzaamheid, die mijn denken omhuifde met looden kap, is weg, mijn bloed stroomt vrij. Door de donkere schaduwhoeken zie ’k de lichte, vriend’lijke gestalten zweven van maag en vriend.... Zoete herinneringen omzoemen mij, uit uren dat ik voelde in liefde met de menschen zoetst-verzaamd.
O zacht-geoogde vriend dier verre tijden, gij hebt den steen der eenzaamheid getild van mijn gemoed.... Ja de gedachte aan u zond God mij, dat niet met dat hongerknagen in ’t hart, ’k zou scheiden van zijn lichte aarde. Nu ben ik weer blij, dat ik heb geleefd.... Mijn ziel verkwikt een wonderzoete vrede, die ik in lang niet had gevoeld....
KINGSTON Mijn oude makker, het eind van uw gevangenschap is eind’lijk—o zij ’t einde goed—gekomen; ge moet morgen verschijnen voor het hof.
MORE Het eind wordt zeker goed, Kingston: ’k zie morgen dagen met een gerust en vrolijk hart.
VIERDE BEDRIJF
De Theemskade bij Londenbrug. Nacht. Aan gindsche zijde van de brug aan den anderen oever, ziet men flauw de omtrekken der stadspoort.
William, Grynæus, later Kingston, Margreet en de nar.
WILLIAM Hier zijn wij waar wij moeten wezen: dit is de afgesproken plek.
GRYNÆUS Kingston is er nog niet....
WILLIAM Maar hij komt zeker: dat ’s er een van het soort die hun woord gestand doen. Hij en gij Simon, bevriende’ ons nog; al d’anderen verstoven na dien slag.... De nacht is geurig....
GRYNÆUS Ja, door de zoelte hangt een geur van vlier....
WILLIAM Hoe genoot hij de zomerzoete geuren van zulke nachten.... Ach Simon, ik kan het niet gelooven....
GRYNÆUS En toch is het waar: van ginds-af ziet, verschole’ in fulpen duister zijn bloedeloos hoofd op ons neer....
WILLIAM Afgrijslijk.... o dat we enkel d’arme geknotte romp begraven mogen, en moete’ overlaten het edelste ten prooi....
GRYNÆUS Stil, ik hoor schreden. Wie komt daar?
KINGSTON William Kingston. Zijt gij het, mijnheer Grynæus? Is niet William Roper met u?
WILLIAM Hier ben ik Kingston. Dank dat gij gekomen zijt.... wij hunkeren te hooren.... En toch.... mijn hart huivert.... O Kingston, hoe ging hij op?
KINGSTON Blijde als een kind, dat huiswaarts naar moeder keert, en even gerust. Maar o vrienden, de schande.... o de schande.... Hoe kan één van ons die daarbij was, nog het licht verdrage’.... Een getuig’nis, gevlochten uit dikke en drieste leugens hebben zij gedraaid tot den strik, om mee te verworgen den nek, die het nobelste hart van England bond aan het beste brein.... Hoordet g’ op welke gronden het vonnis werd geveld?
WILLIAM Alleen geruchten. Men zegt, een gekocht getuige zwoer, dat hij vader had gehoord betwisten, en honen ’s konings kerkelijk opperrecht. Is dat waar, Kingston?
KINGSTON Ja, Judas’ geslacht is nog niet uitgestorven.... ik wil trachten geregeld te verhalen, maar de woorden stokken mij in de keel.
WILLIAM Zeg eerst of vader ’t band zijner zwijgzaamheid verbroken heeft. Opende hij hun, waarom zijn geweten te zweren hem verbood?
KINGSTON Ja William, en de reden was als wij konden verwachten van een man gelijk hij.... Kon ik in woorden uitdrukken welk gevoel alle, ook de rechters deed opstaan toen hij binnen werd gebracht! Het was geen deernis met zijn lijdend wezen, zijn gebogen gestalte, moeizaam gaande geleund op eenen stok.... het was ontzag voor een milde majesteit, uitgerezen boven het leed.... Toen mijnheer Audley alvoor d’ aanklacht te lezen Morus heuschelijk begroette, en bood voor ’t laatst in naam des konings vergiffenis, hoopte ik even dat hij had toegestemd te zweeren, en ’t zoo tusschen hen was gekomen overeen. Maar rustig klonk reeds zijn antwoord door de zaal: „Mijnheeren rechters, ik ben den koning zeer erkentelijk, maar bid tot God, dat hij in zijn genade mij helpe in mijn gezindheid te volharden tot dit flakkerlicht wordt gebluscht.” Toen wist ik dat hij zijn leve’ in handen van de rechters legde, en niets hem redden kon, dan mooglijk hun manhafte moed.... ik oude dwaas hoopte daarop....
