Thomas More: Een treurspel in verzen

Part 4

Chapter 43,497 wordsPublic domain

MORE Dat ’s een naam die vaart gelijk een frissche windstroom door de dompe en muffe lucht. Laat hij gauw komen.

KINGSTON (tot den bewaker.) Roep mijnheer Grynæus hier....

GRYNÆUS Mijn oude Morus, hoe dikwijls trachtte ik tot u door te dringen.... ze lieten mij nooit toe....

MORE Het doet mij goed de warme tintelingen van uw oogen weer over mij te zien.... Kom, zet u hier. Zie niet zoo droef. Wel was ’t een luchtiger verblijf, ons paviljoen te Chelsea, waar wij samen te philosopheeren plachten, terwijl zacht gerilte ons koelte toewoei.... maar de bloem der philosophie bloeit ook tusschen de spleten van deze gewelven: ruikt gij haar geuren niet?

GRYNÆUS Ik kan niet schertsen heer Thomas: vergeef mij mijn beklemd hart. ’k Zie u, en vraag mij af: is hij het werk’lijk? —dat sneeuwen haar, die vervallen gestalte, dat vaal gelaat.... o wee.... heeft zoo de kerker gevreten aan uw kracht?

MORE Mijn zoon, de kerker kust met een adem die van ’t lijf de kloekheid breekt als de rijp een bloem.... zoo onverlet de geest blijft, is ’t onheil klein.... Mijn kinderen berichtten mij over u, over uw trouwe steun in hun verlatenheid: ik dacht niet anders van u.... En hoe slaagde uw arbeid? hebt ge dat manuscript ontward?

GRYNÆUS O Morus, spreek niet van mijn arbeid: nietig schijnt mij, haatbaar dat delven in de mijnen van ’t verleden naar edelsteenen, terwijl in ’t vandaag het licht van een steen dreigt gedoofd te worden wiens flonkeringen ons verrukte’, en al om niet, neen, erger dan om niet.... Ik bid u, laat mij uitspreken wat al sedert maanden schrijnt door mij, telkens wanneer mijn gedachten beroerden uw geliefde beeld. Niet ik alleen, al uw vrienden, de mannen wier wille’ in één harmonie met uw wil samen klonken, door alle levensjaren heen, zij zijn bedrukt, niet omdat ge gaat sterven maar om de zaak waarvoor. Het is hun zaak, ’t is d’ uwe niet. Ge moogt niet door de tijden rijzen, een mart’laar van het roomsch geloof; gij kunt niet willen dekken met uw dood ’t verderf, dat dadig uw leven bestreed. Erasmus bidt u door mijn mond, nog and’ren: laat het daartoe niet komen, ga op zij, buig voor den koning. Zijn wil is niet louter, ’k weet het, welt uit geen zuivre gronde’ omhoog, maar Rome’s verzet tegen dien wil stroomt uit een lichaam, stinkend van verderf.... O keten u daaraan niet voor alle tijden vast, door d’ eenge daad, die men nooit kan herroepen, nooit uitwisschen.... verwar den klaren zin van uw leven niet door verbijsterenden troebelen dood....

MORE Zoon, troebel en verbijsterend zal mijn dood enkel zijn voor wie verwart d’ uiterlijke verschijning met het wezen. De dingen der wereld staan niet gelijk gij meent, tot ijz’ren onverzoenlijkheden verstard, tegenover elkaar. ’t Wanneer en waar, vult de hoekige, harde leuzen met warme stoflijkheid: elk oogenblik vervluchtigt zich en wordt opnieuw geboren die levenswarme kern. „Tegen den koning” beduidt thans en hier niet vòòr plundring en verdomming door Rome maar verzet tegen.... een andere macht, een erger dreiging voor het heil der menschen. In dat verzet te vallen is geen logen, tast d’ essence van mijn leven niet aan.

GRYNÆUS O ’k weet het wel, ik weet het wel dat gij rein zijt van hart, dat uw wil naar het goede zich richt, van zelf, als een bloem naar de zon. Wij weten ’t, maar niet alle weten ’t; Rome zal uw dood munten tot het losgeld om haar eigen verdoeming mee af te koopen; uw martlaarshoofd, zoodra de beul ’t laat vallen, oprape’ en dragen triomfantelijk voor zich uit, dat van die gebroken oogen de magische blik vele vrome zielen weer bindt aan haar....

MORE Dat moet ik dulden, zoon. In ’t groote woelen van onze aardsche wat’ren vloeien recht en onrecht nu alle dagen dooreen. Er zijn geen vlekkelooze zaken om voor te leven en te sterve’: er zijn zuiv’re harten, die ook in zaak, bevlekt door mensch’lijke onvolkomenheid, omhelzen hun hoogste levensdroom. Mijn vijanden zullen zeker saamwerpen mijn verzet tegen den koning, met alle ongerechtig- heden, Rome verkankerend; u brengt de opstand tegen Rome saam, in d’ oogen van wie niet goed onderscheiden door haat, met de tuchtlooze wreede boerenbenden die trokken roovend moordend Duitschland door. Zoo kan elk van ons in verbond verschijnen met wat hem meest mishaagt. Het mag ons niet weerhouden te doen wat ons geweten wil.

GRYNÆUS Maar ook uw vrienden misprijzen uw besluit. Ziet ge die blaam van wie zoo warm u loofde’ en graag u volgden altijd, niet vóór u, een waarschuwend teeken dat ge nu dwaalt?

MORE De blaam der lieve vrienden bedrukt m’ en breidt om mij een kille nevel waardoor ik moeilijk aadmend verder ga: Maar hij weerhoudt mij niet.

GRYNÆUS Kan niets weerhoude’ u?

MORE Niets. Al de wat’ren van mijn wezen vloeiden naar dit punt samen, om van hier den sprong te nemen naar de rustiger gewesten waar nieuw hun loop begint. Een langen tijd groeie’ onze dade’ in ons om rijp te worden; rijp zijnd, vallen zij af. Zij rijzen uit de verborgene wortels van ons wezen, en worden door der wereld zon en regen gevoed. Om ze anders te maken zou ’t zelf anders moeten zijn en al het andere.

GRYNÆUS Vaarwel dan Morus. O wee, dat de worm van dit verdriet nu voortaan altijd knagen zal aan ’t beeld dat ik oprichtte in mijn hart; hem die ik levend boven allen eerde kon ik niet eeren in zijn dood.... Dat God u make het sterven licht....

MORE En u het leven zoet. Bedroef u niet, omdat mijn levenswil verwrongen zal verschijnen aan de menschen: wij lijden nog, ook waar wij doen.— Ik bid u, laat Erasmus weten dat ik meende een andere te moeten schijnen om dezelfde te zijn. Vaarwel. (Grynæus af.) Hoe zwaar is ’t vrienden te bedroeven!—Voor het eerst gaat hij van mij weg onvoldaan, en armer aan vreugde dan hij kwam.... ’k zag in zijn oogen neerstrijken op de velden van zijn hart de zwartgevlerkte vogel die daar lang zal broeden: doffe smart van niet te kunnen begrijpen de daden van wie wij minnen, omdat ze zijn één wezen, een ander wij. „Hij was een goed man, maar hij stierf voor Rome, zijn dood maakte op zijn leve’ een smet”—zoo zal Grynæus mij gedenken, hij zelf zei ’t, en de gedachte voelen als een stekel prieme’ in zijn vleesch....

Ja zoo denken de menschen: hun denken kruipt behoedzaam langs de banen van het leven en houdt diens vaart niet bij. Het bindt de dingen samen tot een vlot en daarop zet hun traagheid zich, tevreden voortdroomend, onbekommerd of de stroom des levens ongestuim de lichte balken weer uit elkander sloeg.—Of ’t zoo moet zijn? Of mijn denkingswijs in de vuist der velen breken zou en hen laten, gelijk blinden rondtastend zonder staf? Behoeven zij starre gedachte-banden om daarin de veelheid der verschijnselen te persen, en de verand’ring vast te leggen, zóó zichzelf beschermend van door over-veelheid verbijsterd te worden? Wie zal ’t mij zeggen? Wie is er die het weet?