GRYNÆUS Ge wist toch dat de koningin zijn ondergang gezworen had.... haar willen reikt ver.
KINGSTON De rechters zetten zich, en mijnheer Southwell las d’ aanklacht voor.... Gij kent de punten?
WILLIAM Ja.
KINGSTON Toen hij gedaan had, kreeg uw vader ’t woord tot zijn verdeed’ging, zittend, want hij had een zetel verzocht, zeggend zich te gevoelen te zwak om lang te staan.... Langs d’ eerste punten gleed hij met korte woorden heen; gekomen tot de hoofdzaak, zei hij nadrukkelijk, nimmer te hebben gezocht, één mensch met woorden te bewerken den eed te weigeren, noch één ontsloten de gronden van zijn weig’ring. God kwam het toe en God alleen, de gedachten te richten, geen aardsche rechters mochten ’t doen. Daarom bestreed hij, dat hij door te zwijgen zich verraderlijk tegen zijn koning keerde, en zou het bestrijden zijn leven lang. Hier zag hij rond; zijn stem was weeker toen hij voortvoer: „Ik heb in deze eigen zaal veel jaren recht gesproken, vele malen in menschelijke zwakheid mij vergist. Maar nooit—hier zocht de oogen van zijn rechters zijn vrije blik—heb ik bewust gebogen onrecht tot recht: dit maakt mij stout, een woord tot u uit innerlijken drang te spreken.” Hij rees op, zijn gestalte strekte zich, zijn vaal, ingezonken gelaat bezielde de blos van heilgen ijver; warmte trilde door de diepere tonen van zijn stem, toen hij riep „Rechters, ik bezweer u, rechters, o buigt het recht niet krom.” Toen ging hij kalmer weer voort, hun toonend hoe gemeenschap vergt om vast te staan, zede en recht, als de steenen de kalk behoeven, te vormen een bouw; hoe zoo zij, van wie op aardsche rechters was geen beroep, nu ’t recht krombogen, dit zou zijn den bouw der maatschappij ontwrichten zoodat geen mensch meer veilig wonen kon. Rustig en zacht besloot hij: „ge weet wel dat ik mijn leven niet terug wil winnen als in een kansspel uit uw hand. Ik heb mijn anker reeds gelicht, en merk den stroom mij voeren naar de wijde wateren der eeuwigheid. Maar gij blijft en het volk van Eng’land blijft: voor u zelf pleit ik, en voor dat volk. Moog God van uw hoofden afwenden dit erge doen.” Toen zonk hij in zijn zetel terug, en sloot d’ oogen....
GRYNÆUS Leken de rechters ontroerd?
KINGSTON Een mompelen ging tusschen hen en ik ving enk’le woorden op die deden opscheemren voor mijn hart een zweem van hoop. „Wij kunnen niet”.... „er is geen grond”.... „het schuldig sterft op de tong”.... maar mijnheer Southwell trad naar voren, en ik zag op zijn gluipgezicht een lachje van boosaardig triomfeeren en voelde mij verstijven, want ik kende hem voor een nijdaard, Morus slecht gezind. Met effen stem vroeg hij het hof verlof hun alsnog voor te stellen een getuige die zelf gehoord had ’t schennend woord ontvallen aan Morus’ lip. Ik geef mijn hoofd, Grynæus zoo die getuigenis niet was te voren bekonkeld tusschen hen....
GRYNÆUS ’t Is zeer waarschijnlijk, maar ik bid u, ga voort....
KINGSTON De getuige werd vóórgebracht, een zek’re Rich. Hij zwoer waarheid te zeggen, en dischte op den rechters dit dwaas verhaal. Hoe hij onlangs in opdracht tot Morus ging, met Southwell en een klerk, zijn kerker te doorzoeken naar geschriften; en terwijl d’ anderen zochten, vroeg hij More tot een vraag verlof, te weten: zoo ’t parlement hem, Rich, tot koning maakte, of More hem dan erkennen zou. En Morus zeide van ja. Toen vroeg Rich verder, of zoo het parlement hem tot paus verklaarde More hem als paus erkennen zou. Maar Morus antwoordde, vragend op zijn beurt, of zoo het parlement God niet meer God verklaarde te zijn, hij Rich, zich reek’nen zou gebonden aan zoo’n besluit. En Rich „wel zeker niet, geen parlement had macht dat te bepalen.” Waarop More „evenmin, een wereldsch vorst te maken tot hoofd der christenheid.”
GRYNÆUS En deze plompe leugen nam het hof aan als een bewijs van schuld!.... Niet te gelooven.... Wat antwoordde Morus?