(Southwell, Palmer en Rich komen binnen.)

SOUTHWELL Mijnheer, wil onze komst vergeven: zij is niet onze keus. ’t Hooggerechtshof belastte ons met een werk waarvan wij hopen dat gij ’t zult toerekenen die daartoe gaven ’t bevel, niet ons.

MORE Mijnheer de procureur, wat wilt ge van mij?

SOUTHWELL Wij kregen de last uw vertrek te doorzoeke’ en mee te nemen al wat wij vinde’ aan boeken en geschriften, om ze over te leggen aan het hof. Vergunt ge dat ik d’ onwelkome taak seffens volvoer’?

MORE Ik heb niets te vergunnen mijnheer. Men heeft mij niet gevraagd, toen men mij pennen en papier ontnam, men zou niet luisteren, zoo ik mij nu bezwaarde. Voert gij uw opdracht uit.

SOUTHWELL Komt heeren, aan het werk.

(Palmer en Rich zoeken in het vertrek en pakken de boeken en geschriften bijeen die Southwell doorbladert; na eenigen tijd, terwijl Palmer nog zoekt, wendt Rich zich tot More die rustig is blijven zitten.)

RICH Heer Thomas, ge zijt wijs en in de wetten van den staat geleerd, vergun daarom, dat ik u voorleg eene vraag die mij zeer vervult. Zoo ’t parlement tot koning van Engeland mij verklaarde, zoudt gij mij dan erkennen als koning?

MORE Ja Mijnheer ’k zou u erkennen als koning.

RICH Maar stel nu ’t geval, dat het parlement een wet maakte die mij tot paus verklaarde, zoudt gij mij dan als paus erkennen?

MORE Of stel dit ander geval eens, mijnheer Rich, dat het parlement door een wet verklaarde God niet meer God te zijn, zoudt ge u achten gebonden door zoo’n wet?

RICH Neen toch mijnheer: geen parlement heeft in geest’lijke zaken te binden macht.

MORE ’t Is als gij zegt, mijnheer.

(Southwell die aan ’t einde scherp heeft toegeluisterd maakt een beweging van teleurstelling; dan wendt hij zich tot Palmer en Rich en beduidt hun dat zij kunnen vertrekken).

SOUTHWELL Wij hebben onzen last volvoerd, mijnheer, maar vergun mij, eer ik ga, nog een woord met u te spreken.... Ge zult weldra moeten verschijnen voor het hof.

MORE Ik weet het.

SOUTHWELL Weet ge ook, waarom ’t een vol jaar duurde, eer ge werd voorgeroepen?

MORE ’k Meen het te begrijpen, maar weet het niet.

SOUTHWELL De koning wilde u redden, tegen u zelven u beschermen: achter het fronsen van zijn ongenade leeft in zijn hart nog de lach van zijn gunst. Hij hoopte, dat g’ in eenzaamheid hervinden u zelf zoudt, tot u inkeeren.... Zijn oor boog gretig naar het eerst gemurmel over dat zou stijge’ uit de lang bevroren wellen van uwe trouw.... nog buigt hij luistrend over.... Maar ’t is nu gauw te laat.... Ge zwijgt, heer Thomas?

MORE Spreken valt te zwaar. Ik zou den koning en mij zelven gaarne besparen wat nu komt, maar mijn geweten verbiedt mij te doen gelijk hij verlangt. Is u dat nieuw?

SOUTHWELL De koning laat u weten dat hij, wanneer het oordeel is gevallen niets meer vermag, om....

MORE De koning kan weten dat ik het oordeel, wanneer recht en wet nog gelde’ in zijn rijk, met gerustheid verwacht.

(Southwell maakt opnieuw een beweging van teleurstelling en loopt eenige malen het vertrek op en neer, dan wendt hij zich op nieuw tot More.)