KINGSTON Hij bracht den rechters in herinnering hoe hij alree verklaard had, en ’t bezworen, nooit te hebben aan eenig mensch ontsloten in deze zaak, de gronden van zijn hart, en bad hen te bedenken, dat zoo hij een man was, die met eeden speelde als waren ’t ballen, hij niet vóór hen zou staan, maar zeet’len tusschen hen in „Immers slechts een eed scheidt mij als u bekend is, van mijn ouden staat.” Ik zag bij ’t woord sommigen van de rechters de oogen neerslaan, als beschaamd. Toen, zich wendend naar waar Rich stond, sprak hij verder, niet in toorn, maar gestreng van wezen: „Ik heb eeden altijd gehouden heilig, en daarom mijnheer Rich, bedroeft mij meer uw meineed nu, dan mijn bedreigde leven. Ik ken u sinds de dagen van uw jeugd, —wij woonden immers in hetzelfde kerspel— als een lichtzinnig mensch, een erge speler, en nimmer hield ik u voor eenen man dien ik, of dien een ander zou verkiezen tot zijn vertrouweling.”
WILLIAM Antwoordde Rich?
KINGSTON O neen, met een uitdagend lachje hoorde hij ’t streng-klinkend woord van uw vader aan, en haalde, toen die zweeg, de schouders op als vond hij zich te goed hem te weerspreken.
WILLIAM Verdorven hart, is in u alle schaamte dan dood?
KINGSTON Schaamte? ’k wed, hij zal morgen pralen met zijn meineed als zijn verdienste.... Mompelt men niet, dat hij eerstdaags geadeld wordt... Maar gij verlangt verder te hooren.... Als merkte hij niet het ergelijk gebaar van den ellend’ling, wendde tot de rechters Morus zich weer, met vaste klare stem vragend, of dit hun toescheen geloofwaardig, dat hij, een oud man, in de school des levens geoefend in lange geslotenheid, zou hebben geopend ’t geheime boek van zijn geweten, dat hij niemand toonde —ook niet den trouwste’ en meest vertrouwden vriend— aan een nietswaardig mensch, dobb’laar en drinker, dien hij laag achtte en waartoe niets hem dreef. Hij bracht hun in herinnering, hoe de koning had uitgezonden tot hem, in zijn kerker, veelmalen, mannen van beproefd verstand, opdat hun schranderheid hem zou ontlokken zijn welbewaard geheim—maar steeds vergeefs. „Houdt ge het dan voor mogelijk,” besloot hij, „dat waar zoovele goede schutters waren afgedeinsd, en hadde’ alle ’t doel gemist, zoo plomp een hand zou zijn bij d’ eerste poging geslaagd?”—O vrienden ik had het wel willen uitschreeuwen, willen roepen tot de rechters: zie waarheid op dit voorhoofd zeet’len, hoor haar klank die hartgrondige stem doorgulden; en zie dan daarheen, naar dat driest gezicht, waar alle lage drifte’ op achterlieten hun slijm’rig spoor.... Kunt ge in trouwe ’t een getuigenis tegen het ander wegen? Maar ach, ik zweeg....
WILLIAM Wat had het ook gegeven!.... Sprak een der rechters nog aan de getuig’nis van Rich zijn twijfel uit?
KINGSTON Geen. Mijnheer Audley rees, zeggend dat nu uw vader de faam van den getuige aantastte, hij moest vragen Southwell, of die iets had gehoord....
WILLIAM Maar Southwell had gewis niets gehoord....
KINGSTON Southwell bezwoer zijn aandacht was hij zoo bij zijn taak geweest, dat niets tot hem drong van hun beider spreken. Maar snel rees Morus op, en weder klonken zijn strenge woorden door de dompe zaal: „Southwell, waarom bevlekt gij uw geweten met valsch te zweren?”; en hij verhaalde hoe hij den leugenaar had gemerkt, begeerig happend naar ’t woord, dat hem More zou verderven, gespannen luistren, en toen ’t uitbleef, den schurk had gezien met een gebaar van wrevel zich afwenden, of hij ’t niet kroppen kon.
WILLIAM Zei Southwell iets?
KINGSTON Hij veinsde niet te hooren, verdiept in zijn papieren, maar ik zag zijn gezicht vertrekken en zich verharden tot een masker van haat.... Het was de beurt nu aan zijn slangenrede.... ik bid u, laat mij u bespare’ en besparen mijzelven dat glinst’rend web van boosaardige leugens weer uit te spreiden.... ’t walgt me....
WILLIAM Enkel dit: waagde hij het, zich te beroepen op de Judas-getuig’nis van dien meineedge?