SOUTHWELL Ik kan zulk een halstarrigheid niet vatten, in een vroom christen, mijnheer More, als gij: ge staat alleen met uwe weig’ring tegen alle bisschoppen; gij, een leek, werpt door dit weig’re’ een blaam op hun gedrag in geestelijke dingen; matigt u een oordeel aan over hen wien ge zijt gehoorzaamheid in zaken des geloofs verschuldigd.... ik begrijp u niet....

MORE Mijnheer, daden te oordeelen was eens mijn ambt, het is ’t niet meer; in de harten te lezen komt mij, een feilbaar mensch, niet toe. Ik volg den weg, dien ’k voor den goede houd, de eeden weig’rend, en neem aan dat de bisschoppen ze zwerend, gaan den weg die hun geweten hun zegt te gaan....

SOUTHWELL Weet ge wel dat uwe liefste vrienden uw koppigheid betreuren? Zij achten ’t onwaardig een verlichten geest, zich zoo te klampen aan een vorm, als gij doet in deze zaak....

MORE Mijn vrienden hebben mooglijk mijne redenen om te weig’ren niet, noch ik de hunne, om voor den eisch des konings te buigen ’t hoofd.... Er zijn tijden, mijnheer, waarin wie dachten in de levenszee bijeen te blijven, door machtige winden worden verstrooid en elk voor zich moet zoeken veilige reede. Dit is zulk een tijd....

SOUTHWELL Wat waant ge toch weigerend te bereiken?

MORE En zoo alleen de vrede van ’t gemoed, lijkt u dat zoo gering een ding, dat ik daarvoor het restje van mijn aardsche dagen niet ruilen zou?

SOUTHWELL Ik ben verbaasd te hooren dat wie zoo teeder aan de zijnen hing als gij, dien vrede proeven kan, terwijl uw kind’ren zich om u van angst verteeren. Zeg mij, Morus, verstoort nimmer uw vrede gedachte aan hun onvree? Dan moet zij zich, naar mij dunkt, hebben gehuld in dikke mantel van zelf-genoegzaamheid....

MORE Mijn kind’ren kunnen niet willen dat ik mijn geweten geweld aandoe voor hen....

SOUTHWELL Uw kinderen billijken niet uw redeloos vasthouden aan ’t onzalig besluit. Zij kozen niet uw zijde.... niet één hunner koos uw zijde.... uw lievlingsdochter zelve, d’ edelste loot van uw stam, schaart zich tegen haar vader: zij deed den eed.

MORE Ik ried haar die te doen. Wat één betaamt, is niet voor allen goed: zij, jonge vrouw en moeder, kon ’t niet dragen van man en kleinen gescheiden te zijn....

SOUTHWELL (na een stilte) Ik moet nu gaan, mijnheer. Ge moogt bedenken dat wij weer zullen samenkomen waar mijn ambt den toon van zachte overreding en hartelijken aandrang mij verbiedt.... Nu ik verzekerd ben van uw verstoktheid, zal het mij lichter vallen voor ’t gerecht de volle lengte en breedte uit te meten van uwe schuld.... Tot wederziens, mijnheer. (Southwell af.)

MORE De laatste poging.... Heden en hier werd mijn vonnis geveld.... de plompe Rich en de geslepen Southwell.... een vreemd verbond.... Hoe velen hebben zoo hun krachten beproefd op de taaie vezels van dit half-stukgereten hart.... De koning schaamt zich, ’t grijze hoofd van zijn ouden dienaar te doen neerrollen langs de trappen van ’t schavot.... wist ik voor hem en mij een uitweg.... maar ’t moet geschieden....

KINGSTON Morus, ik ben blij de brenger te zijn van welkome tijding; uw dochter Margreet kreeg verlof u te bezoeken.... zij zal daadlijk hier zijn,.... zie, daar is zij al....

(Margreet komt binnen en werpt zich in de armen van More.)

MORE Mijn trouwe kind!

MARGREET Mijn vader!

MORE Had ik geweten dat die vrucht voor mij te rijpen hing aan den boom van vandaag, hoe zouden mijn gedachten lang te voren daaraan hebben gefeest!