KINGSTON Hij waagde het. Schaamteloos was de wijze waarop hij uw vader hoonde, met woorden groen van venijn. Zie die spotter, sprak hij, staande bij hen die Rome felst bestookten weleer vooraan.... maar nu zijn koning, die twintig jaar lang met de room zijner gunsten hem heeft gevoed, zijn hulp behoeft, zie, nu verschuilt hij achter Rome en haar geboden zijn verraderlijk hart....
WILLIAM Ellendeling!
GRYNÆUS Ik vreesde dit.... Antwoordde Morus nog op deze rede?
KINGSTON Hij verklaarde dat hij eerst na het oordeel spreken zou. De rechters trokken zich terug tot hunne beraadslaging.... een doffe zwaarte lag over de broeiing van den heeten noen waar vliegen droomerig doorgonsden.... soms hoorde men even een gedempt gefluister als was er tusschen ons een doode.... More had het gelaat in de handen verborgen en peinsde of bad.... Ik weet niet of het lang was dat wij wachtten.... de tijd bestond niet meer, niets bestond als een doffe knaging van onrust en benauwenis. Eindelijk hoorden wij schreden, de rechters keerden door de holle gangen terug. Stappen naderden, deuren sprongen open, en ’k las op de schuldbewuste gezichten hun eigen schande. Audley stelde de vraag, en zesmaal spitsten zich de droge lippen tot het gruwelijk onverzoenbaar woord dat toonloos zonk in de beklemde stilte: „schuldig—schuldig—schuldig—schuldig—schuldig— schuldig.”—Zes malen kromp mijn hart ineen. Ik zag naar uwen vader, waar hij zat: een licht van troosting, vrede en klaarheid straalde van dat ontspannen rustig-mild gelaat. Toen kwam het vonnis, en wij huiverden bij de klank van die vreeselijke woorden: „zal met gloeiende tangen eerst genepen dan ’t hart hem worden uitgerukt,” maar toen volgde dat de koning in zijn genade het tot onthoofding had verzacht;—hoe licht getroost is toch de mensch in zijn ellende: wij voelden iets verruimd.
WILLIAM En vader?
KINGSTON Hij rees op, en met zachte heldere stem, als waren wij allen bijeen in vrede, begon hij te spreken, zeggend alleen zoolang met zwijgzaamheid te hebbe’ omsloten zijn lip, uit vrees dat vervolging hem vinden mocht zwak, en klein van hart, want hij voelde ’t in zich niet onvervaard gelijk de martelaren die getuigend uitlokken lijde’ en gaan ten jubeldood, en ’t scheen hem hoogmoed toe door eigen doen op zich te laden, wat hij tot het einde misschien niet standvastig zou dragen....
WILLIAM O vader, dat ’s uw ootmoed’ge zin.... Ach, Kingston, wij vielen hem hard, omdat hij zijn vertrouwen weghield voor ons....
KINGSTON Na die bekentenis verklaarde hij met mannelijke woorden waarom hij niet kon zweeren, sprekend uit wat nu in Engeland alle rechtschapen harten denken, maar niemand zegt: hoe koning Hendrik de hervorming niet tot stand wil brengen om de kerk te rein’gen, maar uit belustheid op het goed der kerk, en hoe de geestelijken die hem steunen als hem beweegt begeerlijkheid—of vrees. Hier zweeg hij even, over zijn gezicht trok donk’re schaduw toen hij voortvoer: „nu zullen de kloosters worden opgeheven, der armen wett’lijk erfdeel, hun geschonken tot de verlichting van hun lange nood, wordt hun ontgrist door gewelddaad’ge handen; de borsten waaraan ’t arme volk zich laafde verdrogen: hoor ze krijten van den dorst.” Weer zweeg hij; zijn wezen versomberde een nieuwe vlaag van aanstormende smart: hij sidderde, zijn wijd-gesperde oogen schenen achter de hoofden van de rechters een ontzetting te zien; en haar bedreiging beefde in ’t schrille stijgen van zijn stem: „ik zie de duizenden, die veilig leefden op ’t kloostergoed, worden door nieuwe heeren verjaagd om plaats te maken voor de schapen; ik zie ’t reed’looze vee vreten de menschen, ik zie de troepen hongerige zwervers dolen over ’t land;—ik zie de zweepen dalen en weer opspringen in der beulen vuist, en de galgen niet ophouden te dragen hunner verschrikking vreemd-bengelende bloem”: en, als den hemel nemend tot getuige hief hij de armen hoog „dat heet hervorming, o monsterlijke, monsterlijke leugen, hemeltergend onrecht, zaad van langen haat”....
WILLIAM O vader, vader, liefde tot de armen dreef u in den dood....
GRYNÆUS Ja dat was het, en ik merkte het niet....