MARGREET Het heugt mij niet dat ik hier groeide....

MORE Een geur als van jong gras omhing de laatste maal je haar en kleedje.... Dat was mijn zomer.... tot vandaag.... Nu ligt zeker het versche hooi al op de weide gespreid voor ’t huis nietwaar? Lief hart, hoe leven de onzen?—je gezicht is klein en strak....

MARGREET O laat mij zoo nog blijven zonder spreken.... Ik voel de zwaarte der beklemming wijken, mijn angst wordt een onwezelijke droom. Hier is het goed en vrede.... o kon ik blijven hier bij u, vader.... Schuilen bij u.... Vader, ik ben uw eigen kind niet meer.... ik kon mijn woord niet houden, de onzen te steunen, ik had geen kracht meer, ik tast zelf naar steun....

MORE Geen stam zoo welgeworteld, of een wind leeft die hem omwerpen kan.... geen menschehart zoo sterk, of een smart kan het overstelpen.... Maar de ontwortelde stam blijft geveld, en dapper richten zich weer op de harten. Verhaal, arm kind.

MARGREET Sedert mijn kleine liev’ling gestorven is, die ons omschaduwd leven licht maakte met zijn zilv’ren kinderlach, heb ik mijn kloekheid niet teruggevonden. Mijn goede William houdt, met liefdesterke armen, zooveel hij kan, mij op de helling tegen naar zwart gepeins; hij draagt geduldig dat hij mij niet over u troosten kan. Dance heeft door angst en bezorgdheid verloren de speelschheid die haar zoo gevallig maakte, en sluipt een stille schim, door ’t stille huis. .... Mercy is krank.... De jongens gaan en keeren bedrukt van uitzicht, want de ooren blijven doof voor hen en de deuren dicht. Onze arme moeder weeklaagt en jammert dag en nacht: „Thomas, Thomas, wat doet g’ ons allen aan, hartlooze man”—in ’t huis dat voorheen zoemde van blij arbeidsgerucht en levensvreugd hoort men nu enkel haar snikkend geklaag door de beklemming van de stilte scheuren....

MORE Twijfel te lijden, lang dobb’ren op onzekerheid, maakt harten altijd flauw. Een steun komt nader, hij is ons al zeer nabij: dat wat onherroepelijk is en blijvend. Nog een weinig geduld, mijn kind....

MARGREET O vader, zoo wij maar eenig waren, zoo maar allen van ons als zeker zagen dat ge doet wat goed is, al kunnen zij ’t niet doorgronden, en om u heen vlochten een ring van trouw, ’t zou niet zoo vreeslijk zijn,—maar ’k sta alleen, altijd alleen tegen hun klagend vragen waarom ge toch ’t zoete leven wegstoot van u: hun smeeken maakt mij zoo ellendig, of ik u niet òmstemmen kan, die ’t dichtste leefde aan uw hart, hun verholen verwijten dat ik het nog niet deed....

MORE Mijn dierbaar kind, ’t is liefde die hen drijft: zij is niet ziende, maar ook blinde liefde stemt zacht ons hart. Geduld: misschien gaan hun oogen nog open. O ’k weet het wel, het is voor jou het zwaarst.... Is er dan niemand van de oude vrienden wiens vaste lichte hand de zwakke stengel opbinden kan van hun slaphangend hart? Is er niemand, Margreet?

MARGREET Ach vader, die ons bleven trouw—en het zijn er maar wein’ge— zuchten, en wenden ’t hoofd af als wij spreken van u.... Zij willen onze smart niet met het koude ijzer van hun blaam beroeren maar zij begrijpen niet, wat u beweegt.... er is niemand meer, die u steunt....

MORE Mijn kind, wees daarom niet verdrietig: niemands steun kan mijn stam tegen den windvlaag beschermen die mij omwerpen gaat. O waarom springt je hart telkens zoo schichtig voor de waarheid wier schaduw valt voor onzen voet, opzij? Zie haar aan: zij is niet verschrikkelijk zoodra je haar aanziet met vaste oogen. Is de dood zulk een vreeslijk kwaad voor mij? Ik ben sinds lang nog maar van hem gescheiden door een dunne en ijle mist. Tweemaal sedert ik hier kwam scheurde die: ik zag zijn rustomkransd gelaat over het mijne gebogen en voelde geen vrees.... wèl lichte droefheid toen ’t weer verdween....

MARGREET O spreek niet zoo, ik kan ’t niet hooren.... Vader, mijn hart is sinds ge weg zijt, zoo dof en zwaar geworden.... ik kan niet verder leven met dat doffe bezwaarde hart! O dat ge ’t nemen kondt tusschen uw hande’ en met uw warme adem weer daarin wekken d’ oude heerlijkheid van hoogen drang en gloed. Die is nu dood. Moed is in mij dood.... o ik bid u, help mij, vader, geef mij een levenswoord, geef mij een woord dat ik dag en nacht als een warme zachte troost kan drukken tegen mijn borst, en voelen dringen zijn kracht in mij....

MORE Zoo’n wonderwoord groeit hier op aarde niet, dochter Margreet: het hart wekt in de woorden warm getril van leven, door zijn eigen levenswarmte; is het zelf kil dan blijven z’ in hem slapen als zaad in hard-bevroren aard.... Mijn kind, niemand kan voor een ander wezen voeren de worsteling tegen een smartgolf als jou overmocht; dat moet hij zelf, zijn eigen kracht moet hem weer oprichten.... Ik kan niets dan zóó je handen streelend, zachtjes zeggen: hef je hart op naar d’ oude helderheden, zij stralen nog....

MARGREET Ik kan het niet.... ik kan niets voelen als die doffe zwaarte, en scheurt die de scheuten van een vreeselijke pijn.... vader.... heb medelijden met ons.... Laat ons niet zoo achter.... morgen is de dag.... Laat ons niet zoo verloren achter, vader.... ik smeek u, doe den eed....

MORE (na een stilte) Ook jij, Margreet.... nu breekt de laatste staf waarop ik leunde doormidden.... waarom heb je dat gedaan....

MARGREET Vader....

KINGSTON (binnenkomend) Vrouwe Margreet, de tijd is om. Ik liet u blijven tot het allerlaatst, maar de poorten moeten gesloten worden: ik bid u, maak een kort vaarwel.

MARGREET O vader, moeten wij dan zóó scheiden....

MORE Mijn arm kind, het moet, en langer waar alleen verlenging van onze pijn. Kus moeder goedendag, groet maag en vriend van mij, zeg hun te dragen een moedig hart, en te roeme’ in de waarheid: dat is het heil. Dank die mij diende’ in trouw, en de geburen, wier hulpvaardigheid mijn hart dikwijls verheugde: geef hun allen minlijke groet.... Treur niet te zeer, mijn kind: wij zullen elkaar weerzien waar vreugd bloesemt uit alle droefheid, alle aardsche zwakheid gelouterd wordt tot kracht.

MARGREET Vergiffenis....

MORE Mijn lieve hart, er valt niets te vergeven: het moest zoo zijn.

(Margreet met Kingston af. More na lang zwijgen.)

Kom nu, mijn laatste vriend, kom dood en maak dit kranke hart gezond.... Ik kan niet meer.— Mijn vrienden zoeken mij te wringen in het enge keurs van hun partijd’ge meening; zij wenden zich in wrevel van mij af omdat hun wil niet mijn kompas kan wezen. Voor de mijnen ben ik een steen geworden waaraan hun voet zich stoot.... Mijn liefste kind hoort als een vreemd en onverstaan rumoeren het kloppen aan van mijn hart.... Eenzaamheid, ik zag u lang genaken, eenzaamheid, en voor u sidderde mijn hart terug dat maar gedijt, wanneer het houdt één maat met and’re harten.... sidderde terug als het u hoorde spoken door mijn hoofd, en kon u toch niet, kon u toch niet vliên.... ge zijt gekome’: onder uw looden hand krimpen mijn schouders en huivert mijn hart.